Ook zij werden niet geloofd.

Marcus 16:9-20

9 Toen hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. 10 Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die hem hadden vergezeld en die nu om hem treurden en rouwden. 11 Toen ze hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet. 12 Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. 13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt. 15 En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. 16 Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 17 Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18 met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’ 19 Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God. 20 En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.(NBV)

Het is ook een ongelofelijk verhaal. De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth. Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie.

De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald en dat is wat we vandaag lezen. Ook daarin wordt benadrukt dat het niet werd geloofd. Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen. Maar uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken.

Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zal je gered worden van het je leven laten beheersen door de dood. Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een briefschrijver de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Maar het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen. Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar zij gingen op weg, wij mogen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, dat iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroost en gevangenen bevrijdt kunnen worden. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.

Toen de sabbat voorbij was

Marcus 16:1-8

1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. 2  Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4  Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5  Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk.6  Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. 7  Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’ 8  Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden. (NBV)

Begint alles nu gewoon weer opnieuw? Het was immers in Galilea begonnen? Daar kwam Petrus vandaan, daar kwamen ook de meeste anderen vandaan. De vrouwen hadden nog zo geloofd dat het niet afgelopen zou zijn. Ze hadden op de eerste dag van de week, toen de markt weer open was, geurige olie gekocht om het lichaam van Jezus van Nazareth te balsemen. Zo vroeg mogelijk waren ze daarmee naar het graf gegaan. Ze hadden op de dag van de kruisiging, de avond van de voorbereidingsdag, zelf gezien hoe Jezus van Nazareth in dat graf gelegd was. En, o ja, ze hadden ook gezien hoe die Josef van Arimathea een grote steen voor het graf gerold had. Niks voor vrouwen om die weer weg te rollen. Maar de steen was al weggerold en toen ze het graf binnengingen zat daar een in het wit geklede jongeman. In kerkelijke verhalen werd die al snel een engel, maar dat staat er niet. Wie of wat die jongeman was en wat die daar eigenlijk deed vertelt Marcus ons niet. En die jongeman heeft een ongelofelijk verhaal. Jezus van Nazareth is niet in het graf, hij is opgewekt uit de dood.

Wat dat is en waar die dan wel is en hoe dat gegaan zou moeten zijn wordt er door de jonge man niet bij vertelt. Dat weten we dus ook niet. Jezus is dus niet opgestaan uit de dood, of uit de doden zoals in kerken vaak wordt verteld, hij is opgewekt uit de dood. En iets nieuws is er niet bij. Hij heeft geen boodschappen achtergelaten, hij heeft een boodschap vooruit gezonden want dat ze naar Galilea moesten gaan had hij vooraf al gezegd. En dan sluit het evangelie van Marcus af. Het eindigt met zwijgen, met schrik en angst. Later bevredigde dat toch niet helemaal en zijn er nog een paar verzen aan toegevoegd. Maar het verhaal over het lege graf en de opwekking van Jezus van Nazareth eindigt met een vlucht bij het graf vandaan. Als het door moet gaan met het verhaal van Jezus van Nazareth dan moet je niet bij een graf zijn, zelfs niet bij een leeg graf.

Dan moet je kennelijk weer gewoon naar huis. Daar zijn de naasten om lief te hebben als jezelf. Daar is het kruis dat je achter Jezus van Nazareth mag opnemen. Daar is die nieuwe gemeenschap die hij zo vaak het Koninkrijk van God had genoemd. Daar kom je hem tegen in de minste van zijn broeders. De vrouwen die bij hem gebleven waren tot in zijn dood toe, bij hem wilden blijven tot in het graf, voor hem wilden blijven zorgen zoals ze al die tijd hadden gedaan, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking dat een graf een lege verblijfplaats is. Daar gaat het niet door, daar eindigt het verhaal. Als je door wilt gaan dan moet je weer naar huis, naar je eigen omgeving, daar gaat het door met Jezus van Nazareth, daar kom je hem weer tegen, dat kan de dood niet en nooit meer tegenhouden.

Luister naar mijn klagen

Psalm 88

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een beurtzang, een kunstig lied van de Ezrachiet Heman. 2 HEER, God, mijn redder, overdag schreeuw ik het uit, ‘s nachts zit ik stil voor u neer. 3 Laat mijn gebed u bereiken, luister naar mijn klagen, 4 ik word door rampen bezocht, mijn leven nadert het dodenrijk. 5 Ik hoor bij wie afgedaald zijn in het graf, ik ben als een man aan het eind van zijn krachten, 6 een naamloze dode, ik ben als een gesneuvelde in een massagraf, aan wie u niet langer denkt, losgerukt uit uw hand. 7 U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte, 8 uw toorn drukt zwaar op mij, uw golven slaan over mij heen. sela 9 Bekenden hebt u van mij vervreemd, afgrijzen roep ik bij hen op, ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer. 10 Mijn ogen zijn dof van ellende, ik roep u aan, HEER, elke dag, en strek mijn handen naar u uit. 11 Doet u aan doden wonderen, staan schimmen op om u te loven? sela 12 Komt uw liefde in het graf ter sprake of uw trouw in de afgrond? 13 Weet men in de duisternis van uw wonderen of van uw weldaden in het land der vergetelheid? 14 Daarom roep ik u om hulp, HEER, elke morgen nader ik u met mijn gebed. 15 Waarom, HEER, verstoot u mij en verbergt u voor mij uw gelaat? 16 Ik ben verzwakt, van jongs af in doodsgevaar, verbijsterd moet ik uw woede verduren. 17 De gloed van uw toorn overweldigt mij, uw verschrikkingen maken mij sprakeloos, 18 als water omringen ze mij, dag aan dag, van alle kanten sluiten ze mij in. 19 Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd, mijn enige metgezel is de duisternis. (NBV)

Vandaag zingen we een wel heel droevige Psalm mee. Een klaagpsalm. Van Heman de Ezrachiet staat er. En de enige Heman die we uit de Bijbel kennen is de zoon van Zerach. Dat was één van de twee zonen uit het overspel van Juda met zijn schoondochter Tamar. Die kwam dus ook al uit zo’n droevige familie. Het lied stond oorspronkelijk in de bundel van de Korachieten, het koor dat de Tempelzang verzorgde en was op de wijze van het lied de Rietpijp zelfs een beurtzang. Zang en tegenzang. Nu staat er bij de klaagpsalmen altijd nog iets van een troost, een vers soms, maar altijd iets waaruit moet blijken dat de God van Israël een redder is, de klager te hulp komt, geneest, of verlost van zijn vijanden. Daar is in deze psalm niks van terug te vinden. Om er iets vrolijks van te maken moet je bijna een hele psalm verder lezen, pas halverwege psalm 89 kom je de zin tegen die gelukkig prijst het volk dat de jubel kent. Die Heman kent van jubel en vrolijkheid helemaal niks.

Misschien aan het begin. Want Heman spreekt de God van Israël aan als zijn redder. Zo ziet hij die God, al lijkt het er op dat die God hem niet ziet. Wie de rest van de psalm op zich in laat werken en verder niet doorleest in de Bijbel loopt kans op een ernstige depressie. Want de psalmist voelt zich van God en alle mensen verlaten. Totale doodsheid is zijn lot. En dat is tegelijk het belang van deze psalm. Want als de Bijbel spreekt over de dood dan is dat meestal helemaal niet de toestand die optreed na het sterven. In de Bijbel wordt vaker over de dood gesproken als een toestand voor het sterven, een situatie waarin iemand verkeerd en waar het sterven een onontkoombaar gevolg van zou kunnen zijn, maar waarin het sterven zelf nog niet aan de orde is. De totale afwezigheid van liefde, warmte en het vermogen om dat te voelen en te delen met wie dan ook, zelfs met God is een beschrijving van doodsheid. De dichter spreekt dan ook uit te horen bij wie in het graf liggen, als gestorven zijn dus.

De dichter wijst God er op dat doden niets zeggen, dat schimmen op de begraafplaats zwijgen en alleen afschrikken. Wie God loven moeten van God warmte en liefde hebben ervaren. Deze psalmdichter ervaart helemaal niets alleen de verschrikkingen van God die hem als water omringen. Water is in Israël zelf een symbool voor de dood. Wij houden niet van dit soort teksten. Zo erg kan het toch niet zijn? Wie ernstig depressief is herkent zich in deze psalm. Al die mensen die hem of haar omringen geven geen liefde, geven geen warmte, versterken eerder het gevoel van God en alle mensen verlaten te zijn, versterken het gevoel al dood te zijn en anderen slechts tot last. Juist omdat zogenaamd gezonde mensen, wij allemaal eigenlijk, zo’n verschrikkelijke hekel hebben aan teksten als deze weigeren we te luisteren naar mensen die ons zulke boodschappen over zichzelf willen brengen. Maar juist mensen die zich van God en alle mensen verlaten voelen hebben zulke teksten nodig, ergens is er begrip ook voor hen. En als zelfs de klassieke psalmberijming dit lied kan zingen, zie het liedboek, en de eenzaamheid kan laten staan moet het ons toch ook kunnen lukken.

De koning van de Joden

Marcus 15:1-47

1 ‘s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Na Jezus geboeid te hebben, brachten ze hem weg en leverden hem over aan Pilatus. 2  Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’ 3  De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen hem in. 4  Pilatus vroeg hem toen: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch waar ze u allemaal van beschuldigen?’ 5  Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus. 6  Pilatus had de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. 7  Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. 8  Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. 9  Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 10  Want hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd. 11  Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten. 12  Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?’ 13  En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig hem!’ riepen ze. 14  Pilatus vroeg: ‘Wat heeft hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig hem!’ 15 Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij hem eerst nog had laten geselen. 16  De soldaten leidden hem weg, het paleis (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. 17  Ze trokken hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op. 18  Daarna brachten ze hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ 19  Ze sloegen hem met een rietstok tegen het hoofd en bespuwden hem, en bogen onderdanig voor hem. 20  Nadat ze hem zo hadden bespot, trokken ze hem het purperen gewaad uit en deden hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze hem naar buiten om hem te kruisigen. 21  Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. 22 Ze brachten hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent. 23  Ze wilden hem met mirre vermengde wijn geven, maar hij nam die niet aan. 24  Ze kruisigden hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. 25  Het was in het derde uur na zonsopgang toen ze hem kruisigden. 26  Het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De koning van de Joden’. 27  Samen met hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 29  De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, 30  red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ 31  Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet; 32  laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten hem. 33 Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 34  Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ 35  Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, hij roept Elia!’ 36  Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om hem eraf te halen.’ 37  Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. 38  En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. 39  Toen de centurio, die recht tegenover hem stond, hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’ 40  Van een afstand keken ook enkele vrouwen toe, onder wie Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. 41  Toen hij in Galilea verbleef, waren deze vrouwen hem gevolgd en hadden ze voor hem gezorgd, net als vele andere vrouwen die met hem waren meegereisd naar Jeruzalem. 42 Toen de avond al gevallen was (het was de ‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), 43  kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. 44  Het bevreemdde Pilatus dat hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was, 45  en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. 46  Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde hem in het linnen. Daarna legde hij hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. 47  Maria uit Magdala en Maria de moeder van Joses keken toe in welk graf hij werd gelegd. (NBV)

Op Goede Vrijdag klinken de Matteüs Passion, de Johannes Passion, de Lukas Passie en wij lezen het lijdensverhaal zoals dat opgetekend is door Marcus. In de Bijbel staan dus vier verhalen over het lijden en sterven van Jezus van Nazareth en die verhalen zijn op ontelbaar vele manieren gebruikt om ze in teksten, muziek en schilderijen te verbeelden. Als je dus werkelijk wil weten wat de betekenis is van dat verhaal moet je nauwkeurig terug naar de bron. Daarbij moet je bedenken dat elke evangelist een eigen verhaal vertelt. Ook al lijken die verhalen soms heel erg veel op elkaar dan nog hebben we elk verhaal op zich niet voor niets overgeleverd gekregen. Een volgend jaar zullen we het daarom wel weer over het verhaal van een andere evangelist hebben maar dit jaar lezen we het verhaal zoals dat opgetekend is in het Evangelie van Marcus. Dat verhaal begint met een proces door de autoriteiten van de Tempel, het Sanhedrin. Voor het volk Israel waren zij de regering in oorlogstijd. Tijdens de bezetting door de Romeinen en het bestuur door Koning Herodes en Stadhouder Pontius Pilatus probeerde dat Sanhedrin het eigen karakter van Israël te bewaren.

Uit het verhaal van Marcus weten we al dat Jezus van Nazareth grote bezwaren had tegen de manier waarop de religieuze elite zich gedroeg. De armen werden armer, de Tempel was een handelsplaats voor offerdieren geworden, de uiterlijke handhaving van de wetten en regels was belangrijker dan de gevolgen voor de mensen. Maar getuigenissen over misdrijven die volgens de wetten van Mozes tot een ter doodveroordeling zouden moeten leiden vonden ze niet. Zelfs valse getuigenissen dat Jezus van Nazareth de Tempel zelf zou willen afbreken bleken niet voldoende. Maar als Jezus van Nazareth bevestigd dat hij de gezalfde Bevrijder, de messias, is, Zoon van de Gezegende, dan is dat voldoende. Dit is er weer één van de velen die een opstand wil ontketenen. De antihouding van alle aanwezigen brengt Petrus er toe te ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende. Zoals voorspeld, je geeft je uit jezelf niet graag bloot als iedereen tegen is. Mensen in ons land die vreemdelingen helpen hebben daar ook vaak over gezwegen, ze waren terecht bang ruzie met hun omgeving te krijgen. Na het proces van de religieuze rechtbank kwam de wereldse rechtbank, bij Pilatus. Hier bleef Jezus van Nazareth zwijgen. Dan moet het volk maar oordelen, kiezen tussen een oproerkraaier die zijn waarde in de opstand had bewezen en Jezus van Nazareth die het oproer uit de weg ging. Aan die laatste heb je niks dus die moest maar gekruisigd worden.

Die Barabbas wordt beschreven als een ijveraar, iemand die door geweld het volk probeerde te bevrijden van de Romeinen. Jezus van Nazareth was veel gevaarlijker, die probeerde via geweldloos verzet het volk weer een eigen identiteit te geven, de identiteit die ze onder koning David al hadden. Die moest dus dood. En zo gebeurt, bespot, geslagen, gemarteld, zo ging hij naar het kruis, alleen geholpen nog door de vader van Alexander en Rufus. Dat kruis was overigens niet van plastic en werd niet verlicht door ledlampjes. Het werd niet door een massa over straat gedragen. Het was een ruwhouten kruis. Daar op Golgota, de schedelplaats, waar misdadigers terecht werden gesteld, stierf hij, niet verdoofd door de wijn maar tussen misdadigers en onder het opschrift “Koning van de Joden”. Een Godverlaten dood, zo riep hij met de tekst van Psalm 22 in de taal van de straat, het Aramees, uit. Maar dat uitroepen tot Koning der Joden had alleen zijn dood tot gevolg, zijn volgelingen bleven in leven net als zijn vijanden. Dat was het grote verschil met al die anderen die zich tot messias hadden uitgeroepen. De liefde die Jezus van Nazareth had voorgeleefd en voorgeschreven hield hij tot in de dood vol. Zo kan het dus, daar mogen wij dus allemaal van profiteren. Voor ons hoeft de liefde niet op de dood uit te lopen, het voorhangsel van de Tempel is weggenomen, de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf mag nu in ons hart staan gegrift en in ons leven wonen. Ook vandaag als wij het zwartste lijden uit onze geschiedenis herdenken.

Profeteer nu maar!

Marcus 14:12-72

12 Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ 13  Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem, 14  en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De Meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 15  Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ 16  De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.17  Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. 18  Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ 19  Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ 20  Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. 21  Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou b eter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ 22  Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ 23  En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. 24  Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. 25  Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’ 26  Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. 27  Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.” 28  Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’ 29  Petrus zei tegen hem: ‘Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!’ 30  Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: juist jij zult me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.’ 31  Maar Petrus hield met grote stelligheid vol: ‘Al zou ik met u moeten sterven, ik zal u nooit verloochenen.’ Alle anderen zeiden iets dergelijks. 32 Ze kwamen bij een olijfgaard die Getsemane heette, en hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl ik ga bidden.’ 33  Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden 34  en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ 35  Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. 36  Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ 37  Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? 38  Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 39  Weer ging hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. 40  Toen hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. 41  Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. 42  Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’ 43 Nog voor hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. 44  Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem hem gevangen en voer hem weg onder strenge bewaking.’ 45  Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste hem. 46  Ze grepen hem vast en namen hem gevangen. 47  Een van de omstanders trok een zwaard, ging de dienaar van de hogepriester te lijf en sloeg hem een oor af. 48  Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uitgetrokken om mij te arresteren, alsof ik een misdadiger ben! 49  Dagelijks was ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven, en toen hebben jullie me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’ 50  Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg. 51  Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, 52  liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg. 53 Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. 54  Petrus volgde hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur. 55  De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet; 56  want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend. 57  Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: 58  ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ 59  Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende. 60  De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch wat deze getuigen zeggen?’ 61  Maar hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’ 62  Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ 63  De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? 64  U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. 65  Toen begonnen sommigen hem te bespuwen; ze blinddoekten hem en sloegen hem in het gezicht en zeiden tegen hem: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren onthaalden hem op vuistslagen. 66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester voorbij. 67  Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!’ 68  Maar hij ontkende dat en zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’ Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan. 69  Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders: ‘Hij is een van hen!’ 70  Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.’ 71  Maar hij begon te vloeken en zwoer: ‘Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!’ 72  En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Voordat een haan tweemaal heeft gekraaid, zul je mij driemaal verloochenen.’ En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen. (NBV)

Het is Witte Donderdag, een paar van de dagen in de Goede Week hebben eigen namen, dat begon al met Palmzondag en na Witte Donderdag krijgen we nog Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. We lezen vandaag eigenlijk twee verhalen, het verhaal van het laatste avondmaal en het verhaal van de arrestatie. Nu is dat “Laatste Avondmaal” eigenlijk een verkeerde benaming. Het is een traditionele Joods maaltijd die onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Die Uittocht begon overhaast. Nadat er een aantal plagen waren geweest waar de Farao aan voorbij was gegaan, hij had steeds de last van de slavenarbeid voor de Joden verzwaard, was op de nacht van de Uittocht elke eerstgeborene gestorven. Alleen bij de Joden was dat niet gebeurd, zij hadden de randen rond hun deuren ingesmeerd met het bloed van lammeren die ze hadden geslacht. Ze aten dat lamsvlees nog staande en brood dat niet snel bederven zou omdat het zonder gist of zuurdesem was gebakken, de ongezuurde broden of matzes.

Die broden konden ze meenemen toen ze door de Egyptenaren de woestijn werden ingejaagd. Dat eten van lamsvlees en ongezuurde broden was in de Paasmaaltijd bewaard gebleven. Het drinken van de rode wijn deed denken aan het bloed dat rond de deuren was gesmeerd en op tafel stonden bittere kruiden die aan het leed van de slavenarbeid moesten herinneren. Alleen het staan was vervangen door aanliggen, of aanzitten, men was immers thuis gekomen in het beloofde land. Jezus van Nazareth eigent zich die maaltijd toe en voegt aan de symbolen op tafel nieuwe betekenissen toe. Dat ongezuurde brood wordt gebroken en gedeeld, alles, tot aan jezelf toe, dien je voortaan te delen zoals Jezus van Nazareth zich uiteindelijk zou delen voor iedereen. Zo drink je samen de beker wijn omdat zijn bloed voorkwam dat iedereen werd gedood. Delen en kiezen voor het leven werd van die dag af het kenmerk van het Christendom en in kerken over heel de wereld zie je brood gedeeld en de beker gedeeld worden ter gedachtenis van Jezus van Nazareth.

Judas Iskariot ondertussen had er op vertrouwd dat de arrestatie en veroordeling van Jezus van Nazareth zou uitlopen op een volksopstand. Maar zoals zoveel gewelddadige autoritaire regiems was ook dit regiem uit op het zaaien van angst. Dan worden politieke tegenstanders in de nacht gearresteerd, dan verdwijnen mensen zonder een spoor achter te laten, dan zijn er geheime gevangenissen en verborgen processen. Op de Olijfberg vindt in het midden van de nacht de arrestatie plaats. Jezus van Nazareth wijst het geweld af in plaats van de opstand te leiden, een unieke daad. Dat maakt dat alle volgelingen vluchtten, al moeten ze soms hun kleren er bij achterlaten. Het is het gevolg van de geweldloosheid. Die nacht stierf er niemand. De overgave van Jezus van Nazareth redde iedereen het leven, de leider was gevangen de volgelingen konden gespaard blijven. Voor ons, Heidenen, betekent het dat de boodschap de Liefde zoals Jezus van Nazareth die voorleefde ook aan ons bekend zou worden, ook wij mogen aan die tafel van breken en delen aanzitten, totdat de hele aarde genoeg te eten heeft, totdat alle geweld gebroken is

De armen zijn altijd bij jullie

Marcus 14:1-11

1 De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. 2  Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand. 3  Toen hij in Betanië in het huis van Simon-degene die aan huidvraat had geleden-aanwezig was bij een feestmaal, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje en goot de olie uit over zijn hoofd. 4  Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor? 5  Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.’ Ze voeren tegen haar uit. 6  Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7  Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8  Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. 9  Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’ 10  Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. 11  Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren. (NBV)

Het zijn maar 11 verzen in het verhaal van wat wij tegenwoordig de Goede Week noemen maar ze zijn bijna allemaal van belang om het verband en daarmee de boodschap tussen al die verhalen te begrijpen. We waren de Goede Week zondag begonnen met de intocht van de Koning op een ezel in Jeruzalem. Vervolgens had die Koning van de vrede de handelaars uit de Tempel gemept. Daarmee had hij de autoriteiten van de Tempel uitgedaagd en tot het uiterste getergd. Die autoriteiten besloten dus om Jezus van Nazareth ter dood te brengen, of te laten brengen, als hij maar dood was. Maar hij was ook tot Koning uitgeroepen door al die mensen die met hem mee naar Jeruzalem waren gekomen om daar op de in de Tora voorgeschreven wijze het Paasfeest te vieren. Die nieuwe Koning ter dood te brengen voor het feest zou een opstand kunnen uitlokken en de Romeinen waren niet mis als het ging om een opstand te onderdrukken.

En dan gaat ons verhaal verder. Want een koning moet tot koning gezalfd worden, Christus betekent ook de gezalfde. Dat gebeurt dus niet in Jeruzalem maar in een dorp even buiten de stad, in Bethanië. Bethanië is overigens een Aramese naam die ook “huis van ellende” betekent. Daar was Jezus van Nazareth te gast bij Simon, een man die van huidvraat was genezen, ofwel die weer rein verklaard was. Daar was dus een vrouw die Jezus van Nazareth zalfde met kostbare olie. Maar moeten we de intocht als Koning nu serieus nemen? Op veel plaatsen staan in het land kerken en beelden die “Christus Koning” heten. Jezus van Nazareth en zijn volgelingen nemen het uitroepen van hem als Koning tijdens de intocht kennelijk niet zo serieus. De leerlingen vinden dat de olie beter had kunnen worden verkocht en het geld aan de armen gegeven. Jezus van Nazareth zelf accepteert de zalving als teken van zorg voor zijn lijk, alsof hij al gestorven was. Kennelijk was hij er zeer van overtuigd dat de hele beweging, om tot Koning van de Joden uitgeroepen te worden, uit zou lopen op zijn dood.

De armen waren er daarna ook nog wel. Ze zijn er nog steeds. Maar als Jezus van Nazareth en de andere leerlingen het niet serieus nemen hoe zou het dan ooit zover kunnen komen? Alleen een spontane volksopstand zou hem dat Koningschap kunnen opdringen. En omdat de autoriteiten een opstand verwachten voor het feest moest die opstand dus voor het feest worden uitgelokt. Daar zou Judas Iskariot voor zorgen. Hij zou er voor zorgen dat Jezus van Nazareth nog voor het feest gegrepen zou kunnen worden. Het zou een bittere teleurstelling voor hem worden. De samenleving is niet maakbaar en de koning van de vrede zou laten zien dat een gewelddadige opstand echt het laatste was dat hij zou willen veroorzaken. Ook voor ons geldt dus dat een opstand met geweld tegen de onderdrukkers van de armen niet in de rede ligt. Maar zorg voor de armen wordt ons zelfs hier in het verhaal over de kroning opgedragen. We hebben ze immers nog steeds bij ons, en daarmee blijven we de machthebbers, de inhalige ceo’s en bankdirecteuren aan het onrecht herinneren. Tot ook aan de armen recht wordt gedaan.

Eeuwig duurt zijn trouw

Psalm 118

1 Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. 2  Laat Israël zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 3  het huis van Aäron zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 4 wie de HEER vreest, zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 5  In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER !’ En de HEER antwoordde, hij gaf mij ruimte.  6 Met de HEER aan mijn zijde heb ik niets te vrezen, wat kunnen mensen mij doen? 7 Met de HEER, mijn helper, aan mijn zijde, kijk ik op mijn haters neer. 8  Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mensen. 9 Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mannen met macht. 10 Alle volken hadden mij ingesloten- ik weerstond ze met de naam van de HEER – 11 ze sloten mij van alle kanten in- ik weerstond ze met de naam van de HEER – 12 ze sloten mij in als een zwerm bijen maar doofden snel als een vuur van dorens- ik weerstond ze met de naam van de HEER. 13 Jullie sloegen mij en ik viel, maar de HEER heeft geholpen. 14 De HEER is mijn sterkte, mijn lied, hij gaf mij de overwinning. 15  Hoor, gejubel om de overwinning in de tenten van de rechtvaardigen: de rechterhand van de HEER doet machtige daden, 16 de rechterhand van de HEER verheft mij, de rechterhand van de HEER doet machtige daden. 17 Ik zal niet sterven, maar leven  en de daden van de HEER verhalen: 18 de HEER heeft mij gestraft, maar mij niet prijsgegeven aan de dood. 19 Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de HEER te loven. 20  Dit is de poort die leidt naar de HEER, hier gaan de rechtvaardigen binnen. 21  Ik wil u loven omdat u antwoordde en mij de overwinning gaf. 22  De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. 23 Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen. 24 Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen. 25 HEER, geef ons de overwinning, HEER, geef ons voorspoed. 26 Gezegend wie komt met de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER. 27  De HEER is God, hij heeft ons licht gebracht. Vier feest en ga met groene twijgen tot aan de horens van het altaar. 28U bent mijn God, u zal ik loven, hoog zal ik u prijzen, mijn God. 29 Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. (NBV)

We zingen vandaag één van de zogenaamde Hallel psalmen, Loof de Heer liederen. Psalm 118 hoort ook bij de maaltijd die het Joodse Volk houdt sinds de uittocht uit Egypte om de uittocht te herdenken en opnieuw te beleven. Die maaltijd is in de Christelijke traditie overgegaan op het Avondmaal als herdenking en het opnieuw beleven van de uittocht uit de dood waarin Jezus van Nazareth ons is voorgegaan. Een Psalm dus die het meer dan waard is om vlak voor Pasen te lezen maar ook samen te zingen. Het is een Psalm van stem en tegenstem, hier zingen verschillende groepen deelnemers aan de maaltijd elkaar toe. Je kunt hierbij denken aan de maaltijden die in of nabij de Tempel moesten worden gehouden rond de grote feesten van Israël. Zo’n maaltijd moest je houden met je familie, de dienaren van de Tempel, de mensen die bij je werkten, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je waren. En dan zing je het eerste vers samen, het tweede vers door iedereen uit Israël, het derde vers door de dienaren van de Tempel en het vierde vers door iedereen die daar wil bij horen. Het vijfde en zesde vers zijn dan voor de armen, en zo gaat het door

Zo kun je verder lezen. Zingen zou je kunnen doen uit het boek van de Psalmen zoals dat in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen. Ook daar is het stem en tegenstem. Samen zing je steeds het refrein “Zijn liefde duurt in eeuwigheid” en om de beurt, solo of in groepen zing je de overige regels van het couplet. Nu is het mooi om over voorspoed en vreugde te zingen maar het leven brengt ook tegenslag en ellende met zich mee. Ook daar zingt de Psalm over al lijkt het er op dat de zangers aan de Paasmaaltijd al die keren zijn vergeten dat ze tegenslag hadden, dat ze geen water hadden, bijna werden verslagen door vijanden, economische crises moesten overwinnen of te maken hadden met ziekten en ongevallen. Al die zaken staan in de Psalm wel genoemd, zeker in dit eerste gedeelte dat we vandaag lezen en wie verder zingt uit het Liedboek dan het eerste couplet zingt dan ook van de tegenslag die mensen overkomt.

Alleen vijanden kunnen worden weerstaan en bij tegenslag zet God je in de ruimte. Dat komt omdat gelovigen altijd blijven geloven dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Een hemel en aarde waar de dood voorbij zal zijn. Dat is niet iets van een verre onbekende toekomst. De bevrijding begon met de uittocht uit de slavernij, de bevrijding voor Christenen begon met de opstanding uit de doden. In die geschiedenis mogen wij meedoen, dat geeft ruimte, ruimte om afstand te nemen van alle ongeluk en ellende die je overkomt. Je wordt bevrijdt van de gevolgen daarvan omdat je je handelen mag afstemmen op die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Daar zorgen mensen voor elkaar, daar offeren ze zich voor elkaar op. Dat mogen wij ook doen. Dan merken we dat we het leven als een geschenk hebben gekregen en dat we dat geschenk mogen vieren , elke dag weer. Dan is het elke dag Pasen, ook deze stille week met witte donderdag en goede vrijdag weer.

Een rovershol

Marcus 11:12-25

12 Toen ze de volgende dag uit Betanië vertrokken, kreeg hij honger. 13  Hij zag in de verte een vijgenboom die in blad stond en ging erheen in de hoop iets eetbaars te vinden, maar toen hij bij de boom gekomen was, vond hij geen vruchten; het was namelijk nog niet de tijd voor vijgen. 14  Hij zei tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten!’ Zijn leerlingen hoorden dit.15  Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, 16  en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. 17  Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’18  De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht. 19  Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad.20  Toen ze ‘s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was.21  Petrus herinnerde zich het voorval en zei: ‘Rabbi, kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is verdord.’22  Jezus zei tegen hen: ‘Heb vertrouwen in God.23  Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt: “Kom van je plaats en stort je in zee, ”en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren. 24  Daarom zeg ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen.25  Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft.’(NBV)

Godsdienst, de dienst aan de God van Israël, en geld gaan niet samen. Toch ontkom je natuurlijk niet aan een zekere samenwerking. Een kerkgebouw moet onderhouden worden en de schilders en de dakdekkers moeten nu eenmaal ook leven. En in een gewone protestantse gemeente heeft een voorganger die de hele week rondgaat en de zieken en bejaarden bezoekt, trouwdiensten en begrafenissen leidt en op zondag ook nog preekt, ook recht op een salaris. Maar goed gaat het nooit. Of er wordt een te groot beroep gedaan op de gemeenteleden of er wordt te gemakkelijk verspild of niet goed begroot, goed gaat het nooit. De economie gaat minder, er komen steeds minder mensen in de kerk en steeds minder mensen geven minder geld. In het verhaal van vandaag gaat het nog erger. Niet alleen geeft de vijgenboom geen vruchten, de vijgenboom verdort zelfs helemaal, de tempel is verworden tot een marktplaats voor religie.

Geldwisselaars, offerdierenverkopers, het wemelt van mensen die een graantje meepikken van het religieus besef van de gemiddelde bezoekers. Ooit was de opdracht om als offer een maaltijd te houden, met mensen die dienst deden in de tempel, de levieten, met de armen en de vreemdelingen. Maar de levieten waren inzamelingen gaan houden voor hun levensonderhoud en de armen werd wijsgemaakt dat ze ook mee moesten betalen voor God. De vreemdelingen mochten er al helemaal niet meer komen. Jezus zwiept iedereen die er niet hoort de tempel uit. Dat moet een geweldige rel gegeven hebben. Als je zoiets doet voel je je natuurlijk ook heel sterk. Als iemand die zegt tegen een berg “Stort in de zee” en de berg doet het ook. Verzet tegen onrechtvaardigheid helpt. Maar de weerstand wordt ook groter. Al die mensen in onze samenleving die proberen ook samen met de vreemdelingen in ons midden een echte samenleving op te bouwen voelen zich steeds vaker bedreigd door de geweldige propaganda die TV programma’s maken voor de vreemdelingen angst die er bij een minderheid is.

Die TV programma’s doen dat onder het motto dat uiterst rechts ook gehoord moet worden maar niemand hoort ooit die grote hoeveelheid vrijwilligers die zich met taallessen, integratie in buurten, opvang van asielzoekers en rechtsbijstand bezig houden. Voor een echte rechtvaardige samenleving is nog veel werk te doen al geeft het moed te weten dat als je gelooft dat je het al ontvangen hebt je het ook zult krijgen. In de tijd van Jezus van Nazareth zullen sommigen gedacht hebben dat het hem in zijn bol geslagen is. De tijd voor vijgen was er nog niet eens en toch vervloekt hij de vijgenboom en wie wil er nu een berg verplaatsen. Handelaren uit de religie meppen helpt ook niet echt. Toch sterkt zo’n verhaal je bij het werken aan een nieuwe samenleving, hoe meer mensen er in slagen aan die samenleving samen vorm te geven hoe meer de angst voor het onbekende af zal nemen en vrede en gerechtigheid hun plaats weer zullen innemen. Vandaag dus maar weer aan die berg beginnen.

Maak het los

Marcus 11:1-11

1 Toen ze Jeruzalem naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de Olijfberg, stuurde hij twee van zijn leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. 3  En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De Heer heeft het nodig, hij zal het meteen weer terugsturen.”4  Ze gingen op weg en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. 5  Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ 6  Ze zeiden wat Jezus hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan. 7  Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels op het dier en hij ging erop zitten. 8  Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. 9  Allen die voor hem uit liepen of achter hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. 10  Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!’ 11  Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij-want het was al laat geworden-met de twaalf terug naar Betanië. (NBV)

Vandaag gaat het in het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat we hier volgen, over het feest van Palmpasen. In dat verhaal bereid men zich kennelijk voor op de komst van dat nieuwe koninkrijk dat al heel lang beloofd was. Ooit, in de woestijn, was er een richtlijn en een God die zeiden dat je moest delen wat je had met elkaar. Later in de loop van de geschiedenis was er een koning David die vanuit die instelling de vijanden versloeg en vrede in het land bracht en waren er profeten geweest die steeds weer riepen dat het volk van die weg af dwaalde en dat als men op die weg terugkeerde het rijk van vrede en recht zou komen. De profeet Zacharia had zelfs gezegd dat er een zachtmoedige koning van de vrede zou komen die niet hoog te paard omringt door soldaten zijn intocht zou doen maar op een ezelsveulen. Nu was daar die Jezus van Nazareth. Die had het ook steeds over dat Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat overal in de wereld tegenkomen.

De wereld kent een koninkrijk van macht en aanzien, van economische groei ten koste van de armen in de wereld, maar niet een koninkrijk van dienen, van zorg voor de armen. Marcus vertelt het verhaal van de intocht op een geheel eigen manier. Het begint al in Jericho als Jezus gevolgd door een grote menigte optrekt naar Jeruzalem. Onderweg kwamen ze een blinde tegen die Jezus begroette als Zoon van David, de komende koning dus. Dat had hij goed gezien en hij kon als ziende mee met de stoet. Toen ze nog maar een paar kilometer van Jeruzalem waren begon Jezus van Nazareth zijn eigenlijke intocht. De ezel werd gehaald. Ze kregen de ezel mee omdat, zoals uit de Griekse tekst de lezen is, de leerlingen in het midden lieten of de eigenaar, de Keizer of Jezus van Nazareth de ezel nodig hadden. Onder het zingen van Psalm 118 begon de tocht. Jezus van Nazareth gaat naar de plaats waar de leer van Mozes een centrale plek had gekregen, Jeruzalem.

De reis naar Jeruzalem werd een soort demonstratie, een met mantels versierde ezel, takken van de bomen, mantels op de grond en juichen voor het nieuwe Koninkrijk. Als je van die takken hoort denk je onwillekeurig aan het Loofhuttenfeest als er hutten van takken gebouwd worden als herinnering aan de reis door de woestijn. Dwars tegen de Romeinse bezetter wordt dat nieuwe rijk van David, het koninkrijk van vrede en recht alvast door de mensen uitgeroepen. Maar zo eenvoudig is het niet, er zal gewerkt moeten worden. Als het dus laat in de avond is geworden, en Jezus van Nazareth gezien heeft wat er van de Tempel echt is geworden, gaan ze weer terug. Vrede en recht vestigen zich niet op aarde als we er allemaal om juichen. Daarvoor is het werk van Jezus van Nazareth nodig geweest en onze navolging, ons werk voor de minsten van de aarde, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Als zandkorrels aan de zee

Jozua 11:1-15

1 Toen Jabin, de koning van Hasor, van Israëls zegetocht hoorde, stuurde hij boden naar Jobab, de koning van Madon, naar de koningen van Simron en Achsaf 2  en naar de overige koningen van het noorden: het bergland, de Jordaanvallei ten zuiden van het Meer van Kinneret, het heuvelland en het kustgebied van Dor in het westen. 3  Het betrof de koningen van de Kanaänieten in het oosten en het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten in het bergland en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in de streek van Mispa. 4  Die koningen trokken met hun legers ten strijde: het was een onafzienbare menigte soldaten, zo talrijk als zandkorrels aan de zee, met een groot aantal paarden en strijdwagens. 5  Al die koningen troffen elkaar bij de bronnen van Merom, waar ze hun kamp opsloegen. Daar kwamen ze samen om de strijd aan te binden tegen Israël. 6  Maar de HEER zei tegen Jozua: ‘Je hoeft niet bang voor ze te zijn. Ik zorg ervoor dat jullie ze morgen om deze tijd allemaal dood op de grond zien liggen. Dan moet je hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden.’ 7  Jozua ging toen met zijn leger de strijd met hen aan. De Israëlieten verrasten hen in een plotselinge aanval bij de bronnen van Merom, 8  en de HEER leverde hen uit aan Israël. Ze brachten hun een nederlaag toe en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon, Misrefot-Maïm en de Mispevallei in het oosten. Ze doodden hen tot er niemand meer over was. 9  En Jozua deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden. 10 Op zijn terugtocht ging Jozua naar Hasor. Die stad was destijds de machtigste van al die koninkrijken en dus nam Jozua haar in en doodde hij de koning. 11  Hij doodde bovendien alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen die er woonde om, geen mens uitgezonderd. Jozua liet Hasor in vlammen opgaan 12  en daarna nam hij de steden van de andere koningen in. Hij nam hen gevangen en doodde hen, en doodde eveneens alle inwoners. Hij bracht iedereen om, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. 13  Maar Jozua liet alleen Hasor verbranden; alle andere, nu nog bestaande steden werden door de Israëlieten niet verbrand. 14  Van deze steden maakten ze de goederen en het vee voor zichzelf buit, ze doodden echter alle mensen. Ze roeiden de inwoners zonder uitzondering uit. 15 De HEER had dit aan zijn dienaar Mozes opgedragen, en Mozes had het aan Jozua opgedragen, en Jozua voerde het uit. Hij liet niets achterwege van wat de HEER aan Mozes had opgedragen. (NBV)

De helft van het land was met veel strijd ingenomen. Ze hadden geen soldaat verloren maar het volk van Israël was er ook niks mee opgeschoten. Ze zaten weer in het kamp bij Gilgal. En er waren nog een heleboel koningen over in Kanaän, elke stad had daar een eigen koning. Die koningen sloten nu een nieuw verbond met elkaar. Dit op initiatief van de machtigste koning van allemaal. Een geweldig leger werd bijeen gebracht, ontelbare soldaten, zo talrijk als de zandkorrels aan zee. Aan welke zee? Kennelijk aan de Rietzee want er waren weer paarden en wagens die het op het volk Israël hadden voorzien. En paarden en wagens kenden ze nog uit Egypte, die hadden hen achtervolgd toen het volk door de Rietzee trok. Maar de paarden en wagens gingen toen in het doodswater van de Rietzee ten onder. Nu hadden ze een ervaren leger dat de bevelen van de God van Israël uitvoerde. Angst was er niet bij, ze waren geen vluchtelingen meer, geen slaven meer, maar een volk met een God en een volk van die God. Zo konden ze hun vijanden verslaan.

De paarden en wagens komen in de Hebreeuwse Bijbel vaker voor. Ze staan altijd voor de zucht naar oorlog, voor het verlangen met geweld anderen tot slaven te maken. De God van Israël moet er niets van hebben, altijd wordt het volk opgeroepen om de paarden en de wagens te vernietigen, altijd klinkt die oproep bovenop de roep om de vijanden te verslaan. Jozua krijgt dat bevel in dit verhaal ook en Jozua snijd de pezen van de paarden door, dan worden ze kreupel. Je kunt ook lezen dat Jozua alle banden met Egypte, met de zucht naar oorlog, geweld en onderdrukking, doorsnijdt. Het volk van Israël is niet oorlogszuchtig, het is een volk dat in vrede wil leven en wil kunnen zorgen voor de weduwen en de wezen, de armen en de vreemdelingen die bij hen wonen. Het is een volk dat weet heeft van gastvrijheid, van delen met elkaar. Daar is hun godsdienst op gebouwd, zo willen ze hun samenleving inrichten.

Er wordt over dit stuk uit het boek Jozua wel eens geroepen dat het de Bijbel neerhaalt. Hele bevolkingen worden tot de laatste persoon uitgeroeid. Wie dit stuk als geïsoleerd van de rest van de Bijbel leest krijgt die indruk. Maar de voorgaande strijd tegen de volken in Kanaän die je in de boeken Rechters, Samuël en Koningen kan lezen doet toch anders vermoeden. Pas onder Koning David breekt de vrede aan waar het volk al die tijd naar heeft gesmacht. David neemt de steden in en vestigt er garnizoenen die moeten voorkomen dat de volken uit die steden steeds in opstand komen. Jozua begint eigenlijk met het wegnemen van het kwaad door in elk geval de Koningen verantwoordelijk te stellen voor het geweld dat tegen Israël wordt gebruikt en hen te berechten. Als wij op onze geschiedenis terug kijken dan zien we dat het eeuwen heeft geduurd voordat we zo ver zijn dat leiders van volken verantwoordelijk worden gehouden voor het geweld dat ze tegen anderen hebben gebruikt. We hebben een internationaal strafhof met onafhankelijke rechters. Toch moeten we nog leren de wereld er van te overtuigen dat hier ook echt gebruik van moet worden gemaakt. Dat is een Bijbelse opdracht die we vandaag ook uit het verhaal over Jozua kunnen leren.