Jozua liet geen mens in leven.

Jozua 10:29-43

29  Vervolgens trok Jozua met het hele leger van Makkeda naar Libna. Hij viel Libna aan, 30  en de HEER leverde ook die stad en haar koning aan Israël uit. Jozua doodde iedereen die er woonde, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Libna deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. 31  Vervolgens trok Jozua met het leger van Libna naar Lachis. Hij sloeg het beleg voor die stad en viel haar aan. 32  De HEER gaf Israël Lachis in handen; Jozua nam de stad in op de tweede dag van het beleg en hij doodde iedereen die er woonde, zoals hij in Libna had gedaan. 33  Horam, de koning van Gezer, kwam Lachis te hulp, maar Jozua versloeg hem. Hij doodde hem en zijn soldaten tot er niemand meer over was. 34  Vervolgens trok Jozua met het leger van Lachis naar Eglon. Ze sloegen het beleg voor die stad en vielen haar aan. 35  Ze namen Eglon in één dag in en doodden alle inwoners. Jozua bracht iedereen die er woonde om, zoals hij in Lachis had gedaan. 36  Vervolgens trok Jozua met het leger van Eglon naar Hebron. Ze vielen Hebron aan, 37  namen die stad in en doodden er evenals in Eglon de koning en alle inwoners. Jozua liet ook van de omliggende steden geen mens in leven, hij bracht iedereen om. 38  Op zijn terugtocht ging Jozua met het leger naar Debir. Hij viel die stad aan, 39  nam haar in en veroverde ook de omliggende steden. Hij doodde de koning en alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen om, Jozua liet geen mens in leven. Wat hij met Hebron en Libna en de koningen ervan had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning. 40  Zo veroverde Jozua het volgende gebied: het bergland, de Negev, het heuvelland en de streek van de rotskloven. Hij liet geen enkele koning in leven, hij bracht iedereen die er woonde om, zoals de HEER, de God van Israël, had opgedragen. 41  Jozua trok van Kades-Barnea tot aan Gaza en van het hele gebied rond Gosen tot aan Gibeon, en hij doodde er iedereen. 42  Hij veroverde de gebieden van al die koningen op één veldtocht doordat de HEER, de God van Israël, voor Israël streed. 43  Daarna keerde Jozua met het leger terug naar het kamp bij Gilgal. (NBV)

Wat win je eigenlijk met een oorlog? Wat levert een succesvolle veldtocht je op? We lezen vandaag een verhaal over een succesvolle veldtocht van Jozua. Een groot veldheer. Niemand wilde het land dat overvloeide van melk en honing delen met de woestijnzwervers, maar ze werden allemaal overwonnen en uitgeroeid. En dan? Dan niks. Dan ben je weer net zo ver als je begon. Dan gaat dat hele succesvolle leger weer naar het eerste kamp dat ze als volk hadden opgeslagen, naar Gilgal. In onze dagen zien we dat ook. De troepen worden na een hevige en toch wel succesvolle oorlog teruggetrokken uit Afghanistan en uit Irak. En dan? En nu? Er wordt nog steeds net zo hard gevochten als voorheen. Individuele krijgsheren en opstandelingen hadden zich verenigd en voorzien van een aanlokkelijke slogan: De Islamitische Staat. We zijn weer net zo ver als voorheen. Net als het volk Israël. Wij menen rechtvaardige oorlogen gevoerd te hebben, Israël zo vertelt het verhaal had de God van Israël aan haar zijde. Maar alle bloedvergieten brengt je gewoon weer terug waar je begonnen was.

Is dit nu een historisch verslag van de veldtocht? Dat zou merkwaardig zijn. Wij herkennen niet alle steden en plaatsen die worden genoemd. Maar er is één streek die bijbelgetrouwe gelovigen gelijk herkennen. Dat is het land Gosen. Het hele gebied rond het land Gosen tot aan Gibeon wordt ingenomen. Maar Gosen ligt in de Nijldelta. Dat was het land dat niet door de God van Israël maar door de Farao aan het volk was gegeven. Daar waren ze tot slaven gemaakt, daar waren ze uitgetrokken uit het land van de dood, door de Rietzee, op dezelfde manier waarop ze nu door de Jordaan waren getrokken. Het verhaal is dus niet een historisch verslag maar een waarschuwing. Ook al heb je de God van Israël aan je kant, ook al vecht je een rechtvaardige oorlog, de dreiging van slavernij is er altijd. Slavernij aan de machten en krachten die zich aan jou spiegelen. Machten en krachten die ook hun oorlog en opstand kunnen overgieten met een saus van godsdienst en gerechtigheid. Die net als jij zich de opdracht kunnen toemeten alle tegenstanders uit te roeien. Met die opdracht kom je geen stap verder.

De steden die worden genoemd zijn niet allemaal bekend. De namen waarmee de steden zijn aangeduid zijn in de loop van eeuwen waarin het verhaal werd doorverteld langzaam aan veranderd. Over sommige steden bestaat zelfs verwarring. Hebron bijvoorbeeld wordt later nog een keer door Kaleb, de medestander als verspieder van Jozua, veroverd voor zijn familie. Het heeft een bijzondere positie. Het zou de Koningsstad van David worden, die later Jeruzalem tot hoofdstad van het verenigde noord en zuid rijk zou maken. Jeruzalem wordt dus ook in dit verhaal niet genoemd. Er zal eerst een koning naar Gods hart moeten komen voor die bijzondere stad kan worden ingenomen. Jeruzalem heeft in dit verhaal dus eigenlijk al een bijzondere positie. Het is niet een stad die je verovert zonder dat het ergens op uit loopt. In Jeruzalem zal de Tabernakel, de tent der ontmoeting haar definitieve bestemming vinden. Daar zal die bijzondere tent door een tempel worden opgevolgd. Wie dit verhaal leest mag vragen, waar is Jeruzalem, het antwoord is dat het nog moet komen. Het verslaan van vijanden is nog iets heel anders dan het opbouwen van een land volgens de aanwijzingen van de God van Israël, daar mogen wij ook elke dag aan denken.

Blijf vastberaden en standvastig

Jozua 10:16-28

16  De vijf koningen waren gevlucht en hadden zich in een grot bij Makkeda verscholen. 17  Toen Jozua hoorde dat ze daar waren ontdekt, 18  gaf hij bevel die grot met grote stenen af te sluiten en er een wachtpost bij te zetten. 19  ‘Maar het leger mag hier niet blijven, ‘zei hij. ‘Ga de vijand achterna. Vernietig wat er nog van over is. Laat ze niet ontkomen naar hun steden nu de HEER, jullie God, ze aan jullie heeft overgeleverd.’ 20-21 En het leger van Israël keerde pas terug naar Jozua, naar de legerplaats bij Makkeda, nadat het de vijand vernietigend verslagen had, tot de laatste man, en nadat de paar vijanden die nog konden vluchten, waren ontkomen in hun vestingsteden. Van Israël was geen enkele soldaat ook maar een haar gekrenkt. 22  Nadat het leger was teruggekeerd, beval Jozua: ‘Haal die vijf koningen uit de grot en breng ze bij me.’ 23  Zijn bevel werd uitgevoerd, de vijf koningen werden bij Jozua gebracht: de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon. 24  Jozua liet het hele leger aantreden en riep de aanvoerders naar voren, de mannen die hem in de strijd ter zijde hadden gestaan. ‘Zet jullie voet op de nek van die koningen, ‘beval hij hun. Nadat ze dit hadden gedaan, 25  zei hij: ‘Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen, blijf vastberaden en standvastig. De HEER zal met alle vijanden die jullie nog moeten bevechten hetzelfde doen als met deze koningen.’ 26  En met die woorden sloeg Jozua de vijf koningen dood, waarna hij hen aan vijf bomen liet ophangen. Daar hingen ze tot de avond. 27  Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de bomen te halen, hen in de grot te gooien waarin ze zich hadden verscholen en die met grote stenen af te sluiten. Die stenen liggen er tot op de dag van vandaag. 28 Jozua had op dezelfde dag Makkeda ingenomen en de koning en alle inwoners gedood. Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Makkeda deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. (NBV)

Bondgenootschappen hebben weinig nut en leiden meestal tot zelfoverschatting. Een les die het volk Israël te leren had in de aanloop naar de ballingschap en een les die ze zouden moeten trekken uit de ballingschap. Het verhaal van Jozua is daarbij zeer behulpzaam. Jozua is de tegenstander van een verbond van maar liefst vijf koningen. Vijf koningen die een bondgenoot van Israël bedreigden. Niet dat Koningen zelf gaan vechten, dat laten ze aan het gewone volk over. De vijf koningen hadden zich verstopt in een grot, zoals eens David zich had verstopt in een grot toen hij op de vlucht was voor Saul. Jozua liet ze daar opsluiten. Eerst moest hun leger in de pan worden gehakt en op de vlucht worden gejaagd. De vluchtende soldaten worden in dit verhaal met rust gelaten, zij mogen vluchten naar hun steden. Natuurlijk mogen de soldaten van Israël hun vijanden niet laten ontkomen. Een al te slappe houding zou dat leger wellicht inspireren tot een herhaling van de oorlog.

Maar er vluchten toch genoeg soldaten naar hun steden. Het leger van Israël trok na de strijd terug naar het legerkamp dat inmiddels bij die grot van de Koningen was opgeslagen. Daar werden de Koningen vernederd. Zij waren het symbool voor hun koninkrijken en door de laars op de nek van de overwonnen koning te plaatsen werd de onderwerping en de verovering van hun koninkrijken uitgedrukt en bijna ritueel duidelijk gemaakt. Dan laat Jozua de Koningen ophangen aan vijf bomen. Een gruwelijk beeld. Daar hangen ze de rest van de dag. Overeenkomstig de Tora worden ze tegen de avond van de bomen afgehaald en terug in hun vluchtgrot geworpen, dood. De grot afgesloten van stenen en dat was het. Maar ook dit verhaal over een bestraffing is een les. Het was een les voor het volk niet de zwakken, de gewone mensen te straffen voor de daden van hun leiders. Een les die we ook nu nog kunnen trekken. Na de eerste wereldoorlog werden op het Duitse volk zulke strenge lasten gelegd dat het wel tot een tweede oorlog moest leiden. Er zijn mensen die vinden dat ook de gewone mensen in Griekenland het te zwaar krijgen als gevolg van de daden van de rijken en de machtigen in hun land.

Het was ook een les voor Koning Saul. Toen die eindelijk de vaste vijand van Israël, Amelek had overwonnen liet hij het hele volk ombrengen, behalve de koning. Voor die koning had hij een losgeld willen vragen. Maar de overwinningen van Israël komen voort uit het verbond met de God van Israël en die had bevel gegeven de Koning te doden en het volk ongemoeid te laten. Het was toen Samuël geweest die de Koning van Amelek doodde. In dit verhaal van Jozua wordt het bevel van de God van Israël gevolgd. Zoals Mozes aan Jozua had opgedragen waren de volken van Kanaän overwonnen. Wie niet wilde delen van een land dat overvloeide van melk en honing moest uit dat land worden verdreven. Met wie zich niets gelegen wilde laten aan de Tora mocht men geen verbond aangaan, Israël kon wel eens andere goden gaan nalopen op grond van een verbond met vreemde volken. Het volk van Gibeon zou uiteindelijk het hout hakken voor de offers bij de Tempel en het water halen voor de rituele wassingen. Jozua deed wat Mozes opdroeg, Mozes voerde het bevel van God uit en zo werd het beloofde land het land Israël. Voor ons alle reden om onze bondgenootschappen en onze wijze van oorlogvoeren nog eens op een rij te zetten en er het licht van de Tora over te laten schijnen.

Red ons

Jozua 10:1-15

1 Toen Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en alle inwoners had gedood, dat hij met Ai en de koning van die stad hetzelfde had gedaan als met Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon een vredesverdrag met Israël hadden gesloten en in hun midden woonden, 2  toen werden hij en zijn volk doodsbang. Gibeon was namelijk even groot als de koningssteden, zelfs nog groter dan Ai, en de mannen die er woonden waren buitengewoon dapper. 3  Koning Adonisedek stuurde boden naar Hoham, de koning van Hebron, Piram, de koning van Jarmut, Jafia, de koning van Lachis, en Debir, de koning van Eglon. Hij vroeg hun: 4  ‘De inwoners van Gibeon hebben een vredesverdrag met Jozua en Israël gesloten. Kom me te hulp, dan kunnen we ze samen verslaan.’ 5  De vijf Amoritische koningen sloten zich aaneen. Zij, de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon, trokken met hun legers ten strijde tegen Gibeon, sloegen het beleg voor die stad en voerden er aanvallen op uit. 6  De Gibeonieten stuurden toen een bode naar het kamp bij Gilgal. Ze smeekten Jozua: ‘Laat ons niet in de steek, kom snel naar ons toe om ons te helpen. Red ons, want de Amoritische koningen uit de bergen hebben zich allemaal tegen ons aaneengesloten.’ 7 Hierop trok Jozua met zijn hele leger, geen enkele soldaat uitgezonderd, vanuit Gilgal ten strijde. 8  De HEER zei tegen hem: ‘Je hoeft voor die koningen niet bang te zijn, want ik lever ze aan je uit. Geen van hen zal tegen je kunnen standhouden.’ 9  Jozua wist de vijand vanuit Gilgal in één nachtelijke mars te bereiken, en hij verraste hem in een plotselinge aanval. 10  Toen de soldaten van de vijand het leger van Israël zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek in hun gelederen, zodat de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag konden toebrengen. Ze achtervolgden hen tot aan de pas van Bet-Choron, en nog verder-ja, ze sloegen hen zelfs vlak voor Azeka en Makkeda nog neer. 11  Toen hun vijanden de pas van Bet-Choron afvluchtten, wierp de HEER vanuit de hemel grote hagelstenen op hen, tot aan Azeka toe. Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israëlieten. 12  Want op die dag, de dag dat de HEER de Amorieten aan Israël overleverde, had Jozua gebeden tot de HEER. In aanwezigheid van Israël sprak hij: ‘Zon, sta stil boven Gibeon, maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.’ 13  En de zon stond stil en de maan bleef staan, tot Israël zijn vijanden had afgestraft.  Dit staat opgetekend in het Boek van de Oprechte. De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging. 14  Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël. 15 Na deze overwinning keerde Jozua met het hele leger terug naar het kamp bij Gilgal. (NBV)

Er zal gevochten moeten worden om het verlies van Kanaän, het land dat overvloeide van melk en honing, te voorkomen. Dat is de overtuiging van de Koningen van Kanaän, de koning van Jeruzalem voorop. Ze hadden een verbond gesloten om te voorkomen dat die woestijnzwervers uit dat kamp bij Gilgal zich over het land zouden verspreiden en daar de boventoon zouden gaan voeren. Jericho was zo’n beetje zelf in elkaar gevallen, Ai was niet zo’n grote stad geweest en daar hadden ze kunnen overwinnen, maar Gibeon was zo groot als een echte koningsstad en die had een verbond gesloten met Israël. Er was dus al een sluipende verovering van Kanaän aan de gang en ook al bleef dat volk in hun kamp in Gilgal de dreiging werd steeds groter. Zo werkt dat dus, we scheppen ons een angst voor het vreemde, voor vreemdelingen en uiteindelijk maken we onze angst zo groot dat we die om moeten zetten in agressie. Door de hele geschiedenis heen zien we dat patroon dat ons met name door de machtigen en rijken wordt voorgehouden. Zo’n overloper als Gibeon moet dus bestraft worden en zonder dat de zogenaamde helden van Gibeon iets misdaan hebben trekken de legers van de coalitie van Kanaän op naar Gibeon.

Het verdrag tussen Israël en Gibeon houdt in dat Israël Gibeon zou beschermen. En dat gebeurt natuurlijk. Het leger marcheert een hele nacht lang naar het bedreigde Gibeon en het volstrekt onverwachte verschijnen van het leger zaaide paniek, zodat het leger redelijk gemakkelijk won. Een aangezien al het positieve dat het volk meemaakt aan God wordt toegeschreven en men zich mag afvragen waar dat leger van de Koningen van Kanaän nu zo bang van werd, heeft men de paniek die ontstond aan God toegeschreven en niet aan de angst die door die Koningen ten onrecht was gezaaid. Let bij zulke verhalen altijd op. Beide partijen hebben er belang bij de oorzaak van de afloop te leggen buiten zichzelf. Als je ooit weer vrede zou willen sluiten dan moet je de gelegenheid hebben iemand anders buiten jezelf verantwoordelijk te maken voor de ellende die in het conflict is veroorzaakt. Rebellen, dieven, opstandelingen zijn dan gemakkelijk aan te wijzen oorzaken van onverwachte ellende, bijkomende schade, ongelukken in de strijd. We kennen het tot in onze dagen.

De invloed van de natuur wordt graag gebruikt om de eigen kracht in het verhaal te kunnen vergroten. Hagelstenen zijn door God gezonden.  De verhalen die overblijven worden door de overwinnaars verteld. In de Bijbel zijn die verhalen soms fragmentarisch overgenomen. Zo ook dat verhaal over de dag die langer duurde dan gebruikelijk was, het leek wel of de zon had stilgestaan. Dat komt niet direct uit de Bijbel maar uit het Boek van de Oprechte waaruit geciteerd wordt. Wij kennen dat boek niet. Wat we wel weten is dat de Bijbel vertelt dat niet de machtigen de tijd hebben uitgevonden maar dat de tijd ons gegeven is door God. Die tijd is zo gegeven dat de slaven, de arbeiders, de armen, niet dag en nacht hoeven te zwoegen. Er zijn tijden van rust en tijden van arbeid. Er is zelfs een dag afgezonderd om die vrijheid te vieren. Maar voor de armen is de tijd maar relatief, de meeste tijd gaat op om je voedsel te verzamelen, om je bezit te beschermen. als een kalf verdronken is dan demp je de put en let je niet op de tijd. Zo vocht het leger van Israël, net zo lang als nodig was, zo lang dat het leek alsof de zon zou stilstaan boven het dal van Gibeon. Ook hier geeft God de mensen de tijd. Wij worden dus geroepen op te letten wie ons eigenlijk te tijd geeft. Wordt ons vrije tijd geschonken of wordt alle tijd tot werktijd verklaard, zodat de tijd bepaald wordt door de werkgevers. God bevrijdt in elk geval.

Onze eed gestand doen

Jozua 9:16-27

16  Maar drie dagen nadat ze dit verdrag met hen gesloten hadden, ontdekten ze dat de Chiwwieten niet ver weg maar juist dichtbij woonden. 17  De Israëlieten waren namelijk verder getrokken en na drie dagen bij hun steden gekomen: Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. 18  Maar de Chiwwieten werden niet door hen gedood, omdat de stamhoofden hun dat bij de HEER, de God van Israël, hadden gezworen. De hele volksvergadering beklaagde zich hierover bij de stamhoofden, 19  maar die zeiden: ‘We hebben het hun gezworen bij de HEER, de God van Israël, dus we kunnen ze niets doen. 20  We moeten onze eed gestand doen en ze in leven laten, anders roepen we de woede van de HEER over ons af omdat we onze eed hebben geschonden. 21  Dus ze moeten blijven leven.’ De stamhoofden voegden hier echter aan toe: ‘Maar we kunnen ze voortaan voor heel Israël hout laten hakken en water laten putten.’ Aldus werd besloten. 22 Jozua liet hen bij zich roepen en vroeg hun: ‘Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen dat u heel ver van ons vandaan woont, terwijl u in dit gebied woont? 23  Vervloekt bent u! U zult voor altijd onze slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het heiligdom van mijn God.’ 24  De Chiwwieten antwoordden Jozua: ‘We hoorden steeds weer dat de HEER, uw God, zijn dienaar Mozes had opgedragen het hele land tot uw bezit te maken en alle inwoners uit te roeien. We werden doodsbang voor u. Daarom hebben we het gedaan. 25  Maar nu zijn we in uw macht. Doe met uw dienaren wat naar uw oordeel goed en rechtvaardig is.’ 26  En Jozua deed dat. Hij beschermde hen tegen de Israëlieten: hij doodde hen niet, 27  maar maakte hen op die dag tot houthakkers en waterputters voor heel Israël en voor het altaar van de HEER, dat op een plaats zou komen die de HEER zou kiezen. Ze zijn dit tot op de dag van vandaag. (NBV)

Er zijn later natuurlijk vragen gesteld. Waarom hadden Chiwwieten uit Gibeon zo’n bijzondere positie in Israël? Ze waren de houthakkers en putten water voor de Tempel in Jeruzalem. Daar mochten helemaal geen niet Israëliers komen. Dat was heilige grond. Daar stond een groot koperen waterbekken voor de rituele reinigingen die moesten plaatsvinden voordat er offers gebracht konden worden. En die mensen uit Gideon hadden daar een mooie baan aan. Ze zullen in de loop van de jaren wel vaak aangezien zijn voor illegale gastarbeiders. Maar dan werd weer het verhaal verteld over de Gibeonieten die een verdrag sloten met Jozua op grond van de Tora, omdat ze uit de Tora het verhaal hadden gehoord dat ze uitgeroeid moesten worden en omdat ze geloofden dat de God van Israël ook echt meende wat aan zijn volk werd opgedragen. Hun aanwezigheid in de Tempel was volgens dit verhaal een voorbeeld voor het hele volk, vertrouw op de God van Israël en je zult leven.

Het is hen niet altijd goed gegaan. Israël wilde immers leven zoals de andere volken ook leefden, met een eigen koning en zo. En koningen, machthebbers en grote partijen houden niet van de opvang van vreemdelingen. Die zien ze maar al te graag als vijanden. Zo ging het ook met de inwoners van Gibeon. Toen Israël een koning had zoals de andere volken, koning Saul, toen liet deze een heleboel mannen uit Gibeon doden omdat ze wel eens met de vijand konden heulen. Dit ingaan tegen de uitdrukkelijke wens van de God van Israël, de verdragen die gesloten zijn ook na te komen, luidde de ondergang van koning Saul en de komst van koning David in. Iedere Israëliet die het verhaal van Saul hoorde zal zich toch een beetje schuldig hebben gevoeld. Net als wij zouden moeten doen als we horen dat vreemdelingen die vluchten voor het schenden van mensenrechten hier geen bescherming krijgen maar ook hun mensenrechten geschonden dreigen te worden.

En het bedrog van de Gibeonieten? Je mag een ander toch niet zo bedriegen? Door bedrog en oplichting hadden ze hun verdrag weten af te dwingen. Natuurlijk de stamoudsten en Jozua hadden niet eerst de Heer geraadpleegd voor ze het verdrag sloten, maar dat maakt die vreemdelingen uit Gibeon niet minder leugenaars en liegen mag toch niet? De leugens van Gibeon hebben een heleboel mensen het leven gered. Er kwam geen oorlog, ze werden beschermd. Er werden geen Israëlieten gedood en er werden geen inwoners van Gibeon gedood. Wat dat betreft hadden de leden van het verzet in de Tweede Wereldoorlog er van geleerd. Om anderen te redden, Joden, onderduikers, verzetsmensen, mocht je liegen. Dat deden ze in de Tweede Wereldoorlog overigens niet zonder discussie. Eén van de kerkvaders heeft ooit een boekje geschreven waarin hij op grond van Bijbel aan wilde tonen dat je nooit, nergens ergens over mocht liegen. Maar de armen zijn niet heilig, de onderdrukten geen perfecte voorbeelden. Hen gaat het over overleven, het leven van zichzelf en hun naasten redden. Juist vanwege dat leven is de God van Israël aan hun kant, leugen of geen leugen. Wij mogen daar nog wel eens aan denken als we het hebben over de gastvrijheid voor vreemdelingen die op de vlucht gedwongen zijn.

We komen uit een ver land

Jozua 9:1-15

1-2 Toen de koningen ten westen van de Jordaan, die van het bergland, het heuvelland en het hele kustgebied bij de Grote Zee, tot aan de Libanon toe, van Israëls zegetocht hoorden, sloten ze een bondgenootschap. Zij, de koningen van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, besloten gezamenlijk tegen Jozua en Israël te strijden. 3 Maar toen de Chiwwieten uit Gibeon te weten kwamen wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan, 4  namen ze hun toevlucht tot een list: een aantal van hen ging naar Jozua onder de dekmantel van een gezantschap. Ze bepakten hun ezels met versleten zadeltassen en oude, gebarsten wijnzakken 5  en trokken opgelapte sandalen en afgedragen kleren aan. Als proviand namen ze alleen uitgedroogd en verkruimeld brood mee. 6  Zo gingen ze naar het kamp bij Gilgal, naar Jozua. Ze zeiden tegen hem en de Israëlieten: ‘We komen uit een ver land en willen een vredesverdrag met u sluiten.’ 7  ‘Dat kunnen we niet zomaar doen, ‘antwoordden de Israëlieten. ‘Misschien woont u wel in dit gebied, hoe kunnen wij dan een verdrag met u sluiten?’8  Hierop wendden de Chiwwieten zich tot Jozua. ‘We zijn bereid ons aan u te onderwerpen, ‘zeiden ze. Jozua vroeg: ‘Wie bent u en waar komt u vandaan?’9  ‘Uw dienaren komen uit een zeer ver land, ‘antwoordden ze. ‘De naam van de HEER, uw God, heeft ons hier gebracht, want zijn roem is tot bij ons doorgedrongen. We hebben gehoord wat hij allemaal in Egypte heeft gedaan, 10  en ook wat hij met de twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan heeft gedaan: koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan, die in Astarot zetelde. 11  Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden ons daarom proviand in te slaan en naar u op reis te gaan. Bij u aangekomen moesten we u onze onderwerping aanbieden en u vragen een vredesverdrag met ons te sluiten. 12  Kijk, dit is ons brood. We hebben het op de dag van ons vertrek als verse proviand uit onze huizen meegenomen, maar nu is het uitgedroogd en verkruimeld. 13  En kijkt u eens naar deze wijnzakken: ze waren nieuw toen we ze vulden, maar nu zijn ze gebarsten. En dit zijn onze kleren en sandalen: u ziet dat ze op onze lange tocht helemaal versleten zijn.’ 14  De stamhoofden van Israël namen toen wat van de proviand aan, maar ze verzuimden de HEER om raad te vragen. 15 Jozua sloot een vredesverdrag met hen en beloofde hun dat hun leven zou worden gespaard. De stamhoofden bekrachtigden dit met een eed.(NBV)

De Bijbel is uiteindelijk samengesteld tijdens en vlak na de ballingschap waarheen het volk Israël uit het land was weggevoerd. De vraag waarmee het volk van de God van Israël was blijven zitten was hoe dat nu had kunnen gebeuren. Het antwoord kwam van profeten als Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Profeten hadden het volk altijd opgeroepen de Tora te onderhouden en te blijven vertrouwen op de God van Israël als hun redder in een turbulente wereld waar de een altijd over de ander wil heersen. In de verhalen die ze in de ballingschap hadden meegenomen herkenden ze soms het patroon van afval van die profetische waarschuwingen. Het boek Jozua is daar een voorbeeld van. De hele Tora was volgens het verhaal aan het volk voorgelezen. Met de klank van de Tora in de oren moest de rest van het land in ontvangst worden genomen. Je moet de Tora ter harte nemen. Maar je moet ook je verstand blijven gebruiken. Eén van de verkeerde beslissingen die het volk vlak voor de ballingschap had genomen was de keuze voor een politiek van bondgenootschappen.

De Tora waarschuwde voor bondgenootschappen met buurvolken en grote wereldmachten. Alleen als een stad heel ver weg lag dan zou een bondgenootschap te overwegen. Wij kennen die bondgenootschappen ook. De NAVO is zo’n militair bondgenootschap, opgericht om de democratie in Europa te beschermen. Een mooie doelstelling. Maar de NAVO kende ook een lid dat een duidelijke militaire dictatuur als regering had die niets van democratie wilde weten, Griekenland. Tegenwoordig kent de NAVO een lid met een zeer autoritair bestuur waar iets democratisch als de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting tot een minimum beperkt zijn, Turkije. Wij doen al heel lang dus niet veel anders als de Koningen van Kanaaän die uit angst voor die vreemde vijand uit het oosten een bondgenootschap sloten. Maar het kan anders. Er was een stad die geen zin had in een oorlog, of die nu gewonnen kon worden of niet. Zij hadden een studie gemaakt van dat vreemde volk en daarin ontdekt dat dat volk bondgenootschappen mocht sluiten met volken die ver weg woonden. Het waren de mensen van Gibeon die gebruik maakten van de Tora. Alleen woonden ze ook in Kanaaän en dat was niet de bedoeling.

Maar die mensen uit Gibeon wisten er wat op, ze stelden een gezantschap samen, namen oude wijnzakken en droog brood om als reiskost te dienen en zochten een paar bewoners uit die gemakkelijk voor langdurige reizigers konden doorgaan. Ze kregen de opdracht een verbond te sluiten en te benadrukken dat ze een zeer lange en vermoeiende reis hadden gemaakt. Dat is toch een hele eer, dat mensen van heel ver weg naar jou toekomen om een verdrag te sluiten. Tegenwoordig zeggen we dan dat mensen van ver weg komen om jou uit te nodigen handel te drijven. En als je daar dan heen gaat dan wordt je als een vorst onthaald. De Koning, regeringsdelegaties, provinciebesturen, burgemeesters, allemaal gaan ze naar China, niemand spreekt daar over het record aantal doodstraffen die daar worden uitgesproken, over democratie, vrijheid van meningsuiting, rechten van de mens spreekt al helemaal niemand. Net als de oudsten van Israël proeft men het oude brood en kijkt men de ogen uit naar de door de verre reis versleten kleren. Hoe het afloopt wordt in het gedeelte van vandaag niet verteld. Maar er zit genoeg in het verhaal om ons aan het denken te zetten, daar is het verhaal voor bedoeld, ook vandaag weer.

En de vreemdelingen

Jozua 8:30-35

30 Hierna bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor de HEER, de God van Israël, 31  zoals Mozes, de dienaar van de HEER, het volk van Israël had opgedragen. Hij bouwde het altaar volgens de voorschriften van Mozes: een altaar van ruwe stenen, die niet met ijzeren gereedschap bewerkt waren. De Israëlieten brachten daarop brandoffers en vredeoffers voor de HEER. 32  Jozua maakte op stenen een afschrift van de wet die Mozes in aanwezigheid van het volk had opgeschreven. 33  Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen, 34  en daarna las hij heel diens wetboek voor, woord voor woord, ook alle zegeningen en vervloekingen die in dat boek zijn opgeschreven. 35  Er was geen voorschrift van Mozes dat Jozua niet voorlas aan de Israëlieten, die daar allemaal bijeengekomen waren. Ook de vrouwen en kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden waren daar aanwezig. (NBV)

Zo kwam het land in het bezit van Israël, de God van Israël had gegeven, het volk had genomen. Nu komt de vraag of het volk ook had ontvangen. Het boek Jozua is geen geschiedenisboek. Jozua wordt door het volk Israël bij de profeten gerekend en profeten houden het volk bij de Tora, de leer van Mozes. In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt nog steeds de vertaalfout herhaald die gemaakt is toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald, een fout die herhaald werd toen die Griekse Bijbelvertaling in het Latijn werd vertaald. Voor het Hebreeuwse woord “Dabar” werd toen “Wet” ingevuld, maar wie een modern woordenboek Bijbels Hebreeuws raadpleegt leest voor “Dabar” woord, zaak of ding. De “Wet” van Mozes, moeten we dus lezen als het onderricht van Mozes. Het verhaal van Jozua lijkt dus meer op een preek in een kerkdienst dan op een geschiedenisboek van Simon Schrama.

Er zijn dus twee manieren waarop het land werd gegeven en genomen. Een geweldloze manier zoals over Jericho wordt verteld, en een gewelddadige manier zoals over Ai wordt verteld. Wij kiezen in onze dagen voor de manier waarop Jericho werd ingenomen, we verafschuwen een verhaal als over Ai wordt verteld. Op zich is die keus een volstrekt Bijbelse keus, wie denkt dat de Hebreeuwse Bijbel een boek vol bloederige verhalen is waar we niks meer mee kunnen leest die eerste Bijbel als een boek van Simon Schrama. Tussen de verhalen over Jericho en Ai staat het verhaal over Achan en over de hebzucht die er in het volk aanwezig was. De boodschap is dus dat als je hebzucht blijft tolereren je gedwongen wordt om bloedig geweld te gaan gebruiken tegen je vijanden. Zo zullen we ook naar Bankdirecteuren moeten kijken die zich met extreem hoge bonussen laten belonen. Spaarders en hypotheekgevers zullen daar op enig moment weer het slachtoffer van worden.

Het wordt dus tijd om het onderricht van Mozes weer te laten spreken. De boeken met die leer besluiten met de oproep die leer dag en nacht ter harte te nemen en het volk van Israël geeft in het gedeelte van vandaag daar een voorbeeld van. Er wordt een altaar opgericht waarop vrede offers gebracht kunnen worden. Als je samen eet dan moet er wel vrede komen. Daarom geen altaren van pracht en praal, waar afstand geschapen wordt tussen gewone mensen en de buitengewone God en zijn vertegenwoordigers, maar altaren van bruikbare stenen die verder onbewerkt blijven. Op die altaren geen fraaie afbeeldingen van de macht van de God waaraan geofferd wordt, maar in steen gebeiteld de leer van Mozes zoals die de leer van God had ontvangen. Rond die altaren de bestuurders van de samenleving, stamoudsten, groepsvertegenwoordigers, de Priesters en Levieten. Daarachter het leger en daarachter de rest. Een rest die wij ter harte moeten nemen. Vrouwen en kinderen spreken vanzelf, maar waarom worden die vreemdelingen hier zo uitdrukkelijk genoemd? Rachab en haar familie kennen we, maar er moeten er dus veel meer geweest zijn die tot het volk werden gerekend, zonder Israëlieten geworden te zijn. Zo zullen wij in woord en daad ook de leer van Mozes, de leer van de God van Israël in woord en daad moeten onderwijzen. Ook door de vreemdelingen als horend bij ons volk te beschouwen. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw.

Tot op de dag van vandaag

Jozua 8:13b-29

13.b De nacht daarop trok Jozua met het leger het dal door. 14  Toen de koning van Ai hen zag naderen, rukte hij onmiddellijk met al zijn mannen uit om Israël aan te vallen. Hij trok regelrecht naar het terrein dat uitziet op de Jordaanvallei. Hij wist echter niet dat zich achter de stad een troepenmacht schuilhield. 15  Jozua liet zich met heel Israël terugdringen. Ze sloegen op de vlucht in de richting van de woestijn, 16  en de inwoners van Ai zweepten elkaar op om hen na te jagen, maar door achter hen aan te gaan werden ze van de stad weggelokt. 17  Er bleef in Ai en Betel niet één man over die niet achter Israël aan ging, maar door de achtervolging in te zetten lieten ze de stad onbeschermd achter. 18  Toen zei de HEER tegen Jozua: ‘Strek je zwaard uit naar Ai, want ik geef je de stad in handen.’ Jozua strekte zijn zwaard uit naar Ai, 19  en op dat teken kwam de achterhoede onmiddellijk te voorschijn, stormde de stad binnen, nam haar in en stak haar in brand. 20  Toen de soldaten van Ai omkeken en zagen dat er uit de stad rook opsteeg, stonden ze zo verlamd van schrik dat ze niet in staat waren om nog te vluchten. Ook werden ze nu bestookt door het leger van Israël, dat niet langer naar de woestijn vluchtte. 21  Want toen Jozua en het leger zagen dat de achterhoede de stad had ingenomen en dat er rook uit opsteeg, keerden ze om en vielen het leger van Ai aan. 22  Tegelijkertijd werd het vanuit de stad door de achterhoede aangevallen, zodat het door de Israëlieten was omsingeld. Israël doodde de soldaten van Ai tot er niemand meer over was, 23 maar de koning van Ai namen ze levend gevangen en ze brachten hem naar Jozua. 24  Zo doodde Israël alle soldaten van Ai op de akkers en in de woestijn waar ze Israël hadden achtervolgd; ze werden omgebracht tot de laatste man. Daarna ging Israël opnieuw naar Ai en doodde het de rest van de bevolking. 25  Er stierven op die dag twaalfduizend mannen en vrouwen uit Ai, 26  want Jozua hield zijn zwaard uitgestrekt totdat alle inwoners van Ai waren gedood. 27  Maar het vee en de goederen van die stad maakte Israël voor zichzelf buit, zoals de HEER aan Jozua had opgedragen. 28  Jozua liet Ai in vlammen opgaan en maakte die stad voor eeuwig tot een ruïne. Deze is daar tot op de dag van vandaag. 29  De koning van Ai hing hij op aan een boom en hij liet hem hangen tot de avond. Pas bij zonsondergang gaf Jozua bevel het lijk van de boom te halen en het in de stadspoort neer te gooien. Daar bedolven ze hem onder een grote hoop stenen, en die is er tot op de dag van vandaag. (NBV)

Had dat niet anders gekund? Twaalf keer duizend mensen doden op één dag? Dat getal roept bij ons als het goed is afkeer en walging op. Maar twaalf keer duizend is in de Bijbel ook een symbolisch getal. Je kunt er uit lezen dat de bevolking van Ai op den duur niet meer als zelfstandig volk te kennen was. Ze waren opgegaan in Israël of Kanaän. Alleen een steenhoop, een puinhoop bleef over. Daaronder lag de Koning van Ai en een volk, een stam een stad was immers in Kanaän kenbaar aan de koning. Dat hadden alle volken. Allen Israël had niet zo’n Koning. Israël had een militair leider, Jozua, maar die handelde in opdracht van zijn God. Had het echt niet anders gekund? Was de verwoesting van Jericho niet voldoende geweest? Ai had immers ook al een keer van Israël gewonnen, toen had Israël de strijders van Ai onderschat en waren ze gedreven door hebzucht, dat had tot verlies geleid.

Het verhaal over Ai vertelt ons dus dat hebzucht tot verlies leidt. Verlies van Israël in de oorlog met Ai, verlies van Ai als ze niet de akkers, het land dat overvloeit van melk en honing, willen delen met dat volk van woestijnzwervers. Na Jericho waren ze bang geweest. Heel Kanaän was vervuld geweest van angst had Rachab aan Israël bevestigd. Maar door de eerste overwinning waren ze overmoedig geworden. Het is een verhaal dat zich vele malen in de menselijke geschiedenis heeft herhaald. Onderschatting, hebzucht, overschatting van eigen mogelijkheden, arrogantie, het klinkt altijd weer door in de verdediging en de beschrijving van menselijke oorlogen. Of het nu de oorlog in Vietnam was, de oorlogen om Koeweit en Irak of de huidige oorlog in Syrië en de oorlog tegen IS.

In onze moderne samenleving proberen we dit soort conflicten soms ook te beslechten met onderhandelingen. Die komen op gang als beide partijen geen belang denken te hebben bij een oorlog. Of ze zijn te bang voor elkaar, of ze wegen de sympathie die met onderhandelen tegenwoordig te verwerven is af tegen het leed dat elke oorlog kost. Soms staan we verbaasd over de weigeringen om te onderhandelen. Toen in 1948 de Algemene Vergadering instemde met een voorstel om het mandaatgebied Palestina te delen tussen de Joden en de Palestijnen hadden velen onderhandelingen verwacht. Die kwamen er niet, er werd een Joodse staat opgericht die in een oorlog haar grenzen vaststelde. Maar toen Palestijnen eindelijk akkoord gingen met het idee van twee staten in vrede naast elkaar, weigerde Israël nog steeds echt te onderhandelen, ze weigeren het nu opnieuw. De geschiedenis van Ai dreigt zich voortdurend te herhalen. Aan ons de oproep van Jezus van Nazareth om zelfs je vijanden desnoods lief te hebben. Met die oproep zullen we volken moeten benaderen. Elke dag mogen gelukkig onze eigen regering daartoe oproepen, ook vandaag weer.

Wees niet bang

Jozua 8:1-13a

1 De HEER zei tegen Jozua: ‘Maak je gereed om met het voltallige leger tegen Ai ten strijde te trekken. Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen. Ik lever de koning van Ai met heel zijn leger, heel zijn stad en heel zijn gebied aan je uit. 2  Doe met Ai en de koning hetzelfde als wat je met Jericho en de koning hebt gedaan. Maar nu mogen jullie de goederen en het vee voor jezelf buitmaken. Laat een troepenmacht zich verdekt achter de stad opstellen.’ 3 Jozua en het leger maakten zich toen gereed om tegen Ai ten strijde te trekken. Jozua koos dertigduizend soldaten uit, die hij ‘s nachts naar Ai stuurde. 4  ‘Stel je verdekt op achter de stad, ‘beval hij hun, ‘maar niet al te ver ervandaan. Blijf paraat. 5  Wanneer ik met het leger de stad nader, zullen ze net als de vorige keer op ons afkomen. Dan slaan we voor hen op de vlucht.  6  Ze denken dan natuurlijk dat we net als de vorige keer echt vluchten en zullen ons achterna komen. We vluchten net zo lang tot we ze van de stad hebben weggelokt. 7  Dan moeten jullie te voorschijn komen en haar innemen. De HEER, jullie God, zal jullie de stad in handen geven. 8  Dus neem haar in en steek haar in brand, zoals de HEER heeft opgedragen. Dit zijn jullie orders.’ 9  Hierna liet Jozua de mannen vertrekken, die zich ten westen van Ai, tussen Ai en Betel, verdekt opstelden. Jozua zelf sliep die nacht bij het leger. 10  De volgende ochtend vroeg inspecteerde Jozua het leger. Daarna trok hij samen met de oudsten van Israël aan het hoofd van het leger ten strijde naar Ai. 11  Al het krijgsvolk rukte met hem op, en toen ze in de omgeving van Ai waren gekomen, sloegen ze hun kamp op ten noorden van de stad. Ze werden alleen van haar gescheiden door een dal. 12  Verder liet Jozua ongeveer vijfduizend man zich ten westen van de stad, tussen Ai en Betel, verdekt opstellen. 13  Daar bevond zich dus de achterhoede van het leger, terwijl het leger zelf zijn kamp ten noorden van Ai had opgeslagen. (NBV)

Waar de besmetting met hebzucht toe kan leiden beginnen we vandaag te lezen. Het is een bekend verhaal, knappe generaals verzinnen listen om de overwinning te behalen en het overwinnende leger gaat dan plunderen. Dit keer mag het van God. De knappe listen waarmee Jozua op de proppen komt worden toegeschreven aan de God van Israël. Dezelfde God die het volk had geboden niet te doden, dezelfde God die bij Jericho het volk een geweldloze overwinning had geschonken. Het volk had dit zich niet eigen gemaakt. De zucht naar goud en goederen was sterker geweest dan de liefde voor de God van Israël. Toch laat die God niet af met dat wat hij begonnen is, het land te schenken aan het volk dat hij gekozen heeft om zijn Naam groot te maken onder de volken.

Nu is van achteren aanvallen een gemene truc. Israël had in de woestijn de Amelekieten ontmoet die de woestijnzwervers geen water en doortocht hadden verleend maar integendeel hen in de rug hadden aangevallen. De Amelekieten hadden daarmee een eeuwige haat van Israël over zich afgeroepen. Amelekiet was het scheldwoord geworden waarmee iedereen werd aangeduid die het volk kwaad had willen doen en in de Bijbel vind je daarvan de sporen terug in bijna elk verhaal dat over strijd ging. Niet in het verhaal van vandaag, in de strijd tegen Ai is het God zelf die het volk opdraagt om zich verdekt op te stellen achter de stad. Het is een strategie geworden die in talloze oorlogen is herhaald. Lok de tegenpartij weg bij de plaats die ze wil verdedigen en sla dan toe met troepen die je verdekt hebt opgesteld.

Jozua zorgt er voor dat er voor het leger van Ai geen ontsnappen mogelijk is. Maar wat moeten we met dit verhaal. Uit alle volken in de wereld en uit elke geschiedenis sinds mensenheugenis vallen dergelijke verhalen te vertellen. Het innemen van Jericho spreekt ons vandaag de dag meer aan. We herdenken de mars van Martin Luther King in Selma. De macht van de demonstranten daar lag juist in hun geweldloosheid. Tegelijk herinneren we de tocht die Gandi maakte dwars door India om de zoutbelasting te ontlopen, ook hij werd machtig door zijn geweldloosheid. Het inzetten van legers, het verzinnen van listen om de ander in de val te lokken brengt slechts leed en ellende. Dat de bevolking van Ai dat land dat overvloeide van melk en honing niet wilde delen had tot gevolg dat ze er aan zouden sterven, maar dat een volk van de God van Israël zoveel leed zou moeten veroorzaken valt ons telkens weer tegen. Misschien dat die verhalen daarom worden verteld, om ons te leren afschuw te krijgen van al dat militarisme en op zoek te gaan naar geweldloze wegen om maatschappelijke conflicten op te lossen

Met alles wat hij bezat

Jozua 7:16-26

16 De volgende ochtend vroeg liet Jozua Israël aantreden volgens de stammen en de stam Juda werd aangewezen. 17  Daarna liet Jozua de stam Juda aantreden en de HEER wees het geslacht van Zerach aan. Daarna liet Jozua van het geslacht van Zerach de familiehoofden aantreden en Zabdi werd aangewezen. 18  En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda. 19  Jozua zei tegen hem: ‘Kom, Achan, eerbiedig de HEER, de God van Israël, en leg voor hem een bekentenis af. Zeg me wat je hebt gedaan. Houd het niet voor me verborgen.’ 20  Achan antwoordde: ‘Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël. Dit is wat ik heb gedaan: 21  Ik zag dat er onder de buit een prachtige mantel uit Sinear was en tweehonderd sjekel zilver en een goudstaaf die wel vijftig sjekel woog. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.’ 22  Jozua stuurde een paar mannen, die snel naar de tent gingen en daar de mantel vonden, met het zilver eronder. 23  Ze namen het allemaal mee uit de tent, brachten het naar Jozua en de Israëlieten en spreidden het voor de ark van de HEER uit op de grond. 24  Hierna brachten Jozua en de Israëlieten Achan, de nakomeling van Zerach, naar het Achordal, samen met het zilver, de mantel en de goudstaaf, en met zijn zonen en dochters, runderen en ezels, schapen en geiten en zijn tent-kortom, met alles wat hij bezat. 25  Jozua zei: ‘Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.’ Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. 26  Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal genoemd, tot op de dag van vandaag. (NBV)

Goud en goed hebben altijd al een bijzondere aantrekkingskracht gehad. De Grieken hadden er zelfs een eigen God voor, de Mammon. Mensen die afzien van het verwerven en nastreven van geld en goed zijn door de eeuwen heen als bijzondere mensen apart gezet. Ze worden overigens niet altijd gewaardeerd overigens. Toen Franciscus van Assisi zijn kostbare kleren uit trok en naar zijn vader wierp moest hij blootsvoets de stad uit vluchten. De zucht naar geld en goed is ons mensen dus in het geheel niet vreemd. Maar in de Bijbel wordt ons verteld dat alle bezit, alle goederen die te bezitten zijn, van de God van Israël afkomstig zijn. Wij mogen zaaien en oogsten en delven en van hetgeen we van en uit de aarde winnen producten maken waar we in kunnen handelen, wie het slimste of het  brutaalste is verdient daaraan het meeste, maar we moeten nooit vergeten dat we dat alles kunnen maken, verhandelen en verdienen omdat God het ons heeft gegeven. Ons bezit beschouwen we daarom als een lening en met die lening moeten we het goede doen en niet dan het goede. Israël zou een bijzonder volk moeten zijn waaraan duidelijk zou worden wie de God van Israël eigenlijk wel was en wat die God voor alle volken op aarde zou kunnen betekenen.

Het volgen van die God zou bijvoorbeeld vrede op aarde kunnen betekenen. Voor het voeren van oorlogen kunnen heel veel redenen worden gegeven. Maar ze komen allemaal op twee hoofdredenen neer, de ene partij wil meer bezitten als de andere, en de beide partijen willen niet met elkaar delen of de ene partij vindt zich beter dan de andere en wil dat die andere partij dat erkent en daarom aan de ene gehoorzaamt. Bezit en macht tekenen de verhoudingen tussen mensen in de wereld. Paulus schreef al eens ergens dat geld de wortel van alle kwaad is. Dat was voor hem niet iets nieuws maar dat had hij al uit het boek Jozua kunnen leren. De Tora had Israël opgeroepen alle ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen. En het streven naar bezit dat verboden was door de God van Israël was een directe belediging van die God en dus onduldbaar. Het ging weer om bezit, een kostbare mantel uit Sinear, wij kennen dat als Babel, en om  goud en zilver. Die mantel is voor ons vreemd maar bedenk dan dat de Assyrische generaal Naäman voor zijn genezing tien van zulke mantels over had, een geweldige schat wordt het in de Bijbel genoemd.

De procedure die Jozua moet volgen komt ons nogal omslachtig voor. Eerst moeten de twaalf stammen aantreden en moet er gezocht worden naar de stam die de ongerechtigheid bevat. Dat blijkt Juda te zijn. Dan moeten van Juda alle families aantreden en moet daar de schuldige in gevonden worden. Uiteindelijk blijkt dat Achan te zijn die bekend en wordt veroordeeld nadat ook inderdaad het gestolene bij hem is gevonden. Het gaat dus wel heel zorgvuldig. Uiteraard moet Achan gestraft worden, dat gebeurd dan ook en ook in onze dagen ondervind het gezin van een crimineel daar de gevolgen van. Maar waarom die stammen en al die families van de betreffende stam? Het verhaal gaat er kennelijk van uit dat hebzucht besmettelijk is en dat een crimineel niet los staat van de maatschappelijke omgeving waarin de misdaad is gepleegd. In onze dagen dringt dat heel langzaam door. Meestal nog in negatieve zin, we speuren met de overheid naar misdadigers, we geven misdrijven aan als we ze tegenkomen. We zijn als samenleving nog niet zo ver dat we fundamenteel nadenken over het voorkomen van misdrijven. Dat werd in Israël wel gedaan. De idee dat alles een lening is die je moet delen met de armsten kan op zich hebzucht beteugelen en misdaden voorkomen. Daar kunnen wij nog hard aan werken. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Nee, mijn God!

Jozua 7:1-15

1 Maar Israël schond de ban. Er was een zekere Achan: hij was een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en hij was afkomstig uit de stam Juda. Deze Achan vergreep zich aan de goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd waren. Hierop ontstak de HEER in woede tegen het volk van Israël. 2 Jozua stuurde een paar mannen van Jericho naar Ai, dat bij Bet-Awen ligt, ten oosten van Betel. Hij droeg hun op dat gebied te verkennen. De mannen verkenden Ai, 3 en toen ze teruggekomen waren rapporteerden ze aan Jozua: ‘U hoeft niet het hele leger naar Ai te laten uitrukken. Zo’n twee- of drieduizend man is voldoende om de stad te verslaan. Het is echt niet nodig dat u het hele leger met een veldtocht naar die stad vermoeit, want Ai heeft maar weinig inwoners.’ 4  Er gingen toen een drieduizend man. Maar ze werden op de vlucht gejaagd door het leger van Ai, 5  dat hen achtervolgde vanaf de poort tot op de helling even voorbij het ravijn. Daar doodde het zesendertig man. Toen sloeg de angst het volk om het hart en het werd radeloos. 6   Jozua en de oudsten van Israël scheurden hun kleren, wierpen zich voor de ark van de HEER ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Zo bleven ze tot de avond liggen. 7  Jozua riep uit: ‘Nee, HEER ! Nee, mijn God! Waarom hebt u dit volk eigenlijk de Jordaan laten overtrekken? Alleen om ons over te leveren aan de Amorieten en ons door hen te laten doden? Waren we maar zo verstandig geweest aan de overzijde van de Jordaan te blijven. 8  Ach Heer, wat kan ik anders zeggen nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht geslagen is? 9  Als de Kanaänieten en alle andere inwoners van dit land het horen, zullen ze ons van alle kanten aanvallen en onze naam van de aardbodem wegvagen. En hoe wilt u dan uw grote naam instandhouden?’ 10 De HEER sprak hierop tot Jozua: ‘Sta op! Wat lig je daar nu op de grond! 11  Israël heeft gezondigd. Ze hebben het gewaagd de regels van het verbond te overtreden die ik hun gegeven heb. Ze hebben zich vergrepen aan de goederen waarop mijn ban rustte. Ze hebben die gestolen, en dat ook nog eens proberen te verdoezelen door ze tussen hun eigen bezittingen te verbergen. 12  Daarom kan het volk van Israël niet standhouden tegen zijn vijanden. Het zal voor zijn vijanden op de vlucht slaan, omdat het nu zelf aan de vernietiging is prijsgegeven. Ik zal jullie niet meer bijstaan als jullie je niet van de gestolen goederen ontdoen. 13  Zorg ervoor dat het volk zich reinigt. Geef het volgende bevel: “Wees morgen rein, want dit zegt de HEER, de God van Israël: jullie hebben goederen in je bezit waarop mijn ban rust, Israëlieten. Jullie zullen niet kunnen standhouden tegen je vijanden totdat jullie die hebben weggedaan. 14  Treed morgenochtend aan volgens jullie stammen. De stam die de HEER aanwijst moet volgens de geslachten aantreden. En het geslacht dat de HEER aanwijst moet volgens de families aantreden. En van de familie die de HEER aanwijst moeten de mannen aantreden. 15  Dan moet degene die wordt aangewezen als de schuldige, verbrand worden, hij en al de zijnen, want hij heeft het verbond met de HEER geschonden. Wat hij gedaan heeft is voor het volk van Israël een schanddaad.”’ (NBV)

Rond de Franse revolutie was er een filosoof die riep dat eigendom diefstal was. Hij wilde alle eigendom afschaffen. Nu wil de Bijbel zeker niet zo ver gaan maar diefstal is onrecht. Israël heeft het land Kanaän niet gekregen om zich op een gewelddadige manier te kunnen verrijken. Het land dat overvloeit van melk en honing zou een land van delen en gerechtigheid moeten worden. De verovering van Jericho zou model moeten staan voor de verovering van heel Kanaän. Het geweld ging niet van het volk uit. Het hele volk nam deel aan de ceremonie waarmee de stad veranderd werd in een puinhoop. En de belofte van leven aan hen die willen delen wordt gestand gedaan, Rachab en haar familie werden gered. Alle buit, het goud, het zilver, het koper en het brons waren voor de God van Israël. Het volk zou het land moeten bewerken en er op vertrouwen dat het land zoveel zou opbrengen dat ze er van zouden kunnen leven. Bij het Pesachmaal hadden ze daar al een eerste teken van gehad.

Nu kwam de volgende stap in de verovering van Kanaän. En nu bleek dat Israël het gebod uit Deuteronomium om de ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen niet nagekomen was. Er was een zekere Achan en die had zich vergrepen aan de goederen die voor de God van Israël bestemd waren. Had men op elkaar gelet? Had men elkaar geholpen om te leven naar de Tora? Heeft men de les van Jericho geleerd? Het lijkt er niet op. Opnieuw stuurt Jozua verspieders om het land te verkennen. Dat land laten ze links liggen, ze verkennen de stad Ai. Dat is geen grote machtige stad als Jericho was geweest. Dat zouden ze zelf wel even kunnen veroveren, daar had je niet het hele volk voor nodig, zelfs niet het hele leger. Maar het werd een smadelijke nederlaag. Nu het volk zich had gedragen als het volk van Kanaän, niet delen, geen gerechtigheid maar stelen en onrecht, was het gevolg hetzelfde, het volk sidderde van angst. Zou men net als Jericho omsingeld kunnen worden? Jozua roept de God van Israël aan die hem wijst op de ongerechtigheid en hem opdraagt te doen wat de Tora vraagt, de ongerechtigheid uit Israël te verwijderen. Stam voor stam, familie voor familie, man voor man.

Hebzucht regeert ook in onze dagen de samenleving. De kosten van de gezondheidszorg rijzen de pan uit, maar de managers in de gezondheidszorg krijgen beloningen die ver uitstijgen boven de normen die in ons parlement aanvaardbaar worden geacht. Hetzelfde geld voor de managers bij de woningcorporaties, ook al wordt er geklaagd over een gebrek aan sociale huurwoningen. Hetzelfde geld voor bankdirecteuren, hoewel de banken wankel zijn en gesteund moesten worden door de armen via hun belastingen. Hetzelfde geld voor de managers in het bedrijfsleven, die met elkaar zoveel verdienen dat met hun beloningen de werkloosheid zou kunnen worden opgeheven. De diefstal die op de maatschappelijke nood wordt gepleegd voorkomt in hoge mate dat onze maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost. De mensen die dikke rapporten schrijven waarin staat dat er flink bezuinigd moet worden om gezondheidszorg, veiligheid en arbeid betaalbaar te houden steken zelf onverantwoord grote bedragen in de zak om die rapporten te schrijven. Ook wij worden dus opgeroepen de ongerechtigheid uit onze samenleving te verwijderen. Anders wordt het bij ons net zo’n grote puinhoop als in Jericho. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw beginnen om er wat aan te veranderen, ook vandaag weer en zeker morgen.