De rechte weg

Psalm 107:1-22

1 0‘Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 2  Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost, die hij verloste uit de greep van de angst, 3  bijeenbracht uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. 4  Soms doolden zij door de woestijn, maar een weg in de wildernis, een stad, een woonplaats vonden ze niet. 5 Ze kregen honger en dorst en kwijnden van uitputting weg. 6  Ze riepen in hun angst tot de HEER hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren, 7 hij wees hun de rechte weg, de weg naar een stad, een woonplaats. 8  Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 9 wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten. 10 Soms woonden zij in donkere krochten als slaven met ijzeren boeien, 11 want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet, de raad van de Allerhoogste verworpen, 12 hij liet hen buigen onder een zware last, ze vielen, en er was niemand die hielp. 13 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER hij heeft hen gered uit vele gevaren, 14 haalde hen weg uit donkere holen en brak hun boeien aan stukken. 15 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 16  bronzen deuren heeft hij verbrijzeld, ijzeren grendels verbroken. 17 Soms leidden zij een lichtzinnig leven en gingen onder hun zonden gebukt, 18 ze gruwden van elk voedsel en waren de poorten van de dood nabij. 19 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER hij heeft hen gered uit vele gevaren, 20 hij zond zijn woord en genas hen, ontrukte hen aan het graf. 21 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 22 laten zij hem dankoffers brengen,  juichend zijn daden bezingen. (NBV)

Overal waren ze vandaan gekomen na de ballingschap. De meeste verhalen voor de Bijbel waren in Babel opgeschreven en tot een verzameling boeken samengevoegd. In Jeruzalem was met de herbouw van de Tempel begonnen. De herontdekking van de richtlijnen voor liefde, recht en rechtvaardigheid was overal in de wereld als een lopend vuurtje rondgegaan. Eindelijk was er weer een reden voor die rare identiteit van die ballingen. In een wereld waarin iedereen achter prachtige godenbeelden aanliep, waar tempels met de meest wondere schoonheid werden gebouwd, waar de meest vreemde rituelen werden uitgevoerd, waar mannen met mannen en vrouwen met vrouwen moesten liggen om de goden tevreden te stellen en de vruchtbaarheid van de landerijen te bevorderen waren ze voortdurend raar aangekeken vanwege hun vreemde gewoonten.

Godenbeelden kenden ze niet, rituelen hadden ze bijna niet. Af en toe een maaltijd met familie en vrienden, wat armen er bij, hun personeel alsof het gelijken waren en de helpers van een tempel die ver weg en onbereikbaar leek. Geen wonder dat die mensen zingend terugkeerden naar hun land van herkomst. Die opleving van de oude Godsdienst gaf hun leven nieuwe richting en letterlijk voerde die naar een stad, de stad waar de Tempel stond. Daar werden immers die richtlijnen bewaard, daar woonde God zelf. Daar was geen godsdienstdwang, daar kon je je kinderen naar scholen sturen waar jouw godsdienst ook werd onderwezen, daar waren je vrouw en je kinderen veilig voor vreemde gewoonten en vreemde godsdiensten. Ze kenden nog het verhaal van het volk dat door de woestijn trok en ze herkenden het. Waren ze zelf ook niet in een woestijn geweest vol verraderlijke slangen, zonder eten en drinken dat niet voor de een of andere god was bestemd?

Hoe meer ze hadden geleerd over hun eigen wetten en gewoonten hoe meer ze zich daarbij thuis hadden gevoeld. Dat je het samen deed, dat je kon bouwen op je medemens betekent immers dat je er in die vreemde omgeving ook niet meer alleen voor stond. Samen sta je steeds sterker, zo sterk dat hun gemeenschap als vanzelf tot een sterke stad uitgroeide. Zo keerden ze terug, juichend en zingend en vol dankbaarheid voor dat nieuwe leven dat herontdekt mocht worden en waar ze telkens opnieuw mee zouden kunnen beginnen. Opgestaan uit de dood van de ballingschap waren ze, genezen van het vreemde waar ze toe gedwongen waren. Kunnen wij met ze meezingen vandaag? Kunnen wij vandaag ook ontdekken hoe sterk de kracht van de onbaatzuchtige liefde is? Durven we dat te doen samen met de vreemdelingen in ons midden, samen met mensen die van elkaar houden zonder dat wij oordelen over wie van wie houdt omdat religie en seksualiteit nu eenmaal niets met elkaar te maken hebben?

Een nieuwe leer met groot gezag!

Marcus 1:21-34

21  Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. 22  Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. 23 Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: 24  ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ 25  Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ 26  De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw. 27  Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’ 28  Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea. 29 Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes. 30  Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. 31  Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen. 32 ‘s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe; 33 alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. 34 Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was. (NBV)

Cynisme is heel moeilijk te bestrijden. Vooral door vriendelijke mensen die het goed bedoelen. Je probeert mensen ergens warm voor te maken en dan maakt iemand een cynische opmerking. Je zamelt geld in voor mensen die te weinig hebben om te eten en dan hoor je:” ach, hebben die mensen honger, nou dan hebben ze ook wat minder ruimte nodig, spaart huur uit en dan hebben ze ook geld om te eten.” Voor Marcus zijn die mensen bezeten van een onreine geest. Jezus van Nazareth de “Heilige van God” noemen is niet minder dan een geloofsbelijdenis die we best mogen herhalen, maar omdat je niks met Jezus van Nazareth te maken wil hebben en zelfs roept dat hij je wil vernietigen is die uitspraak juist in het leerhuis, de synagoge, cynisch. Het draait het goede om tot het kwade. Jezus van Nazareth wilde maar al te graag de boze geesten vernietigen en riep mensen op radicaal anders te gaan leven. Dat hebben we hiervoor gelezen. Er waren dan ook genoeg mensen die aan die oproep gehoor gaven, een aantal worden bij name genoemd. Cynici aanspreken als zijn ze bezeten van een boze geest vraagt nogal wat moed en persoonlijkheid.

Gehaaide politici die cynisch opmerken niet te willen betalen voor het bijbrengen van het verhaal van Jezus van Nazareth aan kleine kinderen kun je toch moeilijk beschuldigen bezeten te zijn. Dat zijn ze overigens wel, het zijn over het algemeen fundamentalistische ongelovigen die dat geloof in niks aan iedereen willen opleggen. Dat kinderen ook op openbare scholen normen en waarden aangeleerd horen te krijgen en dat die normen en waarden ergens vandaag komen vergeten ze. Dat door ouders gestichte scholen waar de normen en waarden ontleend worden aan de goddelijke richtlijnen uit de Woestijn geen cent méér krijgen dan die openbare scholen en dat aan kinderen verder exact hetzelfde geleerd moet worden wordt verzwegen. Het is uiteindelijk niet meer, en niet minder dan een boosaardige poging de goddeloosheid tot algemeen geldende norm te verheffen. Dat in onze samenleving opvattingen over hoe we met elkaar omgaan uit heel verschillende culturen en achtergronden komen en dat we onze eigen achtergrond dus heel goed moeten kennen om met anderen om te gaan ontgaat ze.

Het wordt dus tijd deze boze geesten te weerstaan en uit te drijven. Goddeloosheid is in onze samenleving een te respecteren opvatting maar die opvatting bestaat gelijkwaardig naast het geloof in het Koninkrijk van God en de leer van liefde en rechtvaardigheid als norm voor de samenleving. Moeten we daarom opgewonden raken? Koortsig om ons heen slaan om het kwade te verdrijven? Het is wat fundamentalisten soms doen, geweld gebruiken om de eigen opvatting aan anderen op te leggen. Zo niet de volgelingen van Jezus van Nazareth. Marcus beschrijft ons het voorbeeld dat gegeven wordt. De koorts had de schoonmoeder van Petrus verlamd. Hij hielp haar overeind en bracht haar weer in beweging. Niet langer koortsig en uitputtend, maar zorgend, voor de mensen direct in haar omgeving. Die houding van Jezus brengt het hele dorp er toe hem te vragen de boze geesten uit te drijven. Zo mogen wij ook zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kom, volg mij!

Marcus 1:14-20

14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. 15 Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ 16  Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. 17  Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 18  Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. 19  Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, 20  en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.(NBV)

De evangelist Marcus onderstreept graag dat Jezus van Nazareth niet op aarde rondliep om zichzelf groot te maken of zichzelf groot te laten maken. Hij liep gewoon langs het meer en ging gewoon naar de synagoge net als alle andere inwoners van Judea deden. Hij had alleen wel een bijzondere boodschap die vlak voor het gedeelte staat dat we vandaag lezen. Zijn boodschap was dat het Koninkrijk van God nabij was, de tijd was aangebroken en dat was voor de mensen goed nieuws. Dat Koninkrijk van God kenden ze. Johannes de Doper had het al aangekondigd, dat rijk waarvan de profeten hadden gesproken zou in hun dagen komen.

De leeuw zou met het lam slapen en een baby in het hol van de slang. De tranen zouden gewist worden en God zelf zou op aarde komen wonen. De bezetting door de Romeinen zou voorgoed voorbij zijn. Vrede zou het zijn op de hele aarde en armoede en onderdrukking zouden eindelijk voorbij zijn. Dat was wat er vanouds was beloofd en nu was er iemand die kwam vertellen dat het ook werkelijk zou gebeuren. Geen wonder dat mensen hem wilden volgen. Het hele volk had zich immers al laten dopen door Johannes zo vertelt Marcus maar nu Johannes gevangen is genomen begint het optreden van Jezus van Nazareth. Als iemand zegt waarop het staat, iedereen de ogen opent voor de werkelijkheid, dan heeft zo iemand gezag. Dan gaat het nieuws rond als een lopend vuurtje. Of de mensen het echt hebben begrepen is maar de vraag. Ze spraken over een nieuwe leer.

De Goddelijke richtlijn van heb Uw naaste lief als uzelf was bijna vergeten en vervangen door het gehoorzaam Uw priesters en breng tijdig grote offers om de priesters te onderhouden. Ook in onze dagen lijken soms kerken en hun voorgangers belangrijker dan de armen en de onderdrukten in de wereld. Van Marcus mogen we leren dat opkijken tegen zulke voorgangers behoort tot de kwade geesten die we ook bij onszelf mogen uitdrijven. Waar het om gaat is bouwen aan dat Koninkrijk, vissers van mensen die dreigen te verdrinken worden, die uitnodiging geldt ook voor ons. Elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Maak recht zijn paden!

Marcus 1:1-13

1 Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God. 2  Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: ‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen. 3  Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!”’ 4  Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen. 5  Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. 6  Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. 7  Hij verkondigde: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. 8  Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’ 9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. 10  Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, 11  en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ 12  Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. 13  Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het Goede Nieuws verhaal zoals Marcus dat heeft opgeschreven. Dit verhaal wordt in het algemeen aangemerkt als het oudste van de vier Evangeliën. Het is duidelijk dat Matteüs en Lucas in elk geval dit Evangelie al hebben gekend toen hun Evangelie werd geschreven en dat het Evangelie van Johannes veel later werd geschreven. Wie die Marcus is weten we niet precies. Wat zijn goed nieuws verhaal inhoudt weten we des te beter. Marcus begint niet met een geboorteverhaal maar sluit aan bij een verhaal over een vroeg optreden van Jezus van Nazareth. Marcus beschrijft eerst een profeet die wel zeer populair moet zijn geweest. Er staat dat alle inwoners van Judea en Jeruzalem zich lieten dopen door Johannes. Nu waren er in die tijd allerlei profeten en messiassen die allemaal meer of minder populair waren, maar volgens de Bijbel stak die Johannes er met kop en schouders boven uit. Hij riep de mensen op om tot inkeer te komen en als teken daarvan zich te laten dopen.

Johannes greep daarbij terug op de oude Bijbelse profeten als Maleachi en Jesaja die opgeroepen hadden als volk weer te gaan leven volgens de richtlijnen die de God van Israël ooit in de woestijn aan het slavenvolk had gegeven, in “je naaste liefhebben als jezelf” kon dat worden samengevat. Johannes voedde de algemene verwachting dat er een bevrijder, Messias, zou komen die het volk Israel zou bevrijden van de bezetting door de Romeinen. Of hij kon vermoeden dat die bevrijding zo heel anders zou verlopen als in het algemeen werd verwacht vermeld de geschiedenis niet. Marcus beschrijft hoe Jezus van Nazareth een visioen krijgt dat hij wel eens die Messias zou kunnen zijn en zich terugtrekt in de Woestijn om met die gedachte in het reine te komen. Pas nadat Johannes gevangen is genomen, door koning Herodes, trad Jezus van Nazareth op. De enorme populariteit van Johannes was dus uitgelopen op zijn gevangenschap.

Maar de enorme populariteit van de boodschap van Johannes moest toch betekenen dat het Koninkrijk van God niet ver zou moeten zijn. Als immers iedereen tot inkeer komt en gaat leven volgens de Goddelijke richtlijn eerlijk te delen, volgens rechtvaardigheid en liefde, dan breekt vanzelf het Koninkrijk van God aan. Dat was het goede nieuws dat Jezus van Nazareth ging vertellen. Wij weten dat hij het Goede Nieuws ook ging leven, mensen genezend en vertellend over hoe je dat Koninkrijk kunt binnen gaan. Dat leven volgens het goede nieuws hield zelfs niet op met zijn dood, ja tegen de dood kwam de opstanding. Dat maakt dat wij er allemaal deel aan mogen hebben. We mogen ook tot inkeer komen en niet langer gaan leven voor onszelf maar voor onze naaste die ons juist nu zo hard nodig heeft. Dat is ook vandaag nog steeds het Goede Nieuws, het allerbeste nieuws voor iedereen.

Ontdoe u dus van alles wat slecht is

1 Petrus 2:1-10

1 Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij, 2 en verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt. 3 U hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is? 4 Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, 5  en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. 6 In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg ik een hoeksteen die ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ 7  Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ 8 En: ‘Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zij struikelen omdat ze Gods woord niet gehoorzamen, daartoe zijn ze bestemd. 9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. 10 Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken. (NBV)

In de tijd dat deze brief geschreven werd was het nog steeds wennen voor de nieuwe gelovigen in de Weg van Jezus van Nazareth. Alle religies hadden tempels, de een nog mooier dan de ander. Ze hadden ook priesters, mooi gekleed, speciaal gekapt en in elk geval binnen hun gemeenschap machtig en belangrijk. Die mensen van de Weg, ook wel Christenen genoemd, hadden dat allemaal niet. Ze kwamen bij elkaar in een huis, of een Joodse synagoge. Over die Petrus werd verteld dat het een eenvoudig visserman was uit Galilea, maar die was niet de baas. Ze hadden alleen hun God als Heer. Iedereen was een stukje van de Tempel stond in die brief van Petrus en iedereen was een Priester, samen vormden ze een koninkrijk van Priesters. Ieder van hen was geroepen om de bevrijding van de armen te verkondigen. Dat hoefde niet in een apart gestelde zogenaamd gewijde ruimte maar dat kon overal. In de stad, in de kroeg, op het land en in elk huis dat je tegenkwam.

Alles wat zich uitnemender acht dan een ander is slecht. Alle moeite om meer te krijgen en rijker te worden is verspilde moeite. Bedrog, huichelarij, afgunst, kwaadsprekerij, je hebt het allemaal niet meer nodig. Houden van je naaste als van jezelf dat is het woord waar het om draait en daarvan moet je meer en meer leren, daar moet je in zien te groeien. Dat allemaal door een rabbi uit Palestina die een slavendood stierf. Onbeduidender en meer verworpen door mensen kan bijna niet. Maar door die Jezus van Nazareth ging iedereen er in geloven dat het zou kunnen, hij werd de hoeksteen waarop de nieuwe gemeenschap kwam te rusten. Juist zijn richtlijnen, die immers in Sion werden bewaard, werd de spelregels van de nieuwe gemeenschap. Niet het streven naar winst en profijt, niet het eerst om jezelf denken en dan aan de ander, niet de trots op een land, een taal, een vlag, maar de liefde tot de naaste maakt het voortaan uit in het leven. En dan wordt je ineens een volk.

Die nieuwe gelovigen zullen soms hun ogen uitgewreven hebben. Romeinen en Grieken, Joden en Arabieren, Slaven en vrijen, mannen en vrouwen, mensen van alle slag en alle afkomst. Die vormden van oorsprong niet één volk al woonden ze in één rijk. Maar nu waren ze Gods volk en hoorden ze bij het Koninkrijk van God. Eerst keek niemand naar ze om, in het Romeinse Rijk telde een leven meer of minder niet, nu zorgden ze voor elkaar als broeders en zusters en telde elk mens evenveel in de nieuwe gemeenschap. Als je dat ervaart en op je in laat werken dan zie je dat je van duisternis naar het licht gekomen bent. Van de duisternis van angst voor vreemdelingen, vreemde goden en vreemde godsdiensten naar het licht van de bevrijding van de angst en een leven met broeders en zusters. We zouden er vandaag nog mee opnieuw kunnen beginnen.

Wees waakzaam

1 Petrus 1:13-25

13 Laat uw geest daarom voortdurend paraat zijn, wees waakzaam en vestig al uw hoop op de genade die u ontvangen zult wanneer Jezus Christus zich openbaart. 14 Wees als gehoorzame kinderen en geef niet opnieuw toe aan de begeerten waardoor u vroeger, toen u nog onwetend was, werd beheerst, 15 maar leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals hij die u geroepen heeft heilig is. 16  Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want ik ben heilig.’ 17  En aangezien u hem die iedereen beoordeelt naar zijn daden, zonder aanzien des persoons, Vader noemt, moet u tijdens uw leven als vreemdeling ook ontzag voor hem hebben. 18 U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, 19 maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus. 20 Al voor de grondvesting van de wereld is hij door God uitgekozen, en nu is hij, aan het einde van de tijd, verschenen omwille van u. 21 Door hem gelooft u in God, die hem uit de dood heeft opgewekt en hem laat delen in zijn luister, zodat uw geloof tevens hoop is op God. 22 Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart, 23 als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord. 24 ‘De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af, 25  maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan.’ Dit woord is het evangelie dat u verkondigd is. (NBV)

Er zijn zogenaamde kerken waar ze zelfs heiligen aanbidden. In Rome zijn nog niet lang geleden twee dode mannen heilig verklaard die heel veel mensen verdriet hadden gedaan en één van die twee had zelfs miljoenen mensen zijn kerk uitgejaagd en hen de hoop ontnomen dat er een God was die hen zou helpen tot een betere en meer vreedzame wereld te komen. Maar als je in deze brief van Petrus leest dat je zelf heilig moet zijn dan kom je tot de ontdekking dat aanbidden van heiligen nooit kan kloppen, zoveel valt er nou ook weer niet aan jou en mij te aanbidden. Dat heilig zijn is dan ook heel iets anders dan dat je er mensen voor zou moeten aanbidden of dat er mensen gestorven zouden zijn die voor jou zouden kunnen bidden tot God. Tot God bidden kun je zelf, je mag hem zelfs Vader noemen staat er in dit gedeelte uit de brief van Petrus.

Het gaat hier om bevrijding uit de slavernij van de zinloosheid. Als je goud of zilver hebt geërfd dan weet je waarover het gaat. Kijk maar om je heen, armen in overvloed en jij kreeg van je voorouders goud of zilver. Daar klopt dus iets niet, ergens is het verkeerd gegaan met het delen. Nu is dat op zich niet zo erg. Wij hebben een voorbeeld dat we kunnen navolgen. Jezus van Nazareth deelde immers alles, zelfs zichzelf door de dood heen. Dat bevrijdt van alle dood. Ooit, voor de uittocht uit Egypte, voor de tocht door de woestijn, had men een lam geslacht en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Door dat bloed ging de engel des doods aan die huizen voorbij en dat leidde de uittocht uit de slavernij in. Daarmee wordt in het Nieuwe Testament op allerlei plaatsen de kruisdood van Jezus van Nazareth vergeleken. Daar gaat het geloof over, bevrijd te zijn van de angst voor de dood. Niet de dood regeert ons langer maar het leven. Dat maakt ook dat we “heilig” kunnen zijn.

Dat woord “heilig” heeft een aantal betekenissen in zich verenigd. In de eerste plaats zit ons woord “heel” er in. En wel in de betekenis van zonder gebrek, en helemaal voldoen aan de oorspronkelijke bestemming. De mens was immers geschapen om goed te doen en niet dan goed. In de tweede plaats zit er iets van apart gezet in. We worden opgeroepen niet langer te doen zoals in de wereld gewoon is, streven naar meer en nog meer, maar delen met de minsten. We leven niet langer voor onszelf maar voor de ander. We houden immers van onze naaste als van onszelf. Daar houdt dus niemand ons meer van af. Dat is pas heilig zijn en heilig leven. Dat betekent ook dat we niet aanbeden kunnen worden hoe heilig we ook zijn, want juist wij weten dat we er duizend keer per dag weer opnieuw mee moeten beginnen. Dat we voortdurend verleid worden de goden van winst en profijt te volgen, dat altijd meer moeten willen, en dat we de armsten op de wereld maar moeten vergeten. De honger in de wereld neemt toe en in ons land wil men de autofiles bestrijden door de ontwikkelingssamenwerking te verminderen. Dat is pas toegeven aan onzalige begeerten. Maar we weten het wel, we kunnen ons steeds weer omkeren en een hand uitsteken naar de minsten onder ons.

Verheug u hierover

1 Petrus 1:1-12

1 Van Petrus, apostel van Jezus Christus. Aan de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven, 2 door God, de Vader, voorbestemd om, geheiligd door de Geest, gehoorzaam te zijn aan Jezus Christus en met zijn bloed besprenkeld te worden. Genade zij u en vrede, in overvloed. 3  Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus: in zijn grote barmhartigheid heeft hij ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop. 4-5 Er wacht u, die door Gods kracht wordt beschermd omdat u gelooft, in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. U ziet de redding tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker geopenbaard zal worden. 6 Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. 7  Zo kan de echtheid blijken van uw geloof-zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst-en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren. 8 U hebt hem lief zonder hem ooit gezien te hebben; en zonder hem nu te zien gelooft u in hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, 9 omdat u het einddoel van uw geloof bereikt: uw redding. 10 Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. 11 Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen. 12 Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige Geest die vanuit de hemel werd gezonden. Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen. (NBV)

Hier beginnen we te lezen in de Eerste brief van Petrus. Zo heet deze brief, gericht aan gemeenten in het huidige Turkije, maar of de visser die we uit de Evangelieverhalen als Petrus kennen zelf deze brief heeft kunnen schrijven valt zeer te betwijfelen. De brief is namelijk geschreven in een zeer geschoold en fraai Grieks. Door iemand dus die zeer veel gelezen had en vertrouwd was met de taal. En dat valt voor een visserman uit Galilea volgens velen toch te betwijfelen. Door sommigen wordt veronderstelt dat de brief is geschreven door Silvanus die dan als secretaris voor Petrus zou zijn opgetreden. Als Silas komt deze secretaris ook in de Handelingen der Apostelen voor en in brieven van Paulus. Hoe het ook zij, het is een brief die het Evangelie van Jezus van Nazareth probeert te verkondigen en daarvoor tot vandaag de dag bestemd is.

Het begin van deze brief kan gemakkelijk tot misverstanden leiden. Als je de brief tekst voor tekst zou lezen, zonder samenhang in het verhaal aan te brengen, dan zou je bijna gaan denken dat de schrijver oproept om niet te treuren om al het lijden dat je meemaakt omdat je na je dood in de hemel wel zult genieten. Zo is de brief in de geschiedenis van de kerk vaak aan de gelovigen voorgehouden. Maar het staat er niet. Er staat dat je ondanks het lijden nu al een onuitsprekelijke, hemelse, vreugde zult ervaren, ja nu al ervaart. Door het geloof in de bevrijding van de armen komt er een stukje hemel op aarde. Die hemel staat dan voor het ideaal dat we ons allemaal wel zouden wensen, een wereld zonder tranen, zonder handicaps, zonder dood. Als we geloven dan lijkt het of de wereld al zo is. We zijn dan in elk geval niet meer bang voor de dood, we laten ons niet meer regeren door de dood, we wissen tranen, richten de lammen op en laten de blinden zien. Dat is de opdracht die we uit het Evangelie kunnen leren.

Zelfs zonder Jezus van Nazareth te hebben gezien kunnen we dat geloven. De profeten van het oude Israel riepen altijd al dat alle volken geroepen zouden worden zich naar het principe van heb-uw-naaste-lief te gaan gedragen maar ze hadden er maar weinig van gemerkt. Na de dood en de opstanding van Jezus van Nazareth was dat geloof echter in een snel tempo over de hele toenmalig bekende wereld gevlogen. Ondanks zware vervolgingen stroomden de gelovigen toe. De slavenmaatschappij waar het Romeinse Keizerrijk zo zwaar op leunde betekende de dood in de pot. Daar ging geen leven meer van uit. De nieuwe Weg van Jezus van Nazareth bracht mensen bij elkaar aan tafel zonder onderscheid te maken naar afkomst, of rijkdom. Iedereen kon meedoen en ieder leven telde. Dat is de samenleving die ook wij samen mogen opbouwen. Ook vandaag de dag.

Offers en gaven verlangt u niet

Psalm 40

1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. 2 Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht en hij boog zich naar mij toe, hij heeft mijn roep om hulp gehoord. 3 Hij trok mij uit de kuil van het graf, uit de modder, uit het slijk. Hij zette mij neer op een rots, een vaste grond voor mijn voeten. 4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Mogen velen het zien vol ontzag en vertrouwen op de HEER. 5 Gelukkig de mens die vertrouwt op de HEER en zich niet keert tot hoogmoedigen, tot hen die verstrikt zijn in leugens. 6 Veel wonderen hebt u verricht, veel goeds voor ons besloten, HEER, mijn God. Niemand is te vergelijken met u! Wil ik erover spreken, ervan verhalen, het is te veel om op te sommen. 7 Offers en gaven verlangt u niet, brand- en reinigingsoffers vraagt u niet. Nee, u hebt mijn oren voor u geopend 8 en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik, over mij is in de boekrol geschreven.’ 9 Uw wil te doen, mijn God, verlang ik, diep in mij koester ik uw wet. 10 Wanneer het volk bijeen is, spreek ik over uw rechtvaardigheid, ik houd mijn lippen niet gesloten, u weet het, HEER. 11 Ik zwijg niet over uw goedheid, maar getuig van uw trouw en uw hulp. In de kring van het volk verheel ik niet hoe liefdevol, hoe trouw u bent. 12 U, HEER, u weigert mij uw ontferming niet, uw liefde en uw trouw zullen mij steeds bewaren, 13 ook nu rampen mij omringen, talloos vele, nu mijn zonden mij achtervolgen en ik geen uitweg zie, nu ze talrijker zijn dan de haren op mijn hoofd en de moed mij is ontzonken. 14 Wil uitkomst brengen, HEER, HEER, kom mij haastig te hulp. 15 Laat beschaamd en vernederd worden wie mij naar het leven staan, met schande terugwijken wie mijn ongeluk zoeken, 16 van schaamte verstommen wie de spot met mij drijven. 17 Wie bij u hun geluk zoeken zullen lachen en vrolijk zijn, wie van u hun redding verwachten zullen steeds weer zeggen: ‘Groot is de HEER.’ 18 Ik ben arm en zwak, Heer, denk aan mij. U bent mijn helper, mijn bevrijder, mijn God, wacht niet langer. (NBV)

Vandaag zingen we eigenlijk twee psalmen. Het gedeelte van de Psalm van vandaag vanaf vers 14 vinden we ook in Psalm 70. Ooit zijn de twee psalmen tot één lied samengevoegd. En hoe kan dat, het lijken toch twee verschillende liederen? Het eerste is een dankzegging en het tweede een roep om hulp. Omgekeerd kunnen we ons dat wel voorstellen. Iemand zit in nood, roept God om hulp en dankt vervolgens voor de redding. Maar omgekeerd is dan toch een beetje raar. Als je de psalm nauwkeurig leest kan het toch duidelijk worden. Want waar gaat die dankzegging over? Over het Woord van God, over de boekrol waar je over jezelf kunt lezen en over het volk waartegen voortdurend erover gesproken moet worden. En dan gaat het over de dienst aan God. Een rare God was dat in de dagen dat de psalm werd geschreven. Alle goden hadden tempels met altaren waarop offers werden gebracht om de goden gunstig te stemmen. In die tempels stonden de mooiste beelden van die goden.

Maar de schrijver van de psalm en zijn volk hadden zulke tempels niet. Die God van hen had zelfs geen naam, alleen de belofte dat die God er zou zijn voor hen. Die God kon je niet gunstig stemmen door brand- en reinigingsoffers maar alleen door het houden van dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. Als je dat doet dan herken je jezelf ineens in het verhaal dat in het boek over dat gebod staat opgetekend. Daar staan de verhalen over mensen die probeerden zich aan dat gebod te houden, hoe ze er soms in slaagden en hoe ze soms mislukten in hun pogingen. Maar als je anderen probeert te overtuigen van het nut van de naaste lief te hebben als jezelf dan loop je zeer de kans bespot te worden, aangevallen, uitgestoten, belasterd, achtervolgd. Dat was zo in de dagen dat de psalm werd geschreven, dat is zo in onze dagen.

Wie komt er op voor de slachtoffers van de vluchtelingenramp in Griekenland, wie vraagt in een tijd van dreigende werkloosheid nog om eerlijke handelsverhoudingen met de armste landen, wie vraagt in een tijd van toenemende culturele spanningen nog om samenwerking en samen leven met vreemdelingen, wie durft het nog op te brengen een rechtvaardige behandeling te vragen voor vluchtelingen die in ons land zijn ontvangen? De moed om te strijden voor een rechtvaardige samenleving zinkt je soms letterlijk in de schoenen. Dan is een schreeuw om hulp meer dan gerechtvaardigd. Die schreeuw om hulp volgt daarom op de dankbaarheid de wet van houden van je naaste als van jezelf te hebben ontdekt, gehouden en uitgedragen. Juist de belofte die de naam van de God van de psalmist met zich meebrengt er te zijn juist in de meest donkere tijden maakt dat de schreeuw om hulp ook de belijdenis is van de macht van die God, de macht van de liefde van die God, de liefde die je zelf mag uitstralen. Wanhoop daarom vandaag niet, werk aan de rechtvaardige samenleving van die God.

Ik zal haar zegenen

Genesis 17:15-27

15 Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Sarai betreft, voortaan moet je haar niet Sarai noemen maar Sara. 16 Ik zal haar zegenen en jou bij haar een zoon geven. Ik zal haar zo rijk zegenen dat er volken uit haar zullen voortkomen en er koningen van haar zullen afstammen.’ 17 Abraham boog zich diep neer, maar lachte en dacht: Hoe zou iemand van honderd nog een kind kunnen krijgen? En Sara, zou zij op haar negentigste nog een kind ter wereld kunnen brengen? 18 En hij antwoordde God: ‘Ik zou al gelukkig zijn als Ismaël onder uw bescherming mocht staan.’ 19 Maar God zei: ‘Nee, je vrouw Sara zal je een zoon baren, die je Isaak moet noemen, en met hem zal ik mijn verbond voortzetten. Het zal een eeuwigdurend verbond zijn, dat ook voor zijn nakomelingen zal gelden. 20 En wat Ismaël betreft, ik verhoor je: ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar maken en hem veel, heel veel nakomelingen geven. Twaalf stamvorsten zal hij verwekken en er zal een groot volk uit hem voortkomen. 21 Maar mijn verbond zal ik voortzetten met Isaak, de zoon die Sara je volgend jaar omstreeks deze tijd zal baren.’22 Nadat God zo met hem gesproken had, ging hij bij Abraham vandaan. 23 Nog diezelfde dag besneed Abraham zijn zoon Ismaël, allen die in zijn huis geboren waren en allen die hij gekocht had, kortom al zijn mannelijke huisgenoten, zoals God hem had opgedragen. 24 Abraham was negenennegentig jaar toen hij besneden werd, 25 en zijn zoon Ismaël was dertien. 26 Zo werden op een en dezelfde dag Abraham en zijn zoon Ismaël besneden 27 en ook al Abrahams huisgenoten, zowel zij die in zijn huis geboren waren als zij die van vreemdelingen waren gekocht. (NBV)

Ons erfrecht is er eeuwenlang vanuit gegaan dat de oudste zoon het familiebezit zou erven. In sommige landen is dat nog steeds het geval. Voor een agrarische samenleving is dat ook niet zo vreemd. Als je een stuk land hebt en je wilt dat gelijk verdelen onder alle kinderen die het zware werk op het land aankunnen, en overal is er het vooroordeel dat dat de zonen zouden zijn, dan is er van dat land snel niet veel meer over, in elk geval niet genoeg om van de leven. Dat geldt overigens ook voor een winkel, waar een gezin van kan leven maar twee niet, of een vergelijkbaar familiebedrijf. De Bijbel verzet zich tegen dat automatisme van het recht van de eerstgeborene, zeker dat van de eerste de beste. Voortdurend wordt dat recht ondermijnd. Ook hier weer.

Daar waar je zou verwachten dat Ismaël als eerstgeboren zoon van Abraham ook de eerste erfgenaam zou zijn draait God dat om. Natuurlijk hoort Ismaël er volledig bij, ook hij wordt immers besneden. Maar de erfgenaam zal de nog ongeboren Izaäk zijn. Christelijke aanhangers van de monarchie zouden dit wel eens tot zich door mogen laten dringen. Niet de eerste is volgens de Bijbel automatisch de meest geschikte maar de volgende, soms zelfs de laatste. Misschien is dus gravin Leonore uit onze Koninklijke familie, wel een betere koningin van Nederland dan Prinses Amalia. Als het volk Israel uit Egypte bevrijd moet worden zijn trouwens de eerstgeborenen de prijs die het volk van Egypte moet betalen voor het verzet tegen de vrijheid.

De verhalen die we deze dagen over Abraham en Ismaël lezen zijn overigens ook een bron van verwantschap tussen Joden, Christenen en Moslims. Ook Moslims zullen zich herkennen in hun voorvader Abraham die besneden werd omdat hij geloofde in de Ene God. Zo ver staan we dus niet van elkaar af en de Islamitische cultuur maakt net zo goed van ouds deel uit van onze samenleving als de Joodse en de Christelijke. De twaalf stammen van Israël staan net als de twaalf apostelen en de twaalf vorsten van Ismaël voor de volken van de hele wereld. Alle volken zullen naar Jeruzalem moeten zien waar de Wet van Liefde en Recht was opgeslagen. Met Abraham was de reis begonnen, maar de reis is nog niet afgelopen.

Leid een onberispelijk leven.

Genesis 17:1-14

1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. 2 Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ 3 Abram boog zich diep neer en God sprak: 4 ‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. 5 Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. 6 Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. 7 Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. 8 Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn.’ 9 Ook zei God tegen Abraham: ‘Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. 10 Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden. 11 Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen; dat zal het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. 12 In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is. Dit geldt niet alleen voor wie tot je eigen volk behoort maar ook voor jullie slaven, of ze nu bij jullie geboren zijn of van vreemdelingen zijn gekocht; 13 iedereen die bij jullie geboren is of door jullie is gekocht, moet worden besneden. Zo zal dit verbond met mij voorgoed zichtbaar zijn aan jullie lichaam. 14 Een onbesnedene, een mannelijk persoon van wie de voorhuid niet verwijderd is, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft.’ (NBV)

Het lijkt wat negatief gesteld, als je niet wil meedoen moet je er maar uit. Maar wie horen volgens dit verhaal bij het volk van het verbond? Niet alleen Abraham, zoals hij voortaan heet, en zijn vrouwen en kinderen, maar ook de knechten en zelfs de slaven. In het verhaal over de oorlog tegen de koningen van Irak en, Iran, toen de neef van Abraham Lot was ontvoerd, lazen we al dat Abraham in staat was zelf een legertje van 318 man op de been te brengen. Er ontstaat dus op dit moment al een gemeenschap van vele honderden mensen. In de verhalen die we tegenwoordig over Abraham horen lijkt het soms alsof hij samen met zijn vrouw Sara, een tent en een kudde schapen rondzwerft maar zo is het niet. De droom die Abraham maar niet los laat, dat hij de vader van vele volken zal worden, wordt in zijn directe leven werkelijkheid. Hij gaat bijna alleen uit Charan op reis maar wordt zeker na zijn bezoek aan Egypte steeds rijker en dus zijn gezelschap steeds groter.

Let op dat hier ook de slaven mee mogen doen. Die horen er gewoon bij. Dat zijn broeders. De mensen die in ons land als vreemdeling hebben gewoond en die al jaren lang op een definitieve beslissing op hun verzoek tot verblijf zitten te wachten hebben het geluk niet dat ze zo snel worden meegeteld. Mensen die de pech hebben hier niet welkom te zijn maar ook in hun land van herkomst niet terug mogen keren worden zelfs in onze gevangenis opgesloten, zelfs als hun regering luid en duidelijk laat weten die wie ooit het land ontvlucht is niet mag terugkeren. Dat opsluiten gebeurd in ons land dus met mensen die geen enkel misdrijf hebben begaan. Geen wonder dat de PKN daar bij het hof voor de mensenrechten tegen heeft geprotesteerd. Dat hele volkje van Abraham zoals hij voortaan heten zal moet besneden worden. Een medische ingreep waarover in onze dagen veel te doen is. Waarom zou je een stuk huid van iemand verwijderen zonder dat daar een noodzaak voor is. In de dagen van Abraham was het een daad, een verklaring van zelfvertrouwen.

Toen Abram oorlog had gevoerd met de vijanden van Sodom, degenen die zijn neef Lot had ontvoerd, had hij van de soldaten die hij had overwonnen de voorhuiden afgesneden. Hij had ze dus niet gedood zoals de gewoonte was en lang de gewoonte zou blijven, maar hij had de voorhuiden meegenomen als teken van overwinning. Nu maakte hij zijn eigen volkje, zijn volk in wording, onoverwinnelijk. Niemand kon meer de voorhuiden van zijn mensen meenemen. De God van Abraham had hem immers beloofd dat al die besnedenen onder het verbond zouden vallen dat ze een groot volk zouden worden. Paulus zou later schrijven dat we ons innerlijk moeten laten besnijden, niemand immers kan ons afhouden van de Liefde van God en het geloof dat we mee mogen bouwen en op weg zijn naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, elke dag mogen we daarheen op weg gaan als zelfverzekerde mensen die van dat pad niet af te brengen zijn.