Dat zal de dag zijn

Ezechiël 39:1-16

1 Mensenkind, profeteer tegen Gog, zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal. 2 Ik kom je halen, ik sleep je mee, ik laat je uit het uiterste noorden komen en breng je naar de bergen van Israël. 3 Daar sla ik je boog uit je linkerhand en je pijlen uit je rechterhand. 4 Op de bergen van Israël zul je sneuvelen, met al je troepen en je bondgenoten, en daar geef ik je ten prooi aan alle soorten roofvogels en aan de wilde dieren. 5 Ook in het open veld zul je sneuvelen. Ik heb gesproken-spreekt God, de HEER. 6 Magog zal ik in vlammen doen opgaan, net als de kustbewoners die zich veilig wanen. Ze zullen weten dat ik de HEER ben. 7 Mijn heilige naam zal ik aan mijn volk Israël bekendmaken, ik zal mijn heilige naam niet langer laten ontwijden, en de andere volken zullen beseffen dat ik de HEER ben, heilig in Israël. 8 Het komt, het zal gebeuren-spreekt God, de HEER ! Dat zal de dag zijn waarvan ik gesproken heb. 9 Dan zullen de Israëlieten uit hun steden komen om de wapens als brandhout te gebruiken; zeven jaar zullen ze vuur kunnen stoken van de grote en kleine schilden, de bogen en de pijlen, de stokken en de lansen. 10 Omdat ze daarmee vuur kunnen stoken, hoeven ze geen takken te sprokkelen op de velden of hout te hakken in het bos. Zo plunderen ze wie hen wilden plunderen en behalen buit op wie hen tot buit wilden maken-spreekt God, de HEER. 11 Op die dag delf ik voor Gog een graf in Israël, in het Dal der passanten, ten oosten van de Dode Zee. Het zal de doorgang versperren voor deze passanten: voor Gog en heel zijn leger. Ze zullen er worden begraven, en het zal het ‘Dal van het leger van Gog’ worden genoemd. 12 De Israëlieten zullen hen begraven om het land te reinigen, en daar zullen ze zeven maanden over doen. 13 Iedereen in Israël zal daarmee bezig zijn, en dat zal hun tot eer strekken op de dag dat ik mijn grootheid zal tonen-spreekt God, de HEER. 14 Ze zullen een groep aanstellen die het land voortdurend moet doorkruisen. Die moet de passanten begraven die op het land zijn blijven liggen, om zo het land te reinigen. Na de zeven maanden zullen ze op onderzoek uitgaan 15 en opnieuw het land doorkruisen. Als een van hen dan beenderen van mensen ziet liggen moet hij er een merksteen bij zetten, zodat de doodgravers ze kunnen begraven in het Dal van het leger van Gog 16 (er is daar ook een stad die naar dat leger heet), en zo het land reinigen.” (NBV)

Zeg nu niet dat je niet gewaarschuwd bent. In dit Bijbelgedeelte wordt Gog aangesproken maar Gog is ver weg. Babel is dichterbij. En Israël luistert in ballingschap naar de Profeet. De waarschuwing is nooit met een oorlog te beginnen. Oorlog loopt altijd uit op een nederlaag. De puihopen en doden die achterblijven bij een nederlaag kunnen nauwelijks opgeruimd worden. In het midden oosten zal het direct herkent zijn, voor je de lijken hebt begraven komen de vogels en de aaseters om van de lijken te genieten. Natuurlijk als er in je eigen land oorlog is geweest dan heb je er belang bij om de puinhopen snel op te ruimen. De inwoners van Israël zullen maanden bezig zijn om het land te reinigen. Doden zijn immers onrein, die mag je niet zo maar aanraken. Hun leven is naar God teruggekeerd.

Maar waarom klinkt het zo hard. Oorlog kan toch soms ook gerechtvaardigd zijn? Hoe zouden wij bevrijd zijn als Amerika, Canada en Nieuw Zeeland geen oorlog hadden begonnen tegen Duitsland. Maar dat is het verschil. Daarom lijkt het er op dat de God van Israël een tegenoorlog gebruikt om zijn volk te beschermen. Het leger dat begint zal verliezen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben we geleerd om de slachtoffers van de oorlog te helpen. Ook het land van de vijand zal moeten worden gereinigd en weer opgebouwd. Dat is een hardere les tegen oorlog dat feest te vieren met de buit van de verliezers zoals aan het eind van de Eerste Wereldoorlog gebeurde. Toen leek het er op dat oorlog loont, dat een overwinning rijkdom en welvaart brengt. De God van Israël spreekt dat tegen, oorlog betekent altijd ellende.

Blijft een volk oorlogszuchtig dan isoleert het zichzelf. In het verhaal dat we vandaag spreken is sprake van een dal dat de doorgang van het oorlogszuchtige volk zal belemmeren. In Israël was er in de bergen ergens een dal waarover een dergelijk verhaal de ronde deed. Door dat dal kon niemand Israël binnenkomen. Dat was zo’n sterk beeld dat eeuwen later toen Alexander de Grote zijn veroveringstocht hield het verhaal rondging dat hij de Gog en de Magog had opgesloten door in een dal ijzeren deuren aan te brengen. Ook in de Islamitische traditie komt een dergelijk verhaal voor. En de Chinese Muur die de vijand belemmerde binnen te vallen wordt ook met dit beeld van het ondoordringbare dal vergeleken. Oorlogsdzucht isoleert je volk. Nationalisme en eigen volk eerste is samen met hebzucht de voedingsbodem voor oorlog. En we zijn gewaarschuwd. Tijdig tendenzen opsporen die geweld niet uitsluiten en zichzelf beter achten dan anderen. Ook vandaag nog.

Bergen zullen wegzinken

Ezechiël 38:14-23

14 Profeteer daarom, mensenkind, zeg tegen Gog: “Dit zegt God, de HEER: Wanneer mijn volk Israël een onbezorgd bestaan leidt, zal dat jou bekend worden. 15 Dan komen jij en je vele bondgenoten uit je woonplaats in het uiterste noorden, al die mannen te paard, die grote menigte, dat talrijke leger. 16 Als een wolk die het land overdekt zul je tegen mijn volk Israël optrekken. Eens zal ik je naar mijn land brengen, en als ik alle volken door jou, Gog, laat zien dat ik heilig ben, zullen ze beseffen wie ik ben. 17 Dit zegt God, de HEER: Ben jij de man van wie ik in het verleden, jarenlang, bij monde van de profeten van Israël, mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem zou sturen om de Israëlieten aan te vallen? 18 Op de dag dat Gog het land van Israël aanvalt-spreekt God, de HEER zal mijn woede oplaaien. 19 In mijn hartstocht, in het vuur van mijn toorn zeg ik: Op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen. 20 De vissen in de zee, de vogels aan de hemel, de wilde dieren, alles wat op het land rondkruipt en alle mensen op aarde zullen voor mij beven. Bergen zullen wegzinken, bergwanden neerstorten, stadsmuren in puin vallen. 21 Op al mijn bergen zal ik het zwaard tegen Gog oproepen-spreekt God, de HEER en zijn mannen zullen elkaar met hun zwaard bestrijden. 22 Ik zal Gog straffen met de pest en de dood, ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten. 23 Ik zal mijn grootheid en mijn heiligheid tonen en mij aan vele volken bekendmaken. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben.” (NBV)

Er is nog wel eens gezegd dat, wat er ook gebeurd, alle kritiek op Israël taboe is. Als die mensen die ook kritiek hebben op de huidige regering in Israël en haar politiek ten aanzien van Palestijnen maakt je tot een bondgenoot van Koning Gog, het symbool van alle kwaad. Maar dat beeld is onjuist. Ezechiël spreekt tot zijn volk in ballingschap. Dat volk weet langzaam aan heel goed waarom ze in ballingschap leeft. Het volk had het verbond met God verbroken. Ze waren andere goden achterna gelopen en hadden zelf kinderen geofferd in plaats van zich te houden aan de richtlijn niet te doden. Dat God dat verbond met Israël wil herstellen is niet omdat Israël zo geliefd is maar omdat God wil dat alle volken zijn richtlijnen moeten volgen. Het optrekken van Gog en de woede van God kunnen daarvoor een voorbeeld worden. Als het volk vertrouwd op God zal Gog verliezen en dat je vijand verliest wil iedereen wel.

Nu grijpt die God van Israël ook niet op een menselijke manier in. Gog wordt er voor gewaarschuwd dat een aanval op een Israël van het verbond betekent dat God de natuur zal gebruiken om de plannen van Gog te dwarsbomen. Aardbevingen. bergen die wegzinken, bergwanden die in storten. Als je je dat kunt voorstellen, zeker als je je voorstelt dat het jou zou kunnen overkomen dan moet je wel beven. Dan realiseer je je ook dat je beeft voor de God van Israël omdat je niet anders kunt dan de absolute heerschappij van die God te erkennen. Alle ellende moet daarvoor overigens over Gog worden uitgestort. Dat wil nog lang niet zeggen dat wij elke natuurramp als een straf van God moeten duiden. Zo van handen af van de gevolgen want dit is wat God wil. Het tegendeel is waar. God stelt ons op de proef, denken wij alleen om onszelf en laten we de slachtoffers langs de kant van de weg liggen, of doen we er alles aan om slachtoffers te helpen.

Zo stelt ook het conflict tussen Israël en Palestijnen ons op de proef. We hebben ooit gestemd voor een tweedeling van het gebied Palestina. Israël heeft daarop geantwoord met het uitroepen van een onafhankelijke staat. Vervolgens ontstond er oorlog. Tegenwoordig zijn er twee gebieden die samen een Palestijnse staat zouden kunnen vormen, het andere deel van het besluit van de Verenigde Naties. Maar die twee delen worden onderdrukt door Israël. In plaats van er alles op te zetten om slachtoffers van de geschiedenis te helpen en nieuwe slachtoffers te voorkomen tracht men in Israël haar grondgebied uit te breiden. Er zijn voortdurend verhalen over het kappen van olijfbomen, inkomensbronnen van Palestijnen. Nieuwe vestigingen worden gerealiseerd in gebieden waarvan we allemaal in de wereld vinden dat ze tot die nieuwe Palestijnese staat zouden moeten horen. Veel kunnen we zelf niet doen. De regering probeert samen met Europa vrede te bereiken. Maar wij zouden kunnen helpen door geen producten meer te kopen van Israël die uit Palestina komen.

 

Ik kom je halen

Ezechiël 38:1-13

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op Gog, de oppervorst van Mesech en Tubal, in het land Magog, en profeteer tegen hem. 3 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Gog, oppervorst van Mesech en Tubal, ik zal je straffen! 4 Ik kom je halen, ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger, met je paarden en ruiters, met je schitterende krijgers, met heel die menigte zwaardvechters, bewapend met kleine en grote schilden; 5 en dan nog de soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, met hun schilden en helmen, 6 en Gomer met al zijn troepen, Bet-Togarma uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! 7 Bereid je voor, maak je gereed om die hele menigte die zich bij je heeft aangesloten aan te voeren. 8 Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar zonder zorgen. 9 Met je troepen en al je bondgenoten zul je optrekken als een stormwind, als een wolk die het land overdekt. 10 Dit zegt God, de HEER: Als het zover is, zul je boze plannen uitdenken. 11 Je denkt: Dat land van niet-ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten. 12 Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden aan te vallen. Daar woont een volk dat uit vele volken bijeen is gekomen, dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont. 13 De mensen uit Seba en Dedan, de handelaars en heersers uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Ben je gekomen om te plunderen en te roven? Heb je die hele menigte bijeengebracht om buit binnen te halen? Om goud en zilver weg te graaien, om vee en goederen mee te nemen, om alles te plunderen en te roven?’ ” (NBV)

Vandaag weer zo’n verhaal dat gemakkelijk misverstanden oproept. Je hebt de neiging om dit stukje uit Ezechiël te lezen als een zelfstandig verhaal. God roept dat de ballingen terugkeren en beschermd worden. En God roept dat niet tot de ballingen maar tegen een Koning, Gog, die snode plannen heeft gemaakt om ergens in de toekomst het land van de teruggekeerde ballingen te gaan plunderen. Als we het verhaal zo lezen dan hebben we het boek Ezechiël niet begrepen. Dat boek vormt een eenheid waaruit wij steeds kleine stukjes lezen. Het volk Israël bestaat niet meer. Jeruzalem is verwoest. Het volk is uit het beloofde land gevoerd en woont nu als gevangenen in het land van één van de grote wereldmachten. En dan komt er een profeet en die zegt dat ze niet bij de pakken neer moeten zitten. Ze voelen zich misschien als doden die in de vlakten van Babel begraven liggen maar Ezechiël komt ze vertellen dat God weer vlees op de botten zal brengen en de doden zal doen opstaan.

Mooie verhalen van die Ezechiël maar de ene wereldmacht komt en de andere gaat. Ze veroveren elkaar en in die strijd wordt het volk van de God van Israël vermalen. Kijk maar eens naar die ruitervolken achter de Balkan. Die koning Gog van dat land Magog is een koning die al bezig is de rijkjes in zijn omgeving te onderwerpen. Dat wordt straks een wereldmacht en als de ballingen terugkeren dan zullen ze het slachtoffer worden van die wereldmacht. Ook daar heeft Ezechiël een antwoord op. Terugkeer van de ballingen zal pas gebeuren als ze geleerd hebben onvoorwaardelijk op die God van Israël te vertrouwen en zijn richtlijnen te volgen. Moet je horen zelfs al zal het Gog lukken om een leger te vormen met zijn ruiters, met soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, bewapend met de meest moderne wapens dan nog zijn plannen om het nieuwe Israël te plunderen bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Dat wordt niet huilen, dat wordt lachen. De directe buurvolken van Israël zullen ze verbaasd vragen of ze echt van plan zijn Israël aan de vallen.

Vandaag is het bij ons bevrijdingsdag. Wij vieren dat we weer een eigen land hebben waar we zelf een bestuur van kunnen kiezen en waar we elkaar mogen ondersteunen in het volgen van de richtlijnen van de God van Israël. Dat kan wel eens lastig zijn. Onze vrijheid voelt nog wel eens zo dat we zorgeloos kunnen leven en onbezorgd kunnen leven zonder muren, grendels of poorten. Zo onbezorgd kan het dus ook weer niet. Al hebben we onze huizen beveiligd tegen inbrekers en plunderaars daarmee houdt te plicht om te zorgen niet op. We moeten voor onszelf zorgen. Het goede eten, zoals ook Ezechiël zijn volk opriep, op tijd genoeg bewegen en voor elkaar zorgen door maatregelen te nemen elkaar niet te besmetten. Dat laatste is moeilijk. Virussen zijn niet te zien maar niet minder gevaarlijk. God heeft ons mensen gegeven die voor de zieken zorgen, dag en nacht. Wij worden opgeroepen met hen mee te doen door te zorgen dat er niet te veel zieken komen. Dat is geen inperking van onze vrijheid, dat is het vergroten van onze vrijheid. Wij hebben de vrijheid van God gekregen om te blijven leven met onze naasten. Daar moeten we soms hard voor werken, maar dat mag ook vandaag weer.

Mijn smeken

Psalm 116

1 De HEER heb ik lief, hij hoort mijn stem, mijn smeken, 2  hij luistert naar mij, ik roep hem aan, mijn leven lang. 3  Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn. 4  Toen riep ik de naam van de HEER:‘HEER, red toch mijn leven!’ 5  De HEER is genadig en rechtvaardig, onze God is een God van ontferming, 6  de HEER beschermt de eenvoudigen, machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd. 7  Kom weer tot rust, mijn ziel, de HEER is je te hulp gekomen. 8  Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood, mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelen behoed. 9  Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de HEER. 10 Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik: ‘Ik ben diep ongelukkig.’ 11  Al te snel dacht ik: Geen mens die zijn woord houdt. 12  Hoe kan ik de HEER vergoeden wat hij voor mij heeft gedaan? 13  Ik zal de beker van bevrijding heffen, de naam aanroepen van de HEER 14  en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk. 15  Met pijn ziet de HEER de dood van zijn getrouwen. 16  Ach, HEER, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares: u hebt mijn boeien verbroken. 17  U wil ik een dankoffer brengen. Ik zal de naam aanroepen van de HEER 18  en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk, 19  in de voorhoven van het huis van de HEER, binnen uw muren, Jeruzalem. Halleluja!(NBV)

Vandaag zingen we met de kerk een danklied mee. We zingen tenminste op het eind dat we een dankoffer willen brengen. Maar waar zijn we dan wel zo dankbaar voor. We hebben immers geleerd dat geloven in de God van Israël geen verzekering is tegen rampspoed en ongeluk. Dat kan je evengoed overkomen, maar waar moet je dan dankbaar voor zijn. Deze psalm schetst dat heel nauwkeurig. Geloof in de God van Israël bevrijdt je van de angst voor de dood. Ieder mens sterft immers, daar hoef je niet bang voor te zijn. Wat er eventueel na de dood staat te gebeuren weten we niet. In het boek van de wording van de mens, in Genesis, staat dat de mens de levensadem van God heeft gekregen en dat die levensadem terugkeert naar God als de mens sterft. Dat is een hele geruststelling. Verder gaat het er in het leven om je naaste lief te hebben als jezelf en dus te werken aan een samenleving waarin alle mensen meetellen en waar van alle mensen gehouden wordt.

Die liefde en die samenleving hangen niet van ons als individuele mensen af, dat werk erven we van onze voorouders die er ooit mee begonnen zijn en we mogen het doorgeven aan de kinderen en kleinkinderen die na ons komen. In die geschiedenis leven we dus eeuwig als we mee doen aan dat bouwen aan wat wel genoemd wordt het koninkrijk van God. Angst voor de dood hoeven we dus niet meer te hebben. En de bevrijding van de angst voor de dood maakt dat we kunnen leven alsof we eeuwig leven. Ondanks alle tegenslagen die we kunnen tegenkomen blijven we dag aan dag weer opnieuw werken aan dat nieuwe Koninkrijk, in de vaste overtuiging dat het komt. Ja zelfs op één en dezelfde dag kunnen we er weer duizend keer aan beginnen. Dat doen komt omdat we ook geloven dat het voor elk van ons elke dag ook afgelopen kan zijn. Er is geen tijd om de komst van het Koninkrijk uit te stellen. Wie het lijden van de mensen in de wereld beschouwt wil er zelfs geen moment mee wachten.

De God van Israël is een God van ontferming en daarom ontfermen wij ons over de mensen die ontferming nodig hebben. De vluchtelingen, mensen die van haard en huis verdreven zijn, de hongerigen, de armen, de zwakken, de zieken en zij die hun naasten verloren hebben, de gevangenen, de mensen die vernederd en geknecht worden, de weduwen en de wezen. Daarvoor mogen zorgen maakt je dankbaar, dat zorgen maakt dat het leven zin krijgt, want je leeft niet langer alleen, je schenkt het leven aan hen die de dood onder ogen zagen. Daarom heffen we de beker van de bevrijding, de beker die we niet alleen drinken maar delen met ieder die dat nodig heeft, daarom brengen we een dankoffer, het brood dat we breken en delen met een ieder die honger heeft. Dat maakt dat de hele wereld de Tempel wordt waar de Wet van heb uw naaste lief als uzelf wordt gevierd. Ook vandaag.

Neem een stuk hout

Ezechiël 37:15-28

15 De HEER richtte zich tot mij: 16 ‘Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen.” Neem dan nog een stuk hout en schrijf daarop: “Jozef” dat is het stuk hout van Efraïm-“en heel het volk van Israël dat met hem verbonden is.” 17 Voeg die twee samen tot één geheel, zodat ze in je hand één stuk hout vormen. 18  En als je volksgenoten je vragen: “Wil je ons vertellen wat je hiermee bedoelt?” 19 zeg dan: “Dit zegt God, de HEER: Ik neem het stuk hout van Jozef-dat van Efraïm dus-en van de stammen van Israël die met hem verbonden zijn, en ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Ik maak er één stuk hout van, in mijn hand zullen ze één worden.” 20 De stukken hout waarop je geschreven hebt, moet je duidelijk zichtbaar in je hand houden, 21 en dan zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken waar ze terechtgekomen zijn, ik zal ze overal vandaan bijeenbrengen en ze naar hun land laten terugkeren. 22 Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zullen ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrijken. 23 Ze zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden en hun afschuwelijke misdaden, ik zal hen van hun zondige ontrouw redden en hen reinigen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 24 David, mijn dienaar, zal hun koning zijn, en samen zullen ze één herder hebben. Mijn regels zullen ze in acht nemen en volgens mijn wetten zullen ze leven. 25 Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land van jullie voorouders. Zij en hun kinderen en de kinderen van hun kinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. 26  Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. 27 Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 28 En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.”’ (NBV)

Het staat er echt in Ezechiël 37, tweede gedeelte. Die profeet leefde in een tijd waarin het land Israel in tweede delen uiteen was gevallen. Een Noordelijk en een Zuidelijk koninkrijk. Dat kon natuurlijk niet zo blijven maar wil je dat veranderen dan moet je de mensen het vertrouwen geven dat het ook echt anders kan. Zo ging Ezechiël aan het werk met twee stukken hout. Op de een schreef hij de naam van het Noordelijk koninkrijk en op de andere dus de naam van het Zuidelijk koninkrijk. En toen hij van de twee stukken hout één plank maakte vroegen de mensen wat hij aan het doen was. Nou zei Ezechiël als we werkelijk de weg van God, de weg van de liefde voor alle mensen volgen dat wordt dit land net zo één als het volk eigenlijk al is en als de ene God die ze aanbidden. Die twee koninkrijkjes hadden onderling oorlog gevoerd, soms hadden ze samen gemeenschappelijke vijanden bestreden, maar veel vaker hadden ze elkaar laten barsten als het weer verkeerd dreigde te gaan. Zo was eerst het Noordelijk Rijk en pas later het Zuidelijk Rijk slachtoffer geworden van de macht van Babel en was het volk van beide landen in ballingschap weggevoerd.

En dan zou in die ballingschap het volk weer één worden? En nou willen ze ons doen geloven dat het ook zo zal gaan met Europa. Ooit was dat ook één rijk, onder Keizer Karel de Grote, en daarvoor ook nog onder de Romeinen. Straks zijn er zo’n 30 landen lid van de Europese Unie. Dat aantal valt nog wel mee, van de Verenigde Staten van Amerika zijn er 50 lid. Maar wordt Europa wel één land, of doen we net alsof. Er is al eens voorgesteld één vlag en één volkslied in te voeren. Inmiddels heeft Europa een eigen minister van buitenlandse zaken, wat die namens ons doet is vaak is onduidelijk. Er zijn nu al 2 van de 25 landen van de Europese Unie lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, Frankrijk en Duitsland, dat waren er drie, Engeland is ook lid. Als we werkelijk één Europa worden zou men pleiten voor één zetel in de Veiligheidsraad, nietwaar, met één minister van buitenlandse zaken die aan het gemeenschappelijke parlement verantwoording aflegt voor het gemeenschappelijke buitenlandse beleid.

Van dat Europese parlement horen we dus bijna nooit wat. Elke discussie in ons eigen parlement wordt in haar geheel op de televisie uitgezonden. Ons parlement heeft een eigen radio en televisie kanaal. Maar het is uiterst zelden dat een discussie van het Europese Parlement wordt uitgezonden. Wel wordt er elke dag wel ergens geklaagd over de regelgeving uit Europa en hoe lastig die regels wel niet zijn. Dat onze eigen vertegenwoordigers in het Europese Parlement mee verantwoordelijk zijn voor die regels blijft buiten beschouwing. Ezechiël liet zijn volk heel concreet zien hoe de toekomst er uit zou kunnen zien. Goden van vruchtbaarheid, goden van winst en profijt zouden ze achter zich moeten laten, het aanbidden van die goden was uitgelopen op die ballingschap. Centraal moest weer de set richtlijnen voor de menselijke samenleving komen te staan. Volgens die richtlijnen wordt samen gezorgd voor de minsten in de samenleving. In Europa is dan geen vluchtelingencrisis meer. Die vluchtelingen vangen we op en samen met die vluchtelingen gaan we op zoek naar vrede in hun land van herkomst. En op grond van die richtlijnen beseffen we dat het gooien van bommen op landen, zoveel dood  en verderf betekent dat mensen er voor vluchten. God wil die wereld omgekeerd, wij kunnen die wereld omkeren.

 

Dorre beenderen

Ezechiël 37:1-14

1 Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2 Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3  De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4 Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER ! 5 Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6 Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’ 7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8 Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10 Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. 11 En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. 13 Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. 14 Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen-zo spreekt de HEER.”’ (NBV)

Het is niet altijd even eenvoudig de massa in beweging de krijgen. Het mooiste voorbeeld is nog altijd dat van Ezechiël, iemand die voortdurend het verhaal van God liep te vertellen, een profeet dus. Die Ezechiël moest de mensen niet zozeer het woord van God vertellen maar het vooral laten zien. Hij was er voor gewaarschuwd dat het volk niet zou willen luisteren. Het beeld dat hij gebruikte voor de menigte die met geen mogelijkheid in beweging te krijgen is, was dat van het dal van de dorre doodsbeenderen. Een vallei van alleen de botjes, geen vlees en geen spieren en geen leven dus. En Ezechiël roepen dat God wilde dat er leven was, en warempel de botjes voegden zich samen, er kwam vlees op en spieren en de mensen kwamen weer in beweging. Het dal van de dorre doodsbeenderen heeft veel mensen aangesproken. Maar vaak om de verkeerde redenen. In het nieuwe testament is namelijk het geloof in de opstanding uit de doden een belangrijk gegeven geworden.

Maar in de dagen van Ezechiël speelde dat nog geen rol. Men geloofde dat bij het sterven de adem van de mens, adem die van God ingeblazen was, weer terug zou keren naar God. Pas na de ballingschap kwam dat geloof in de opstanding aan de orde. Het volk Israël kwam namelijk onder de heerschappij van een uiterst wreed optredende Griekse bezetter. En langzaam aan kwam het volk tot de overtuiging dat het onrechtvaardig was dat de onderdrukten een pijnlijke dood moesten sterven terwijl de onderdrukkers rustig oud konden worden. De God van Israël was een rechtvaardig God en ooit zou er dus een rechtvaardig oordeel over slachtoffers en beulen geveld worden. Dat zou komen aan het eind van de geschiedenis, dan zouden de slachtoffers en de beulen opstaan en voor de rechterstoel van God verschijnen. Daniël had al eens geschreven dat de koning van de lijdenden al die slachtoffers voor de troon van God zou voeren zodat hen alsnog recht gedaan zou worden.

Het dal van de dorre doodsbeenderen gaat dus niet over de jongste dag en het oordeel over de mensen. Dit beeld gaat over mensen die het lijden tolereren alsof ze dood zijn. Die toekijken als er in hun stad vrouwen gedwongen worden tot prostitutie, die kinderen hun passend onderwijs laten afpakken, die gehandicapten hun beschermde werkomgeving zien gesloten worden, die het thuis wonen van chronisch zieken en gehandicapten onmogelijk zien worden omdat er geen persoonsgebonden budgetten meer zijn en die de honger en de armoede in de wereld zien toenemen omdat er bezuinigd wordt op hulp en ontwikkelingssamenwerking, mensen die vluchtelingen terugsturen naar dictaturen en ze niet welkom willen heten. Met Ezechiël vraagt de Bijbel ons wanneer wij in beweging komen, wanneer bij ons weer vlees en spieren op de botten komen zodat wij ons gaan verzetten tegen het lijden in de wereld. Wanneer gaan wij de doorvoer en uitvoer van wapentuig uit ons land stopzetten? Wanneer zetten wij bij de verdeling van onze rijkdom de armsten voorop en laten we mensen echt tot hun recht komen? Wij mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer. Laten we dat dan ook doen.

Nooit meer een hongersnood

Ezechiël 36:29-38

29 Ik zal jullie redden van alles wat je onrein maakt, ik zal het koren bevelen overvloedig te groeien en nooit meer een hongersnood op jullie afsturen. 30 De bomen zullen overvloedig vrucht dragen en de akkers zullen een rijke opbrengst geven; jullie zullen niet meer door andere volken worden bespot omdat jullie honger lijden. 31 Jullie zullen je al je dwaalwegen en wandaden herinneren, en jullie zullen van jezelf walgen vanwege jullie gruwelijke zonden. 32 Ik doe dit alles niet omwille van jullie-spreekt God, de HEER; laat dat tot je doordringen! Schaam je over je schandelijk gedrag, volk van Israël. 33 Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat ik jullie van je zonden gereinigd heb, zal ik in de steden weer mensen laten wonen en zullen de puinhopen weer worden opgebouwd. 34 Het verwilderde land zal weer worden bewerkt-het land dat voor iedereen die erdoorheen trok een woestenij was. 35 Ze zullen zeggen: ‘Dit land hier, dat een woestenij was, is nu als de tuin van Eden, en de steden die in puin lagen, die verlaten waren en verwoest, zijn weer versterkt en bewoond.’ 36 Dan zullen de volken om je heen beseffen dat ik de HEER ben. Ik zal weer opbouwen wat verwoest was en beplanten wat verwilderd was. Wat ik, de HEER, gezegd heb, zal ik doen. 37 Dit zegt God, de HEER: Ook dit verlangen van het volk van Israël zal ik in vervulling laten gaan: ik zal het volk zo talrijk maken als een kudde schapen; 38 zo vol als Jeruzalem op hoogtijdagen is met heilige offerdieren, zo vol met mensen zullen de steden zijn die nu in puin liggen. En ze zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’ (NBV)

We denken zo gemakkelijk dat we alles zelf wel kunnen. En nog gemakkelijker denken we dat anderen alles wel zelf kunnen. Als we zelf werk gevonden hebben dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf gezond zijn gebleven dan kunnen anderen dat toch ook? Als we zelf wat van een computer snappen dan kunnen anderen dat toch ook? Het is soms heel moeilijk te geloven dat niet alles vanzelf gaat als het voor onszelf voelt alsof het vanzelf gaat. Maar iedereen moet toegeven dat er zaken zijn die men beter kan dan een ander en dat er zaken zijn die men minder goed kan dan een ander. Er zijn nu eenmaal zaken die je over moet laten aan vakmensen, mensen die er voor doorgeleerd hebben en die er liefhebberij in hebben. Pas als je bereid bent samen te werken, jouw capaciteiten te ruilen met de capaciteiten en vaardigheden van anderen dan kun je samen iets tot stand brengen.

In de Bijbel heet dat samen ook wel God. Pas als je het doet zoals de God van Israël het doet dan wordt het wat. Pas als je accepteert dat de bloeiende samenleving waarin je leeft alleen tot stand is kunnen komen omdat mensen bereid waren hun creativiteit, kennis en vaardigheden te delen met die samenleving dan pas kun je er te volle aan deelnemen. Maar dan moet je eigenlijk ook beseffen dat je samen bezig bent de geboden van de God van Israël te volgen. Die geboden zeggen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je moet zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving. Die geboden zeggen dat je er voor moet zorgen dat iedereen kan meedoen aan die bloeiende en welvarende samenleving. Zeker met het aanhouden van de coronacrisis, die is nog niet voorbij, wordt het moeilijk voor anonieme zwakken, zieken en zorgpersoneel te blijven zorgen. Toch zou dat bij ons voorop moeten blijven staan.

Het land dat hier voor de ballingen geschilderd wordt komt er helemaal niet echt als die ballingen uiteindelijk niet bereid zijn te zorgen voor de armen en de zwaksten in hun samenleving. In de Bijbel heten die de weduwe en de wees. Die nemen in de Bijbelse samenleving de zwakste posities in. Natuurlijk mag je verwachten dat de ballingen zelf hard zullen moeten werken om de akkers weer vruchtbaar te maken, om de steden weer op te bouwen en de puinhopen op te ruimen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Maar daarmee heb je nog niet een samenleving die als voorbeeld dient voor andere volken. Die is er pas als de samenleving gebaseerd is op de liefde voor de naaste als uiting van de liefde voor de God van Israël. Dat geldt ook voor onze eigen samenleving. Elke dag mogen we weer opnieuw beginnen onze samenleving zo vorm te geven dat die gebaseerd is op de liefde voor de ander. Gelukkig mag dat ook vandaag weer.

 

Een nieuwe geest

Ezechiël 36:16-28

16 De HEER richtte zich tot mij: 17 ‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun land woonden, hebben ze dat door hun daden onrein gemaakt; ik zag hoe hun daden even onrein waren als een vrouw die ongesteld is. 18 Dus stortte ik mijn toorn over hen uit, vanwege al het bloed dat ze op het land hadden uitgestort, en vanwege de afgoden waarmee ze het hadden verontreinigd. 19 Ik verdreef hen naar vreemde volken en ze raakten verstrooid in verre landen; ik strafte hen zoals ze verdienden. 20 Bij de volken waar ze kwamen werd mijn heilige naam ontwijd doordat men van hen zei: “Dit is nu het volk van de HEER, uit zijn land is het verbannen.” 21 Het deed mij verdriet dat mijn heilige naam zo door het volk van Israël ontwijd werd, bij alle volken waar het kwam. 22 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal ingrijpen, volk van Israël-niet omwille van jou, maar omwille van mijn heilige naam, die je hebt ontwijd bij de volken waar je gekomen bent! 23 Ik zal mijn grote naam, die door jullie bij die volken is ontwijd, weer aanzien verschaffen. Die volken zullen beseffen dat ik de HEER ben-spreekt God, de HEER. Ik zal ze laten zien dat ik heilig ben; 24 ik leid jullie weg bij die volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. 25 Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. 26 Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. 27 Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. 28 Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. (NBV)

Daar staat Ezechiël nu voor de ballingen in Babel. Hij roept ze op tot bekering, ze zullen weer de richtlijnen van de God van Israël moeten volgen en die God zal er voor zorgen dat ze terugkeren naar Jeruzalem en dat de omringende volken hen niet meer tegen kunnen houden. Mooie beloften, maar waar was die God toen ze in ballingschap werden gestuurd? Wij stellen die vraag ook zo vaak. Waar was de God van kleine mensen toen kinderen in Syrië werden beschoten, gevangen genomen en gemarteld? Waar was de God van kleine mensen toen het land van de Palestijnen werd gestolen en de protesten ertegen in bloed werden gesmoord? Het antwoord van Ezechiël is dat het niet de God van de kleine mensen was die er niet was maar dat de mensen zelf zich hadden afgewend van de richtlijn “Gij zult niet doden” en elkaar daar niet aan gehouden hebben.

Willen we het gedeelte van vandaag goed begrijpen dat moeten we eerst iets over de Naam van God en de verkiezing van Israël moeten weten. Mozes kreeg in de Woestijn de Naam van God eigenlijk niet te horen, die Naam bleek een program: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” Dat is zo ontzagwekkend dat je die naam eigenlijk nauwelijks kunt uitspreken. Wie is de mens dat hij kan uitmaken dat de God van Israël aan zijn zijde staat? Daarvoor maken we te veel fouten die we toch niet in de schoenen van die God kunnen schuiven. Maar die God van Israël wilde het toch met de mensen wagen. Daarom werd er een verbond gesloten, als jullie de Weg gaan die in dit verbond besloten is dan ga Ik met jullie mee. Daar moet je dus op willen vertrouwen, daar moet je dus aan willen werken. Doordat Jezus van Nazareth liet zien dat iedereen elke dag opnieuw met dat verbond, met de liefde voor de naaste als voor jezelf, kan beginnen mogen ook wij Heidenen nu bij dat verbond horen. Want het verbond met Israël was een voorbeeld voor alle volken.

Maar de God van Israël staat niet vanzelf aan onze kant. In Israël geloofde men dat het leven werd bewaard in het bloed van mens en dier. En als je dus bloed vergoot op de aarde dan beschouwde je het leven niet als een geschenk maar als afval, zoals een vrouw haar menstruatiebloed weg moet gooien. Zo hoort het eigenlijk niet, dat leven is een Godsgeschenk, dat is het waard om alles voor over te hebben. Is die God van Israël nu wel of niet een God die met mensen meegaat? Ezechiël laat zien dat zelfs in de ballingschap die God er wil zijn voor ballingen en slaven. Zodra er weer eerbied voor het leven is, zodra van de naaste weer wordt gehouden als van jezelf, zodra recht en gerechtigheid weer de overhand krijgen en mensen recht wordt gedaan, dan is de God van Israël weer aanwezig, dan begint opnieuw de opbouw van het land dat overvloeit van melk en honing. En dat woord van Ezechiël is ook vandaag nog waar, we kunnen met die richtlijnen elke dag opnieuw beginnen, elke dag ons weer begeven op de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Vrucht dragen

Ezechiël 36:1-15

1 Mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van de HEER ! 2 Dit zegt God, de HEER: Vol leedvermaak heeft de vijand geroepen: ‘Die oeroude bergen zijn nu van ons!’ ” 3 Profeteer daarom het volgende: “Dit zegt God, de HEER: Toen jullie verwoest waren, aasden de volken om je heen op jullie. Jullie gingen over de tong en er werd over jullie gekletst. 4 Luister daarom, bergen van Israël, naar de woorden van God, de HEER. Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de rivierbeddingen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, tegen alles wat is buitgemaakt en bespot door de volken om je heen! 5 Dit zegt God, de HEER: In het vuur van mijn hartstocht klaag ik Edom en al die andere volken aan. Hun hart was vol vreugde en hun ziel vol verachting toen ze mijn land in bezit namen en er de weidegronden buitmaakten.” 6 Daarom moet jij profeteren over het land van Israël. Zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de rivierbeddingen en tegen de dalen: “Dit zegt God, de HEER: Ik spreek met hartstocht en woede! Jullie zijn vernederd door andere volken, 7 en daarom-zegt God, de HEER zweer ik dat de volken om je heen zelf vernederd zullen worden. 8 Maar, bergen van Israël, jullie bomen zullen weer uitlopen en vrucht dragen voor mijn volk Israël, want dat zal spoedig terugkeren. 9 Ik zal mij naar jullie toewenden, en jullie zullen weer worden bewerkt en ingezaaid. 10 Ik zal veel mensen op je laten wonen, heel het volk van Israël, en de steden zullen weer worden bewoond, de puinhopen weer worden opgebouwd. 11 Er zullen veel mensen en dieren op je wonen, ze zullen talrijk en vruchtbaar zijn, en jullie zullen weer even dichtbevolkt zijn als in het verleden. Ik zal zorgen dat het jullie beter gaat dan vroeger, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. 12 Er zullen weer mensen over je paden gaan: mijn volk Israël zal jullie weer in bezit nemen, jullie worden voorgoed hun eigendom en jullie zullen hen nooit meer van hun kinderen beroven. 13 Dit zegt God, de HEER: Er wordt van jullie gezegd dat je mensen verslindt, dat je de volken die op je leven van hun kinderen berooft. 14 Maar je zult geen mensen meer verslinden en je volken niet langer van hun kinderen beroven-spreekt God, de HEER. 15 Ik zal zorgen dat je de vernederingen van de andere volken niet meer hoeft te verduren en hun spot niet meer hoeft te horen. Je zult je volken niet langer te gronde richten-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

Kale bergen, verwoeste steden, drooggevallen rivieren en beken, verwilderde akkers, dat is het beeld waar de ballingen in Babel aan moeten denken als ze aan hun land van herkomst denken. Het is een chaos, een puinhoop waar je maar liever niet aan moet denken, dat kan nooit meer goed komen. Maar de profeet heeft een andere boodschap, de God van Israël is een God die van chaos weer mensenland maakt. Van de chaos die er in de oertijd was, toen de geest van God over de wateren zweefde, had hij de aarde geschapen. Licht was er in de duisternis, scheiding tussen water en land, scheiding tussen dag en nacht. Er was groen op de aarde gekomen, dieren waren er en mensen. Mensen die de heerschappij over de dieren hadden gekregen.

Zo zullen de bergen van Israël weer tot woning voor mensen kunnen dienen. Er zullen weer paden zijn, er zullen weer akkers zijn, er zullen weer beken vloeien en steden kunnen weer gebouwd worden. Het is niet alleen een droom, maar het is het vaste vertrouwen van de profeet dat het zal gebeuren. Die bergen en heuvels hadden een slechte naam gekregen. Daar woonden rovers en plunderaars, verkrachters van vrouwen en berovers van onschuldige reizigers. Zo blijft de wereld niet in elkaar zitten volgens de profeet. Als we samen de God van Israël navolgen, zijn aanwijzingen volgen, de aanwijzingen die hij al in de Woestijn aan het volk had gegeven dan zal de aarde veranderen, dan komen we te wonen in een land van vrede en recht, een land dat overvloeit van melk en honing.

Het zijn de volken rondom die Israël hadden bespot. Die sprookjes hadden verteld over hun godsdienst. De afgodendiensten die ze hadden overgenomen van juist diezelfde volken. Maar het volgen van de godsdienst van de God van Israël zal duidelijk maken dat die afgodendienst inderdaad berust op sprookjes, op verzinsels, leeg en onnut is. De dienst van de God van Israël berust immers op de liefde voor de mensen, op het “heb uw naaste lief als uzelf”. Die dienst berust niet op de natuurwetten, op de economische wetten van streven naar rijkdom en maximalisatie van de winst, desnoods door bedrog en diefstal. Delen met de armsten staat voorop, samen doen met arbeiders, slaven, familie, vreemdelingen, armen. Dat is een boodschap die doorklinkt tot in onze dagen, want ook wij kunnen die Weg gaan bewandelen, elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

 

Verlaten steden

Ezechiël 35:1-15

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik naar het Seïrgebergte en profeteer ertegen. 3 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Seïrgebergte, ik zal mijn hand tegen je opheffen en een verlaten woestenij van je maken. 4 Je steden verander ik in ruïnes, ik maak een woestenij van je, en je zult weten dat ik de HEER ben. 5  Je hebt de Israëlieten altijd gehaat, je hebt ze uitgeleverd aan het zwaard toen het onheil hen trof, toen er met hen werd afgerekend. 6 Daarom, zo waar ik leef-spreekt God, de HEER: Ik zal je bloed doen vloeien en bloed zal je achtervolgen; bloed zal je achtervolgen vanwege je bloedige haat. 7 Ik maak van het Seïrgebergte een verlaten woestenij waar niemand meer doorheen zal trekken. 8 Je berghellingen zullen bezaaid zijn met doden en gewonden; op je heuvels, in je dalen en in al je rivierbeddingen zullen de lijken liggen van hen die door het zwaard zijn geveld. 9 Ik maak van jou voor altijd een woestenij met verlaten steden, en je zult weten dat ik de HEER ben. 10 Je hebt gezegd: ‘Die twee volken en die twee landen zijn van mij, ik zal ze in bezit nemen, al heeft de HEER er gewoond.’ 11 Daarom, zo waar ik leef-spreekt God, de HEER: Ik zal de woede, de afgunst en de haat waarmee jij hen belaagd hebt vergelden, en door jou te straffen, zal ik mij aan hen openbaren. 12 Jij zult weten dat ik de HEER ben! Al je beledigingen heb ik gehoord, alles wat je hebt gezegd over de bergen van Israël-dat ze verwoest waren, dat jij ze kon plunderen. 13 Ook tegen mij heb je op hoge toon gesproken, ook mij heb je uitgedaagd, ik heb het gehoord. 14 Dit zegt God, de HEER: De hele aarde zal zich verheugen als ik van jou een woestenij maak, 15 zoals jij je verheugde toen het land van het volk van Israël verwoest werd. Jou, Seïrgebergte, zal ik hetzelfde aandoen: een woestenij zul je zijn, jij en de rest van Edom: ze zullen weten dat ik de HEER ben.” (NBV)

Een vrolijk stuk lezen we vandaag uit het boek van de profeet Ezechiël. De vervloeking van het volk uit het Seïrgebergte. Dat volk waren de Edomieten, de afstammelingen van Esau, een broedervolk van de afstammelingen van Jacob dus. Wie dit hoofdstuk oppervlakkig leest zal denken dat de God van Israël een bloeddorstig en wraakzuchtig God is. Het gaat toch niet aan om heel zo’n buurvolk uit te roeien zoals hier wordt beloofd? Een heel hoofdstuk lang schelden op een volk dat naast je woont en beloven dat je ze zal aanpakken en uitroeien. In onze dagen komt daar alleen oorlog van, het is de houding waar de veiligheidsraad van de Verenigde Naties gaat ingrijpen. Het is een primitieve bloeddorstige en wraakzuchtige houding die wij de wereld uit willen hebben. Maar als je zo leest dan lees je toch verkeerd. Er zijn overigens ook mensen die zo het heilige boek van de Islam lezen, ze lezen net zo verkeerd.

Want je leest voorbij aan de reden van de woede van de God van Israël. Die woede is gelegen in de haat van Edom tegen Israël. Edom heeft geen gelegenheid voorbij laten gaan om Israël een hak te zetten. We lezen het bij Jesaja en bij de profeet Obadja, ze hadden met Babel samengespannen. Ze hadden Babel aangezet om Jeruzalem met de grond gelijk te maken. Ze hadden vluchtelingen uit Juda gevangen genomen en overgeleverd aan de vijand uit Babel. De ballingen in Babel zullen met instemming de rede van Ezechiël hebben aangehoord. Zo moet je spreken tegen die ellendelingen daar uit het gebergte van Seïr. Tot het tot ze doordrong dat de God van Israël een houding vraagt die precies tegengesteld is aan de houding van het volk van Edom. In de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving, die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard, staat, in het boek Deuteronomium, dat je het volk van Edom niet mag haten en mensen uit Edom moet ontvangen als gasten.

Dit stuk uit de Bijbel, dat op het eerste gezicht zo bloederig en wraakzuchtig overkomt, roept ons op het tegendeel te gaan doen. Willen wij niet hetzelfde lot ondergaan als hier aan het volk van Edom wordt aangezegd dan moeten we dus willen delen met de armsten. Dan moeten we dus de vreemdelingen onder ons willen opnemen en behandelen alsof ze bij ons horen, dan moeten we maaltijd met ze willen houden. Het gaat christenen en christelijke partijen niet aan om vreemdelingen het land uit te schoppen, om kinderen die hier zijn opgegroeid uit ons midden te verwijderen, om gezinnen uit elkaar te rukken omdat een vader in een ver verleden mischien wel eens wat verkeerd zou kunnen hebben gedaan in een samenleving die verkeerd in elkaar zat. Als we goed luisteren naar dit hoofdstuk uit Ezechiël dan worden we gastvrij en vergevingsgezind. Het is maar goed dat de genade van de God van Israël ons in de gelegenheid stelt daar elke dag opnieuw mee te beginnen, elke morgen weer, ook vandaag.