Elkaar liefhebben

1 Johannes 3:11-24

11 Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben 12 en niet moeten doen zoals Kaïn, die voortkwam uit hem die het kwaad zelf is, en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13 Wees niet verbaasd, broeders en zusters, als de wereld u haat. 14 Wij weten dat we van de dood zijn overgegaan naar het leven omdat we elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft blijft in de dood. 15 Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwige leven niet blijvend in zich heeft. 16 Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters. 17 Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden? 18 Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. 19 Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan. 20 En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles. 21 Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons vol vertrouwen tot God wenden 22 en ontvangen we van hem wat we maar vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat hij wil. 23 Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen. 24 Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat hij in ons blijft, weten we door de Geest die hij ons heeft gegeven. (NBV)

Welk begin zal de briefschrijver in de eerste regel bedoeld hebben? Ondanks het feit dat hij over Kaïn begint te schrijven nemen we over het algemeen aan dat hij bedoelt met het begin van het optreden van Jezus van Nazareth. Dat optreden is een verkondiging op zich. Niet alleen in woorden maar vooral ook in daden. En op die daden komt het aan. Niet de daden van Kaïn, die sloeg zijn broer dood. De briefschrijver merkt op dat Kaïn uit het kwaad zelf voortkwam, maar lees het verhaal van Kaïn en Abel nog eens nauwkeurig door, het staat aan het begin van het boek Genesis. Kaïn was een zoon van Adam en Eva wordt verteld, net als zijn broer Abel. Kaïn was jaloers op zijn broer en zijn handelingen kwamen uit die jaloezie voort. Daar komt geen duivel aan te pas, dat is iets dat we onszelf toestaan, jaloers te zijn op hen die het beter hebben of op hen die meer succes hebben dan wij. Daarom hoef je niet verbaasd te zijn als de mensen die succes en winst voorop stellen een geweldige hekel hebben aan mensen die de zorg voor de minsten voorop stellen, als de wereld je dus haat.

Want niet meedoen aan de Idols race, de wedstrijd om de eerste de beste te zijn betekent dat je onverslaanbaar bent geworden in de ogen van hen die dit soort wedstrijden de zin van het leven vinden. Je zal wel uitkijken om je te laten verleiden mee te doen in een wedstrijd om de beste te zijn. Dat heeft geen enkele zin, dat is leeg, dat leidt tot de dood. Je hand uitsteken naar de minsten op aarde, het geluk zien in de ogen van iemand die werkelijk geholpen wordt, dat is pas leven, dat vergeet je ook je hele leven niet. Daar hoef je geen dank je wel voor te horen, daar hoef je niet mee in de krant of op de televisie, dat een ander mens weer verder kan in het leven, weer kan opstaan en de zon weer ziet daar gaat niets boven. Je afsnijden van een ander mens, je broeder of zuster, is die kans vermoorden, is dus bijna die mens zelf vermoorden. Daarom staat er dat wie zijn broeder of zuster haat een moordenaar is.

Daarom was ooit gezegd dat je niet zou moeten doden. Daarom grijpt oorlog en geweld ons zo aan, daar gaan teveel mensen aan dood, want elk mensenleven telt voor ons even zwaar. Daarom schrikken we iedere keer als er een boot omslaat op de Middellandse Zee en vrouwen, kinderen en jonge mannen verdrinken. Daarom is de oorlog in de Gazastrook voor ons ook verkeerd, welke argumenten er ook voor worden gegeven. Wij hebben immers het voorbeeld van Jezus van Nazareth die zich naar het kruis liet leiden als een schaap naar de slachtbank. Hij werd gehaat omdat hij het goede en niets dan het goede zocht, hij liet zich vermoorden omdat hij geloofde dat het verhaal van hem met zijn God het ook door de dood heen zou moeten kunnen uithouden. Daarom kunnen we niet anders dan delen van wat we hebben, en vrede zoeken. Iedere dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kinderen van God

1 Johannes 3:1-10

1 Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld hem niet kent. 2 Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is. 3 Ieder die dit vol vertrouwen van hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is. 4 Ieder die zondigt overtreedt Gods wet, want zondigen is Gods wet overtreden. 5 U weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen; er is in hem geen zonde. 6 Ieder die in hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft hem nooit gezien en kent hem niet. 7 Kinderen, laat niemand u misleiden: wie rechtvaardig leeft is een rechtvaardige, zoals ook Jezus rechtvaardig is, 8 en wie zondigt komt uit de duivel voort, want de duivel heeft vanaf het begin gezondigd. De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen. 9 Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan is te zien wie kinderen van God en wie kinderen van de duivel zijn: wie niet rechtvaardig leeft, komt niet uit God voort. Hetzelfde geldt voor wie zijn broeder of zuster niet liefheeft. (NBV)

Vanuit Perzië kwam bijna tegelijk met het Christendom de leer van Zarathustra op. Die leerde dat er een eeuwige strijd is tussen goed en kwaad en dat je partij moet kiezen in die strijd. Christenen verwerpen eigenlijk die leer. God heeft de macht immers vanaf het begin, de Liefde van God overwint alles maar omdat mensen gelijk aan God willen zijn en alles voor zichzelf willen hebben komt het kwaad in de wereld. Maar als je toch over goed en kwaad als zelfstandige machten zou willen praten, in de filosofie zou dat kunnen, dan leert de briefschrijver van de eerste brief van Johannes ons hier dat Jezus de verpersoonlijking van het goede is die de duivel als verpersoonlijking van het kwade heeft overwonnen. De strijd is dan ook gestreden en wie zegt dat die strijd er nog steeds is komt voort uit de duivel. Wie immers handelt in de Geest van Jezus van Nazareth is bezig de andere mensen lief te hebben als zichzelf en voortdurend oog te hebben voor de minsten in de samenleving.

Rechtvaardig leven noemt de briefschrijver dat. Wie niet rechtvaardig leeft hoort bij de verliezers, komt voort uit de duivel zou je kunnen zeggen. Wie zijn broeder en zuster niet liefheeft hoort bij de verliezers, komt voort uit de duivel. Daaraan kun je dus ook de kinderen van God herkennen. Dat is niet een partij in een strijd die ze gekozen hebben maar een licht dat hen is opgegaan, een liefde die ze hebben leren kennen. Voor hen is het bijvoorbeeld onvoorstelbaar dat homoseksualiteit wordt veroordeelt en dat homoseksuelen minder rechten in een samenleving hebben als zijzelf. Voor hen is het onvoorstelbaar dat je mensen zonder zorg over straat laat zwerven en dat burgerlijke gemeenten een boete krijgen voor medemenselijkheid. Leraren die zich in de plaats van Christus stellen en roepen dat homoseksualiteit veroordeeld moet worden werden eerder al in deze brief van Johannes anti-christenen genoemd.

Dat geldt natuurlijk ook voor iedereen die een ander discrimineert, want jezelf uitnemender of beter achten dan een ander betekent dat je de ander niet liefhebt als jezelf en dus zondigt. In de Geest van Jezus van Nazareth is zoiets onbestaanbaar. Iemand die discrimineert als voortkomende uit de duivel bestempelen klinkt misschien wel heel hard, maar het staat hier wel in de Bijbel. Zo hard moeten we dus in de eerste plaats voor onszelf zijn. Als wij in alle mensen onze broeders en zusters herkennen dan is wat hen wordt aangedaan ook pijnlijk voor ons. Het bestuur van de Protestantse Kerk Nederland schreef dat aan de Christenen in Israël en Palestina. Dat wat mensen wordt aangedaan in de Gazastrook en Israël treft ook ons. De Protestantse Kerk Nederland stapte naar de Europese rechter om zorg te bepleiten voor de zwervende vreemdelingen in ons land. In onze vreedzame westerse samenleving geldt echter tegelijkertijd dat hetgeen homoseksuelen, anders gelovigen en zwervende vreemdelingen wordt aangedaan ook ons treft. Zij zijn onze broeders en zusters en tegen dat wat hen wordt aangedaan hebben wij ons te verzetten. Wij immers willen niet bij de verliezers gaan horen.

Het laatste uur is aangebroken

1 Johannes 2:18-29

18 Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. 19 Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde. 20 U echter bent gezalfd door de Heilige, u allen weet dat. 21 Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. 22 Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de christus is? De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent. 23 Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 24 Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. 25 En dit is wat hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven. 26 Dit wilde ik u schrijven over hen die proberen u te misleiden.27 Wat uzelf betreft: de zalving die u van hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in hem, zoals zijn zalving u geleerd heeft. 28 Blijf dus in hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij zijn komst. 29 U weet dat hij rechtvaardig is, en u moet daarom wel inzien dat ieder die rechtvaardig leeft uit God geboren is.(NBV)

Verrassend, de briefschrijver van de eerste brief van Johannes schrijft aan alle gelovigen dat ze Priester zijn. Ze hebben geen leraren meer nodig. Hoe ouder het Christendom werd hoe meer er mensen bij kwamen die de macht over de gemeenten wilden grijpen. Niet Jezus van Nazareth was de bevrijder, de Christus, maar zijzelf. Zo werden zij anti-christenen, mensen die de Christus opzij schoven en zelf de leiding van de gemeenten op zich wilden nemen. Dat proces was zo hardnekkig dat we het in kerken en gemeenten al lang niet meer merken. We vinden het heel gewoon dat er leraren zijn die de leiding op zich nemen en vertellen wat er wel en niet mag. Paulus spreekt in de Bijbel wel over een gemeente die bekleed is met een koninklijk priesterschap en Johannes schrijft dat we allemaal gezalfd zijn, dus priester zijn, maar buiten de Bijbel in onze kerkelijke werkelijkheid leeft dat niet.

Maar de leiders die Jezus van Nazareth aan de kant schuiven beperken het geloof, het christendom zeggen we tegenwoordig, vaak tot binnen de kerkmuren. Daar moet de overgave aan God plaatsvinden. Die overgave drukt zich uit in de hoeveelheid geld die je op tafel kunt leggen. Als het bedrag groot genoeg is mag je soms een beetje meedelen in de macht. Het blijft staan dat de schrijver van de eerste brief van Johannes dit soort leiders anti-christenen noemt. Iedere gelovige is Priester en leraar. De offers die worden gebracht zijn de offers die ten goede komen aan de minsten onder ons. Dat wat we elkaar leren is hoe onze naaste lief te hebben als ons zelf. We volgen daarbij de Weg van Jezus van Nazareth, daar hebben we niemand bij nodig, niemand staat tussen God en onszelf als we de Weg van Jezus van Nazareth volgen, die leerde ons bidden, die leerde ons dat alle geboden samengevat kunnen worden in het “Hebt God lief boven alles en het tweede daaraan gelijk is heb Uw naaste lief als Uzelf”.

Die richtlijn volgen als de basis van je handelen gaat niet om onszelf, zulke liefde de wereld in brengen betekent dat het eeuwig blijft leven, alleen door die liefde blijft er immers leven in de wereld. Alleen door Jezus van Nazareth zelf zijn we gezalfd. Hij stuurde ons op weg en zijn verhaal, dat door de dood heen ging, houdt ons op die weg en doet ons keer op keer ons naar die weg toekeren. Elke dag opnieuw mogen we daar weer opnieuw mee beginnen, in Christelijke en kerkelijke termen heet dat genade, Dat betekent ook strijd met de anti-christenen. Niet binnen de kerkmuren of in de zalen vindt de godsdienst van Jezus van Nazareth plaats, maar daar waar mensen in nood zijn, daar waar oorlog is, waar honger geleden wordt, waar ziekte heerst, waar mensen gevangen zijn, waar geweld en onderdrukking zijn, daar waar mensen uit nood gaan zwerven op de straten van de rijke landen, daar zijn de mensen van de Weg. Dat betekent leven alsof elk uur onze Messias kan verschijnen, opdat hij ons vindt waar we horen te zijn., ook vandaag weer.

U bent sterk

1 Johannes 2:12-17

12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13 Ik schrijf u, ouderen: u kent hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14 Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen. 15 Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is-zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht-, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid. (NBV)

Dat is mooi, dat we het kwade overwonnen kunnen hebben. Dat is dus niet met je hoofd in de wolken gaan lopen, zo van ons kan niks meer overkomen want wij hebben het kwade overwonnen. Je komt die mensen zo af en toe wel eens tegen. Ze zijn in Jezus en kunnen dus geen kwaad meer doen. Ze zijn eigenlijk zielig, want ze hebben het niet begrepen. In deze brief stond toch ook dat wie zegt geen zonde te hebben juist zondigt. De vraag is dus niet of je in Jezus bent maar of Jezus, of de geest van Jezus van Nazareth in jou is. Hetzelfde geldt ook een beetje voor het houden van de wereld. Als Jezus van Nazareth je handel en wandel bepaalt, als je in zijn geest handelt, dan hou je van de wereld, dan zijn alle mensen je broers en zusters en is elk leven op de wereld je alles waard. Hoe dat zich rijmt met wat er over in deze brief staat? Nou, naadloos, want in onze wereld wordt echt niet van mensen gehouden. Mensen zijn arbeiders, of consumenten, of stemvee, of kannonenvoer, of zwervende profiteurs, of vijand, maar geliefde broeders en zusters zijn ze niet.

Dat elk leven van elk mens in deze wereld alles waard is kun je ook niet direct zeggen. Als er niks aan te verdienen valt dan kunnen ze sterven van de honger, als ze een ander geloof of een andere politieke opvatting hebben dan mag je ze ook doodschieten of oorlog met ze voeren, of elke handel met hen verhinderen. Dat is de manier zoals het in de wereld gaat, de rijken worden rijker en de armen worden armer, wie sterk is telt mee, wie zwak is telt niet. Wat Johannes dus bedoeld is dat wie het wel goed vindt zoals het in de wereld gaat die moet dus eigenlijk niks van God weten. De brief noemt het ook allemaal keurig op: zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht. Sla de krant open, kijk naar de televisie, luister naar een radiostation en je leest, ziet en hoort al die zaken aanprijzen die deze eerste brief van Johannes zo duidelijk verwerpt.

De brief verwerpt dus niet leuke muziek, samen dansen, plezier maken, toneel spelen, een mooie film, wandelen in de natuur of al die andere dingen die in onze samenleving of in onze wereld mensen plezier kunnen geven. Maar al die plezierige en waardevolle zaken moet je kunnen en willen delen met elkaar. Voordat je geniet moet je er eigenlijk ook voor zorgen dat iedereen kan genieten, dat iedereen mee kan doen met onze samenleving. Dat iedereen dus te eten heeft gehad, een dak boven het hoofd heeft, gekleed is, warmte heeft en veiligheid. Die iedereen zijn dus ook de zwervende vreemdelingen die we eigenlijk hier niet willen zien. Als het genieten alleen maar voor jezelf is en ten koste van anderen gaat dan hoort het bij de manier van de wereld en hoort het niet bij de manier waarop mensen willen leven die mee willen gaan op de weg van Jezus van Nazareth. Maar als je het kunt delen, als je samen kunt genieten, dan hoort het er echt wel bij. Laten we dus samen er aan werken dat ook iedereen werkelijk mee kan doen.

Wie de ander liefheeft

1 Johannes 2:1-11

1 Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2 Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld. 3 Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken hem, ‘maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5 In wie zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde ten volle werkelijkheid geworden; hierdoor weten we dat we in hem zijn. 6 Wie zegt in hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden. 7 Geliefde broeders en zusters, ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor maar een oud, dat u vanaf het begin bekend is. Dat oude gebod is de boodschap die u gehoord hebt. 8 Toch is het ook een nieuw gebod, omdat de duisternis wijkt en het ware licht al schijnt, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven. 9 Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis. 10 Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, 11 maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt. (NBV)

Wat moet je nu met dat oude gebod zullen veel mensen vragen. Eeuwenlang hebben mensen geroepen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf maar kijk eens om je heen. Doe je ogen eens open. Er is toch niemand meer die de naaste lief heeft als zichzelf. Er is toch geen volk dat zich daaraan nog houdt? Een volk als Israël valt de Gazastrook binnen omdat de mensen daar niet boos mogen worden dat er een maanden durende blokkade van alles is geweest. Die Israëli hadden toch zeker met liefde moeten reageren op de woede van hun arme naasten? Hoe gaan wij om met mensen die onvoldoende papieren hebben om of aan te tonen dat ze vervolgd zijn of onvoldoende papieren hebben om terug naar hun land te kunnen keren? Hoe kan onze belastingdienst zo rot zijn? Het deel van de brief dat we vandaag lezen laat zien dat de vragen terecht zijn. Als de vragen gesteld worden aan de mensen die hun naasten niet lief hebben. Als je er maar van uit gaat dat dat oude gebod het enige is dat de wereld aan vrede kan helpen, dat het echt gaat om in mensen een welbehagen te hebben.

Natuurlijk zijn er overal in de wereld mensen die dat oude gebod houden. Je hoort ze vaak niet want ze staan er zich niet op voor. Maar in onze steden zijn voedselbanken opgekomen, zijn Fair Trade winkels te vinden. Daar werken vrijwilligers in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, bij burenhulp, voor vreemdelingen met en zonder papieren, in buurthuizen en wijkcentra, bij scoutinggroepen en sportverenigingen. Maar ook bij Amnesty International, Unesco en Unicef en bij allerlei organisaties die werken voor projecten in arme landen. Bijna de helft van de mensen in ons land is op de een of andere manier bezig van onze samenleving een betere samenleving te maken. Dat is wat dat oude gebod ons voorschrijft. En als we daarin af en toe de minsten overslaan, of de grote monden voorrang geven is dat niet goed maar houdt dat ons ook niet af van het einddoel. Juist met het zicht op Jezus van Nazareth, die het oude gebod door de dood heen volhield en zelfs aan het kruis vergeving vroeg voor hen die hem de dood in stuurden, weten we dat we elk moment weer opnieuw mogen beginnen met dat oude gebod en dat dat oude gebod weer een nieuw gebod kan worden zoals Johannes in deze brief schrijft.

De schrijver van de eerste brief van Johannes spreekt over de bemiddelaar, maar het Griekse woord dat hij gebruikt wordt ook gebruikt voor de Heilige Geest, de Geest waarin we ons handelen mogen verrichten, de Geest van liefde. Dus als je zegt het goede te willen maar het kwade doet heb je het nog niet door, loop je nog steeds in het duister zegt de brief. Met oorlog bereik je geen vrede weten we uit de geschiedenis. Zelfs aan het eind van Tweede Wereldoorlog was duidelijk dat economische hulp van rijke landen aan de verwoeste landen in Europa uiteindelijk pas echte blijvende vrede zou brengen. Zo zullen ook wij nu moeten willen delen met de slachtoffers van geweld in de wereld. De bezuinigingen die de regering aan wil brengen op het budget voor ontwikkelingssamenwerking roepen niet voor niets weerstand op. Wij willen niet langer dat mensen dood gaan van honger en armoede. Wij willen niet langer dat mensen gedwongen worden te vluchten om te overleven. Delen en toekomst geven daar gaat het om. Dat brengt pas echte vrede. Maar met dat delen moeten we nog beginnen.

Het leven is verschenen

1 Johannes 1:1-10

1 Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. 2 Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3 Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 4 We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken. 5 Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. 6 Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. 7 Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. 8 Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9 Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10 Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.(NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de eerste brief van Johannes. Door de lengte en hoeveelheid van de brieven van Paulus zijn de andere brieven van het Nieuwe Testament soms een beetje verwaarloosd. Ze zijn het echter niet minder waard om te lezen. Welke Johannes de brieven geschreven heeft, er zijn drie brieven op zijn naam, dat weten we niet precies. In elk geval sluit de inhoud van de brieven en de manier waarop ze geschreven zijn aan bij het Evangelie van Johannes. Vanaf het begin van de kerk wordt aangenomen dat de schrijver dezelfde is geweest die het Evangelie van Johannes heeft geschreven. In het begin van deze eerste brief, het gedeelte dat we vandaag lezen, komen we al een soort conflict tegen dat we ook bij het lezen van het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes tegen kwamen.

De brieven en het evangelie zijn geschreven na honderd jaar na het begin van de jaartelling. Leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazareth waren toen al geruime tijd geleden. Het Christendom had zich over het Romeinse Rijk verspreid en allerlei mensen aangetrokken, rijken, armen, geleerden, slaven, arbeiders, noem maar op. Het is dan ook niet vreemd dat invloeden van andere culturen en godsdiensten binnenslopen in dat vroege christendom. Johannes is de naam die verbonden is met het verzet tegen die intellectuele en culturele invloeden. Daarom begint deze brief met de verzekering dat het Woord van God geen abstracte zaak is waar je vrij over kunt filosoferen maar dat het heeft geleefd en dat mensen het hebben beleefd, gezien en gehoord, ja zelfs aangeraakt. Voor de Rabbijnen waren er twee getuigen nodig om iets waar te verklaren en die moesten dat dan ook met twee zintuigen hebben waargenomen, horen en zien dus in dit geval. Dat Woord was Jezus van Nazareth, de manier waarop hij leefde, de boodschap die hij verkondigde en de manier waarop hij met mensen omging was het Woord van God dat gedaan moet worden.

Zijn sterven was niet het einde maar het begin en daarmee bevrijdde het de mensen aan wie deze brief geschreven werd, ons dus ook, van wat de Bijbel zonde noemt. Iedere keer als we niet leven en werken volgens de weg van Jezus van Nazareth zondigen we. Iedere keer dus als we oorlog en geweld proberen te rechtvaardigen, als we hongerigen laten hongeren, als we vervolgden en verdrukten vervolgd en verdrukt laten, dan zondigen we. Iedere keer dat we zondigen mogen we echter omkeren en opnieuw de weg opgaan van Jezus van Nazareth. Niemand heeft nooit gezondigd, dus zonde hoeft ons niet te benauwen. De mensen om wie het moet gaan moeten ons iedere keer weer in beweging brengen. Joden in Israel, Palestijnen in de Gazastrook, vluchtelingen in Afrika, hongerenden, gevangenen, uitgeprocedeerde asielzoekers in Nederland, kinderen in onze gevangenissen, boeren in de derde wereld. De lijst kan oneindig worden uitgebreid. Maar elke dag dat we proberen de wereld voor hen een beetje meer op de hemel te laten lijken worden ook wij gereinigd van kwaad. Ook vandaag dus maar weer aan het werk.

Heel de aarde

Psalm 100

1 Een psalm voor het dankoffer. Juich de HEER toe, heel de aarde, 2 dien de HEER met vreugde, kom tot hem met jubelzang. 3 Erken het: de HEER is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe, zijn volk zijn wij, de kudde die hij weidt. 4 Kom zijn poorten binnen met een loflied, hef in zijn voorhoven een lofzang aan, breng hem hulde, prijs zijn naam: 5 de HEER is goed, zijn liefde duurt eeuwig, zijn trouw van geslacht op geslacht. (NBV)

Vandaag zingen we een kleine Psalm mee met de Bijbel. Een psalm voor het dankoffer staat er boven. Maar dat dankoffer moet een vergissing zijn. Je zou met enige goede wil “lofoffer” kunnen lezen en dat is bij vroegere vertalingen ook wel gedaan maar ook dat staat er niet. Er staat namelijk in het Hebreeuws niets van “offer” Wel Lof, net als in “God Lof” dat we meestal niet vertalen en waar dan gewoon Halleluja staat. De vertaling “Lofprijzing” komt daarom het meest in aanmerking. De term “dankoffer” wekte gemakkelijk misverstanden. Onze God is niet een “voor wat hoort wat” God. Als ons iets toevalt hoeven we dus niet met een offer dank je wel te zeggen. We brengen God lof en laten zien dat alles wat die God ons geeft door ons gedeeld kan worden en dat we dat niet voor onszelf houden. Wij kennen de term “Lofprijzing” meer in haar Griekse vorm, de ode. Een ode aan God. Gezongen door de mensen die bij de Tempel zijn aangekomen om daar de voorgeschreven offers te brengen. Ze roepen heel de aarde op om God ook te gaan loven met vreugde en jubelzang.

En dat is niet voor niets. Als je de God van Israël als enige Heer van de wereld erkent dan zijn er direct geen andere heren die ruzie maken om die positie. Dan breekt dus de vrede eerst recht uit. En als je alle mensen van de aarde als medebewoners van de aarde en medeonderdanen van die God erkent hoef je onderling ook geen ruzie meer te maken, ook dan breekt de vrede uit. Dan kun je ook samen de poorten van de Tempel binnengaan en in de voorhof van de Tempel een lofzang aanheffen. Want daar immers wordt maaltijd gehouden, met de familie, met de tempeldienaars maar ook met de armen en met de vreemdelingen die in de stad zijn. Niemand wordt daar buitengesloten, geen mens wordt tegen de ander opgezet, niemand is er bang voor elkaar. Dat is de heerschappij van de God van Israël. Dat is de liefde die de God van Israël van alle mensen op aarde vraagt, van ons dus ook. Die liefde duurt voor altijd. Er zijn gelukkig mensen in ons land die dat snappen. Het kwaad van het opzetten van de ene groep tegen de andere heeft diep doorgevreten in onze samenleving. Terwijl mensen van verschillende culturen met elkaar door hun wijk en hun stad opmarcheren om te laten zien hoe vreedzaam mensen van die verschillende culturen met elkaar kunnen omgaan laat een televisieprogramma slachtoffers uit de ene cultuur aan het woord om te vertellen hoe slecht de mensen uit de andere cultuur wel niet zijn.

De laffe angsthazen die voortdurend haat proberen te zaaien tegen de religieuze minderheid waarvoor ze bang denken te moeten zijn roepen uit om eenzijdig de ene cultuur te veroordelen voor het geweld dat in diezelfde stad is uitgebroken. De meerderheid van de mensen van beide culturen zijn echter verstandiger. Zij vaardigen mensen af naar hun burgemeester om maatregelen te bedenken die een einde kunnen maken aan de conflicten en aan het geweld. Geweld trekt echter in onze samenleving de aandacht. Zonder gebruik van geweld lijk je wel geen aandacht te kunnen krijgen. Televisieprogramma’s lijken alleen nog aandacht te hebben voor mensen die problemen veroorzaken of slachtoffer zijn van die problemen. Niemand lijkt meer geïnteresseerd in oplossingen. Alleen mensen die nog de echo kennen van een psalm als die we vandaag gelezen hebben. Daarom hulde aan de mensen die vreedzaam opliepen in hun stad. Laten we ons bij hen aansluiten in het geloof dat de Heer van de wereld ons daarin voorgaat en als teken dat vrede in ons land door bijna iedereen gewild wordt. In de poorten van de stad werd in Israël recht gesproken. Daar werd ook de arme en de vreemdeling recht gedaan, daar kwam iedereen tot zijn of haar recht. Zo zou het ook in onze samenleving kunnen.

Een andere herder

Ezechiël 34:23-30

23  Ik zal een andere herder over ze aanstellen, een die ze well zal weiden: David, mijn dienaar. Hij zal ze weiden, hij zal hun herder zijn. 24  Ik, de HEER, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst. Ik, de HEER, heb gesproken. 25  Ik zal een vredesverbond met ze sluiten, ik zal het land vrij van wilde dieren maken, zodat ze zelfs in de woestijn veilig kunnen wonen en in de bossen onbezorgd kunnen slapen. 26 Ik zal mijn schapen en het land rondom mijn heuvel zegenen, en ik zal de regen op gezette tijden doen neerdalen. Het zal regen zijn die zegen geeft. 27  De bomen zullen vrucht dragen, de akkers zullen een goede opbrengst geven en zij zullen veilig leven in hun land. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben wanneer ik het juk breek waaronder ze gebukt gaan, en ze uit handen van hun onderdrukkers red. 28  Ze zullen niet meer door andere volken worden geplunderd en niet meer worden verslonden door de wilde dieren, ze zullen veilig wonen en niemand zal ze nog opschrikken. 29  Ik zal akkers voor ze aanleggen die geroemd zullen worden, in het hele land zal niemand meer van honger omkomen en ze zullen niet langer door andere volken worden vernederd. 30 Ze zullen beseffen dat ik, de HEER, hun God, bij hen ben en dat zij, het volk van Israël, mijn volk zijn-spreekt God, de HEER.(NBV)

Die rare profeet Ezechiël. Wat heeft hij in dit gedeelte weer te vertellen tegen de ballingen in Babel. Dat de God van Israël ze niet los laat dat weten ze nu wel. Dat de koningen van voor de ballingschap de verkeerde beslissingen genomen hebben is ook wel duidelijk. En dat de afgoderij en het verwaarlozen van de armen, van de weduwen en de wees het hele volk op het verkeerde pad had gebracht is ook wel duidelijk. Ook andere profeten hadden hen daarvoor gewaarschuwd. Ze hadden er niet naar geluisterd en nu zaten ze hier, bij de rivieren van Babylon. Ze hadden hun luiten aan de wilgen gehangen en iedere keer dat ze aan Jeruzalem moesten denken dan huilden ze.

Ze wilden best geloven dat de ellende ooit over zou zijn. Dat ze weer terug zouden keren naar Jeruzalem. Dat in het omringende land weer schapen zouden grazen. Dat ze boomgaarden kunnen aanleggen en dat de bomen weer vrucht zouden dragen. Het was immers het land geweest dat overvloeide van melk en honing. Maar waar komt Ezechiël nu mee aanzetten? Ze krijgen David weer als koning? David de koning naar Gods hart, zoals ze in de verhalen van Samuël hadden kunnen lezen. Maar na David kwam Salomo en daarna splitste het land zich en kwamen er rijen andere koningen waarvan de meesten zeker niet deden wat de God van Israël van het volk wilde.

Ezechiël vertelde ze dat ze een andere bestuurscultuur moesten hebben. Dat gaat niet met de oude koningen. Dat gaat wel met een Koning die echt uit het huis en geslacht van David was. Wij kennen dat ook. In de afgelopen 10 jaar zijn de armen armer geworden en de rijken rijker. Wie afhankelijk was van de overheid om te overleven werd als crimineel behandeld. Velen zagen de problemen die ze hadden alleen maar groter worden. Er toen het land getroffen werd door een ziekte was er nauwelijks geld meer om de gezondheidswerkers, die met gevaar voor eigen leven dag en nacht hun leven in hadden gezet voor de zieken, extra te belonen. Ook voor ons heeft Ezechiël dezelfde boodschap. Ook wij hebben een landsbestuur nodig dat recht en gerechtigheid voorop stelt. Dat de armsten en de minsten weer tot hun recht laat komen. We moeten de komende tijd misschien er wat harder om vragen.

Ik zal rechtspreken

Ezechiël 34:11-22

11 Dit zegt God, de HEER: Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. 12 Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken. 13 Ik zal ze uit alle volken terughalen en uit alle landen bijeenbrengen, ik zal ze naar hun eigen land laten terugkeren. Op de bergen van Israël en bij de waterstromen zal ik ze weiden, overal in het land waar mensen wonen. 14 Ik zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden; op Israëls bergen zullen ze rusten op groen grasland en in een grazige weide. 15 Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten-spreekt God, de HEER. 16 Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken-maar de vette en sterke dieren zal ik doden. Ik zal ze weiden zoals het moet. 17 Wat jullie betreft, mijn schapen, dit zegt God, de HEER: Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken. 18 Is het jullie niet genoeg dat jullie op de beste weide grazen? En dat jullie vertrappen wat er van het gras nog over is? Dat jullie het heldere water opdrinken en de rest met jullie poten troebel maken? 19 Mijn schapen moeten eten van wat jullie hebben vertrapt, en drinken van wat jullie met je poten troebel hebben gemaakt. 20 Daarom-dit zegt God, de HEER over jullie: Ik zal rechtspreken tussen de vette en de magere schapen. 21 Jullie dringen alle zwakke dieren met je flank en schouder weg, jullie stoten ze met je horens om ze te verjagen, 22 en daarom zal ik mijn schapen te hulp komen; ze zullen niet langer worden weggeroofd. Ik zal rechtspreken tussen de schapen. (NBV)

Het zijn nu niet alleen herders die de zorg voor de schapen verwaarlozen maar in dit verhaal van Ezechiël maken de schapen ook onderling ruzie. Je hebt nu eenmaal in elke samenleving sterke en zwakke deelnemers en als er geen herder is die voor beide zorgt dan verdringen de sterken de zwakken. Dat was zo in de dagen van Ezechiël dat is in onze dagen nog niet anders. Zieken, gehandicapten en ouderen kunnen er over meepraten. Zij krijgen geen plaats meer op de arbeidsmarkt ook al kunnen ze best nog het een ander presteren. Misschien niet meer op het niveau van vroeger of op het niveau van anderen maar als je niet meer let op wat ze niet kunnen maar op wat ze wel kunnen zul je versteld staan. Maar ook in onze samenleving wordt er alleen op de sterken gelet.

Dat we ruimte moeten maken ook voor de zwakkeren wordt wel gezegd maar niet in wetgeving vastgelegd, de verantwoording wordt alleen bij de gehandicapten gelegd, de rijken zouden eens lastig gevallen worden met zorg voor de minsten in de samenleving. De zwaksten mogen leven van wat er over is en als het even tegenzit wordt er op de zorg voor hen, op hun inkomen het eerst bezuinigd. Dat de exorbitante zelfverrijkers aan de top van het bedrijfsleven het eerst aangepakt zouden moeten worden is buiten iedere bespreking. Dat je de hypotheekrente aftrek beter kunt matigen voor de allerrijksten dan de uitkeringen voor de allerarmsten te verlagen ligt buiten iedere bespreking. Ezechiël drukt dat zeer plastisch uit. De sterke schapen grazen niet alleen op de beste weide, ze vertrappen het gras dat ze overlaten, drinken het heldere water op en maken de rest troebel met hun poten. De schapen waar God voor kiest, de zwakke schapen, moeten het doen met vertrapt gras en troebel water.

Als de herders hen niet beschermen omdat ook die alleen voor zichzelf bezig zijn dan moet er een nieuwe herder komen. Een koning als David. In het beeld van de Bijbel was dat een koning die recht deed en recht sprak, die opkwam voor dat deel van het volk dat verdrukt was. Een koning die er in slaagde de rovers uit het land te verjagen. De buurvolken die jaar na jaar de oogst van de arme boeren kwamen roven. De inwoners van steden die zelf koninkjes aanstelden en dan het omringende land leeg gingen halen. David was de eerste die orde op zaken stelde, het volk beschermde tegen invallen en iedereen strafte die binnenslands ongestraft dacht te kunnen roven omdat die wapens in bezit had. Een koning als David was wat God had beloofd en die steeds weer zou opstaan om de minsten te beschermen. Wij kiezen tegenwoordig onze regeerders en het wordt misschien tijd het voorbeeld van David te leggen naast de werkelijkheid van onze bestuurders. Hebben wij ook nieuwe herders nodig?

Schapen weiden

Ezechiël 34:1-10

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden? 3 Jullie eten wel van hun kaas, jullie gebruiken hun wol voor je kleren en jullie slachten de vette dieren, maar de schapen weiden, dat doen jullie niet. 4 Zwakke dieren hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht-jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld. 5 Zonder herder raakten ze verstrooid, en werden ze door wilde dieren verslonden. Mijn schapen zijn verstrooid, 6 ze dwalen rond in de bergen en hoog in de heuvels; over heel het aardoppervlak raken ze verstrooid, en er is niemand die naar ze omziet, niemand die naar ze op zoek gaat. 7 Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 8 Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen! 9 Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 10 Dit zegt God, de HEER: Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen; zij zullen ze niet meer mogen weiden. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten! (NBV)

Leiders van godsdienstige gemeenschappen hebben het altijd moeilijk gehad. Ze moeten tegelijk boven de volgelingen staan en hen richting geven, soms dus voor de menigte uit lopen, maar ook dienstbaar aan de volgelingen zijn. In termen van het Nieuwe Testament heet dat herder en leraar zijn. Twee verschillende beroepen in zichzelf verenigingen. De herder geeft leiding, de leraar sluit zich aan bij zijn leerlingen en gaat nooit verder dan zijn leerlingen kunnen komen. De profeet Ezechiël richt zich in het gedeelte dat we vandaag lezen tot de herders. Hij doet dat in een tijd die niet de gemakkelijkste was voor de godsdienstige leiders van Israël. Het volk was in ballingschap en woonde voor het grootste deel in Babel, daar sprak Ezechiël ook de meeste van zijn profetieën. Volgens de profeet zijn de godsdienstige leiders er op uit een luilekker leventje te leiden op kosten van hun volgelingen. Die lopen op allerlei manieren gevaar, die lijden soms honger en gebrek, maar de leiders letten daar verder niet op, als ze zelf maar aan hun trekken komen.

We moeten die kritiek niet te gemakkelijk overplanten op onze eigen tijd. Het zijn natuurlijk waarschuwingen die ook aan de leiders in onze tijd gedaan kunnen worden. Bankdirecteuren die meer op hun bonussen letten dan op de veiligheid van de hen toevertrouwde spaarcenten zouden zomaar door Ezechiël kunnen worden aangesproken. Voorgangers die zich verrijken ten koste van de gemeenteleden hebben we in de gevestigde kerkgenootschappen in ons land niet meer. Die vindt je soms in nieuwe groepen van bevlogen leiders die mooi kunnen praten maar die na een tijd er op uit blijken te zijn in de eerste plaats zichzelf te verheerlijken. Maar heeft de profeet het hier alleen over de leiders? Dat is natuurlijk de vraag. Ooit gaf Jezus van Nazareth de visser Simon Petrus de opdracht zijn schapen te weiden louter omdat die Simon Petrus van Jezus van Nazareth hield. En ook gelovigen uit onze tijd zeggen graag dat ze van Jezus van Nazareth houden, ook zij hebben dus de opdracht zijn schapen te weiden.

En als je schapen weidt dan zorg je dat ze te eten hebben. Nu daaraan ontbreekt het nog veel te vaak. Veel te vaak hebben mensen honger, worden ze van huis en haard verdreven, gaan ze dood aan geweld en onderdrukking. Willen we niet dezelfde verwijten krijgen die Ezechiël aan de leiders uit zijn tijd richt dan moeten we hard aan het werk, er valt nog veel te doen. Wie zich eens wat verdiept in de onrechtvaardige handelsverhoudingen zal snel iets herkennen van het slot van het Bijbelgedeelte van vandaag. De vette schapen die de magere schapen verdringen en daardoor het leven eigenlijk onmogelijk maken. Je komt dan de Europese boeren tegen. Die worden gedwongen tot een overproductie door een eenzijdige subsidie op landbouwproducten. Of die producten nu nodig zijn binnen de Europese Unie of niet doet er kennelijk niet toe. Evenmin overigens als het welzijn van de dieren, het aanzien van het landschap of de aanwezigheid van voeding voor dieren en planten.