De vruchten van jullie arbeid

Haggai 2:10-23

10 Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Haggai: 11 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Vraag de priesters hierover een uitspraak te doen:12 Als iemand offervlees bij zich draagt in een plooi van zijn mantel, en deze plooi komt in aanraking met brood of met gekookt voedsel, met wijn, olie of met wat voor voedsel ook, wordt dat voedsel daardoor dan heilig?’ ‘Nee, ‘antwoordden de priesters op deze vraag. 13 Vervolgens vroeg Haggai: ‘Als iemand die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, zulk voedsel aanraakt, wordt het daardoor dan onrein?’ ‘Ja, ‘antwoordden de priesters, ‘het wordt daardoor onrein.’ 14 Daarop zei Haggai: ‘Zo is het ook met deze mensen-spreekt de HEER -,zo is het in mijn ogen gesteld met heel dit volk, en zo is het ook met de vruchten van hun arbeid; alles wat zij offeren is onrein. 15-16 Maar let op wat er vanaf vandaag gebeuren gaat. Hoe was het met jullie gesteld voordat er aan de herbouw van de tempel van de HEER begonnen werd? Jullie dachten twintig maten graan te scheppen, maar de graanhoop bleek slechts tien maten groot te zijn; jullie dachten vijftig maten wijn uit de pers te halen, maar de perskuip bleek slechts twintig maten te bevatten. 17 De vruchten van jullie arbeid heb ik getroffen met korenbrand, meeldauw en hagel, en toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd-spreekt de HEER. 18 Maar let op wat er gebeuren gaat, vanaf vandaag, vanaf deze vierentwintigste dag van de negende maand, vanaf de dag dat de tempel van de HEER gegrondvest is, let op! 19 Het is waar dat het zaad nog ongebruikt in de schuur ligt, en ook hebben de wijnstok en de vijgenboom, de granaatappel en de olijf nog geen vrucht gedragen, maar vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’ 20 Op die vierentwintigste dag van de maand richtte de HEER zich nogmaals tot Haggai: 21 ‘Zeg dit aan Zerubbabel, de gouverneur van Juda: “Ik zal de hemel en de aarde doen beven, 22 ik zal alle koningstronen omverstoten en de macht van alle volken breken, ik zal de strijdwagens met hun berijders omverwerpen; de paarden zullen neerstorten en de ruiters zullen elkaar ombrengen. 23 Op die dag-spreekt de HEER van de hemelse machten-zal ik jou, Zerubbabel, zoon van Sealtiël en mijn dienaar, dragen als mijn zegelring, want jou heb ik uitverkozen-zo spreekt de HEER van de hemelse machten.”’ (NBV)

Alles hangt met alles samen. Dat maakt het leven soms bar ingewikkeld. Wat deugt en wat deugt er niet. Om je daarvan bewust te maken had het volk Israël de begrippen rein en onrein. Tot op vandaag de dag worden die begrippen in het Joodse volk gehanteerd in het dagelijks leven. Zelfs de keukens zijn in tweevoud uitgevoerd om rein te kunnen koken en te zorgen dat de melk niet met het vlees van de moeder vermengd wordt. Maar onrein wordt alles als je onnadenkend je zaken vermengd met de dood. Dat is wat Haggai wil duidelijk maken. En de dood in de pot vindt je als je alleen voor jezelf zorgt, als je geen acht slaat op de zaken waar het in het leven om draait, het leven van alle mensen. Want alleen leven betekent de dood, maar samen leven betekent het leven zoals de God van Israël dat van begin af heeft gewild. Die dood in de pot vond het volk na een mislukte oogst. Niet 20 maten graan waren er te vinden maar slechts 10 en niet 50 maten wijn maar slechts 20.

Ziekten, slecht weer en tegenslag deden de oogst mislukken en als je niet met elkaar deelt kom je de slechte tijd niet door. Het is dus de hoogste tijd dat het anders zal gaan. Iedere keer geeft de profeet ons een tijdvermelding en vanaf die tijd moet je het anders gaan doen. Bij ons zal je de komende 5 weken meer op elkaar moeten letten en bereid te zijn met elkaar te delen, zeker met hen die dat het hardst nodig hebben. En als je dat gaat doen dan breken er geweldige tijden aan. Koningstronen zullen omver gestoten worden en de macht van volken zal worden gebroken. Zoals de macht van de Farao met de wagens en paarden gebroken werd in de Schelfzee zo zullen ook de rovers en de plunderaars elkaar uitmoorden.  Want de God van Israël bevrijdt zijn volk van de dood. De profeet Haggai moet kennelijk ook de gouverneur van Juda nog moed inspreken. Die had de leiding, niet alleen over het volk maar ook over de herbouw van de Tempel in Jeruzalem. Als je de geschiedenissen van de herbouw naast elkaar legt dat zul je zien dat er soms hele tijden zitten tussen begin en voortgang van de bouw van de Tempel. Maar het gaat door.

Daar spreekt het 12 profetenboek heldere taal over. Het volgende verhaal, dat van de profeet Zacharia, knoopt al in het eerste vers met de tijdsbepaling aan bij Haggai, het geeft dezelfde tijdsbepaling. Hoogste tijd dus om de Tempel van de God van Israël ook bij ons in het centrum van het leven te zetten. De crisis die ook wij meemaken door hebzucht en misleiding kan niet en mag niet afgewenteld worden op de armen. Integendeel, de armen zal recht gedaan moeten  worden. We kunnen alleen rijker worden door te delen. We zien dat aan de groei van de economie door het minder arm worden van tot nu toe arme landen. Als ook daar de rijkdom gedeeld wordt ontstaan er ongekende mogelijkheden. Maar wij zullen dan de vinger niet naar anderen moeten wijzen maar in onze samenleving laten zien hoe in vrede samen geleefd kan worden en hoe eerlijk gedeeld kan worden. Daar kunnen we elke dag weer aan werken, ook vandaag weer.

Houd vol

Haggai 2:1-9

In het tweede regeringsjaar van koning Darius, 1 op de eenentwintigste dag van de zevende maand, sprak de HEER opnieuw bij monde van de profeet Haggai. Hij droeg hem op: 2 ‘Zeg tegen Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tegen Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en tegen wie er van het volk nog over zijn: 3 “Wie van jullie heeft deze tempel nog in zijn vroegere luister gezien? En hoe ziet hij er nu uit? Jullie denken zeker dat het niets meer kan worden!” 4 Maar houd vol, Zerubbabel-spreekt de HEER -,houd vol, Jozua, zoon van Josadak en hogepriester; jullie allen, bewoners van dit land, houd vol! spreekt de HEER. Werk door, ik ben bij jullie-spreekt de HEER van de hemelse machten. 5 Dat heb ik jullie beloofd toen jullie wegtrokken uit Egypte; ik zal steeds in jullie midden aanwezig zijn, wees dus niet bevreesd. 6 Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nog een korte tijd, een ogenblik slechts, en ik zal de hemel en de aarde, de zee en het land doen beven. 7 Alle volken breng ik in beroering, hun schatten zullen mij toevallen en mijn huis zal ik vullen met pracht en rijkdom-zegt de HEER van de hemelse machten. 8 Het zilver is voor mij en het goud is voor mij-spreekt de HEER van de hemelse machten. 9 De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voorheen-zegt de HEER van de hemelse machten-, en van hieruit zal ik jullie vrede en voorspoed geven-spreekt de HEER van de hemelse machten.’ (NBV)

Zo waren dus de bewoners van Jeruzalem aan het werk gegaan om een nieuwe Tempel te bouwen, dat ondanks een aanvankelijk verbod dat zelfs met soldaten werd afgedwongen. Na de dagen van Salomo, die begonnen was met de bouw van de Tempel, was deze uitgegroeid tot een prachtig gebouw. Overal waren bouwlieden en grondstoffen vandaan gekomen om de Tempel het aanzien en luister te geven dat de God van Hemel en Aarde toe zou komen. Die Tempel was verwoest bij de inname van Jeruzalem toen het volk in ballingschap was weggevoerd. Nu moest die Tempel weer opgebouwd worden. Het is een ding als je een mooi huis wil bouwen, maar het is nog iets anders als je de mooiste Tempel van de wereld wil bouwen. Er was ook nogal wat tegenstand weten we uit de boeken van bijvoorbeeld Ezra en Nehemia. Maar Haggai geeft de boodschap van de God van Israël door dat ze vol moeten houden, dat ze niet met minder genoegen moeten nemen.

De Tempel in Jeruzalem moet weer het hart van de wereld worden waar alle volken zich toe zouden kunnen wenden. Het wordt tijd voor een echte Tempel zegt het verhaal eigenlijk. Want die Tempel komt er niet zomaar, die Tempel is niet voor de sier. Alle machten die lijken tegen te werken staan uiteindelijk onder de heerschappij van de God van Israël. En reken maar dat de omringende volken zo af en toe langs kwamen om de Tempelbouwers uit te lachen. Hun goden zouden hen beschermd hebben en alleen de God van Israël had verloren. Dat er al wat ballingen teruggekeerd waren was natuurlijk geen argument. Zo’n godje als die van Israël stelde niks voor. Om dan niet met de heersende mode mee te gaan maar te blijven vertrouwen op de belofte van de God van Israël dat de nieuwe Tempel grotere luister zou hebben dan de Tempel van Salomo vergde wel heel veel. Daarom wordt nog eens benadrukt dat die godjes van de omringende volken uiteindelijk onder de macht van de God van Israël vielen. Juist het nalopen van de heersende mode had de verwoesting mogelijk gemaakt.

Nu moesten ze er op vertrouwen dat die Tempel vrede en voorspoed zou brengen. En natuurlijk, de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, waarvoor de Tempel een bewaarplaats was, zou vrede brengen, die Wet zegt immers dat je niet mag doodslaan. Die Wet zou ook voorspoed brengen, want van delen wordt je immers rijker dan van oppotten. Maar wanneer dat zou komen moeten ook wij zelfs in onze dagen ons afvragen. Het “houd vol” en “werk door” geldt ook voor ons. Nog steeds is er geen Tempel, ook niet in de harten van de gelovigen, waar alle volken zich tot kunnen wenden. Ook vandaag de dag moeten we werken aan een bewaarplaats voor de Wet. Sinds de dagen van Paulus is die bewaarplaats ons eigen hart. Als wij van onze naaste houden als van onszelf en daarvoor alle mensen meekrijgen dan komt de vrede in de wereld en de welvaart voor iedereen op aarde. Daaraan werken kan elke dag, ook vandaag weer.

Welke weg zijn jullie ingeslagen?

Haggai 1:1-15

1 In het tweede regeringsjaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, richtte de HEER zich bij monde van de profeet Haggai tot Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tot Jozua, zoon van Josadak en hogepriester: 2 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Dit volk beweert dat de tijd nog niet gekomen is om de tempel van de HEER weer op te bouwen. 3 Maar, ‘zo sprak de HEER bij monde van de profeet Haggai, 4 ‘is de tijd dan wel gekomen om zelf in mooi afgewerkte huizen te wonen? En dat terwijl mijn huis nog een ruïne is! 5 Nu dan-dit zegt de HEER van de hemelse machten: Welke weg zijn jullie ingeslagen? Denk toch na! 6 Jullie hebben veel gezaaid maar weinig geoogst; jullie eten maar raken nooit verzadigd, jullie drinken maar nooit is het genoeg, jullie kleden je maar krijgen het nooit warm; de dagloner krijgt zijn geld maar het verdwijnt in een beurs vol gaten. 7 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Welke weg zijn jullie eigenlijk ingeslagen? 8 Ga naar de bergen, haal daar hout en bouw mijn huis weer op. Met vreugde zal ik het aanvaarden en er mij in al mijn luister tonen-zegt de HEER. 9 Jullie hebben veel verwacht, maar hoe weinig is het geworden, en wat jullie wél binnenhaalden, is door mijn adem vernietigd. En waarom? spreekt de HEER van de hemelse machten. Omdat mijn huis nog altijd een ruïne is, terwijl ieder van jullie zich uitslooft voor zijn eigen huis. 10 Daarom onthoudt de hemel jullie zijn dauw en brengt de aarde niets meer op. 11 Ik heb het land en de bergen, het koren, de wijn en de olie, al wat de aarde opbrengt, ieder mens en elk dier, en alles wat jullie moeizaam tot stand hebben gebracht, met droogte getroffen.’ 12 Zerubbabel, zoon van Sealtiël, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, luisterden naar de oproep die de HEER, hun God, had gedaan; ze luisterden naar de woorden van de profeet Haggai, die door de HEER, hun God, gezonden was. En het volk werd vervuld van vrees voor de HEER. 13 Maar Haggai, de bode van de HEER, zei in opdracht van de HEER tot het volk: ‘Ik ben bij jullie-spreekt de HEER.’ 14 Zo zette de HEER Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, ertoe aan te beginnen met het herstel van de tempel van de HEER van de hemelse machten, hun God. 15 Ze gingen aan het werk op de vierentwintigste dag van de zesde maand. (NBV)

Vandaag lezen we uit het 12 profetenboek het verhaal van de profeet Haggai, het verhaal over tijd en tijden. Heel nauwkeurig wordt aangegeven welke dag het is, over wanneer het begonnen is. Uiteindelijk heeft het verhaal van Haggai zich in vier maanden afgespeeld. Tijd is ook wat het verhaal van Haggai verbindt met het verhaal van Sefanja dat er in het 12 profetenboek aan vooraf gaat. Wij zijn misschien gewend om de verhalen van de 12 zogenaamde kleine profeten als aparte boeken te lezen maar in de Hebreeuwse Bijbel vormen ze 1 boek en dat is niet voor niks. In het midden staat het verhaal van Jona de profeet die het allemaal helemaal niks vond. Dat is maar niks als menselijk. Dat merken we ook direct in het verhaal van Haggai want er wordt wel deftig gesmeten met officiële tijdsaanduidingen, zoals in het tweede jaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, maar al snel blijkt het helemaal niet te gaan om een formele geschiedenis die je zou kunnen terug lezen en kinderen uit het hoofd zou kunnen laten leren.

Het geschiedenisverhaal waar Haggai zich mee bemoeit kun je nalezen in het boek Ezra, de eerste 6 hoofdstukken. De vraag is wanneer het volk het tijd zou vinden weer eens aan de God van Israël te denken. Ze zijn teruggekeerd uit ballingschap, ze zijn weer hard aan het werk gegaan. Maar er wordt eerst een huis voor jezelf gebouwd, het werk aan de Tempel hadden ze moeten stilleggen. Het is dus de vraag, wat komt eerst, de zorg voor jezelf, of de zorg voor de zaak van God? Want denk er om die Tempel die in Jeruzalem moet worden gebouwd is niet zomaar een Tempel met een beeld en het brengen van offers om die God tevreden te stellen, om voor jezelf welvaart af te bidden bij een Godheid. De Tempel in Jeruzalem is voor godsdienstoefening. Elke morgen en elke avond oefen je in het delen van wat je hebt. Daar leven de priesters en levieten van. Die Tempel is er ook om recht te kunnen spreken in gedingen tussen burgers, daar zorgen de levieten voor. En een paar maal per jaar ga je naar de Tempel om een maaltijd te houden met je familie, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen die voor je werken, ook dat is een godsdienstoefening.

De vraag wanneer je nu eens klaar bent met je eigen huis en je gaat werken voor het huis van de Heer van hemel en aarde is dus ook de vraag wanneer je die godsdienst nu eens in de praktijk gaat brengen. Dat de Heidense autoriteiten over stad en land rond Jeruzalem er tegen zijn mag je niet tegenhouden. De vraag wanneer we het liefhebben van de naaste boven onze eigen welvaart zetten mogen wij ons ook wel eens wat vaker stellen. Ook ons leven gaat over zorgen voor onszelf, ons eigen huis, onze eigen welvaart, onze eigen gezondheidszorg, maar een leven in dienst van de Heer van hemel en aarde gaat ook over onze naaste liefhebben als onszelf, over delen met de armsten, het voeden van de hongerigen en samen leven met de vreemdelingen die met ons werken, over het recht verschaffen aan mensen die geen advocaat kunnen betalen, over het beschermen van je naaste tegen besmetting met een dodelijk virus. Het is de hoogste tijd om daar aan te gaan werken wat de tijden of de tijdgeest ons ook voorhouden. Werken voor de God van Israël kan elke dag, ook vandaag weer.

Wees altijd verheugd

1 Tessalonicenzen 5:12-28

12 Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. 13 U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. 14 Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. 15 Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. 16 Wees altijd verheugd, 17 bid onophoudelijk, 18 dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. 19 Doof de Geest niet uit 20 en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. 21 Onderzoek alles, behoud het goede 22 en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. 23 Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 24 Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand. 25 Broeders en zusters, bid ook voor ons 26  en groet elkaar met een heilige kus. 27  In de naam van de Heer verzoek ik u dringend deze brief voor te lezen aan alle broeders en zusters. 28  De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. (NBV)

Hiermee sluiten we het lezen van het oudste geschrift uit het Nieuwe Testament af. Paulus besluit met de oproep zijn brief aan iedereen voor te lezen en dat gebeurt tot op de dag van vandaag in alle kerken van de wereld. De Bijbel is in bijna alle talen van de wereld vertaald. Maar die vertalingen verschillen. De oproep “Leef in vrede met elkaar” wordt bijvoorbeeld in de Naardense Bijbel vertaalt met “Houdt vrede met elkaar” in dat klinkt toch wat actiever dan de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling. Ook andere Nederlandse vertalingen kennen deze actieve variant. Vrede houden, zeker in een christelijke gemeente, is een zaak waaraan je moet werken. In de geschiedenis is dat maar al te vaak verkeerd gegaan en daardoor zitten we alleen al in ons land met enkele honderden verschillende kerkgenootschappen en christelijke groeperingen. Geen wonder dus dat Paulus oproept om compassie met de leraars te hebben. Voor hen is het wel het aller moeilijkst de vrede in de gemeente te bewaren.

Zo gemakkelijk worden ze misverstaan. Wie kent nu de wetenschappelijke discussie over de betekenis van Hebreeuws en Grieks en dan nog het Hebreeuws en het Grieks waarin Bijbelboeken zijn geschreven in verschillende tijden door verschillende personen. Het Grieks van Paulus is volgens de geleerden bijvoorbeeld een bijzonder Grieks waarin zijn Hebreeuwse achtergrond duidelijk doorklinkt, ongeveer zoals Allochtone schrijvers hun moedertaal laten doorklinken in hun Nederlandse romans. Voordat we dus in discussie gaan over betekenis en toepassing van de schrift hebben we wat af te studeren. Altijd naar het goede te streven is misschien toch wat sneller te begrijpen. Alles onderzoeken en het goede daaruit te behouden is weer wat moeilijker. De kerken hebben in de loop van de geschiedenis allerlei wetenschappelijke terreinen proberen af te sluiten omdat ze gevaarlijk zouden kunnen zijn voor het geloof.

Maar wat houdt je nu eigenlijk af van het vertrouwen dat de armen bevrijdt zullen worden? Toch niet het wetenschappelijk onderzoek dat voor de evolutieleer meer bewijzen vindt dan voor een scheppingsverhaal of een ontworpen geschiedenis? We mogen in elk geval blij zijn met wat we hebben. Die levenshouding kan ons behoeden voor het mee gaan doen in de race voor winst en profijt, voor hebben en houden dat tegenwoordig de overhand heeft. Niet het delen met anderen en genieten van wat we hebben, maar desnoods leningen afsluiten die je diep in de schulden brengen om het nieuwste van het nieuwste te krijgen. Een voorbeeld van een gemeenschap waarin men in vrede met elkaar weet te leven en niet met stenen en vuurwerk discussies hoeft te voeren hebben we meer dan ooit nodig. Paulus raad ons aan het kwaad te vermijden, dit kwaad is voor iedereen te vermijden en het vermijden van het schuldenkwaad is ook aan iedereen duidelijk te maken. Draag het dus uit.

Vluchten is dan onmogelijk.

1 Tessalonicenzen 5:1-11

1 Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het moment waarop dit zal gebeuren, 2 want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. 3 Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën. Vluchten is dan onmogelijk. 4  Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, 5  want u bent allen kinderen van het licht en van de dag. Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis, 6  dus laten we niet slapen, zoals anderen, maar waken en op onze hoede zijn. 7 Wie slaapt, slaapt ‘s nachts, en wie zich bedrinkt, is ‘s nachts dronken; 8 maar laten wij, die toebehoren aan de dag, op onze hoede zijn, omgord met het harnas van geloof en liefde, en getooid met de helm van de hoop op redding. 9 Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. 10 Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met hem zullen leven. 11 Dus troost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals u trouwens al doet. (NBV)

In de dagen van Paulus kwam er in het Romeinse Rijk een Perzische godsdienst op die heel populair zou worden. Eigenlijk zo populair dat de grondgedachten van die Heidense godsdienst ook in het Christendom een rol zouden gaan spelen. Het was de godsdienst van Zaratustra. Grondgedachte was dat er een voortdurende strijd gaande was tussen Goed en Kwaad, tussen de goden van goed en kwaad, en dat de mensen zouden moeten meevechten om bij de eindoverwinning mee te kunnen profiteren van die overwinning. In dit gedeelte van de brief aan de mensen in het Griekse Tessalonica kunnen we lezen dat Paulus dat beeld eigenlijk verwerpt. Als kinderen van het Licht hebben we eigenlijk weinig of niks te maken met de strijd tegen het kwaad. De overwinning is immers al behaald voordat de strijd begonnen was. De Liefde was van voor de schepping van Hemel en Aarde gelijk aan de God die de Hemel en Aarde geschapen heeft en van die Schepping staat geschreven dat God zag dat het goed was.

Dat kwaad kwam in de wereld door het gedrag van de mensen zelf, als mensen zich weer door de liefde laten lijden zal het kwaad uiteindelijk ook weer verdwijnen. Omgord met het Harnas van geloof en liefde en getooid met de Helm van de hoop is de dag van de overwinning ook niet iets van een verrassing, die dag die komt, wat ons betreft vandaag nog. Juist in de Liefde voor de naaste ligt de redding. Dat was immers de ontdekking van het volk in de woestijn, door een onvoorwaardelijke liefde voor elkaar, bereidheid om alles te delen voor elkaar, kun je het in de woestijn uithouden en de woestijn doorkomen. Dat kwade is dus niet belangrijk. Paulus hamert er in vele brieven op je niet met het kwade bezig te houden maar met het goede. Het kwade is te verdrijven niet door het te bestrijden maar door het goede te doen en niet dan het goede. Dat is het harnas van Liefde en Geloof, uit liefde doen we dit en we vertrouwen er op dat het zo ook zal gaan.

Hoop hebben we nodig om het vol te houden, om het uit te houden in een wereld waar mensen steeds weer de neiging hebben het kwade te volgen, eigenbelang en de goden van winst en profijt voorop te stellen. De gemeente in Tessalonica had het helemaal door. Ze waren elkaar al tot voorbeeld. Ze hielden elkaar wakker en scherp als het ging om de zorg voor de armen in de stad, de verbondenheid met de slaven, de weduwen en de wees, het helpen van de zieken, het troosten van de stervenden en de bedroefden, het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten. Juist dat maakte hen vrij van onderdrukking, daar heb je geen andere overheid voor nodig dan God, dan is er geen Tempel en geen Priester die je zal moeten helpen, de hulp komt van broeders en zusters om je heen. Zo gaat het tot vandaag toe.

Troost elkaar met deze woorden.

1 Tessalonicenzen 4:13-18

13 Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben. 14 Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. 15 Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijv1en tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. 16 Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, 17 en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. 18  Troost elkaar met deze woorden. (NBV)

Je kunt je hele leven werken voor anderen maar aan het eind ga je toch dood. In de tijd van Paulus was het soms nog erger want er waren mensen in de gemeente die gedood werden juist omdat zij omkeken naar het lot van de armsten in de stad. Is de dood een passende beloning voor de trouw aan het woord van God? Dat wil er bij niemand in. Gelovig of ongelovig, als je het gebod volgt je naaste lief te hebben als jezelf dan gun je niemand de dood als het laatste woord. Het feit dat Jezus van Nazareth op de een of andere manier de dood heeft overwonnen en zich na zijn dood aan zijn leerlingen liet zien doet niet af aan het feit dat sindsdien toch al die volgelingen dood zijn gegaan en we dat met z’n allen geen beloning vinden voor alles wat ze hebben opgegeven. Hoe zit het dan met de dood en het leven na de dood? We weten het niet.

In het boek Genesis lezen we dat God het leven van de mensen in tijd heeft begrensd en de Prediker schrijft dat de adem van God, waarmee aan de mens het leven werd gegeven, terug keert naar God zelf. Dat is een mooi beeld en een eenvoudig beeld. Onze adem maakt na onze dood weer deel uit van God. Dat kan je troosten. In de tijd van Paulus deden de wildste verhalen de ronde over dat deel uitmaken van God. De Grieken en Romeinen geloofden in een dodenrijk, met een rijk voor slechte doden en velden voor goede doden. Dat geloof is dus bijgeloof. Paulus vertelt dan dat er een dag komt, nog tijdens zijn leven, dat alles op de wereld zal veranderen. Dat God werkelijk bij ons zal komen wonen en dat de doden uit hun graf zullen ontwaken en levende gelovigen en opgestane gelovigen op de wolken zullen worden weggevoerd. Ook dat moet een beeld zijn om uit te drukken dat onze adem terug zal keren bij God. In het boek “Openbaringen”, wordt dat beeld weer op een andere manier verwoord.

Daarom kunnen we rustig zeggen dat we niet weten wat er na onze dood gebeurt. Aangezien de boodschap van de Bijbel is dat God voor ons zal zorgen hoeven we ons er ook niet druk om te maken. Als we kiezen voor het leven, kiezen we ook voor het leven van onze naaste en zijn we bedroefd om iedereen die het leven verlaat. Het meest bedroefd mogen we zijn om hen die ons nabij zijn geweest in het leven. Troost is dat God voortaan voor hen zorgt. Maar soms is dat een schrale troost. Het verlies van jonge kinderen, het verlies van jonge mensen, van nog lang niet oude geliefden, van geliefden met wie je vele jaren bent opgetrokken, wordt niet minder van de gedachte dat ze bij God zijn. Dat God ze beter bij ons had gelaten is vaak een zeer te begrijpen gedachte. Maar geen verdriet hebben is erger, misschien dat ook verdriet kan troosten, verdriet omdat we voor het leven kiezen en dat leven ook willen voor onze naaste.

Over de onderlinge liefde

1 Tessalonicenzen 4:1-12

1 Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. 2 U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. 3 Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, 4 dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen 5 en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. 6  Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. 7 God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. 8 Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft. 9 Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan. 10 U doet dat al met alle gelovigen in heel Macedonië, maar, broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen 11 en er een eer in te stellen in alle rust uw eigen zaken te behartigen en uw eigen brood te verdienen. Dat hebben wij u opgedragen, 12 opdat u een eerzaam leven zult leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren, en u van niemand afhankelijk bent. (NBV)

Wie de boodschap kent het goede te doen en niet dan het goede weet dat er dingen zijn die je dus moet laten. Het Christendom heeft vanouds het imago dat het tal van zaken verbiedt. Maar zo is het niet. Het Christendom is, evenmin als het Jodendom dat was, een negatieve godsdienst. Paulus schrijft zelfs ergens dat alles geoorloofd is. De keus om iets te doen of iets te laten is aan de individuele gelovige zelf. Het goede ligt niet absoluut vast, zodat de ene keer iets heel goed is om te doen, terwijl het een andere keer juist het kwade is wat je op het punt staat te doen. Dit gedeelte uit de brief aan de mensen in Tessalonica zet ons een beetje op het spoor hoe in de praktijk uit te maken wat je nu wel en wat je nu niet moet doen. Wat hierboven staat is het centrale criterium in dit gedeelte, een ander niet schaden of bedriegen. Daar komt ook de waarschuwing tegen de ontucht vandaan.

In de samenleving waar Paulus naar schrijft waren er slaven en slavinnen die je kon huren of kopen om je lusten te bevredigen. De mensenhandel die welig in onze prostitutie tiert heeft het na al die eeuwen niet anders gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat je niet een broer of zus misbruikt voor je lustbevrediging. Dat is dus heel iets anders als twee mensen samen besluiten samen plezier van elkaar te hebben en dat met elkaar te delen. Het bestrijden van mensenhandel en de slachtoffers van lover boys bevrijden geeft mensen alleen maar meer mogelijkheden plezier in het leven te hebben. Immers alle mensen zouden zich moeten onthouden van het maken van misbruik van broers en zussen. Juist de goddelozen schuiven de zorg en bescherming af op de overheid en stellen dat je eerst je eigen lust moet bevredigen en dan pas hoeft na te denken over de vraag of je misschien misbruik van iemand hebt gemaakt.

De Bijbel draait dit om, eerst nadenken over mogelijk misbruik en als dat aan de orde is, beheers je dan. Paulus noemt dat Heilig, daar zit het woord heel in. Een perfect mens te zijn, beeld van God, bekleed met liefde voor de naaste, dat is pas Heilig. Daar streven we naar. Misbruik maken van je naaste is als misbruik maken van God. Wie de wanstaltige beelden van seksueel misbruik van kinderen in Thailand en andere vergelijkbare landen ziet vraagt zich af waarom zelfs het organiseren van vliegreizen naar deze oorden niet strafbaar wordt gesteld. Het onrecht onze broeders en zusters aangedaan schreeuwt naar de hemel maar de westerse gelovigen lijken doof te blijven. Paulus wijst op de solidariteit met de gelovigen ook elders, die je moet vergroten. Het wordt dus tijd voor een Europese actie tegen misbruik, mensenhandel en lover boys. Samen kunnen we kennelijk wel wat.

Uw liefde voor elkaar en ieder ander

1 Tessalonicenzen 3:1-13

1-2 Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, 3  zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. 4  Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. 5 Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. 6 Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld hoezeer u ons altijd als voorbeeld neemt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. 7 Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, 8 want nu opnieuw blijkt dat de Heer uw fundament is, leven we weer op. 9 Kunnen we God ooit genoeg voor u danken? Kunnen we hem ooit genoeg danken voor de vreugde die hij ons met u geschonken heeft? 10 Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt. 11 Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. 12 Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. 13 Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn engelen. Amen. (NBV)

Die jonge gemeenten hadden het niet gemakkelijk. Steeds kwamen er mensen langs die de baas wilden zijn en deden of zij de wijsheid in pacht hadden. Omdat de schrijvers van de brief zelf inmiddels elders aan het werk waren konden ze zelf niet naar Salonici terug gaan. Ze besloten Timoteüs te sturen om de gemeente een hart onder de riem te steken. En Timoteüs was teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd. In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder? Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten.

De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”. Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen. De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie.

Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen, of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord. Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief. In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Alleen de vluchtelingen die bijna lopend naar hier zijn gekomen en de reis over de Middellandse zee hebben overleefd werden massaal geholpen, maar mogen inmiddels op onze kosten wegrotten in helse kampen in Griekenland. Zou Paulus vandaag toch aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen over de mensen in Salonici?

Want wie is onze hoop en vreugde?

1 Tessalonicenzen 2:13-20

13 Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft. 14  Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. 15  Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind, 16 omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. 17 Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u weliswaar uit het oog, maar daarom nog niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. 18 We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen-ik, Paulus, niet in de laatste plaats-, maar Satan heeft het ons belet. 19 Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? 20 Ja, u bent onze eer en vreugde. (NBV)

We lezen vandaag een stuk uit de Bijbel dat ons in de eerste plaats leert hoe gevaarlijk het is om teksten uit de Bijbel uit hun verband te halen en uit te leggen zonder de rest van de Bijbel er bij te betrekken. Als je dat namelijk niet doet dan lijkt het of Paulus hier alle Joden beschuldigd van Godsmoord omdat zij er toe hadden aangezet dat de Romeinen Jezus van Nazareth aan het kruis moesten nagelen. We laten zo buiten beschouwing was Paulus verder over Joden gezegd heeft en dat hij zelf Jood was, Dat zijn medeschrijvers ook Joden waren en dat, misschien nog het belangrijkste, een groot deel van de Christelijke gemeente Joods was. Dat we zo zijn gaan denken komt misschien omdat religieuze bewegingen in het algemeen al snel bij de borstkloppers gaan behoren, zij hebben de waarheid in pacht gekregen en de anderen moeten zich daarbij aanpassen. In Christelijke kerken wordt het nog al eens voorgesteld of de Christelijke kerk, die veel later uiteen zou vallen in kerkgenootschappen, zich van haar Joodse wortels afscheidde op het Pinksterfeest dat in het boek Handelingen werd beschreven.

Niets is minder waar. Het heeft waarschijnlijk eeuwen geduurd voor er een Rabbijns Jodendom en een Christendom als helder te onderscheiden religieuze stromingen waren ontstaan. Binnen het Jodendom zoals dat in de dagen van Paulus nog bestond woedde een felle discussie. Wie of wat was nu het ware Jodendom? Waren dat de vele messiassen de een gewelddadige opstand tegen de Romeinen preekten? In de Bijbel kennen we dan Bar Abbas als strijder tegen Romeinen en die werd verkozen boven de naar vrede strevende Jezus van Nazareth. Maar er waren ook Essenen die zelfs de woestijn introkken om maar niet besmet te worden met invloeden uit het Heidendom. Daarnaast en daartussen waren er Christenen die bijeen kwamen om uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel te lezen, verhalen te vertellen over Jezus van Nazareth en waar ook Heidenen welkom waren om mee te doen.

Centraal stond bij deze jonge gemeenten een innerlijk Christendom, al je handelingen in de samenleving moesten in overeenstemming gebracht kunnen worden met de opdracht van God je naaste lief te hebben als jezelf. Op een andere plaats schrijft Paulus dat hij wil dat Gods opdracht in je hart gebeiteld zou worden. Hij grijpt daarbij ook terug op de profeten die hetzelfde al hadden geschreven. Zo waren de jonge Christelijke gemeenten klem komen te zitten tussen hun eigen Heidense omgeving die hen vroeg offers te blijven brengen aan de Heidense goden en de Joodse ijveraars die wilden dat bekeerde Heidenen alle regels uit de Tora naar de letter zouden uitvoeren. Wij leven al eeuwen na de scheiding die zich heeft voltrokken. Toch dienen we dezelfde God en wat we lezen in de Bijbel lezen we op basis van de Hebreeuwse Bijbel. Joden Godsmoordenaars noemen is dus zeer sterk te verwerpen. Als je dat doordenkt dan zou Jezus van Nazareth zelfmoord hebben gepleegd. Niet de Joden zijn verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld, maar alle mensen, wij net zo goed en slecht als de anderen. Pas het volgen van de weg van de God van Israël kan ons daarvan bevrijden.

Nooit een dekmantel voor hebzucht

1 Tessalonicenzen 2:1-12

1 U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. 2 Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. 3 Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. 4 Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd-niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt. 5 U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. 6 We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. 7 Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster die haar kinderen koestert. 8  In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. 9 U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. 10 U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. 11 U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. 12  We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister. (NBV)

Er is in Tessalonica een bloeiende gemeente ontstaan. Altijd zijn er mensen die van zo’n succes misbruik willen maken. Ze willen wel een graantje meepikken van het enthousiasme van de nieuw ontstane beweging. Ze willen zelfs wel boegbeeld worden van die nieuwe beweging, als het maar genoeg oplevert. In de dagen dat er nog kamerleden waren die partijgenoten voordroegen voor het burgermeesterschap gebeurde het wel dat een succesvolle kleine partij overspoeld werd door mensen die namens die partij wel ergens burgemeester wilden worden. Ze waren best bereid daarvoor lid te worden van die partij. Gelukkig maar dat tegenwoordig gemeenteraden de nieuwe burgemeester voordragen na een uitgebreide sollicitatieprocedure. Maar nieuwe partijen merken na een succes in verkiezingen telkens weer dat er mensen waren die zich hadden aangesloten om hun eigen belang te dienen. Het is dus heel wel denkbaar dat ook de nieuwe gemeente in Tessalonica werd bezocht door mensen die de gemeente wel wilden helpen maar die zichzelf eigenlijk nog het beste wilden helpen.

Het driemanschap dat de brief heeft geschreven roept nog eens in herinnering hoe ze zichzelf hadden opgesteld bij de ontwikkeling van de nieuwe gemeente. Paulus had er gewerkt, Timoteüs had er later een korte tijd gewerkt en Silvanus had in de omgeving gewerkt. Van Paulus is bekend dat hij zich er op voor liet staan riemensnijder of tentenbouwer te zijn en daarmee voor zijn eigen brood wist te zorgen. Nergens wilde hij afhankelijk zijn van de gemeente waarvoor hij werkte. Niet dat hij er op tegen was als apostelen door een gemeente in leven werden gehouden, sommige van die apostelen namen ook hun gezin mee, maar het moest niet het uitgangspunt zijn voor het werk in de gemeente. Voorgangers die rijk worden van hun werk in de gemeente waren voor de briefschrijvers dan ook ondenkbaar. Voor ons niet. Het succes dat sommige voorgangers hebben wordt afgemeten aan de bereidheid van gelovigen om hen geld te geven. Misschien moeten we in zulke gevallen zeggen dat hoe rijker een voorganger van zijn werk is geworden, hoe verder zijn boodschap van de Bijbel afstaat.

De brief was begonnen met het compliment dat de gemeente in Tessalonica een voorbeeld was voor andere gemeenten in de omgeving. Nu stellen de briefschrijvers zich als voorbeeld voor de leidinggevenden die zich bij de gemeente aandienen. Zijn die nieuwe leidinggevenden als vaders voor hun kinderen? Welke vader laat zijn kinderen voor zijn eigen inkomen en welvaart werken? Het gaat ook vandaag in de Christelijke gemeente niet om eer voor kerkleden of voorgangers. Het gaat nog steeds om de eer van de God van Israël. In Tessalonica hadden ze geleerd dat de God van Israël bij de armen en onmondigen was, dat het onderscheid tussen slaven en vrijen was weggevallen en dat het niet alleen mannen waren die in de gemeente mee mochten praten. Een gemeente als in Tessalonica liet zien dat die verwarrende samenleving met al die verschillende mensen die elkaar ook vaak niet konden verstaan, omgesmeed kon worden in een liefhebbende gemeenschap, waar mensen voor elkaar zorgden, waar hongerigen gevoed werden en zieken verzorgd. Die manier van gemeente zijn is zo aantrekkelijk dat uiteindelijk iedereen daaraan mee zal willen doen, ook vandaag nog.