Een donderend geschreeuw

Jozua 6:15-27

15  Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, 16  en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: ‘Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! 17 Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de HEER: ze is onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. 18  Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad maar maak niets buit, zodat u niet Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijsgeeft en Israël in het ongeluk stort. 19  Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’ 20  Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in 21  en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels. 22  Maar Jozua zei tegen de twee mannen die het gebied hadden verkend: ‘Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.’ 23  De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en verdere familie. Kortom, ze brachten haar met al haar verwanten naar buiten en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. 24  De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. 25  Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. 26  Jozua liet het volk de volgende eed zweren: ‘Wij vervloeken ten overstaan van de HEER iedere man die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.’ 27  En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land. (NBV)

Heel lang moet de voormalige stad Jericho een puinhoop gebleven zijn. De Israëlieten vertelden hun kinderen graag het verhaal hoe die puinhoop ontstaan was. Aan die puinhoop was de macht van de God van Israël af te lezen. Toen het volk het land dat God hen gegeven had wilde innemen hadden de inwoners van Jericho de poorten gesloten gehouden, niemand kon er in of kon er uit. Maar de God van Israël had de stad in handen van Israël gegeven. Niet dat het volk er voor had moeten strijden. Ze waren er wel klaar voor, zelfs de mannen die aan de andere kant van de Jordaan konden wonen waren mee de Jordaan overgetrokken om samen als één volk het land dat God hen gegeven had ook in bezit te nemen. Maar Jozua had de aanvoerder van het leger van de Heer ontmoet. God zelf zou in het strijdperk treden voor Israël. Het volk mocht toeschouwer zijn. Zes dagen hadden ze de stad bekeken. In een grote optocht, voorop het leger, daarachter zeven Priesters die op de ramshoorn bliezen en dan de rest van het volk. Maar op de zevende dag gebeurde het.

Zes dagen had het volk gewerkt, de zevende dag was de dag van God. Op die dag was de macht van God pas echt te zien geweest. Zeven keer waren ze zwijgend rond de stad getrokken. Alleen het geluid van de ramshoorns was te horen geweest. Toen sprak Jozua, het was klaar, de stad was in handen van Israël, maar alle bezit, alle buit was voor de overwinnaar, de God van Israël. Het was tijd om te juichen, om werkelijk de stad binnen te gaan. En gejuicht werd er, de ramshoorns klonken weer en de muren van Jericho stortten in. Toen werd de stad een puinhoop. Niets bleef er over, de brand er in, dit was de stad die niets wilde toelaten, die met niets en niemand wilde delen. Alle buit werd naar die tent gebracht waar de Ark van het verbond haar plaats had. Waar de Priesters werkten en waar het volk haar God kon ontmoeten. Niet alleen het goud en het zilver, maar ook de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen werden naar die tent gebracht waar een speciale schatkamer was gebouwd.

Doet God zijn belofte gestand? Er was één inwoonster van Jericho geweest die erkend had dat het land Kanaän gegeven was aan het volk van Israël. Zij had ingezien dat haar redding zou liggen in de bereidheid dat land te delen met die woestijnzwervers. Nu waren de muren van de stad ingevallen. Maar één muurhuis was blijven staan. Daar hing een rood koord naar buiten. Daar was het bordeel van de hoer Rachab. Zij had al haar familie daar verzameld, de twee verspieders aan wie zij onderdak geboden had mochten haar nu uit de puinhoop halen. Die familie van Rachab had nog eeuwenlang in Israël gewoond, ze konden worden aangewezen als nakomelingen van Rachab. Daardoor waren ze levende monumenten geworden van de trouw van de God van Israël. In het kamp bij de overtocht door de Jordaan waren er stenen opgericht om die bijzondere gebeurtenis te herdenken. Nu waren de stenen van Jericho zelf een gedenkteken geworden, niemand mocht dat gedenkteken verstoren. Wij kunnen als levend bewijs van de kracht van de God van Israël zelf levende monumenten zijn als we zijn levensregel volgen en onze naaste liefhebben als ons zelf, dat mag elke dag weer, elke morgen opnieuw, ook vandaag weer.

Hoor je bij ons of bij de vijand?

Jozua 5:13–6:14

13 Toen Jozua eens in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: ‘Hoor je bij ons of bij de vijand?’ 14  De man antwoordde: ‘Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEER. Daarom ben ik hier.’ Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: ‘Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?’15  De aanvoerder van het leger van de HEER zei tegen Jozua: ‘Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat is heilig.’ Jozua deed wat hem bevolen was. 1 Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. 2  De HEER zei tegen Jozua: ‘Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit. 3  Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. 4  Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen, 5  en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.’ 6 Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: ‘Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de HEER uit gaan.’ 7  En tegen het volk zei hij: ‘Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.’ 8  Het gebeurde zoals Jozua het volk had opgedragen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan, 9  de voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen en de rest van het volk kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk, 10  maar Jozua had strijdkreten verboden. ‘Laat uw stem niet horen, ‘had hij gezegd, ‘slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel.’ 11  Jozua liet de ark van de HEER eenmaal om de hele stad trekken. Daarna ging het volk terug naar het kamp, waar het overnachtte. 12  De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, 13  de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. 14  De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen. (NBV)

Overwinnaars hebben achteraf altijd gelijk. Wie wint had het beste leger en de dapperste krijgers. Andere factoren spelen geen rol. Het volk Israël moest dus leren dat overwinnen niet ligt aan de bewapening, niet aan de kracht van krijgers, niet aan de slimme strategie van de generaals, overwinnen is in handen van de Heer van Hemel en Aarde, de God van Israël. Die had hen het land gegeven, dat moet bij de verovering van het land duidelijk worden. Jericho staat in dit verhaal voor heel het land Israël. Wat er staat te gebeuren in Jericho is geschied in heel Kanaän. Hier is het niet Jozua die “fit the battle of Jericho” Het is God zelf die voor zijn volk in het strijdperk treed. Het begint dan ook met het leger van de Heer, niet dat kinderleger in Afrika dat misbruikt wordt door uitbuiters en machthebbers. Hier staat een boodschapper van God zelf, wiens boodschap samenvalt met de verschijning van de God van Israël in het verhaal. Zoals eens Mozes de God van Israël ontmoette bij een brandende braambos ontmoet Jozua de aanvoerder van het leger van de Heer. En net als Mozes moet Jozua zijn schoenen uit doen omdat de grond waarop hij staat Heilig is.

Het blijft soms lastig om uit te leggen wat Heilig betekent. Soms betekent het volmaakt, zoals God volmaakt is, maar het betekent ook dat het afgezonderd is voor de God van Israël. De grond op de vlakte van Jericho, de grond van het land Kanaän is heilig, is afgezonderd van alle grond in de wereld, alle grond op aarde, voor de God van Israël. Die grond daar, was uitgekozen om te laten zien hoe groot en machtig de God van Israël eigenlijk wel niet is. Het blaast Jozua van zijn voeten. Jozua krijgt instructies over het innemen van Jericho, zeg maar de verovering van het beloofde land. Zes keer zal de bevolking van Jericho de kans krijgen de poorten te openen, de stad en het land te delen met het woestijnvolk dat kon zwerven maar geen land had om van te leven en een land dat overvloeit van melk en honing kan best gedeeld worden met arme woestijnzwervers. Centraal staat de Ark van het verbond. Die kist van acaciahout waarin de stenen platen liggen met de tien woorden. Zes keer moet het leger met die Ark en zeven priesters die met hun blazen op de ramshoorn aandacht voor die Ark vragen rond Jericho trekken. Elke dag een keer. Op die platen staat onder andere: “Gij zult niet doden” en geweld komt er niet aan te pas.

Jozua breidt de opdracht van zijn God uit. Alle weerbare mannen gaan eerst, dan de priesters, dan de Ark, maar dan ook het hele volk, vrouwen, kinderen, bejaarden, zieken, gehandicapten, alles en iedereen die bij het volk hoort trekt rond de stad. Maar daar heerst angst. Jericho had zich opgesloten achter haar muren, niets kon er in, niets kon er uit. Er zijn politici die ook vandaag nog de arme woestijnzwervers op deze manier buiten willen houden. Bouw maar een hoge muur langs de randen van ons land, met soldaten en tanks om de muur te bewaken. Niemand mag er meer in. Het gevolg zal zijn dat er ook niemand meer uit kan. Jozua gaat met zijn volk zes dagen lang rond Jericho, zes dagen is het werken geblazen. Geen strijdkreten klinken er, geen grootspraak is te horen. Maar ook geen smeekbeden. Alleen het sonore doordringende geluid van de ramshoorns die vooraf gaan aan de Woorden van God, zoals ze klonken bij de berg waar het volk de Woorden van God, de Tora had ontvangen. De God van Israël staat centraal in dit verhaal, het volk laat zien wie die God is, wat die God wil en wat het betekent de weg te volgen van die God. Wij zouden wat minder moeten lijken op de inwoners van Jericho, minder bang zijn en onze welvaart moeten zien te delen met de armsten in de wereld. Elke dag kunnen we daar samen aan werken, ook vandaag weer.

Bij de Voorhuidenheuvel.

Jozua 5:2-12

2  Na de overtocht zei de HEER tegen Jozua: ‘Maak messen van vuursteen en besnijd de Israëlieten opnieuw.’ 3  Jozua maakte die messen en hij besneed de Israëlieten opnieuw bij de Voorhuidenheuvel. 4  Hij besneed hen omdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, na de uittocht waren gestorven, onderweg in de woestijn. 5  Van het volk dat weggetrokken was waren alle mannen besneden geweest, maar de mannen die na de uittocht waren geboren, toen het volk onderweg was in de woestijn, waren niet besneden. 6  Want Israël trok veertig jaar door de woestijn, totdat alle weerbare mannen die uit Egypte waren weggetrokken, gestorven waren. Ze hadden niet geluisterd naar de HEER, en daarom had de HEER hun gezworen dat hij hun niet het land zou laten zien dat hij ons zou geven, zoals hij onze voorouders had beloofd: het land dat overvloeit van melk en honing. 7  Maar hij liet hun zonen hun plaats innemen. Dus besneed Jozua deze zonen, omdat dit onderweg niet gedaan was. 8  Nadat ze allemaal waren besneden, moesten ze in hun tenten blijven tot ze waren genezen. 9  En de HEER zei tegen Jozua: ‘Vandaag heb ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld,’ en Jozua noemde die plaats Gilgal. Zo heet die plaats tot op de dag van vandaag. 10 Toen de Israëlieten in hun kamp bij Gilgal waren, op de vlakte van Jericho, bereidden ze in de avond van de veertiende dag van die eerste maand het pesachoffer. 11  Al één dag na het pesachoffer aten ze ongedesemd brood en geroosterd graan van de opbrengst van het land. 12  Er kwam die dag geen manna meer; de Israëlieten kregen vanaf toen nooit meer manna. Ze aten dat jaar van de opbrengst van de akkers van Kanaän. (NBV)

Het is de omgekeerde wereld. Toen het volk werd uitgeleid uit Egypte vierden ze eerst de Pesachmaaltijd. Ongezuurde broden die ze ook op reis zouden kunnen meenemen en gebraden lamsvlees van het lam dat ze hadden geslacht en waarvan ze het bloed aan de deurposten hadden gesmeerd. Toen trokken we weg en trokken ze door de Rietzee die door de God van Israël was drooggelegd. Nu kwamen ze bij de Jordaan, trokken plechtig door de Jordaan die door de God van Israël was drooggelegd en vierden daarna het Pesach maal. De omgekeerde wereld dus. Voor het Pesachmaal moesten alle mannen zich laten besnijden, want het Pesachmaal is niet voor onbesnedenen. Besnijdenis was en is in het Midden Oosten een gebruikelijke ingreep. Die ingreep is alleen voor mannen bestemd. Merkwaardig is dat in enkele culturen waar de nadruk wordt gelegd op de ongelijkheid van mannen en vrouwen ook vrouwen worden besneden. Dat is een misdaad, ook in de Islam wordt alleen de besnijdenis van mannen voorgeschreven. Maar ook de besnijdenis voor mannen staat ter discussie. Het is een medische ingreep die niet door een medische noodzaak wordt ingegeven. Het kan sommige ontstekingen voorkomen door een betere hygiëne maar maakt delen van het lichaam ook ongevoeliger.

In de Bijbel is de besnijdenis al heel oud. Abraham liet zich al besnijden, van het begin van het volk Israël kende men dus de besnijdenis al als teken van verbondenheid met de God van Israël. De discussie over de besnijdenis zal gevoerd moeten worden door mensen die het als een voorschrift voelen. Kinderen die op de achtste dag moeten worden besneden kunnen er niet over meepraten, hun ouders zullen er dus de verantwoordelijkheid voor moeten nemen en zich realiseren dat ze een beslissing nemen die ingrijpende gevolgen voor hun zoon heeft. Heidenen, ook al hebben ze zich tot het Christendom hebben bekeerd, kennen de besnijdenis niet, net als de Filistijnen die de besnijdenis niet kenden. Zij mogen misschien vragen stellen maar het gaat niet aan om aan mensen die in een zo oude traditie staan ineens hun Heidense regels op te leggen. Met de voorhuiden van de mannen werd ook de schande van Egypte afgelegd. Niet langer was het volk een volk van zwervers, ontvluchte slaven die door de woestijn trokken op zoek naar een nieuwe plek.  Op plechtige wijze was hen een nieuw land geschonken, op plechtige wijze hadden ze de wording van het volk tot een volwaardig volk afgesloten. Wat nu zou volgen was het in bezit nemen van het land dat hen geschonken was.

De reis eindigt met het Pesachmaal, maar het verhaal van Jozua vertelt ons ook dat het geschenk van het land begint met het Pesachmaal.  In de woestijn had het volk gehoord dat het de nieuwe samenleving zo moest inrichten dat een maal in de zeven jaar het land moest rusten en men moest leven van wat het land zonder zaaien en oogsten opbracht. Nu kon het Pesachmaal gevierd worden met ongezuurde broden, gebakken van graan dat zomaar in het land te vinden was. Het manna dat hen in de woestijn tot voedsel had gediend was nu niet meer nodig. Ze hadden het door God geschonken land om hen te voeden. Wij kennen die zorgvuldigheid bij de keuze van ons voedsel niet meer. Het komt uit een winkel en boeren leveren de opbrengst van hun land aan fabrikanten. In sommige kerken is er in het voorjaar nog een biddag en in het najaar een dankdag voor gewas en arbeid. Maar we mogen elke dag er bij stilstaan dat er mensen heel hard voor hebben moeten werken om ons van voedsel te voorzien. Zij verdienen een beloning voor hun werk. Het is de God van Israël die ons daarvoor de ogen opent en zo zorgt dat er een overvloed is in ons land. Elke dag, elke maaltijd mogen we daarvoor weer dankbaar zijn. En omdat alles ons gegeven is, mogen we ook alles delen.

Door wanhoop bevangen.

Jozua 4:15–5:1

15  De HEER zei tegen Jozua: 16  ‘Zeg tegen de priesters die de ark met de tekst van het verbond dragen dat ze uit de Jordaan komen.’ 17  Jozua gaf hun die opdracht, 18  en toen de priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen uit de Jordaan kwamen en de oever betraden, hernam het water zijn loop en trad het weer buiten zijn oevers, zoals het eerder had gedaan. 19  Het volk bereikte de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand, en het sloeg zijn kamp op bij Gilgal, dat oostelijk van Jericho ligt. 20 Jozua richtte daar de twaalf stenen op die ze uit de Jordaan hadden meegenomen. 21  Hij zei tegen de Israëlieten: ‘Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, 22  dan moet u hun het volgende vertellen: “Israël is de Jordaan overgetrokken, en wel over de droge bedding. 23  Want de HEER, jullie God, heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd totdat jullie waren overgetrokken, zoals hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd totdat we die waren overgetrokken. 24  Want alle volken op aarde moeten weten hoe machtig de HEER, jullie God, is, en jullie moeten altijd vol ontzag voor hem zijn.”’ 1 Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden dat de HEER de Jordaan had drooggelegd, zodat de Israëlieten konden oversteken, sloeg de angst voor Israël hun om het hart en werden ze door wanhoop bevangen. (NBV)

Bij het nauwkeurig lezen van zo’n klein stukje uit een heel verhaal moet je soms goed opletten. Het volk was de Jordaan overgestoken, de stammen die zouden gaan wonen in de woestijnkant van de Jordaan waren alvast doorgegaan naar de vlakte van Jericho en nu was het hele volk in het beloofde land aangekomen. Een moment om voor altijd te markeren. De stenen waarlangs het volk was getrokken, waar de Ark van het Verbond had gerust, waar de God van Israël het water had gespleten om een droge doortocht mogelijk te maken, werden nu in het eerste kamp in het beloofde land opgericht om die doortocht te markeren. Twaalf stenen, twaalf stammen waren doorgetrokken. Uit de vier windstreken waren ze gekomen, en de volheid van God, het getal drie, had hen tot een heilig, dus volmaakt volk gemaakt. En vier maal drie is twaalf, een Goddelijk volk waren ze. Dat volk Israël op zich is niet beter of slechter dan welk ander volk op aarde dan ook. Meestal gedraagt dat volk zich alsof het een willekeurig volk op aarde is.

Dat volk voert oorlog, het sluit bondgenootschappen, het kent een democratie en partijen die onderling verdeeld zijn, er is meer of minder onafhankelijke rechtspraak, het kent oordelen en vooroordelen. De goede kanten van dit volk en de slechte kanten van dit volk vind je breed uitgemeten in het hele verhaal dat in de boeken van de Bijbel staat opgetekend. Het bijzondere van dit volk is dat het uitgekozen is door de God van Israël. In die uitverkiezing heeft die God van Israël zich geopenbaard, hebben we die God van Israël leren kennen zoals die zich wil laten kennen. Die God was nooit opgehouden met het werk dat die God ooit was begonnen. Die God had een hemel en aarde geschapen waarop mensen in vrede konden wonen. De mensen wilden echter net als God zijn. Toen had die God Abraham geroepen. Ga weg uit je gewone doen, laat je familie en je land in de steek en ik zal je een groot volk maken zo klonk het.

Een belofte aan Abraham die al in het leven van Abraham zichtbaar werd. De familie van Abraham zijn zonen, zijn kleinzonen en zijn nageslacht groeide. Uiteindelijk waren ze in Egypte terecht gekomen. Daar had die God Mozes geroepen om het volk van Abraham, Izaak en Jacob te bevrijden van de slavernij en uit te leiden uit Egypte naar het land dat aan Abraham was beloofd. Ondanks alle onvrede die het volk had getoond, ondanks de neiging om eigen goden te maken, waren ze nu in dat aan Abraham beloofde land. De mensen die het veel en veel later opschreven waren zelf naar een vreemd land gevoerd en daar in ballingschap. Zij beleefden dit verhaal van Jozua als een belofte dat ook zij eens weer in dat beloofde land zouden mogen, terug uit de ballingschap. Ook dat gebeurde. Zo mogen ook wij het verhaal lezen als een verhaal van hoop op vrede, op een eind aan geweld en onderdrukking, op een eind aan honger en uitbuiting. Als we daaraan gaan werken sluiten ook wij een verbond met die God en gaan we mee in zijn belofte. Elke dag mag dat opnieuw, ook vandaag weer.

Tot op de dag van vandaag

Jozua 4:1-14

1 Nadat het hele volk de Jordaan was overgetrokken, zei de HEER tegen Jozua: 2  ‘Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam, 3  en zeg hun dat ze van de plaats waar de priesters in de Jordaan staan twaalf stenen moeten halen. Die moeten ze meenemen en in het kamp leggen waar ze vanaf deze nacht zullen verblijven.’ 4  Jozua liet twaalf mannen aanwijzen, één uit elke stam van Israël, en nadat hij hen bij elkaar geroepen had, 5  zei hij tegen hen: ‘Ga voor de ark van de HEER, uw God, de Jordaan in. U moet allemaal één steen op uw schouders nemen, één voor elke stam van Israël. 6  Ze zullen een gedenkteken voor u zijn. Wanneer uw kinderen later zullen vragen wat die stenen betekenen, 7  dan moet u ze vertellen dat het water van de Jordaan werd tegengehouden door de aanwezigheid van de ark van het verbond met de HEER. Vertel ze dat toen de ark de Jordaan in ging het water werd afgesneden en dat deze stenen daarvan voor Israël een eeuwig gedenkteken zijn.’ 8  De mannen deden wat Jozua hun had gezegd. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. Ze droegen de stenen met zich mee naar hun kamp en legden ze daar neer. 9  Jozua richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de priesters stonden die de ark van het verbond droegen. Die stenen staan daar tot op de dag van vandaag. 10 De priesters die de ark droegen stonden in het midden van de Jordaan, totdat de opdracht die Jozua het volk in naam van de HEER gegeven had volledig was uitgevoerd, volgens de opdracht die hij al van Mozes gekregen had. Het volk trok zo snel mogelijk over, 11  en toen het volledig aan de overkant was gingen ook de priesters met de ark van de HEER naar de overkant en trokken ze verder voor het volk uit. 12  Ook de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse trokken in slagorde voor Israël uit, zoals Mozes hun bevolen had. 13  Deze voorhoede van het leger, zo’n veertigduizend man, trok nog voor de ark van de HEER uit ten strijde naar de vlakte van Jericho. 14  Op die dag verhoogde de HEER het aanzien van Jozua bij de Israëlieten, zodat ze zijn leven lang ontzag voor hem hadden, zoals ze ook voor Mozes hadden gehad. (NBV)

Een belangrijke gebeurtenis moet je markeren. Ook in ons land staan overal monumenten. Vooral veel monumenten ter herdenking van gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Die heeft veel onschuldige slachtoffers geëist en de willekeur waarmee mensen werden vermoord heeft de overlevenden er toe aangezet blijvende gedenktekens op te richten, zoiets mag nooit weer gebeuren. Maar in Groningen staat ook een borstbeeld van Rabenhaubt, die in 1672 de leiding had van de verdediging van de stad tegen de Bisschop van Münster. In Alkmaar vindt je een standbeeld voor Adriaan Antonisz. die de verdedigingswerken rond de stad in 1573 had aangelegd. Het verhaal van Jozua komt ons dus niet onbekend voor. In het kamp van het vertrek, in de Jordaan zelf werden stenen opgericht om die belangrijke gebeurtenis te markeren. Er zijn er die denken dat er altaren werden opgericht, zoals Jacob de stenen waarop hij had geslapen tot altaar had gemaakt. Maar dat staat er niet.

Het rare is natuurlijk dat er twee monumenten worden opgericht voor één gebeurtenis. Er staan ergens bij elkaar in de buurt 24 stenen, 12 op elke plaats die elk dezelfde gebeurtenis markeren. De enige verklaring van deze gebeurtenis is het ontstaan van de Bijbel. De verhalen zijn geen journalistieke verslagen, ze zijn ook niet ontleend aan dagboeken van betrouwbare getuigen. Het zijn volksverhalen die eeuwen op eeuwen aan volgende generaties zijn doorgegeven. Toen uiteindelijk de teksten werden verzameld waren er twee verschillende verhalen over dezelfde gebeurtenis. Er was niemand om te vragen of beide verhalen zo gebeurd waren of dat een van beide moest worden aangenomen. De betekenis van de intocht in het beloofde land was zo belangrijk en de herinnering aan Jozua zo sterk en belangrijk dat beide verhalen werden opgeschreven. Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald is geprobeerd er één verhaal van te maken maar toen later de Hebreeuwse Bijbel zelf in het Hebreeuws werd opgeschreven heeft men de twee verhalen gewoon naast elkaar laten staan. Als er een tijd is verstreken nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden en als die gebeurtenis veel indruk heeft gemaakt dat wordt alles wel wat groter dan het in werkelijkheid geweest is.

Als je de verhalen moet geloven uit de Tweede Wereldoorlog dan krijg je de indruk dat iedereen in het verzet zat en dat in elk Nederlands huis onderduikers en Joden waren verborgen. Zo was het zeker niet. We moeten de mensen die hun leven in de waagschaal stelden voor de vervolgden en onderdrukten niet bagatelliseren, maar het was zeker niet iedereen. Zo is de grote van de voorhoede van het leger van Ruben, Gad en de helft van Manasse die vooruit gingen in de vlakte van Jericho ook iets groter dan het in werkelijkheid geweest zou kunnen zijn. Maar er komt hier nog iets bij. De verhalen die wij in de Bijbel lezen zijn voor een groot deel opgeschreven en tot een eenheid gemaakt tijdens de ballingschap. En wie droomde van terugkeer naar het beloofde land droomde van een leger dat weer de vlakte van Jericho zou overstromen, over het grote volk van de God van Israël dat het ooit onder David en Salomo was geweest. Merktekens in het landschap, gedenktekens en monumenten mogen ons er dus ook aan herinneren dat een betere wereld kan, dat oorlogen geen natuurwetten zijn, dat onderdrukking en uitbuiting, dat vervolging en geweld niet vanzelfsprekend bij het leven horen, maar dat de God van Israël deze aarde er van kan bevrijden. We mogen elke dag opnieuw aan die bevrijding gaan deelnemen.

Kies nu

Jozua 3:1-17

1 De volgende ochtend vroeg trok Jozua met het hele volk weg uit Sittim. Ze kwamen tot aan de Jordaan, waar ze drie dagen bleven voor ze overtrokken. 2  Op de derde dag gingen de schrijvers het kamp door 3 om het volk te zeggen: ‘Wanneer u de Levitische priesters de ark van het verbond met de HEER, uw God, ziet dragen, dan moet u het kamp opbreken en de ark volgen. 4  Maar blijf op grote afstand, ongeveer tweeduizend el, kom niet dichterbij. Dan kunt u zien welke weg u moet volgen, want u bent hier nooit eerder geweest.’5  En Jozua zei tegen het volk: ‘Reinig u, want morgen zal de HEER in uw midden wonderen verrichten.’6  De volgende dag gaf hij de priesters de opdracht: ‘Ga met de ark van het verbond voor het volk uit.’ De priesters namen toen de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit, 7 en de HEER zei tegen Jozua: ‘Vandaag zal ik ervoor zorgen dat je bij alle Israëlieten hoog in aanzien komt te staan, zodat ze weten dat ik je zal bijstaan, zoals ik Mozes heb bijgestaan.8  Zeg tegen de priesters die de ark van het verbond dragen dat ze, zodra ze bij de oever van de Jordaan zijn gekomen, in het water moeten blijven staan.’9  Jozua riep toen het volk bij elkaar en zei: ‘Luister naar de woorden van de HEER, uw God.’ En hij vervolgde: 10  ‘U zult merken dat de levende God in uw midden is en beseffen dat hij het is die de Kanaänieten en de Hethieten, de Chiwwieten en de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u op de vlucht zal jagen. 11  De ark van het verbond met de Heer van de hele aarde gaat immers voor u uit de Jordaan in. 12  Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam van Israël. 13  Op het moment dat de priesters die de ark van de HEER dragen, de Heer van de hele aarde, de Jordaan in gaan, zal de stroom tot stilstand komen en zal het water oprijzen als een dam.’ 14 Toen het volk het kamp had opgebroken om de Jordaan over te trekken, gingen de priesters die de ark van het verbond droegen voor het volk uit. 15  Zodra de priesters bij de Jordaan waren gekomen en hun voeten door het water werden omspoeld-de Jordaan stond de hele oogsttijd buiten zijn oevers-, 16  kwam het water tot stilstand en vormde het een dam, heel in de verte bij de stad Adam, die vlak bij Saretan ligt. Het water dat naar de Zoutzee ging, ofwel de Dode Zee, stroomde helemaal weg. Het volk trok over ter hoogte van Jericho. 17  De priesters die de ark van het verbond met de HEER droegen, bleven precies in het midden van de bedding van de Jordaan staan, terwijl heel Israël overtrok, tot de laatste man. (NBV)

Ooit had de schoonvader van Mozes hem geadviseerd het volk te verdelen in groepen van vijftig en honderd en ze bestuurders te laten kiezen die in de meest eenvoudige zaken recht zouden kunnen spreken zodat Mozes zich alleen met de belangrijke zaken zou hoeven bezig houden. Het verhaal uit de Tora vertelt dat Mozes die raad had opgevolgd. Verder hadden we er niet mee over gehoord. Wel waren er zeventig oudsten geweest die met Aäron en Mozes de berg waren opgegaan. Nu lezen we weer over de opzieners, of schrijvers, klerken zouden we zeggen, die het volk na drie dagen klaar moesten maken voor de intocht. Voorop ging de Ark van het verbond. De kist van acaciahout waarin de stenen platen met het door God zelf geschreven verbond, de tien woorden die we in Exodus 20 kunnen terugvinden. Bij dat verbond hoorde ook de belofte dat de God van Israël hen het hele land zou geven. Al de volken die hen niet welkom zouden willen heten zouden op de vlucht worden gejaagd.

De Ark van het verbond was het meest heilige dat het volk bezat. Een verbond met de God die hemel en aarde geschapen had was niet niks. Een slavenvolk dat midden in de woestijn al de regels had ontvangen waarmee een nieuwe samenleving zou kunnen worden ingericht was door die God tot een wel heel bijzonder volk gemaakt. Dat was er ook bij gezegd. Dat volk zou een licht moeten zijn voor alle volken. Zo geheiligd, als apart gezet volk, zo trokken ze op naar de Jordaan om die over te steken. Wij zouden toch een leger soldaten voorop gezet hebben, je weet nooit wat de volken die al in Kanaän woonden in hun angst zouden doen, een kat in het nauw maakt immers rare sprongen en mensen doen uit angst de meest verwoestende dingen. Maar nee, de belofte van de God van Israël trok voor hen uit. Gij zult niet doden, Gij zult niet begeren wat van een ander is. In vrede kwam het volk om het land dat overvloeide van melk en honing te delen.

Dat het niet gemakkelijk zou worden wisten ze natuurlijk. Hun God zou de heidense volken verjagen. Dat zou nodig zijn want Heidens is het om met geweld te reageren op angst. Om de poorten van je land te sluiten voor zwervers die een vreedzame plek onder de zon zoeken. Wie wil weten of wij Heidenen zijn of vertrouwen op de God van Israël moet maar eens kijken hoe wij met vreemdelingen om gaan. Elke maand weer demonstreren bij Schiphol Christenen tegen het opsluiten in een gevangenis van mensen die geen misdrijf hebben begaan, niet veroordeeld zijn door een rechter maar alleen tegen hebben dat ze vreemdeling waren toen ze onze grens overschreden. Het volk Israël ging in het verhaal van Jozua het beloofde land binnen zoals ze het land van de dood, het land van de slavernij, Egypte, hadden verlaten. Toen had de Rietzee zich gespleten zodat ze droog door het water konden gaan, nu splijt de Jordaan zich zodat ze droog over kunnen. De belofte van vrede en welvaart als wij onze naaste lief hebben als onszelf geld door Jezus van Nazareth ook voor ons. Elke dag weer mogen we daarop vertrouwen, het wordt tijd dat we daar ons hele volk in meekrijgen.

Zij die in tranen zaaien

Psalm 126

1 Een pelgrimslied. Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of wij droomden, 2 een lach vulde onze mond, onze tong brak uit in gejuich. Toen zeiden alle volken: ‘De HEER heeft voor hen iets groots verricht.’ 3 Ja, de HEER had voor ons iets groots verricht, we waren vol vreugde. 4 Keer ook nu ons lot, HEER, zoals u water doet weerkeren in de woestijn. 5 Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. 6 Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven. (NBV)

Vandaag vieren de kerken de biddag voor gewas en arbeid, of alles goed mag gaan. En terwijl we in de 40 dagentijd op weg zijn zingen we een pelgrimslied. Een lied om onderweg te zingen. En als je met elkaar op weg bent dan zing je geen sombere liederen. Zij die in tranen zaaiden zullen dan ook oogsten met gejuich. Het Paasfeest is een oogstfeest, en het feest van de eerstgeborene van God, die niet dood te krijgen is. De eerstgeborenen werden naar de Tempel gebracht om opgedragen te worden aan de God van Israël. Na Pasen kwamen daar de volgelingen van Jezus bijeen. Deze korte psalm staat vol vrolijke beelden. Het zou een demonstratie lied kunnen zijn. Spandoeken en vlaggen hoog, daar gaat de menigte die opkomt voor het land van gerechtigheid, van eerlijk delen, van iedereen mee laten doen. De rijken en de machtigen van de wereld staan langs de kant toe te kijken.

Er is iets groots gebeurt, Sion, een andere naam voor de Tempelberg in Jeruzalem, is, van onbeduidend vlek, in het centrum van de wereld komen te liggen. Zo zal het uiteindelijk zijn, de dorre woestijn zal bloeien als een roos, dat mogen we ons toewensen. Er moet natuurlijk wel gewerkt worden. Je weet het, als je op pad gaat met zaad dan kom je uiteindelijk thuis met de schoven van graan. De velden staan wit om te oogsten zei Jezus eens, maar waar zijn de werkers. Dezer dagen wordt om vrijwilligers gevraagd. Mensen die werk willen doen niet om de carrière of het gewin, maar om het werk zelf. Onze koninklijke familie geeft zelfs elk jaar een voorbeeld op de Nederland doe dagen. Dan wordt er een buurtcentrum geschilderd, of maaltijden rondgebracht in een zorgcentrum een speeltuin opgeknapt en noem alles maar op waar ook u aan mee kunt doen. Want vrijwilligerswerk kunnen we allemaal doen. In het buurthuis of wijkcentrum om de hoek, in de basisschool vlakbij, in de kerk, in het asielzoekerscentrum ,in de gevangenis, bij de voedselbank, in het verzorgingshuis.

Maar ook bij de scouting, bij de sportvereniging, achter de telefoon bij de telefonische hulpdienst of de kindertelefoon, in de wereldwinkel of de kringloopwinkel, bij Amnesty International, op ontelbare plaatsen in onze samenleving kun je iets terug doen voor al die aardige mensen die je elke dag tegenkomt. In de Vluchtkerken zoals waar papierlozen onderdak krijgen. Op al die plaatsen kan al vast een klein stukje beginnen van dat bijzondere koninkrijk waar alle ellende voorbij is, waar vrede is en waar iedereen mag meedoen. Waar geoogst wordt met gejuich. Zoek maar een vrijwilligersbaantje dat bij je past, in veel gemeenten zijn vrijwilligerscentrales die je er bij willen helpen. En er zijn armen en vluchtelingen uit arme landen. Gelukkig zijn ook daar vrijwilligers, van het Rode Kruis en andere organisaties, hun giro staat altijd open voor het bestrijden van honger en armoede in Afrika. Wij kunnen die vrijwilligers aan de gang helpen door geld te storten, wij zaaien en zij delen uit van de oogst die het opbrengt

Doodsbang

Jozua 2:15-24

15  Rachab woonde in een huis in de stadsmuur. Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken. 16  ‘Probeer in de bergen te komen, ‘zei ze, ‘anders vinden de achtervolgers jullie. Houd je daar drie dagen schuil, totdat ze teruggekomen zijn. Ga daarna pas weg.’ 17  De mannen zeiden: ‘We zijn niet in alle gevallen gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren. 18  Wanneer we dit land binnentrekken, moet je dit rode koord aan het venster binden waardoor je ons hebt laten zakken. Zorg er dan voor dat je vader en moeder, je broers en je hele verdere familie bij je in huis zijn. 19  Wie van jullie dan naar buiten gaat, is zelf schuldig aan zijn dood. In dat geval zijn we niet aan onze eed gebonden. Maar wordt er ook maar iemand kwaad gedaan die binnen blijft, dan zijn wij schuldig. 20  En we zijn ook niet gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren als je onze plannen verraadt.’ 21  Rachab stemde hiermee in en liet de mannen gaan. En ze bond het rode koord aan het venster. 22 De mannen gingen de bergen in en bleven daar drie dagen, totdat de achtervolgers waren teruggekeerd. Ze hadden overal gezocht, maar niemand gevonden. 23  Toen kwamen de twee mannen de bergen uit, staken de Jordaan over en meldden zich bij Jozua, de zoon van Nun, aan wie ze alles vertelden wat hun overkomen was. 24  Ze zeiden hem: ‘De HEER heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners zijn doodsbang voor ons.’ (NBV)

Angst is dus een slechte raadgever. Als je je bang laat maken door de ander heb je bij voorbaat verloren. Ook al heeft die ander zaken gedaan waar je best bang voor zou kunnen zijn. Dat woestijnvolk dat op het punt stond Kanaän binnen te trekken had een paar machtige koningen verslagen, dat negeer je niet zomaar. Maar angst is niet het juiste antwoord. Het begint altijd met een gesprek. Probeer eens uit te vinden of mensen die jou angst inboezemen ook echt van plan zijn je kwaad te doen. Wij laten ons immers zo gemakkelijk angst aanpraten? De twee verspieders van Israël die er door Jozua op uit waren gestuurd hadden niet veel nodig om hun conclusies te trekken. Zelfs een paar vreemdelingen die een hoer bezochten werden al vervolgd en gezocht. Zo bang waren ze. Rachab had uitgelegd waar die angst vandaan kwam en was tot de conclusie gekomen dat het volk Israël bij voorbaat al had gewonnen. De angst dreigt ook ons te regeren, jongerenwerkers van allochtone afkomst worden zonder aanwijsbare redenen, zonder dat zij zich kunnen verdedigen, ontslagen omdat ze jongeren wel eens zouden kunnen radicaliseren. Het uit angst reageren kan gemakkelijk dat oproepen waar je bang voor bent.

Rachab sluit een verbond met de verspieders. Een nauwkeurig verbond. Wie wel en wie niet onder de bepalingen van het verbond valt wordt nauwkeurig vastgelegd. Iedereen die in het huis met het rode koord is. Wie daarbuiten is valt er buiten. Wie gewaarschuwd is daar binnen te komen en te blijven heeft een eigen keus. Dat rode koord van Rachab is in de loop van de geschiedenis een eigen leven gaan leiden. Lang was het het teken van een bordeel, uiteindelijk was het een teken dat ook bij de inwoners van Jericho geen argwaan heeft moeten opwekken. Maar in onze dagen is het het teken geworden van de rechten van hoeren. Rachab heeft ons als eerste laten zien dat hoeren gewoon mensen zijn met wie zelfs de mensen die horen bij de God van Israël een verbond kunnen sluiten. Het vermoeden dat Rachab wel eens een tempelprostituee is geweest doet daaraan niet toe of af. Ook Jezus van Nazareth ging bij de hoeren op bezoek, zij stonden onderaan de maatschappelijke ladder en verdienden dus als eersten een nieuwe plaats in de samenleving. De Rode Draad is tegenwoordig hun vakbond, het Scharlaken koord de actiegroep tegen dwang en vrouwenhandel.

Drie dagen is overal in de Bijbel een belangrijke tijdseenheid. Wij denken in deze dagen natuurlijk aan de drie dagen voordat Jezus van Nazareth uit het graf werd opgewekt. Maar het volk Israël trok na de uittocht uit Egypte drie dagen zonder water door de woestijn en op tal van andere plaatsen zijn perioden van drie dagen een teken dat het om een goddelijke periode gaat. Hier moesten de twee verspieders zich drie dagen in de bergen schuilhouden voordat ze weer de Jordaan konden oversteken naar Jozua om verslag uit te brengen. De achtervolgers hadden het na drie dagen opgegeven en kennelijk hielden ze dat woestijnvolk van hun kant niet permanent in de gaten. Het gebeurde zoals Rachab had voorspeld. Het volk zou na drie dagen opbreken en naar de oever van de Jordaan trekken om daar over te steken. Angst kenden ze niet meer. Wie eenmaal bevrijd is uit slavernij, wie zo lang door de woestijn had gezworven weet dat alles mogelijk is. Het was de tweede generatie van het volk dat uit Egypte bevrijd was. Die bevrijding leefde nog sterk, de slavernij hadden ze niet meegemaakt. Ook wij hoeven ons dus niet door angst te laten leiden, als we maar onze naaste lief willen hebben, desnoods onze vijanden.

Twee spionnen

Jozua 2:1-14

1 Hierna stuurde Jozua, de zoon van Nun, er vanuit Sittim in het geheim twee spionnen op uit. Hij gaf hun de opdracht: ‘Verken het hele gebied, maar vooral Jericho.’ De mannen vertrokken. Toen ze in Jericho waren gekomen, vonden ze onderdak bij een hoer, Rachab genaamd, bij wie ze wilden overnachten. 2  Maar toen de koning van Jericho hoorde dat er die nacht spionnen van Israël waren gekomen, 3  liet hij Rachab het volgende bevel geven: ‘Lever ze uit, die mannen die bij je zijn, want ze zijn hier om te spioneren.’ 4  Maar Rachab-die de twee mannen verborgen had-zei: ‘Die mannen hebben mij inderdaad bezocht, maar ik weet niet waar ze vandaan kwamen. 5  Ze zijn vertrokken vlak voordat het donker werd en de poort zou worden gesloten. Ik heb geen idee waar ze naartoe zijn gegaan. Ga ze snel achterna, dan haalt u ze nog in.’ 6  Rachab had de mannen naar het dak gebracht en ze daar verborgen onder bundels vlas. 7  Hun achtervolgers vertrokken meteen in de richting van de Jordaan, naar de oversteekplaatsen. Zodra ze de stad hadden verlaten werd de poort gesloten. 8 ¶  Rachab ging naar het dak voordat de mannen in slaap zouden zijn. 9  ‘Ik weet, ‘zei ze tegen hen, ‘dat de HEER dit land aan jullie heeft gegeven. Wij zijn door angst overmand. Alle inwoners van dit land zijn doodsbang voor jullie, 10  want we hebben gehoord dat de HEER de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd toen jullie uit Egypte wegtrokken en dat jullie Sichon en Og, de twee koningen van de Amorieten ten oosten van de Jordaan, hebben vernietigd. 11  Toen we dat hoorden, sloeg de angst ons om het hart en werden we wanhopig. De HEER, jullie God, is immers een God die macht heeft in de hemel en op aarde. 12  Zweer me dan bij de HEER dat jullie mijn familie en mij goed zullen behandelen. Ik heb jullie toch ook goed behandeld? Zweer het me, geef me de zekerheid 13  dat jullie mijn vader en moeder, mijn broers en zusters en hun kinderen zullen sparen. Red ons van de dood!’ 14  De mannen antwoordden haar: ‘We staan voor jullie borg met ons leven, op voorwaarde dat jullie onze plannen niet verraden. Wanneer de HEER ons dit land gegeven heeft, zullen we onze belofte nakomen.’ (NBV)

Het volk Israël had al eens eerder aan de rand van het beloofde land gestaan. Ook toen waren er verspieders uitgestuurd. Twaalf stuks. Slechts twee kwamen terug met goede berichten, de rest met berichten vol onheil en angst. Eén van de twee die met goede berichten terug kwam was Jozua geweest. Hij wist dus heel goed hoe het land was en wat daarvan te verwachten is. Toch worden er twee verspieders uitgestuurd, zij moeten peilen hoe het met de mensen in het land is en dat ervaar je natuurlijk in de dichtstbijzijnde stad: Jericho. Uiteindelijk zullen er twee stammen het nog lang in dat land uithouden, als de andere tien al in ballingschap zijn dan blijven nog Juda en Benjamin het rond Jeruzalem uithouden, tot ook in Jeruzalem de dienst aan afgoden zo groot is geworden dat het niet meer het land is dat God hen ooit gegeven had. Nu trokken de twee verspieders op naar Jericho en waar kun je beter anoniem en onopgemerkt overnachten dan bij een hoer. Daar is het altijd al een komen en gaan van mannen die anoniem willen blijven. Rachab werd dus de hoer die de mannen mocht ontvangen.

Ook in de vertaling van het stuk van vandaag is het spel met woorden uit de Hebreeuwse Bijbel weg vertaald, dat blijft jammer. Rachab weet niet waar de mannen vandaan kwamen, ze weet niet waar ze heen gegaan zijn, maar Rachab weet wel dat de Heer het land aan Israël heeft gegeven. Ook de Koning van Jericho weet dat er spionnen zijn en ook hij weet dat vreemden bij een hoer nu eenmaal gemakkelijk onderdak kunnen vinden. De twee verspieders zijn verstopt onder bundels vlas en als de soldaten verder gaan zoeken ontspint zich een gesprek over hoe de inwoners van Kanaaän aankijken tegen de woestijn zwervers Israël. Het volk in Kanaaän blijkt doodsbang. Ze weten van de God van Israël die de zwervers had bevrijd uit Egypte, door de Rietzee de woestijn in. Ze hebben weet van het verzet van Sichon en Og, de koningen van de Amorieten die Israël geen doortocht hadden willen verlenen en die verpletterend verslagen waren. Het volk heeft weet van de macht van de God van Israël.

Vraag blijft dan wat je doet met die wetenschap. De Koning van Jericho stuurde soldaten om de spionnen te vangen. Het volk van Kanaaën zal de poorten van de steden sluiten en weigeren het land te delen met de zwervers van Israël. Rachab trekt een andere conclusie. Een God die alle macht heeft kun je maar beter tevreden houden. Hoeren weten wie de sterkste is en wie je dus maar beter kunt gehoorzamen. Daarom komen hoeren vaak in de macht van pooiers en worden ze uitgebuit en misbruikt en door die uitbuiting en dat misbruik verliezen ze ook een gewaardeerde plaats in de samenleving. Jezus van Nazareth was ooit lang na het verhaal over Rachab nog bezig om hoeren weer die plaats te geven. Ook Rachab vraagt om een gewaardeerde plaats in de nieuwe samenleving die zal ontstaan als God het land aan Israël heeft gegeven, niet alleen voor zichzelf maar ook voor haar familie. De legende wil dat de familie nog vele generaties lang die bijzondere positie in Israël heeft kunnen innemen. Voor ons ook de vraag hoe wij reageren op de komst van vreemde zwervers die hier onderdak zoeken. Zetten wij onze deuren open zoals eens Rachab deed of sluiten wij de poorten uit angst en vertrouwen we niet meer op de God die opriep de naaste lief te hebben. Elke dag opnieuw worden we voor die keus gesteld, ook vandaag weer.

Om ze te steunen

Jozua 1:10-18

10 Jozua gaf toen de schrijvers van het volk de opdracht: 11  ‘Ga het hele kamp door en zeg tegen het volk dat het voor proviand moet zorgen. Het zal over drie dagen de Jordaan overtrekken om het land in bezit te nemen dat de HEER, hun God, hun zal geven.’ 12  Tegen de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse zei hij: 13  ‘Houd u aan de opdracht die Mozes, de dienaar van de HEER, u gegeven heeft. Mozes heeft gezegd: “De HEER, uw God, zal u vrede schenken en u dit gebied geven.” 14  En Mozes zei verder dat uw vrouwen, kinderen en vee in dit gebied mogen blijven dat hij u aan deze zijde van de Jordaan heeft toegewezen. Maar alle weerbare mannen onder u moeten hun broeders in slagorde voorgaan in de strijd om ze te steunen, 15  totdat de HEER u allemaal vrede geeft en ook zij het gebied in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft. Pas dan mag u teruggaan en uw eigen gebied in bezit nemen dat Mozes, de dienaar van de HEER, u ten oosten van de Jordaan heeft toegewezen.’ 16 Zij antwoordden Jozua: ‘We zullen alles doen wat u ons bevolen hebt en overal naartoe gaan waar u ons heen stuurt. 17  Zoals we naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen we naar u luisteren. Moge de HEER, uw God, u bijstaan, zoals hij Mozes heeft bijgestaan. 18  Iedereen die niet naar u luistert en zich tegen uw bevelen verzet, tegen welk bevel dan ook, zal worden gedood. Wees vastberaden en standvastig.’ (NBV)

Aan middelbare scholieren wordt geleerd dat ze niet voor hetzelfde begrip ook iedere keer dezelfde woorden moeten gebruiken. Ze moeten op zoek naar synoniemen, woorden die hetzelfde betekenen maar bij gebruik een zekere levendigheid in de tekst suggereren. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben die lessen ook gevolgd en zijn al lezend in de Nederlandse literatuur dat gevarieerde gebruik van betekenissen ook mooi gaan vinden. In het Hebreeuws wordt juist vaak met hetzelfde woord gespeeld, er om heen klinken dan woorden die iets anders betekenen maar hetzelfde klinken. In een vertaling in het Nederlands valt dat al snel weg. Sleutelwoord in het gedeelte van vandaag is geven. Alles waar het over gaat is gegeven, de opdrachten van Mozes, de belofte van God, het land waar ze al zijn, de proviand die ze moeten verzamelen, alles is gegeven. Als tegenprestatie geeft het volk aan Jozua de leiding. Hij zal hen moeten leiden in de Geest van de God van Israël, ze geven hem het vertrouwen dat hij zal handelen zoals God dat wil.

Er wordt wel eens gesuggereerd dat de Jordaan de scheiding vormt tussen de wereld van de Heidenen en het land van de God van Israël. Maar zo is het niet. De stammen Ruben en Gad en de helft van de stam Manasse blijven wonen aan de woestijnkant van de Jordaan, daar waar nu ook het land Jordanië ligt. De Tora is in de woestijn gegeven en in het land dat ze gekregen hebben zal de Tora tot gelding moeten worden gebracht. Als ze dat lukt dan is het Koninkrijk van God op aarde gevestigd. Maar hoewel het volk in twaalf stammen uiteenvalt zal het toch een eenheid moeten gaan vormen. Het bewaren van die eenheid zal een van de moeilijkste opgaven van het volk blijken, maar hier krijgen de krijgers uit de stammen Ruben en God, en de krijgers van de helft van de stam Manasse te horen dat ze mee moeten om het land in bezit te nemen.

Veroveren is niet nodig, God heeft immers het land aan het volk gegeven. Heel het volk, ook de stammen die het niet echt nodig hebben, zijn Jozua gehoorzaam en maken zich klaar voor de doortocht door de Jordaan na drie dagen. Het bewaren van een eenheid is voor alle mensen in alle tijden een heel moeizame zaak gebleken. Israël zal uiteindelijk in twee koninkrijken uiteen vallen. De Christelijke gemeenten, die elkander lief moeten hebben, zullen uiteenvallen in een Oostelijke en een Westelijke kerk en daarna versplinteren in vele kerkgenootschappen en groeperingen. Om een Koninkrijk van God te vormen moeten de gelovigen kennelijk toch een eenheid weten te vormen en te bewaren. Wij zijn ons daarvan niet altijd bewust, maar het is een opgave die de Bijbel aan gelovigen meegeeft en waar we elke dag ook aan moeten werken, ook vandaag weer.