In de poort

Ezechiël 40:1-16

Op de tiende dag van de maand, aan het begin van het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, het veertiende jaar na de val van de stad, op precies die dag werd ik door de hand van de HEER gegrepen en weggevoerd. 2 In een godd1 elijk visioen bracht hij mij naar Israël en zette hij me neer op een heel hoge berg. Aan de zuidkant was iets gebouwd dat op een stad leek.3 Hij bracht me erheen. In de poort stond een man die eruitzag alsof hij van brons was. Deze man had een linnen koord en een meetstok in zijn hand. 4 Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nauwkeurig toe, luister aandachtig en let goed op bij alles wat ik je zal laten zien. Want je bent hierheen gebracht om dit te zien te krijgen. Alles wat je ziet moet je aan de Israëlieten vertellen.’ 5 Er was daar een buitenmuur die helemaal om de tempel heen liep. De meetstok die de man bij zich had was 6 el lang, met per el een handbreedte extra. Hij mat de muur op: die was 1 stok breed en 1 stok hoog. 6 De man ging naar de oostpoort, liep de trappen op en mat de drempel van de poort: 1 stok breed. Ook de andere drempel was 1 stok breed. 7 Alle wachtvertrekken waren 1 stok diep en 1 stok breed en ze bevonden zich 5 el van elkaar. Ook de drempel naar de voorhal aan de tempelkant was 1 stok breed. 8 Hij mat de voorhal van de poort aan de tempelkant: 1 stok. 9 Hij mat de voorhal van de poort: 8 el, en de muurpijlers ervan waren 2 el; de voorhal van de poort lag aan de tempelkant. 10 In deze oostpoort bevonden zich aan weerskanten drie wachtvertrekken, alle van gelijke grootte. Ook de muurpijlers aan weerskanten waren even groot. 11 Hij mat de breedte van de opening van de poort: 10 el; de poort was in totaal 13 el breed. 12 Voor elk wachtvertrek bevond zich een afscheiding van 1 el, en ook aan de andere kant waren er afscheidingen van 1 el. De wachtvertrekken aan weerskanten maten 6 el. 13 Toen mat hij de poort, vanaf de dakhoek van een wachtvertrek tot aan de dakhoek van het tegenoverliggende wachtvertrek: 25 el breed. De toegangen tot de wachtvertrekken lagen tegenover elkaar. 14 Hij mat de muurpijlers: 60 el. De voorhof sloot aan op de muurpijlers van de poort. 15 De afstand van de buitenste toegang tot de voorhal aan de binnenkant van de poort bedroeg 50 el. 16 In de wachtvertrekken en op hun muurpijlers, binnen in de poort, waren overal tralievensters aangebracht. Ditzelfde gold ook voor de voorhallen: vensters rondom aan de binnenkant. En alle muurpijlers waren voorzien van palmetten. (NBV)

Vandaag beginnen we met het lezen van een bijzonder gedeelte uit het boek van de profeet Ezechiël. We moeten daarbij een paar dingen bedenken. Een profeet is geen toekomstvoorspeller. De Bijbel gebruikt historische gebeurtenissen soms om ons een boodschap te bezorgen. De val van Jeruzalem gebeurde toen Ezechiël al in ballingschap was. In de eerdere hoofdstukken van dit boek hebben we gelezen dat het bericht van de val van Jeruzalem een zeer emotionele uitwerking op Ezechiël had. De val van de stad van God en de verwoesting van de Tempel waren toch niet het definitieve einde van de God van Israël? Het had Ezechiël er toe gebracht zijn volk op te roepen zich opnieuw bezig te houden met de leer, de onderwijzing van Mozes, zich te onderwerpen aan de richtlijnen die de God van Israël aan zijn mensen had gegeven en niet als dode botjes in het dal van de ballingschap te blijven liggen.

Het is daarom niet zo raar dat bij de herdenking van de ballingschap en de val van Jeruzalem Ezechiël weer wordt overmand door een visioen. Zijn overtuiging dat de verwoesting van de stad en de ballingschap niet het einde van de God van Israël zou betekenen brengt hem in een visioen weer naar Israël, naar een berg waar je kennelijk een goed uitzicht had op Jeruzalem en een nieuwe Tempel. Die Tempel moet Ezechiël zijn volk voorhouden. In de boeken Ezra en Nehemia kunnen we lezen hoe de teruggekeerde ballingen de Tempel in Jeruzalem weer opbouwden. In de dagen van Jezus van Nazareth was er de Tempel van Herodes, die had de bestaande Tempel nog veel mooier gemaakt. Maar over die Tempel heeft Ezechiël het niet. Ezechiël vertelt zijn volk iets over de betekenis van de Tempel. Dat was een huis voor God. Dat was niet een bouwval en daar was niet een willekeurig huis voor uitgezocht. Nee de Tempel van de God van Israël was een speciaal gebouw. Het was gebouwd volgens de richtlijnen van God zelf.

Uit een gestalte van brons straalt het licht van God zelf. Ezechiël is de profeet van het zien, van het horen, dat wat hij ziet en dat wat hij hoort moet hij doorgeven aan zijn volk, hij is met recht een ziener. En hij ziet een Tempel die gericht is op het Oosten, georiënteerd zouden wij zeggen op de plaats waar de zon opkomt, de plaats waar het duister verdrongen wordt door het licht. De Tempel wordt gebouwd volgens vaste maten, een vast plan. De God van Israël is niet een God die willekeurig is, nee die God heeft heldere richtlijnen en een helder plan met de wereld. Zelfs de luxe versieringen als de kapitelen, hier paletten genoemd, zijn vooraf door God vastgesteld. Wat moeten wij nu met dit verhaal uit een ver verleden. Het eerste dat opvalt is de wetenschappelijke manier waarop het herstel van het vrije volk van God gaat plaatsvinden. Ook wij geloven dat de wetenschap ons van de ramp van corona zal kunnen bevrijden. Het ziet er niet altijd uit, we zijn nog steeds in de greep van het virus, maar wij mogen er op vertrouwen dat we er uit kunnen komen. De door God gegeven wetenschap zal ons daarbij kunnen helpen, elke dag opnieuw.

Wees op uw hoede voor de afgoden.

1 Johannes 5:13-21

13 Dit alles schrijf ik u omdat u moet weten dat u eeuwig leven hebt, u die gelooft in de naam van de Zoon van God. 14 Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat hij naar ons luistert als we hem iets vragen dat in overeenstemming is met zijn wil. 15 En omdat we weten dat hij naar ons luistert, wat we hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we hem gevraagd hebben. 16 Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of voor haar bidden en zo de zondaar het leven geven. Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt. Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet. 17 Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood. 18 We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft. 19 We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem die het kwaad zelf is. 20 We weten ook dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht heeft gegeven om de Waarachtige te kennen. En wij zijn in de Waarachtige, omdat we in zijn Zoon Jezus Christus zijn. Hij is de ware God, hij is het eeuwige leven. 21 Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden. (NBV)

Met deze wens besluit Johannes zijn brief. En dat niet nadat hij de ontvangers van de brief heeft verzekerd dat ze zonder zonde zijn, gelovigen in Jezus van Nazareth zijn ze immers. Toch is die waarschuwing tegen die afgoden niet zo maar gegeven. Johannes maakt onderscheid tussen twee soorten zonde, de zonde die tot de dood leidt en de zonde die niet tot de dood leidt. Wie iemand doodt, laat verhongeren of laat creperen is zo ver heen dat je niet hoeft te proberen daar nog een ander mens van te maken. Maar als iemand alleen maar ondoordacht een fout maakt, een naaste niet ziet, toch meer voor zichzelf zorgt als voor een ander, dan kun je die iemand daar nog op aanspreken en proberen daar nog ander gedrag te bewerkstelligen. De liefde voor de naaste is de maat van alle dingen. We kennen dat ook in het landsbestuur op dit moment. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Belastingontwijking, verrijking ten koste van welzijn het zijn begrippen die in rijkere kringen normaal zijn. Dus worden ook de armen verdacht de samenleving te willen oplichten. Dus worden mensen voor wie de samenleving ingewikkeld is als fraudeur aangemerkt. Het meest duidelijk is dat in toeslagenaffaire.

Terwijl de rijken dus rijker worden, de exorbitante zelfverrijking in het bedrijfsleven doorgaat, de winsten tegen de plinten klotsen, de regels voor inkomens in de publieke sector niet verder gaann dan vragen om openbarheid, groeiden de voedselbanken. Daar zijn soms wachtlijsten. Er is zo veel geleend dat de kredietbanken de aanvragen voor schuldsaneringen niet meer aan kunnen. Deurwaarderskantoren zijn tegenwoordig commerciële bedrijven die geld verdienen als eerste taak hebben. Meewerken aan schuldsaneringen is voor een aantal van die kantoren niet meer aan de orde. De branchevereniging die het interne tuchtrecht moet aanjagen kent ze niet of verdedigt ze en als er per ongeluk wat teveel beslag wordt gelegd bij mensen in nood is dat jammer, terugbetalen is er niet bij. De goden gekleed in maatpakken en couture pakjes worden vereerd als nooit tevoren. Wie zorg heeft voor de armen, voor de zieken, voor de weduwen en de wezen, voor de ouderen, voor de jongeren met weinig kansen, voor de vreemdelingen in ons midden, wordt doodgezwegen.

Abraham Kuyper, staatsman en theoloog, schreef eens over de verhouding met de overheid dat daar de vreze des Heeren de hoogste wijsheid moest zijn. Dat is taal uit de negentiende eeuw voor hetzelfde wat Johannes zegt. Je moet beginnen bij God en eindigen bij God en dat is hetzelfde als je naaste liefhebben als jezelf. Ook de overheidspolitiek moet dus als resultaat hebben dat het verschil tussen arm en rijk kleiner wordt, dat de vreemdelingen mee kunnen doen en de weduwen en de wees weer een reden van bestaan hebben. Dat is pas wijsheid, die bij ons nog gevonden moet worden. We moeten dus niet zwijgen nu er een nieuwe regering in de maak is maar spreken. Niet over bestuurscultuur en zo maar over de positie van de minsten, dat is ook de boodschap van de kerk als hert goed is. Wees dus op Uw hoede voor de afgoden, winst en profijt zijn zeer verleidelijk maar ook dodelijk.

Uit God geboren

1 Johannes 5:1-12

1 Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit hem geboren zijn. 2 Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven. 3 Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden. Zijn geboden zijn geen zware last, 4 want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof. 5 Wie anders kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? 6 Hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed-niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is. 7 Er zijn dus drie getuigen: 8 de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend. 9 Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 10 Wie in de Zoon van God gelooft, draagt het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 11 Dit getuigenis luidt: God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon. 12 Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. (NBV)

Denk nu niet dat het leven daardoor gemakkelijk wordt. Wie gelooft heeft door het geloof de wereld overwonnen staat er. Dat betekent niet dat gelovigen nu de baas van de wereld zijn geworden. Er zijn er die zich zo gedragen maar die noemen zich gelovig maar zijn het niet. Nee als je werkelijk gelooft dan heb je geen behoefte meer aan de manieren die in de wereld gewoon zijn. Dan is er geen streven meer om de baas over mensen te worden, om op te vallen als de beste, de rijkste, de mooiste. Dan geldt alleen nog het lot van broeders en zusters, het lot van de minsten op aarde. Dan is er alleen nog de vraag of de hongerigen gevoed zijn, de gevangenen bezocht, de naakten gekleed en de bedroefden getroost. Dan rust je niet voor er eerlijke handelsverhoudingen zijn waardoor mensen een eerlijke beloning krijgen voor het werk dat ze verrichten.

Dat allemaal te doen is geen zware last. Dat zijn namelijk geen wetten in de zin van de strafwet die wij kennen maar het zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving en die wil iedereen wel. Wie zich bekommert om de naaste, wie de naaste liefheeft als zichzelf weet dat daaraan een enorme vreugde te ontlenen is. Mensen die in de voedselbanken werken weten dat de voedselbanken schandvlekken zijn op onze rijke samenleving, tekenen dat mensen wel willen delen maar dat de samenleving als geheel niet op delen is ingericht. Maar diezelfde mensen zien de vreugde van mensen die in tijden geen warme maaltijd konden eten, die hun kinderen geen brood mee naar school konden geven of met een goed ontbijt van huis konden laten gaan. Die vreugde geeft een warmte en blijdschap die onbeschrijfelijk is. De mensen die zich op die manier met de geboden van God bezig houden voelen zich bevrijd van de wereld. De druk om te presteren om meer en meer te presteren is verdwenen. Die bevrijding kon alleen omdat Jezus van Nazareth, de bevrijder, de Christus in het Grieks, kon worden nagevolgd.

Die Jezus Bevrijder, Jezus Christus, was een mens, net als alle mensen geboren in water en bloed. Daarom kan hij worden nagevolgd. Als je in zijn Geest werkt dan weet je dat het waar is, op die manier zeggen we dat zijn Geest er van getuigt. De briefschrijver noemt drie getuigen. Welke getuigen bedoeld worden weten we niet precies. Er zijn verschillende handschriften van deze brief die verschillende getuigen noemen op dezelfde plaats. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest voor “de Geest, het water en het bloed”, maar er zijn ook handschriften die noemen “de Vader, het Woord of de Zoon, en de Geest” en die drie zijn één staat er dan. Omdat Jezus van Nazareth het gebod van God volgde, omdat hij mens was die gevolgd kan worden, omdat in zijn Geest gewerkt kan worden is het goddelijk om dat gebod te doen. Je naaste liefhebben als jezelf, hoe je het ook zegt, het is te doen, het is heerlijk om te doen.

Niemand heeft God ooit gezien.

1 Johannes 4:11-21

11 Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben. 12 Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden. 13 Dat wij in hem blijven en hij in ons, weten we doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest. 14 En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld. 15 Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. 16 Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.17 Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus. 18 De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden. 19 Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad. 20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief, ‘maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft. 21 We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander liefhebben. (NBV)

Dat is één van de eerste vragen die je tegenwoordig krijgt als je zegt dat je in God gelooft. “Heb je God dan ooit gezien?” Het geeft wel aan dat in onze samenleving de oude gewoonte om afbeeldingen te maken van de God waarin je gelooft niet meer bestaat. Want men vraagt niet meer hoe jouw God er dan wel uit mag zien. Niemand heeft dus God ooit gezien maar als we elkaar liefhebben dan ervaren we God meer dan ooit tevoren. God in ons, wij in God, het zijn abstracte begrippen voor iets dat voor gelovigen een zeer concrete werkelijkheid is geworden. Dat komt omdat we door lief te hebben delen in de Geest van God. Wie werkelijk liefheeft is voortdurend bedacht op de naaste die men liefheeft. Voortdurend wordt de vraag gesteld of wel voldoende gedeeld wordt, of wel voldoende lief gehad wordt. Zelfs al zou dat leiden tot de dood dan nog staat die liefde voor de naaste voorop.

Dat het kan hebben we te danken aan Jezus van Nazareth die de liefde voor de naaste doorleefde door de dood heen. Zijn liefde bleef ondanks zijn kruisiging een levende werkelijkheid. De appel valt niet ver van de boom kun je bij Jezus van Nazareth zeker zeggen want zoals we de liefde van God ervaren in onze liefde voor de naaste zo moet Jezus van Nazareth wel de zoon van God zijn als hij met zijn liefde zelfs de dood kon overwinnen. Nu moeten we bij het lezen van deze Bijbelpassage wel bedenken dat alle mensen onze broeders of zusters zijn. De opmerking dat wie zijn broeder of zuster haat een leugenaar is als die zegt God lief te hebben geldt niet alleen voor mensen die ruzie maken in de eigen kerkgemeenschap of familie. Nee het geldt echt voor iedereen die een ander haat. Vergeet nooit dat Jezus van Nazareth aan het kruis vergeving vroeg voor hen die hem veroordeelden en voor hen die hem aan het kruis sloegen.

Wat iemand ook een ander aangedaan heeft, of ons heeft aangedaan, we kunnen altijd blijven proberen die ander op een andere weg te brengen, de weg van de liefde. Wie God liefheeft moet ook de ander liefhebben. Zelf het goede voorbeeld geven en de ander onvoorwaardelijk liefhebben is het begin. Dat betekent niet dat je alles maar goed vindt van een ander. Wie houdt van de inwoners van Israël zal tegen hen zeggen dat vrede maken meer veiligheid geeft dan oorlog voeren en wie houdt van de Palestijnen zal tegen hen zeggen dat ze een weg moeten voeren om samen te leven met Israël en dat die weg hen eerder een staat en welvaart oplevert dan de weg van het schieten van raketten en het plegen van zelfmoordaanslagen. Wie de ander liefheeft houdt zichzelf en de ander een spiegel voor, de spiegel van God die ons gebiedt de ander lief te hebben als onszelf.

Er zijn veel valse profeten

1 Johannes 4:1-10

1 Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen. 2 De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. 3 Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen-nu al is hij in de wereld. 4 U, kinderen, komt uit God voort en u hebt de valse profeten overwonnen, want hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst. 5 Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen. 6 Wij komen uit God voort. Wie God kent luistert naar ons. Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons. Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen. 7 Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. 9 En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven. 10 Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. (NBV)

In de vroege kerk is er heel lang gestreden rond de vraag of Jezus van Nazareth nu mens was of God. Uiteindelijk hebben de toenmalige kerkleiders besloten dat hij het allebei tegelijk was. Ze hebben dat daarna vastgelegd in de geloofsbelijdenis van Nicea. In sommige oude kerkboekjes zit de tekst daarvan nog achterin bij de zogenaamde belijdenisgeschriften. De vraag of Jezus van Nazareth nu mens of God was is niet onbelangrijk. Als hij mens is kun je hem immers niet aanbidden en als hij God is dan is hij onnavolgbaar. Wel mens is hij in elk geval. Dat schrijft de schrijver van de eerste brief van Johannes tenminste. Wie ontkent dat Jezus van Nazareth echt mens was die gelooft dus niet in God, die spreekt in elk geval niet in de geest van God. Want het gaat er om Jezus van Nazareth na te volgen. Als je in je spreken Jezus van Nazareth ver van de mensen plaatst, jezelf er tussenin, dan behoor je tot de antichrist en antichristenen zijn er genoeg. Die zetten inderdaad zichzelf tussen de mensen en Jezus van Nazareth.

Fraaie gewaden, ingewikkelde zinnen, moeilijke rituelen, roepen dat ze de ware kerk zijn en namens God de genade zullen uitreiken, het zijn allemaal tekenen van de antichrist volgens deze brief. Die valse profeten komen voort uit de wereld, daarom luistert de wereld naar hen. Presidenten en Koningen nodigen die valse profeten graag uit voor staatsbezoeken, of interreligieuze overlegbijeenkomsten om te laten zien hoe vroom ze zijn. Dat die valse profeten ook macht uitoefenen over mensen en liefdeloos anderen veroordelen en discrimineren maakt ze dan even niets uit. Wij mogen gelukkig zelf in de Bijbel lezen en krijgen vandaag te horen dat ieder die liefheeft uit God is geboren. Daar mogen we zelfs homoseksuelen die willen trouwen en hun liefde in het openbaar belijden niet van uitsluiten. Ook zij zijn volgens deze brief kinderen van God. De liefde van God komt niet omdat wij er om gevraagd hebben, maar Jezus van Nazareth kwam omdat de liefde van God dat voor ons nodig vond.

Zonder Jezus van Nazareth is er steeds minder liefde tussen mensen, hebben mensen steeds minder voor elkaar over, zijn mensen zeker niet bereid hun leven voor elkaar in te zetten. Maar dat verhaal over Israël en de Wet van heb je naaste lief als jezelf en het voorbeeld van Jezus van Nazareth die dat door de dood heen volhield maakt dat we elke keer er weer opnieuw mee mogen beginnen. We weten dat we er vaak naast zitten, dat we mensen aan de kant laten staan die we er bij hadden moeten betrekken, dat we er niet in slagen iedereen te eten te geven, gevangenen te bevrijden, zieken te verzorgen, maar elke keer opnieuw als we ons dat realiseren en het anders gaan doen wordt ons dat vergeven en mogen we weer mee op de Weg van Jezus van Nazareth, ook vandaag.

Dienaar van de HEER

Jozua 24:29-33

29 Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. 30  Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 31  Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. 32  De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit. 33  Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen. (NBV)

Vandaag het slot van het boek Jozua.  Israël was de baas geworden in Kanaän, al zou er nog veel strijd moeten worden gevoerd met volken die het vruchtbare land niet wilden delen. Jozua was een eerbiedwaardige oude man geworden. Niet zo oud als Mozes maar toch hoorde hij onmiskenbaar bij de oudsten van Israël. Hij kreeg ook een eretitel “dienaar van de Heer” Dat was de titel waar  in de woestijn Mozes mee was aangeduid, Jozua de zoon van Nun was daar de dienaar, de knecht van Mozes, geweest. Nu was hij tot Mozaïsche hoogte gestegen. Hij had ook een wezenlijk element aan de Tora toegevoegd. In de Tora stond dat elke 50 jaar het volk opnieuw moest beginnen op het land dat God gegeven had. Elke familie die in die 50 jaar het aan haar toegewezen land was kwijtgeraakt zou het dan weer moeten terugkrijgen.

Jozua nu had de leiding genomen bij de verdeling van het land over de families. Nu kon de Tora worden toegepast en kon de samenleving een menselijke samenleving worden. Nooit hoefden generaties lang mensen in armoede te blijven. Altijd weer kregen de armen de kans opnieuw te beginnen. altijd weer werd het volk bevrijd van hebzucht en armoede. De begrafenis van Jozua was dan ook in het stuk land dat aan zijn familie was toegewezen. Je zou verwachten dat het hoorde bij het meest vruchtbare deel van Israël, het liefst nog dicht bij het Heiligdom ook. Niks van waar. De familie van Jozua had een stuk land gekregen in de bergen van Efraïm, het land dat veel later het Noordrijk zou vormen. Ook de hogepriester, Eleazar de zoon van Aäron, die bij de intocht in Israël de zorg had gehad voor de Tabernakel en dus ook voor het doorgeven van het woord van de God van Israël stierf en kreeg een graf in het land van zijn familie, ook hij dus in het bergland. Geen van de notabelen kreeg een plaats die beter was dan die van de anderen.

Maar de belangrijkste begrafenis was wellicht die van Jozef. De zoon van Jacob die met zijn zonen voor een hongersnood naar Egypte was gevlucht. Daar had Jozef het tot onderkoning geschopt en die Jozef had het opzicht gekregen over de voorraden graan die waren aangelegd om in tijden van slechte oogst en dreigende hongersnood het volk van een blijvende welvaart te verzekeren. Het nageslacht van Jacob was uitgegroeid tot een groot en machtig volk. Jozef had bij zijn sterven vele honderden jaren daarvoor bepaald dat zijn gebeente bij het volk zou moeten blijven en ooit begraven zou moeten worden in de grond van zijn vader. Het enige stukje grond dat in het boek Jozua word genoemd dat niet veroverd was maar al eigendom van een familie was is het stuk grond waar het gebeente van Jozef werd begraven. Het was gekocht door Jacob. Gekocht van de zonen van Chamor onder wie Sichem. En bij Sichem was het volk bijeen gekomen en was de Tabernakel opgericht. Alles in dit verhaal herinnert dus aan de beloften van de God van Israël. Die brengt uiteindelijk een samenleving tot stand waarin mensen in vrede en welzijn kunnen leven. Die belofte geldt de hele wereld, ook onze samenleving dus. Wij zullen er aan moeten werken, elke dag opnieuw, maar het zal komen en wij mogen daar aan werken, ook vandaag weer.

Want hij is onze God

Jozua 24:14-28

14  Nu dan, ‘vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 15 Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.’ 16  Hierop antwoordde het volk: ‘Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. 17  Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. 18  De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.’ 19  Jozua antwoordde het volk echter: ‘U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. 20  Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.’ 21  Maar het volk zei opnieuw: ‘Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.’ 22  ‘In dat geval, ‘antwoordde Jozua, ‘bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.’ ‘Ja, dat zijn wij, ‘bevestigde het volk, 23  waarop Jozua zei: ‘Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.’ 24  En het volk beloofde: ‘We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.’ 25  Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, 26  die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. 27  ‘Deze steen, ‘zei hij tegen het volk, ‘is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.’ 28  Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. (NBV)

Vandaag lezen we hoe het volk Israël door Jozua voor de keus wordt gesteld: De God van Israël dienen of achter andere goden aan lopen. Dat is een keus die ook ons wordt voorgelegd. Let wel, het gaat niet om nieuwe regels, we weten best waar de vrede in de wereld vandaan moet komen, elkaar liefhebben zoals we ons zelf liefhebben. Israël heeft schijnbaar een gemakkelijke keuze. Ze kwamen uit de woestijn en hebben de verovering van een land dat overvloeide van melk en honing meegemaakt. Een uiterst vruchtbaar land aan de oevers van de Jordaan, van de woestijn in het Noorden, waar Dan ging wonen tot aan de woestijn in het zuiden waar de stad Berseba lag. Roept Jozua nu van hiep hiep hoera u heeft de goede God gekozen? Niks is minder waar : Jozua waarschuwt het volk dat het niet in staat zal zijn de God van Israël te dienen. Het is die God of de god verlatenheid, het is liefhebben en dus zorgen voor de minsten, zelfs de vreemdelingen, uiteindelijk zelfs je vijanden. In onze dagen moeten we ons dus afvragen hoe we de Jihadisten en de strijders van IS lief kunnen hebben. Daar is geen eenvoudig antwoord op te geven. Dat ze van hun gewelddadige ideologie af moeten is duidelijk. En over hoe we dat zouden kunnen doen is nog door bijna niemand nagedacht.

Maar als we de God van Israël willen dienen, als we er van overtuigd zijn dat geweld niet het laatste woord in deze wereld kan zijn, als we een wereld willen zonder honger, zonder oorlog, zonder armoede, zonder discriminatie dan zullen we aan die wereld moeten werken. Wij geloven immers dat de belofte van de God van Israël werkelijkheid kan worden. Het hele boek Jozua gaat over een volk dat er van getuige is dat de God van Israël zijn beloften nakomt. Niet door op de knieën te gaan liggen en halleluja te roepen. Maar door strijd te leveren voor die betere wereld. Zoals God had bevolen strijd te leveren bij de verovering van Jericho. De bewoners van Jericho hielden zo lang de poorten gesloten en bewapende wachten op de muren dat uiteindelijk de muren en de poorten ineen storten en het volk Israël hun zwijgen kon omzetten in gejuich. Ze moesten daarvoor wel dagenlang om die stad heentrekken, met het risico op uitvallen door de vijand, met het risico dat het volk meer zou verliezen dan winnen. En dat verliezen was ook mogelijkheid. Hebzucht veroorzaakte het eerste verlies. En hebzucht is ook voor ons een grote bedreiging.

Het is Quatar, een oliestaat, die de oorlog van IS tegen Moslims, Christenen, anders gelovigen en ongelovigen financieel steunt. Ze sponsort IS net zo hard als de Fifa met wie ze een wereldkampioenschap voetbal gaat organiseren. Wij hebben nauwe banden met de sponsors van IS. De miljoenen die IS verdient aan de olie komt voor een deel ook uit ons land. Om de keus van Israël te onderstrepen en ze ook in de toekomst er aan te kunnen herinneren richt Jozua een steen op bij de Tabernakel die ze in de woestijn hadden gebouwd om de richtlijnen voor de menselijke samenleving te bewaren. De steen vertelt ze dat ze die richtlijnen nu tot uitvoering moeten brengen. Wij leggen soms ook van die bijzondere stenen in onze straten. Soms staan ze rechtop en herinneren ons aan verschrikkingen uit het verleden, soms roepen ze op niet voor tirannen te zwichten. Soms liggen ze zo in de straat dat je er bijna over struikelt, ze herinneren ons aan de slachtoffers van tirannie. Soms vragen wij zingend onze God de tirannie te verdrijven die onze harten doorwond. Zo lang wij weet blijven houden van de verschrikkingen die mensen elkaar kunnen aan doen zullen we de liefde, zoals we de liefde van God hebben geleerd, er tegenover moeten stellen. Ook tegen IS. Misschien dat een verbond met anders gelovigen, de hand uitsteken naar de minsten, ons kan helpen. Kijk maar om je heen en begin er mee.

Toen riepen ze mij

Jozua 24:1-13

1 Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, 2  sprak hij tot het volk: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. 3  Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon 4  en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 5  Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. 6  Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. 7  Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, 8  tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. 9  Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, 10  maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. 11  Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. 12  Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. 13  Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. (NBV)

In het hart van het land Israël worden alle volken bijeen geroepen door Jozua. Daar stond de Tent van de Ontmoeting en alle notabelen van het volk moesten zich daar opstellen. Daar immers lag het echte hart van Israël, de richtlijnen van de God van Israël zoals die aan en door Mozes waren overdragen. Nog een keer wordt het verhaal van de richtlijnen samengevat. Let wel, de Bijbel is geen geschiedenisboek. Er staan geen jaartallen en machthebbers in die moeten worden herdacht. Het verhaal in de Bijbel gaat over de God van Israël en alles wat die heeft laten zien zodat je die God zou kunnen vertrouwen en de richtlijnen van juist die God zou durven houden. Dat is ook de manier waarop Jozua het verhaal samenvat. Het is een boodschap van de Heer, heel dat verhaal. Te beginnen met Terach die met zijn zonen vertrokken was uit het Ur der Chaldeeën naar Haran. Hoe Abraham de roep van de Heer had verstaan om uit zijn familie te gaan naar een onbekend land maar een land dat zou overvloeien van melk en honing zodat Abraham de vader van vele volken zou kunnen worden.

Het verhaal zoals dat door Jozua wordt samengevat is hier en daar zelfs wat anders dan in de boeken van Mozes wordt verteld. Esau kreeg een deel van het land dat aan Abraham werd gegeven maar Jacob trok met zijn zonen naar Egypte, het land van de doden en zijn nakomelingen werden dus slaven. Alsof de keuze van Jacob de verkeerde keuze was geweest. De boeken van Mozes vertellen het verhaal over Jozef, zoon van Jacob, en zijn broers toch iets anders. Van elke zoon van Jacob was één stam de afstamming. Maar van Jozef stamden twee stammen af, Efraïm en Manasse. De God van Israël had het volk bevrijd uit Egypte en door de manier waarop Jozua het verhaal verteld onderstreept hij nog eens dat het goede altijd van die God komt, dat je op die God mag vertrouwen omdat die God nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Die God had het land beloofd aan Abraham en nu kregen de nakomelingen van Abraham van die God dat land in bezit. We lezen vandaag het eerste deel van het laatste hoofdstuk van het boek Jozua. Wie de rest van het boek gelezen heeft zal nu toch even de wenkbrauwen fronsen.

We kennen natuurlijk het verhaal over de verovering van Jericho. Daar trok het volk zes dagen zwijgend om heen om op de zevende dag er zeven maal omheen te trekken, toe de priesters daarna op de ramshoorns bliezen vielen de muren van Jericho ineen. Maar na Jericho had er toch heel hard gevochten moeten worden en waren er echt ook soldaten van Israël gesneuveld. Soms door hebzucht van hun leiders, zoals bij Ai, maar soms ook door de weerstand die de volken van Kanaän hadden geboden. Toch durft Jozua het aan om er op te wijzen dat al die mooie steden die veroverd waren, al het land waarop wijnstokken en andere eetwaren groeiden, de weiden voor de runderen en de schapen door de God van Israël waren gegeven. Het is een boodschap ook aan ons. Hoe hard wij ook gewerkt hebben, hoe slim we ook gehandeld hebben, hoe goed we ook gezorgd hebben, alles is ons toegevallen uit de hand van de God van Israël. Indien we de liefde voor onze naaste verliezen komen we terecht in een wereld vol dood en geweld. Soms lijkt het er op dat we in die wereld terecht zijn gekomen, maar als we de liefde van God tot uitgangpunt van onze samenleving weten te maken dan leven we in een wereld van vrede en welzijn voor iedereen. Elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen.

Luister

Jozua 23:1-16

1-2 De HEER had Israël aan alle grenzen rust gegeven door het volledig van zijn vijanden te verlossen. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël, de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers bijeen. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 3  U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4  Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5  Die zal de HEER, uw God, zelf voor u verdrijven en uitroeien. Dan kunt u hun land in bezit nemen, zoals hij heeft beloofd. 6  Wees daarom zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes. Wijk daar op geen enkele manier van af. 7  Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer. 8  U moet alleen de HEER, uw God, zijn toegedaan, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9  De HEER roeide grote en machtige volken voor u uit, niemand kon tegen u standhouden, tot op de dag van vandaag. 10  Hoe vaak kwam het niet voor dat slechts een van u wel duizend man achtervolgde? Dat kwam doordat het de HEER was, uw God, die voor u streed, zoals hij had beloofd. 11 Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben. 12-13 Weet dat wanneer u zich van hem afwendt en bevriend raakt met die volken die nog bij u overgebleven zijn, wanneer u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, dan zal de HEER, uw God, die volken niet meer voor u uitroeien. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 14  Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u goed beseffen dat de HEER, uw God, geen van de beloften heeft gebroken die hij u heeft gedaan. Hij heeft ze alle gestand gedaan, hij heeft er niet één gebroken. 15-16 Maar zoals hij u de voorspoed heeft geschonken die hij had beloofd, zo zal hij elk mogelijk onheil over u brengen wanneer u de regels van het verbond overtreedt die hij u heeft opgelegd. Wanneer u andere goden gaat dienen en u voor ze neerbuigt, zal hij u wegvagen uit dit goede land dat hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van hem gekregen hebt.’(NBV)

Als we het over de Bijbel hebben denken mensen vaak over preken. Nu wordt er wat afgepreekt in kerken maar in de Bijbel staan overwegend verhalen. Preken kom je in de Bijbel niet zo veel tegen. Vandaag lezen we een uitzondering. Een preek van Jozua. Een preek die nodig was. Toen Mozes afscheid had genomen van het volk had hij een heel boek voorgelezen, het boek Deuteronomium, dat om het volk nog eens op het hart te drukken zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden. Later was daar nog het verhaal over de dood van Mozes aan toegevoegd, voor zover het volk dat had begrepen. Daarmee werd de leer van Mozes afgesloten. Van de schepping van de wereld tot aan de intocht in het land dat overvloeit van melk en honing. Dat was een verhaal waaruit geleerd moest worden. Het is de God van Israël die de aarde had geschapen om aan de mensen te geven, het was die God die richtlijnen had gegeven om de aarde voor mensen bewoonbaar te maken. Het was die God die een volk had gekozen om te laten zien wat die richtlijnen voor vrede, recht en welzijn voor alle volken zouden kunnen betekenen. Maar dat volk had de neiging voortdurend van die richtlijnen af te wijken.

Ook Jozua werd met die neiging tot afwijken geconfronteerd. De verovering van het land Israël had veel strijd gekost. De volken die het vruchtbare land niet hadden willen delen met de arme woestijnzwervers moesten worden verslagen. Ze hadden zich achter hoge muren verscholen om de vreemdelingen buiten te houden. Ze hadden bondgenootschappen gesloten om de vreemdelingen buiten de deur te houden. Vergeefs. Het volk Israël had wel willen delen. Het volk Israël was niet hebzuchtig geweest. Niet de beste soldaten kregen de buit die was veroverd, maar het werd eerlijk verdeeld over het volk. Nu Jozua oud geworden was liep de strijd nog lang niet ten einde. Er waren nog volken die tot delen bewogen moesten worden. Jozua was er vast van overtuigd dat het zou lukken, God had het land beloofd en zou zijn belofte waarmaken. Maar dan zou het volk zich aan de richtlijnen moeten houden zoals die door Mozes waren doorgegeven. Dat was niet gemakkelijk. Israël kende geen beeld van hun God. Volgend die leer van Mozes konden ze het beeld van hun God zien in hun medemens, de mens was immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Die vreemde volken hadden prachtige beelden van hun goden. Mooie rituelen ook voor de vruchtbaarheid van hun land. Die weduwen en de wezen waar die richtlijnen van Mozes over gingen waren lang zo mooi niet.

Toen veel en veel later door mensen die de leer van Mozes hadden bestudeerd aan Jezus van Nazareth werd gevraagd wat hij beschouwde als het hart van de leer van Mozes, hoe je die leer in een zin zou kunnen samenvatten citeerde Jezus twee regels uit die leer, heb God lief boven alles en heb uw naaste lief als uzelf. Daar gaat de preek van Jozua dus ook over. In het Hebreeuws hebben Jezus en Jozua overigens dezelfde naam. Christenen geloven net zoals Jozua dat de verovering van het land van melk en honing er toe had geleid dat zichtbaar werd wat de God van Israël wel allemaal niet voor elkaar  kon krijgen, Jezus van Nazareth de leer van Mozes zo heeft vertaald dat iedereen op de hele wereld er aan mee kan doen en de hele wereld dus een mensenland wordt dat overvloeit van melk en honing. Die leer van Mozes is niet eenvoudig, gij zult niet doden staat er in die regels en onze legers en bommenwerpers vechten voortdurend tegen die regel. Heb de vreemdeling lief staat er in die regels en angstige schreeuwers proberen de vreemdelingen weg te zetten als misdadigers. Wanhopige jongeren zien geen andere uitweg dan met geweld zich een plaats in de wereld te verschaffen. Dat is vergeefs. Jozua bleef aandringen om als uitgangspunt voor de samenleving in Israël vast te houden aan de leer van Mozes. Jezus van Nazareth zou oproepen om zelfs je vijanden lief te hebben. Vandaag hebben we het meer dan nodig om die oproep tot ons door te laten dringen

Ik zal ingrijpen

Ezechiël 39:17-29

17 ‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun land woonden, hebben ze dat door hun daden onrein gemaakt; ik zag hoe hun daden even onrein waren als een vrouw die ongesteld is. 18 Dus stortte ik mijn toorn over hen uit, vanwege al het bloed dat ze op het land hadden uitgestort, en vanwege de afgoden waarmee ze het hadden verontreinigd. 19 Ik verdreef hen naar vreemde volken en ze raakten verstrooid in verre landen; ik strafte hen zoals ze verdienden. 20 Bij de volken waar ze kwamen werd mijn heilige naam ontwijd doordat men van hen zei: “Dit is nu het volk van de HEER, uit zijn land is het verbannen.” 21 Het deed mij verdriet dat mijn heilige naam zo door het volk van Israël ontwijd werd, bij alle volken waar het kwam. 22 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal ingrijpen, volk van Israël-niet omwille van jou, maar omwille van mijn heilige naam, die je hebt ontwijd bij de volken waar je gekomen bent! 23 Ik zal mijn grote naam, die door jullie bij die volken is ontwijd, weer aanzien verschaffen. Die volken zullen beseffen dat ik de HEER ben-spreekt God, de HEER. Ik zal ze laten zien dat ik heilig ben; 24 ik leid jullie weg bij die volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. 25 Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. 26 Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. 27 Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. 28 Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. 29 Ik zal jullie redden van alles wat je onrein maakt, ik zal het koren bevelen overvloedig te groeien en nooit meer een hongersnood op jullie afsturen. (NBV)

Ezechiël is bij uitstek de profeet van de hoop. Bijna zou je zeggen dat hij zijn volk dat in ballingschap leeft de hoop als gebod geeft. Want dat volk heeft niet alleen alle strijd met de wereldmachten verloren, de goden die ze na hadden gelopen hadden verloren en ze hadden de God van Israël in de steek gelaten, in de landen waarheen ze als ballingen waren gevoerd had men ze uitgelachen. Die rare God van Israël, die God die wel een Tempel maar geen beeld had, die God was niks waard gebleken en die lui uit Israël die zich opnieuw verdiepten in de leer van Mozes en de verhalen over de God die hun voorouders uit het slavenhuis van Egypte had geleid waren belachelijk.

Die minachting door de overwinnaars van de God van Israël en het volk dat die God had aanbeden brengt volgens Ezechiël die God er toe opnieuw het tot slaven gemaakte volk te bevrijden, nu uit de ballingschap. “Hoe is het mogelijk” zullen de volken zeggen. Het is die God die een verbond had gesloten met dat volk, heb uw naaste lief als uzelf, heb God daarmee lief boven alles en die God zal voor zijn volk zorgen en voor zijn volk zorgen. Daar kan het volk al in de ballingschap mee beginnen. Er ligt een nieuw hart en een nieuwe Geest voor ze klaar waarmee ze voor elkaar kunnen zorgen maar ook voor de mensen met wie ze zijn gaan samenleven. Ze hebben de oude verhalen van Israël weer bijeen gebracht en kunnen de leer van Mozes in de praktijk brengen.

En is alles dan goed op aarde? Ezechiël vertelt ze dat God beloofd heeft nooit meer een hongersnood op hen af te sturen. Hij had hiervoor al verteld over Koning Gog, de Koning van Magog, die met vele bondgenoten een verbond had gesloten die hem tot een wereldleider zou hebben gemaakt. Voor dat soort leiders, voor dat soort volken, zal Israël uiteindelijk bewaard worden. Als ze zich maar houden aan de leer van Mozes. En dat blijkt voor dat volk, en voor ons ook het aller moeilijkste te zijn wat er is. Zorgen voor de minsten, de zwaksten? Elkaar beschermen tegen een virus dat rondwaard? De vreemdelingen behandelen alsof ze tot ons eigen volk horen? Vluchtelingen voor geweld en onderdrukking, voor honger en ellende in ons midden opnemen? We kunnen er vandaag mee beginnen, ook voor ons liggen dat hart en die Geest klaar. Elke dat mogen we er weer mee beginnen, aan de slag dus.