Volg steeds de weg

Deuteronomium 5:28–6:3

Toen de HEER hoorde wat u me vroeg, zei hij tegen mij: ‘Ik heb gehoord wat het volk tegen je zei; ze hebben goed gesproken. 29 Hadden ze altijd maar zo’n verlangen om mij te vereren en mijn geboden na te leven; voor eeuwig zou het hun en hun kinderen goed gaan.’ 30 En hij vervolgde: ‘Stuur hen nu maar terug naar hun tenten. 31 Maar jij moet hier blijven, bij mij, dan zal ik jou alle geboden, wetten en regels bekendmaken die je hun moet leren en die zij moeten naleven in het land dat ik hun in bezit zal geven.’ 32 Het is nu aan u om ze in acht te nemen, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen; wijk er op geen enkele manier van af.33 Volg steeds de weg die hij u heeft gewezen, dan zult u in leven blijven en er wel bij varen en lang mogen wonen in het land dat u in bezit krijgt. 1 Dit zijn de geboden, wetten en regels die ik u in opdracht van de HEER, uw God, moet leren en die u moet naleven in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. 2 U moet voor de HEER, uw God, ontzag tonen door u te houden aan zijn wetten en geboden, zoals ik die nu aan u geef; dat geldt voor u, zolang u leeft, en voor uw kinderen en uw kleinkinderen. Dan zult u met een lang leven gezegend worden. 3 Luister dus, Israël, en neem ze nauwlettend in acht. Dan zal het u goed gaan in het land dat overvloeit van melk en honing, en zult u sterk in aantal toenemen, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft toegezegd.(NBV)

Die Tien eerste woorden die op stenen platen waren gegraveerd waren maar een inleiding. Ze symboliseren ook een heel stelsel van richtlijnen die voor dit bevrijde slavenvolk nodig was om door de woestijn te trekken en het beloofde land in te richten. Zo is die hele Tora ook voor ons een belangrijke aanwijzing om onze samenleving eens te kunnen vergelijken. De spelregels die het volk in de Woestijn had gehoord, had ontdekt en had meegekregen, waren ook een bevrijding. Veel later in Babel zouden ze ook stenen ontdekken met Wetten er op voor het volk van Babel. Dat waren hoge zuilen die dicht beschreven waren met voorschriften. Israël had het daar iets gemakkelijker mee. Zij hadden een eenvoudige stel regels die op stenen stonden.

Die stenen hoefden ze niet meer te zien omdat hun priesters ze de regels wel konden vertellen. Want dan kon gelijk verteld worden hoe in de actuele situatie de samenleving zou moeten worden ingericht. Die Wet is niet als een grenspaal die langs de weg de grens van het gedrag markeert, maar die Wet wordt ook hier omschreven als een Weg die God heeft gewezen. Toen voor de geboorte van Jezus van Nazareth de Hebreeuwse Bijbel werd vertaald in het Grieks maakte men de vergissing om het begrip Tora niet met onderwijzing maar met Weg te vertalen. Die onderwijzing leert je de juiste weg te gaan.

Een Weg die leidt naar een ideale samenleving, het land overvloeiende van melk en honing, het land dat je in bezit krijgt. Een weg die een lang leven beloofd, als je goed leest staat er dat je volk een lang leven zal hebben. Liefde is onoverwinnelijk, een volk dat tot het uiterste voor elkaar zorgt en voor elkaar opkomt is niet te regeren. Die blijven uit liefde gewoon doen wat ze altijd al deden. Daarom markeert die Tora uit de Woestijn ook eeuwen later de Weg die we moeten gaan, omdat nog steeds niet voor iedereen op de wereld die samenleving, dat land van belofte, is bereikt. Ook vandaag dus op Weg.

Een geweldig stemgeluid

Deuteronomium 5:22-27

22 De HEER heeft deze woorden-deze, en niet meer-tot u gesproken toen u daar bijeen was. Met een geweldig stemgeluid kondigde hij op de berg zijn geboden af, vanuit vuur en dreigende, donkere wolken, en hij schreef ze op twee stenen platen en gaf die aan mij. 23 Toen u die stem had gehoord vanuit de duisternis, terwijl de berg in vuur en vlam stond, zijn uw stamhoofden en oudsten bij mij gekomen 24 met de woorden: ‘Zojuist heeft de HEER, onze God, ons zijn luister en zijn grootheid laten zien en hebben we zijn stem uit het vuur gehoord. We hebben vandaag ondervonden dat God met mensen spreekt zonder dat het hun het leven hoeft te kosten. 25 Maar moeten we ons leven nu opnieuw op het spel zetten? Dit enorme vuur zal ons levend verbranden! Als we de stem van de HEER, onze God, nogmaals horen, zullen we zeker sterven. 26 Want er is toch geen mens die net als wij de stem van de levende God vanuit het vuur heeft horen spreken en het heeft kunnen navertellen? 27  Kunt u niet gaan om te horen wat de HEER zeggen wil? Als u zijn woorden dan aan ons overbrengt, zullen wij luisteren en ernaar handelen.’ (NBV)

Waarom staan die tien geboden eigenlijk op stenen tafelen? Zijn ze zo hard en onveranderlijk? Of is er een andere reden? Die stenen tafelen hebben altijd een diepe indruk gemaakt. De tien geboden zijn daardoor in de geschiedenis apart komen te staan van de overige geboden. Dat is niet helemaal terecht. Ze zijn een zekere samenvatting en uitwerking van de hoofdregel dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Waarom ze op stenen tafelen terecht zijn gekomen wordt in dit Bijbelgedeelte nog eens uitgelegd. God had ze in de woestijn immers zelf aan het volk meegedeeld. In onweer, vuur en storm hadden die geboden geklonken. Maar het volk was er bang door geworden, bang dat het iets verkeerd zou kunnen hebben begrepen. Dit klonk allemaal zo eenvoudig, terwijl het toch zo goddelijk was dat er meer nodig was dan een stem van de berg.

De oudsten zijn daarop bij Mozes gekomen en hebben gevraagd of hij de tolk van God wilde zijn. De God van Israël kan dan wel direct spreken tot mensen zonder dat mensen hoeven sterven maar angstig blijft het. De Godsdienst van Israël heeft in zijn meest eenvoudige vorm dan ook geen Priesters nodig, ook een Tabernakel was in het begin niet nodig. Het bijzondere begint met een verzoek van het volk zelf aan Mozes om God afstand te laten maken en hem als tolk te laten optreden. En daar komen de stenen platen vandaan. Niemand kan meer om die eenvoudige regels van niet moorden, niet stelen en mensen niet als object beschouwen heen. Er is één God, daar maak je geen beeld van en die gebruik je niet om je eigen zaken te rechtvaardigen. Die God heeft het volk uit de slavernij gered en die afkomst mogen ze nooit vergeten. Ze mogen het mee sjouwen door de woestijn. Bij elke stap die ze zetten gaan die regels met ze mee.

Na de tijd van Jezus van Nazareth zal Paulus schrijven aan zijn gemeente dat hij hoopt dat de Wet niet meer op stenen platen in de Tempel in Jeruzalem geschreven zal staan maar in de harten van de gelovigen. We mogen ons afvragen in hoeverre we ze met ons mee dragen. Het houden van een Sabbat doen we al lang niet meer. De Zondag als dag waarop de Christenen de Sabbat zijn gaan vieren is niet meer een dag waarop alle werk wordt gestaakt, in tegendeel. We hebben onszelf weer slaaf gemaakt van consumeren en produceren. We hebben daarvoor de God van Israël verlaten en zijn de goden van winst en profijt gaan aanbidden. Die goden leggen de nadruk op de eerste die de beste zou zijn. De God van Israël behandelt iedereen gelijk. Zelfs het bezoek van Mozes als vertegenwoordiger van het volk levert weerstand op. Wij hebben gelukkig dat verhaal over de stenen platen nog, en het woord van Jezus dat er geen punt en geen komma moet worden weggelaten uit die richtlijnen.

Evengoed rusten

Deuteronomium 5:6-21

Dit zei de HEER: 6‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. 7 Vereer naast mij geen andere goden. 8  Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 9  Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 10  maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. 11 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. 12 Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 13 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 14  maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. 15 Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden. 16 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden. Dan wordt u gezegend met een lang leven en met voorspoed in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 17 Pleeg geen moord. 18  Pleeg geen overspel. 19  Steel niet. 20 Leg over een ander geen vals getuigenis af. 21 Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ (NBV)

Wetten beperken mensen. Veel mensen in ons land zijn tegen de regels die in onze overheid democratisch zijn afgesproken om onze ingewikkelde samenleving zo eerlijk en rechtvaardig mogelijk in stand te houden. Die regels knellen vaak. Nu knellen ze vaak ook meer voor mensen die alles wel voor zichtzelf willen hebben en alleen voor zichzelf lijken te leven dan voor mensen die bereid zijn alles te delen wat ze bezitten. Maar als je het over wetten en regels hebt dan praat je bijna direct mee over knellen en inperken van menselijke vrijheid. In de Bijbel gaat het ergens anders om. Vlak voor het volk Israël het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing, binnentrekt, herinnert Mozes het volk nog eens aan de regels die ze met hun God hebben afgesproken toen ze in het hart van de woestijn waren. Een deel van het land hadden ze nu veroverd op de Amorieten. Tijd om de laatste stap te zetten, de woestijn uit het vruchtbare land in.

Tijd om je de spelregels, de richtlijnen, voor een goed leven nog eens in herinnering te brengen. Ze staan ook in het boek Exodus maar hier staan ze nog eens op een iets andere manier geformuleerd. Het gaat dus niet om het soort juridisch zorgvuldig bij elkaar gezochte formuleringen waaraan elk gedrag op dezelfde manier getoetst kan worden. Het gaat dus niet om het soort wetten die in dikke wetboeken zijn gevat en waarmee onze rechters zich mee bezig houden. Het gaat om de spelregels voor een goed leven. Het gaat dus om spelregels van bevrijding. Het volk wordt bevrijdt van de last te overleven in de woestijn, het volk werd bevrijdt van de slavernij om met en door deze wetten te kunnen genieten van de vrijheid in het beloofde land. Het begint dan ook met de bevrijding van het volk uit de slavernij in Egypte. En aan die bevrijding zijn geen andere goden te pas gekomen. Alleen de God van Israël trok met de slaven mee door de woestijn nadat hij ze had bevrijdt uit de slavernij.

Alleen de God van Israël zorgde voor de levensleer waarmee het volk de vrijheid kon genieten in het beloofde land. Als je je heil zoekt bij andere goden en goden met je eigen handen denkt te kunnen maken dan oogst je onheil, dan vergaat het je slecht. De gevolgen daarvan zullen ook je kinderen, je kleinkinderen en je achterkleinkinderen ondervinden. De hoofdregels waarmee hier begonnen zijn kun je ook niet lezen los van de rest van de geschiedenis. Want als je het land verliest dat voor jouw familie is bestemd en waardoor je onafhankelijk bent krijgen je nazaten dat land pas na vijftig jaar weer terug zodat de familie weer opnieuw kan beginnen met het land dat God heeft gegeven en dat je bevrijd heeft van de slavernij. Wie in onze dagen het leven heeft ingericht op het houden van je naaste als van jezelf herkent die bevrijding, daarin verdwijnt zelfs de angst voor de dood en wordt je bevrijdt van het slavenbestaan van altijd maar meer en beter. Daarin begint het leven pas, ook vandaag weer.

Het onderricht

Deuteronomium 4:44–5:5

44  Dit is het onderricht dat Mozes de Israëlieten heeft gegeven. 45  Hier volgen de bepalingen, wetten en regels die Mozes ten overstaan van de Israëlieten heeft afgekondigd nadat ze uit Egypte weggetrokken waren. 46  Dat gebeurde aan de overkant van de Jordaan, in het dal tegenover Bet-Peor, in het land dat had toebehoord aan Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde en die evenals koning Og van Basan door Mozes en de Israëlieten op hun tocht uit Egypte verslagen werd, 47  waarbij het hele gebied van deze twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan door hen in bezit werd genomen, 48  vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot aan de Sionberg, ofwel de Hermon, 49Â met de hele vallei aan de oostkant van de Jordaan tot waar de rotskloven van de Pisga in de Dode Zee afdalen. 1  Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe: Luister, Israël, naar de wetten en de regels die ik u vandaag bekendmaak. Maak ze u eigen en leef ze strikt na.2 De HEER, onze God, heeft bij de Horeb een verbond met ons gesloten. 3 Niet met onze voorouders heeft hij dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier nu levend en wel bij elkaar zijn. 4 De HEER heeft zich daar vanuit het vuur rechtstreeks tot u gericht. 5 Ik stond toen tussen hem en u in om zijn woorden aan u door te geven, want u was bang voor het vuur en durfde de berg niet op. (NBV)

We spreken in de Kerk graag over de Wetten van Mozes. Als we de wetten kennen dan weten we wat we verkeerd hebben gedaan. Maar de eerste boeken van de Bijbel zijn geen wetten. Hier, al vrij in het begin van het boek Deuteronomium staat het al duidelijk. Het gaat om een onderricht. Er wordt het volk iets aangeleerd en sinds Jezus van Nazareth mogen wij mee studeren in het onderricht dat de God van Israël heeft gegeven en dat door Mozes een samenhang en een praktische betekenis heeft gekregen. Het is namelijk een onderricht hoe je een menselijke samenleving kunt inrichten. En als we om ons heen kijken dan moeten we daar nog heel erg veel over leren. Wij zetten gezinnen op straat die hierheen gevlucht zijn voor armoede, geweld, onderdrukking, vervolging soms zelfs om hun etnische afkomst of levensovertuiging. Wij nemen deel aan oorlogen waar mensen ook aan sterven door de bommen die we gooien.

Mozes en zijn volk hadden ook moeten vechten om bij dat beloofde land te komen. Ze hadden moeten vechten tegen volken die hen niet wilden laten passeren, zoals de Amorieten en het volk van Basan onder koning Og. Ze waren het volk Israël in de rug aangevallen en hadden het voorzien op de rijkdom die het volk bij de bevrijding uit Egypte had meegenomen. Maar het meest hadden ze nog moeten vechten tegen zichzelf. Het volk dat aan de oever van de Jordaan stond te wachten om het beloofde land binnen te gaan was de tweede generatie. Geen van hen had het meegemaakt dat Mozes het volk uit de slavernij in Egypte had geleid. Als kinderen en jonge mensen hadden ze wel de ontdekking bij de Horeb meegemaakt. Daar was in donder en bliksem, in vuur op de berg, de God verschenen die Mozes naar Egypte had gestuurd om zijn volk te bevrijden. Ze hadden die God als soeverein over hun volk erkent en een bijbehorend verdrag gesloten. De regels van dat verdrag, vroeger noemden we dat een verbond, die moesten nog eens in herinnering gebracht worden, moesten nog eens onderwezen worden voor het beloofde land binnengegaan kon worden.

Dat het opnieuw beleven nodig is komt omdat niemand de slavernij had meegemaakt. Ook Mozes zal het beloofde land niet binnengaan. Ook hij was er niet in geslaagd om in vrede het volk te leiden zoals God hem had opgedragen. In woede had hij op de rotsen geslagen toen het volk weer eens klaagde over een gebrek aan water. Het water hoorde niet te komen door de woede van Mozes maar door de goedgunstigheid van de God van Israël. Het eerste dat we dus leren van zelfs dit gedeelte dat alles wat we hebben, alles wat we kregen, alles wat we nog zullen verdienen, ons is toegevallen uit de hand van een God die ons liefheeft. Als we wat verliezen, zelfs als we geliefden verliezen, dan is het die God die het teruggenomen heeft. Dat verbond heeft die God dan ook niet alleen gesloten met een volk dat heel lang geleden door een verre en dorre woestijn sjouwde maar volgens de Christelijke Bijbel, heeft die God dat verbond gesloten met iedereen op de wereld die wil geloven dat er een einde kan komen aan dood en ellende. Jezus van Nazareth heeft ons dat geleerd. Daarom heet die Christelijke Bijbel het nieuwe Testament. Ten onrechte noemen we die Hebreeuwse Bijbel waar het verhaal van Mozes in staat het Oude Testament, beter was om te spreken van het oorspronkelijke Testament. Daar moeten we ons naar richten, daar staan ook nu de spelregels in waarmee ook wij een menselijke samenleving kunnen inrichten. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, ook vandaag weer.

De mensen gaan aan het werk

Psalm 104:19-35

19 U hebt de maan gemaakt voor de tijden, de zon weet wanneer zij moet ondergaan. 20 Als u het duister spreidt, valt de nacht, en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren. 21 De jonge leeuwen gaan uit op roof, brullend vragen zij God om voedsel. 22 Bij zonsopgang trekken zij zich terug en leggen zich neer in hun legers. 23 De mensen gaan aan het werk en arbeiden door tot de avond. 24 Hoe talrijk zijn uw werken, HEER. Alles hebt u met wijsheid gemaakt, vol van uw schepselen is de aarde. 25 Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt. Daar wemelt het, zonder tal, van dieren, klein en groot. 26 Daar bewegen de schepen zich voort, daar gaat Leviatan, door u gemaakt om ermee te spelen. 27 En allen zien ernaar uit dat u brood geeft, op de juiste tijd. 28 Geeft u het, dan doen zij zich te goed, opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd. 29 Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst, ontneem hun de adem en het is met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof dat zij waren. 30 Zend uw adem en zij worden schapen, zo geeft u de aarde een nieuw gelaat. 31 De luister van de HEER moge eeuwig duren, laat de HEER zich verheugen in zijn werken. 32 Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft, hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit. 33 Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef, een lied voor mijn God zolang ik besta. 34 Moge mijn lofzang de HEER behagen, zoals ik mijn vreugde vind in hem. 35 Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen, onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan. Prijs de HEER, mijn ziel. Halleluja! (NBV)

Dat zou mooi zijn, dat zou heel mooi zijn, als er eens geen boosdoeners meer zouden bestaan op de aarde. Is dat haalbaar? Moeten we daarin nou geloven? Volgens de Psalm is het niet alleen haalbaar maar zal het er uiteindelijk onvermijdelijk op uitdraaien. Maar we moeten er dan niet zozeer in geloven dat het vanzelf wel zal komen, maar we moeten dat geloven zien als een werkwoord, als een opdracht. “De mensen gaan aan het werk en arbeiden door tot de avond.” staat er in deze Psalm. Dat aan het werk gaan en door gaan tot de avond dat is pas geloven. In de Psalm worden de ceders van de Libanon bezongen. Volgens de Bijbel de mooiste bomen van de wereld. Door Salomo in Israel geïmporteerd om te gebruiken bij de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Die bomen moeten grote indruk gemaakt hebben. Zo’n grote indruk dat je één van die bomen vandaag de dag terugvindt in de vlag van Libanon. Vogels zullen er vandaag de dag toch niet snel nesten bouwen, door het oorlogsgeweld zal hen het tjilpen zijn vergaan en de vruchtbaarheid van ooievaars is in Libanon ver te zoeken.

Wat dat betreft zullen de gewone mensen in Libanon zuchten en smeken dat de boosdoeners eindelijk van de aardbodem verdwenen mogen zijn. Lange tijd zijn de strijdende partijen in de regio onder meer uit elkaar gehouden door troepen van de Verenigde Naties, ook Nederlandse militairen hebben daarbij geholpen. Dat heeft lange tijd gewerkt en het lijkt er op dat het nu nodig zou zijn om met troepen de mensen die in de buurlanden van de Libanon geweld tegen andere burgers gebruiken te doen ophouden. We weten wel hoe we mensen moeten helpen, we doen het alleen zo vaak niet. We lijken op de mensen uit het verleden die geloofden dat de maan en de zon goden waren die vrede en voorspoed konden brengen. De Psalm bezingt terecht dat God voor de zon en de maan heeft gezorgd, in de avond als de maan schijnt kunnen we bijeen komen en de zon weet hoe laat zij moet thuiskomen.

In de Nieuwe Bijbelvertaling die wij hier volgen is dat element van samenkomst en thuiskomen wat weggevallen, in de Naardense Bijbel is dat behouden gebleven. Vroeger heette dat gezette tijden bij de maan. We zetten ons dus in voor samenspraak en overleg, voorwaarden voor vrede in de samenleving. In zo’n samenleving hoef je geen angst te hebben, in de nacht niet voor jonge leeuwen, en op zee niet voor een zeemonster als Leviatan. In zo’n samenleving hoef je niet bang te zijn voor honger en stijgende voedselprijzen. Als mensen zoals wij echt voor elkaar willen zorgen, hun naasten liefhebben als zichzelf, is er voldoende om mee te delen en is er voedsel op de hele aarde voor iedereen die het nodig heeft, in overvloed zelfs. Zonder die Geest van God ziet het er donker uit voor de aarde, maar in die Geest zal de aarde zich vernieuwen. Elke dag mogen we daar dus weer opnieuw aan werken, al zingend en God prijzend.

 

Brood winnen uit de aarde

Psalm 104:1-18

Prijs de HEER, mijn ziel. HEER, mijn God, hoe groot bent u. Met glans en glorie bent u bekleed, 2 in een mantel van licht gehuld. U spant de hemel uit als een tentdoek 3 en bouwt op de wateren uw hoge zalen, u maakt van de wolken uw wagen en beweegt u op de vleugels van de wind, 4 u maakt van de winden uw boden, van vlammend vuur uw dienaren. 5 U hebt de aarde op pijlers vastgezet, tot in eeuwigheid wankelt zij niet. 6 De oerzee bedekte haar als een kleed, tot boven de bergen stonden de wateren. 7 Toen u hen dreigde, vluchtten zij weg, toen uw donderstem klonk, stoven zij heen: 8 naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen, naar de plaatsen die u had bepaald. 9 U stelde een grens die zij niet overschrijden, nooit weer zullen zij de aarde bedekken. 10 U leidt het water van de bronnen door beken, tussen de bergen beweegt het zich voort. 11 Het drenkt alles wat leeft in het veld, de wilde ezels lessen er hun dorst. 12 Daarboven wonen de vogels van de hemel, uit het dichte groen klinkt hun gezang. 13 U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen, de aarde wordt verzadigd en vruchtbaar: 14 gras laat u groeien voor het vee en gewassen die de mens moet verbouwen. 15 Zo zal hij brood winnen uit de aarde en wijn die het mensenhart verheugt, geurige olie die het gelaat doet stralen, ja, brood dat het mensenhart versterkt. en wijn die het mensenhart verheugt, geurige olie die het gelaat doet stralen, ja, brood dat het mensenhart versterkt. 16 De bomen van de HEER zuigen zich vol, de ceders van de Libanon, door hemzelf geplant. 17 De vogels bouwen daar hun nesten, in hun kronen huizen de ooievaars. 18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken, in de kloven schuilen de klipdassen (NBV)

“Prijs de Heer”, dat zullen velen beamen en dat zal evenveel mensen, misschien nog wel meer, afstoten. Want waarom zou je een God prijzen die je nog nooit gezien hebt, die misschien wel de aardbeving naar arme mensen heeft gestuurd, die dag in dag uit de ellende, de honger en de oorlog, op deze aarde laat voortbestaan? In de vertaling van de Naardense Bijbel begint deze Psalm met “Zegen mijn ziel de Ene” en dat klinkt al heel anders. Het goede van jezelf moet uitgaan naar God, want kennelijk mag je zelfs God zegenen. Als we dan de Psalm gaan lezen, de eerste 18 verzen en de rest doen we morgen, dan valt op dat de Psalm gaat over de schepping. Al het goede dat we zien komt van God. Al het kwade dus ook? Misschien, maar daar gaat deze Psalm niet over. Wij willen altijd graag alles weten over goed en kwaad. Maar volgens het scheppingsverhaal maken we ons daarmee gelijk aan God, die gaat over goed en kwaad maar wij hebben de opdracht alleen het goede te doen en niet dan het goede

En dan is die aarde zo slecht nog niet. De aarde zoals wij die kennen is in staat voor iedereen voedsel in overvloed te produceren. De zeeën kunnen rijk zijn aan vis, graan en rijst kan in overvloed groeien en de bossen zijn er om de lucht te zuiveren. Verder is er vee dat kan grazen op gronden die geen landbouw verdragen en is er wild als extra traktatie. Dat wij dat niet om ons heen zien? Je kunt God toch niet de oneerlijke verdeling tussen arm en rijk, tussen noord en zuid verwijten. Je kunt God toch niet de verspilling van kostbare grondstoffen verwijten. Je kunt God toch niet het gat in de ozonlaag verwijten. Je kunt God toch niet de vergiftiging van rivieren en zeeën verwijten. God is toch niet verantwoordelijk voor de overbevissing en de luchtvervuiling? Juist zo’n schijnbaar vrome Psalm over de schepping en het mooie op de aarde drukt ons met de neus op de feiten.

Wij zijn het zelf die het kwade doen. Wij zijn het zelf die de hulp aan de slachtoffers van aardbevingen en overstromingen inrichten naar de begroting van onze regering en de belasting op bonussen. We doen dat zelfs ondanks de afspraak in het handvest van de Verenigde Naties dat we samen verantwoordelijk zijn voor de bescherming van volken zelfs al worden die in gevaar gebracht door hun eigen regeringen. Als we het dan zo graag over het kwaad willen hebben zouden we eerst naar het kwaad van onszelf moeten kijken. Niet om ons schuldig te gaan voelen en ons te laten verlammen, maar om te weten dat er een andere weg is. De weg van God waarin we mee mogen gaan, ja waarheen we geroepen worden, de weg van het goede, waarop we mogen delen met ieder die het nodig heeft en de aarde mogen bewerken zodat die aarde goed is en goed blijft.

Dit is de tafel die gereedstaat

Ezechiël 41:15b-26

15b In de grote zaal binnen in de tempel, in de voorhallen aan de binnenhof, 16 bij de drempels, de tralievensters, de galerijen aan drie kanten, en ook tegenover de drempels was rondom houten beschot aangebracht. Vanaf de vloer tot aan de blinde vensters, 17 en tot boven de ingang van de tempel, aan de binnen- en de buitenkant van de tempel, op de hele muur, bevonden zich overal panelen, zowel binnen als buiten. 18 Ook waren er cherubs en palmetten, de palmetten tussen de cherubs in. Elke cherub had twee gezichten, 19 een mensengezicht dat naar de ene palmet keek en een leeuwenmuil die naar de andere palmet keek. Zo was het overal in de hele tempel. 20 Cherubs en palmetten waren aangebracht op de muur van de grote zaal vanaf de vloer tot boven de ingang. 21 De grote zaal had een vierkante deurpost; de voorkant van het heilige zag er net zo uit. 22 Het altaar was van hout, 3 el hoog en 2 el lang, met hoekpunten, en ook de zijkanten waren over de hele lengte van hout. De man zei tegen mij: ‘Dit is de tafel die gereedstaat voor de HEER.’ 23 Er waren twee dubbele deuren naar de grote zaal en ook naar het heilige. 24 Elke deur had twee deurvleugels, twee draaiende deurvleugels voor de ene deur en twee voor de andere. 25 Op de deuren van de grote zaal waren cherubs en palmetten aangebracht, net als op de muren. Buiten, vóór de voorhal, liep een houten hekwerk. 26 Er waren tralievensters en palmetten aan de beide zijmuren van de voorhal aangebracht. De tempel had steunribben en hekwerken. (NBV)

Ezechiël is zijn beschrijving van de Tempel uit zijn visioen begonnen met het beschrijven van het kale Tempelgebouw. Hoe dik waren de muren, hoe groot waren de deuren, hoe hoog waren de gebouwen en hoeveel treden hadden de trappen. Nu gaan we kennis maken met de inrichting van het Heilige en het Allerheiligste. Als je binnenkwam viel eerst de houten lambrisering op die overal was aangebracht. Daarboven waren de cherubs en de palmvormige versieringen. Die cherubs hadden twee hoofden, een mensenhoofd en een leeuwenkop. Tussen twee cherubs was telkens een palmvormige versiering aangebracht. Alle muren waren op deze manier versiert. Hoe de inrichting hoorde te zijn was eigenlijk onbekend. Het volk mocht er immers niet komen. Maar de Priesters die vroeger in Jeruzalem dienst hadden gedaan hadden aan hun opvolgers verteld hoe mooi het wel niet was geweest. De traditie van de inrichting ging al terug op de woestijnreis. Die inrichting leek op de inrichting van de Tabernakel, de tent der ontmoeting.

In een Tempel hoort een altaar, de plek waar geofferd kan worden. En ook hier in het Heilige staat een altaar. In de beschrijving van de Tabernakel en van de Tempel die door Salomo was gebouwd weten we dat dat altaar gemaakt was van acaciahout en gebruikt werd voor het brengen van reukoffers. Bij de God van Israël stinkt het niet maar ruikt het altijd lekker. Er stond in de oude Heiligdommen ook een gouden tafel, hout met goud bekleed. Daar lag brood op en gouden kandelaars. Sommigen vragen zich af of Ezechiël wel van de details van de inrichting van het Heilige op de hoogte is geweest. Het altaar dat hij beschrijft is groter dan het reukaltaar en de gouden tafel samen waren geweest. Wellicht kan het ook zo zijn dat Ezechiël tot uitdrukking wilde brengen hoe geweldig de Tempel voor de God van Israël wel niet was. Gouden beelden en gouden altaren kon je ook vinden in de vele Tempels voor de Babylonische goden, maar geen van hen had een zo geweldige tafel in de Tempel.

Dat geweldig komt ook tot uiting in de vorm van de deuren. Dat zijn niet gewoon deuren die je opent en die je achter je moet sluiten. Nee het zijn dubbele deuren. En niet zomaar dubbele deuren maar elke deur had een boven en een beneden klapdeur. De Hebreeuwse teksten die hier worden gebruikt zijn niet altijd even gemakkelijk te vertalen. de eerste Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel had het zelfs over draaideuren. Hoe het ook zij, de deuren zijn indrukwekkend. In onze dagen maken machthebbers er gebruik van. Een Koning en een Koningin komen het bordes op door een dubbele deur die openzwaait. Poetin begint in het Kremlin zijn wandeling naar een plechtige bijeenkomst bij een zaal met dubbele deuren die openzwaaien als hij er door heen gaat. Ook het bordes van het Witte Huis in Washington heeft dergelijke dubbele deuren. De God van Israël heeft dus het mooiste, het grootste en het indrukwekkendste. Voor ons maakt niets meer indruk dan het verbond dat we na willen leven. De minste voorop zetten, zorgen voor de armsten en de zieken. Daar zal ook de formatie van een nieuwe regering over moeten gaan, voor ze door de dubbele deuren zich opstellen op de trappen van het paleis.

 

Dit is het allerheiligste

Ezechiël 40:48–41:15a

48 Hij bracht me naar de voorhal van de tempel en mat de muurpijlers ervan: 5 el aan de ene kant en 5 el aan de andere kant. De breedte van de poort was 3 el aan de ene kant en 3 el aan de andere kant. 49 De voorhal was 20 el lang en 11 el breed. Tien treden leidden ernaartoe, en bij de muurpijlers stond aan weerskanten een zuil. 1 Toen bracht de man me naar de grote zaal, en ook daarvan mat hij de muurpijlers: 6 el breed aan de ene kant en 6 el breed aan de andere kant; dat was de breedte van de tent. 2 De ingang was 10 el breed en de zijkanten waren 5 el aan de ene kant en 5 el aan de andere kant. Hij mat de lengte, en die bedroeg 40 el, en de breedte, en die bedroeg 20 el. 3 Toen ging hij naar het binnenste vertrek en hij mat de muurpijler van de ingang. Die was 2 el. De ingang zelf was 6 el, en de breedte naast de ingang was 7 el. 4 Hij mat de lengte: 20 el, en de breedte: 20 el, net als de grote zaal. Hij zei tegen mij: ‘Dit is het allerheiligste.’ 5 Hij mat de muur van de tempel en die was 6 el. Er waren vertrekken van 4 el breed, helemaal om de tempel heen, 6 in drie omgangen met elk dertig vertrekken. De vertrekken rondom zaten niet vast aan de muur van de tempel zelf, maar aan uitsparingen in een muur om de tempel. 7 De vertrekken die de tempel helemaal omgaven werden naar boven toe steeds breder. De breedte van de tempel bleef naar boven toe gelijk. Vanaf de onderste omgang was via de middelste de bovenste te bereiken. 8 Ik zag dat er rondom de tempel een verhoging was, als fundament voor de vertrekken, die een hele meetstok mat, een basis van 6 el. 9 De buitenmuur van de vertrekken was 5 el dik. Tussen de vertrekken van de tempel zelf 10 en de zijhallen was een ruimte van 20 el, helemaal rondom de tempel. 11 De vertrekken hadden uitgangen naar de tussenruimte, één aan de noordkant en één aan de zuidkant. En overal was de tussenruimte 5 el breed. 12 Aan een plein aan de westkant stond een gebouw dat 70 el breed was. Het had een muur die overal 5 el dik was, en 90 el lang. 13 De man mat de tempel, en die was 100 el lang. Ook het plein en het gebouw met zijn muren waren samen 100 el lang, 14 en de gevel van de tempel aan de oostkant van het plein was 100 el breed. 15 Hij mat de lengte van het gebouw aan de achterzijde van het plein, en de galerijen aan weerskanten: ook 100 el. (NBV)

Vandaag gaan we met Ezechiël de tempel uit zijn visioen in. Dat is niet zo maar een gebouwtje nee dat is een sterk en stevig gebouw waarvan de maten vast staan maar ook aangeven dat je deze Tempel niet zo maar omver zal kunnen blazen. De heiligheid van de Tempel wordt ook uitgedrukt door het opklimmen dat nodig is. Tussen het profane gebied en het gewijde lag een trap met zeven treden, tussen het gewijde en het heilige lag een trap met acht treden en tussen het heilige en het allerheiligste, het eigenlijke heiligdom, lag een trap met tien treden. Wat dat betreft was de Tempel voor de God van Israël niet minder heilig dan de Tempels in Babylon en Egypte want ook die kenden vaak een opklimmende weg naar het hart van de Tempel. De traditie van de Tempel was een heel oude. Bijna als terloops wordt gesproken over een Tent. Maar dat is de verwijzing naar de Tent der Ontmoeting waar de Ark met de stenen platen werd bewaard. Geen beeld van God in de Tempel maar het verbond dat Hij met zijn volk had gesloten.

Bij het allerheiligste aangekomen blijft Ezechiël achter. Hoewel hij priester is mag hij dat gebied niet betreden. Eén maal per jaar mag alleen de Hoge Priester naar het allerheiligste. Daar stond altijd de Ark met gouden serafijnen er op die hun vleugels naar elkaar toegebogen hadden. Tussen die vleugels goot de Hoge Priester dan het bloed dat afkomstig was van het speciale offer dat door het volk gebracht was. Dat het zeer buitengewoon heilig is blijkt ook uit het verhaal zelf. De man die Ezechiël rondleidt en alles opmat spreekt nauwelijks in het hele verhaal over het visioen. Maar hier is een uitzondering. Voor hij het allerheiligste binnengaat spreekt hij uit dat juist die ruimte het allerheiligste is. Dit is het hart van het hele Tempel gebied. De ringmuur en alles dat daar binnen te vinden is krijgen hun betekenis door dit Allerheiligste.

Rondom dat heilige en het Allerheiligste liggen een aantal vertrekken. Hier konden de Priesters zich voorbereiden op hun dienst in het heilige en de Hoge Priester op zijn bijzondere rol op Grote Verzoendag. Priesters moesten rein zijn. Om zich te reinigen kende de Tora een aantal regels waaraan Priesters en levieten moesten voldoen en hoe ze zich moesten reinigen voor hun dienst voor wat genoemd wordt het aangezicht van de heer. Aan de westkant van het voorplein stond daarvoor ook nog een bijzonder gebouw. Als ook dat gemeten is dan is de rondleiding klaar. Ook wij mogen dromen van een dergelijke Tempel, een plaats waar we God kunnen ontmoeten. Dat is dus niet per se de slaapkamer of de kerk. Een ontmoeting met de God van Israël is een ontmoeting met het verbond dat hij gesloten heeft, een ontmoeting met de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Een dergelijke ontmoeting kan niet zonder delen van alles wat je hebt. Dat delen wordt in de Tempel tot uiting gebracht in de offers. Wij zullen onze blik moeten richten op minsten op de deze aarde. Elke dag opnieuw.

Tafels om op te slachten.

Ezechiël 40:38-47

38 Er was een hal waarvan de ingang tussen de muurpijlers van de poort was. Daar kon het vlees voor het brandoffer worden afgespoeld. 39 In de voorhal van de poort stonden aan weerskanten twee tafels om de brandoffers, reinigingsoffers en hersteloffers op te slachten. 40 Ook aan de buitenkant (voor wie omhoog liep naar de toegang tot de noordpoort) stonden twee tafels, en aan de andere kant van de voorhal van de poort stonden nog eens twee tafels. 41 Zo stonden er vier tafels aan beide zijkanten van de poort: acht tafels om op te slachten. 42 Er waren ook nog vier tafels voor het brandoffer, en die waren van gehouwen steen. Ze waren elk 1½ el lang, 1½ el breed en 1 el hoog. Daarop lagen de gereedschappen om de dieren voor de brandoffers en de vredeoffers mee te slachten. 43 Overal in het gebouw waren haken van 1 handbreedte bevestigd. De tafels waren bestemd voor het vlees van de offergave. 44 Aan de buitenkant van de binnenpoort waren zijhallen voor de zangers, aan de binnenhof. Die naast de noordpoort keken uit op het zuiden, en de andere, naast de oostpoort, keken uit op het noorden. 45 De man zei tegen mij: ‘De hal die uitkijkt op het zuiden is voor de priesters die dienst doen in de tempel, 46 en de hal die uitkijkt op het noorden is voor de priesters die dienst doen bij het altaar. Dat zijn de nakomelingen van Sadok, diegenen van de Levieten die in de nabijheid van de HEER mogen komen om hem te dienen.’ 47 Toen mat hij de hof. Die was vierkant, 100 el lang en 100 el breed. Het altaar stond vóór de tempel. (NBV)

Het volk Israël was een volk van veetelers. Met dat vee waren ze de woestijn doorgetrokken en de voorschriften voor de offers gingen over het algemeen uit van het offeren van vlees. Ook graan en wijn werden geofferd maar het offeren van vlees had de overhand. Wij eten ook veel vlees, te veel volgens sommigen. Maar wij zien niet hoe ons vlees op ons bord komt. Slachten van dieren gebeurt buiten zicht. We hebben er zelfs geen tv programma’s over. Als wij vlees zien dan hebben we het over huppelende koeien die de wei in gaan of varkens die zich wellustig wentelen in een modderbad of een zandbad. In Israël was dat anders. De offer rituelen gaan er van uit dat de offeraar zelf het offerdier slacht. Weliswaar met hulp van de priester omdat het slachten zo moet gebeuren dat er eerbied wordt getoond voor het dier dat vlees geeft en moet worden voorkomen dat het dier lijdt. In het gedeelte dat we vandaag lezen over het visioen dat Ezechiël heeft over de nieuwe Tempel die het herstel van van de dienst aan de God van Israël zal betekenen wordt ook de offerdienst weer hersteld.

Elk van de drie binnenste poortgebouwen hebben een functie bij de offerdienst. Ook zijn er kamers waar de priesters van de Tempel hun wachtruimte hebben. Er zijn priesters die bij het altaar helpen, die helpen ook bij de slacht en er zijn priesters die dienst doen in de Tempel. De kamers voor de priesters liggen buiten het eigenlijke poortgebouw. Priesters moeten er altijd op bedacht zijn dat zij niet onrein worden. Ze moeten dus niet besmeurd worden met bloed, ze mogen ook de dode dieren niet aanraken. Er is ook een onderkomen voor de zangers. Uiteindelijk zullen in de toekomst de Levieten koren vormen die in de Tempel zorgen voor een muzikale omlijsting. Wie het boek van de Psalmen leest komt in de opschriften herhaaldelijk verwijzingen tegen naar de koren of hun dirigenten. Ondanks alles wat we hebben gelezen weten we nog niks over de Tempel zelf.

Het gedeelte van vandaag eindigt met het noemen van het altaar dat voor de Tempel gelegen is. Daar zijn al die offers voor en worden binnen bereid zodat het offeren op het altaar, of de altaren zelf, met de nodige plechtigheid kan plaatsvinden. Een mooie droom van Ezechiël. Het zal de oudere ballingen ontroerd hebben. Zij hadden de Tempel nog in al haar luister meegemaakt en zou die luister ooit nog terugkomen? Gelet op de macht van de volken waar zij in ballingschap waren zat dat er niet in. En waarom moet alles zo nauwkeurig worden beschreven. Die nauwkeurigheid is de boodschap die spreekt uit dit Bijbelgedeelte. Met het dienen van de God van Israël kun je niet slordig om gaan. Het leven dat God ook aan de offerdieren heeft gegeven vraagt respect en ontzag. Zo zouden wij ook moeten willen leven. In wat voor omgeving leven we eigenlijk. Wordt daarbij rekening gehouden met al wat leeft en dat onder onze verantwoordelijkheid is gesteld? Wij hebben het over vervuiling, over het uitsterven van dieren en over misstanden in de bio-industrie. Grond, water en lucht gaan bijdragen aan onleefbaarheid op onze aarde. Tijd dus om net zo nauwkeurig te gaan leven als Ezechiël beschrijft.

Drie wachtvertrekken

Ezechiël 40:17-37

17 Toen bracht de man me naar de buitenhof. Daaromheen liep een strook plaveisel waaraan dertig zijhallen lagen. 18 Dit was de lage geplaveide omloop. Hij lag naast de poortgebouwen, en was net zo breed als de poortgebouwen diep waren. 19 De man mat de afstand vanaf de benedenpoort tot aan de buitenkant van de binnenhof, en die bedroeg 100 el, zowel naar het oosten als naar het noorden. 20 Ook van de noordelijke poort van de buitenhof mat hij de lengte en de breedte. 21 Net als de eerste poort had deze poort drie wachtvertrekken aan weerskanten, muurpijlers en een voorhal, en was hij 50 el lang en 25 el breed. 22 Ook de vensters, de voorhal en de palmetten hadden dezelfde maten als die van de oostpoort. Zeven treden leidden ernaartoe, en daartegenover bevond zich de voorhal. 23 Tegenover de noordelijke poort was er een poort naar de binnenhof, net als tegenover de oostelijke poort. Hij mat de afstand van poort tot poort, en die 100 el. 24 Toen nam de man me mee naar de zuidkant. Ook daar was een poort, op het zuiden. Hij mat de muurpijlers en de voorhal; de poort had dezelfde afmetingen als de andere poorten. 25 De poort had net zulke vensters rondom en in de voorhal als de andere poorten. Hij was 50 el lang en 25 el breed. 26 Zeven treden leidden ernaartoe, en daartegenover bevond zich de voorhal. Op de muurpijlers aan weerskanten waren palmetten aangebracht. 27 Er was ook een zuidpoort naar de binnenhof. Hij mat de afstand tussen de poorten aan de zuidkant, en die bedroeg 100 el.28 Door de zuidpoort bracht de man me naar de binnenhof. Hij mat de poort en die had dezelfde afmetingen als de andere poorten. 29 Ook de wachtvertrekken, de muurpijlers en de voorhal hadden dezelfde afmetingen. Er waren vensters rondom en in de voorhal. De poort was 50 el lang en 25 el breed. 30 Er waren voorhallen rondom, 25 el lang en 5 el breed. 31 De voorhal was aan de kant van de buitenhof, en op de muurpijlers waren palmetten aangebracht. Acht treden leidden ernaartoe. 32 De man bracht me naar de oostkant van de binnenhof. Hij mat de poort en die had dezelfde afmetingen als de andere poorten. 33 Ook de wachtvertrekken, de muurpijlers en de voorhal hadden dezelfde afmetingen. Er waren vensters rondom en in de voorhal. De poort was 50 el lang en 25 el breed. 34 De voorhal was aan de kant van de buitenhof, en op de muurpijlers aan weerskanten waren palmetten aangebracht. Acht treden leidden ernaartoe. 35 Toen bracht de man me naar de noordpoort en mat die op. Hij had dezelfde afmetingen als de andere poorten.
36 Ook waren er wachtvertrekken, muurpijlers, een voorhal en vensters rondom. De poort was 50 el lang en 25 el breed. 37 Er waren ook muurpijlers aan de kant van de buitenhof, en op die muurpijlers waren aan weerskanten palmetten aangebracht. Acht treden leidden ernaartoe. (NBV)

Dat was een forse wandeling die Ezechiël moest afleggen. De Tempel blijkt fors en robuust te zijn. De poortgebouwen die hier beschreven worden lijken veel op de vestigingen zoals die onder meer door Salomo waren gebouwd. Door de poortgebouwen heen komt Ezechiël op de voorhof van de Tempel. Rond de voorhof zijn een tal van gebouwen en kamers. Sommigen worden speciaal genoemd, bijvoorbeeld de kamers voor de schrijndragende priesters. De voorhof zelf is met kostbare tegels geplaveid. Over de voorhof loopt Ezechiël van de Noordpoort naar de Oostpoort. Net als bij de Zuidpoort die hierna komt is er een trap met 7 treden die naar het poortgebouw voert. De Zuidpoort kent dezelfde indeling als de Noordpoort en de Oostpoort. De indruk van de Tempel wordt steeds forse

Over het plein van de voorhof komt Ezechiël in de binnenste voorhof. Ook hier zijn weer drie poorten, die erg lijken op de drie poorten in de buitenring van het Tempelcomplex. Deze poortgebouwen hebben we vensters, bij de eerste poorten werden die niet genoemd. In het midden van het plein dat door de drie binnenste poortgebouwen werd begrensd lag een groot altaar. Opvallend waren de kapitelen die overal als versiering waren aangebracht. In het gedeelte dat we vandaag lezen ontrolt zich het beeld van een Tempel die bijna onneembaar lijkt. Een vierkante ringmuur waarin drie poortgebouwen. Dan een eerste voorhof die uitzien op nog eens drie poortgebouwen. Dan pas een altaar. Alles mooi versierd en symetrisch opgebouwd. Voor hen die al die maten hoorden en de beschrijving van de Tempel moet dit diepe indruk hebben gemaakt.

Hoe kan een dergelijke Tempel door een vijand verwoest zijn? Hoe veel inspanning zal het kosten om een dergelijke Tempel weer op te bouwen. En dan zijn we nog steeds niet toe aan het verblijf voor God, of voor de Ark van het verbond. Een volk in ballingschap die dit visioen hoort zal gesidderd hebben. Ezechiël mag dan de profeet van de hoop zijn, hoop op een terugkeer naar het land dat God hen geschonken had, hoop op de wederopbouw van Jeruzalem en de Tempel, Ezechiël schetst niet een gemakkelijke feestelijke intocht waarin alles al klaar is en geregeld is. Niks van volg de God van Israël en je zorgen zijn verdwenen. Nee, als je de God van Israël volgt dan begint het pas. Dan mag je een samenleving opbouwen volgens de richtlijnen die in die Tempel worden bewaard. Voor Christenen is dit net als met het geloof in Jezus van Nazareth. Dan zijn je problemen niet over, dan begint het pas, dan wordt je je bewust dat de wereld waarin je leeft geen vrede kent, dat er honger is, dorst, dat er mensen zijn zonder kleding, zonder gezondheidszorg. Onze problemen zullen pas worden opgelost als we daar wat aan hebben gedaan. Vandaag dus maar beginnen.