Ik verzeker u

Marcus 3:20-35

20  Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten. 21  Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren. 22 Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul, ‘en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’ 23  Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? 24  Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; 25  als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. 26  En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. 27  Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 28  Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, 29  maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’ 30  Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’ 31 Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. 32  Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’ 33  Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ 34  Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. 35  Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’ (NBV)

Die Jezus van Nazareth leek wel gek. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd. Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus overigens direct in het kwade, het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Van het goede dat je wil doen is nog wel eens misbruik te maken, van het kwade dat je wil doen lukt dat meestal niet. Jezus gaat er direct tegen te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, daar is voor het kwade zelfs geen plaats. Als dat zo zou zijn dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap. Wij kennen dat maar al te goed. Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen.

Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen. We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus van Nazareth, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen. Hopelijk laten al die mensen die zich nu door angst voor het nieuwe, voor het andere, laten verleiden op tijd voor de volgende verkiezingen hun angst varen. Het sprookje van de maagdelijke geboorte van Jezus en de bijna goddelijkheid van zijn moeder Maria moet eigenlijk ook maar eens uit zijn. Het doet afbreuk aan het verhaal, het goede nieuws, dat Jezus van Nazareth wil verspreiden. Jezus van Nazareth had een moeder. Maria zegt het verhaal. En hij had een aantal broers. Andere handschriften als die voor de Nieuwe Bijbelvertaling zijn gebruikt spreken zelfs van broers en zusters. Die maagd was gewoon een oude manier om een jonge vrouw aan te spreken. Uit de discussie die in dit deel van het verhaal ontstaat blijkt dat Jezus van Nazareth echte broers heeft. Eén van de broers zou volgens het verhaal dat door Lucas in Handelingen is opgetekend nog een belangrijke rol in de eerste gemeente in Jeruzalem spelen.

Maar vandaag houden we ons bezig met het belang van de familie. Die moeder en broers dringen zich niet op aan Jezus. Het was zo druk in het huis van Jezus dat hij immers nauwelijks de tijd had om te eten. Ze blijven daarom op een afstand. Er zijn echter altijd mensen die denken het fatsoen te dienen. Je familie gaat voor, je familie gaat voor de armen, de zieken, de zwakken, de mensen die buitengesloten zijn. Maar niet bij Jezus. Het goede nieuws is dat al die mensen mee mogen doen en dus familie zijn, net zo belangrijk en net zoveel aandacht waard. Moeder Maria moet het er maar mee doen zou je zo denken. Maar al voor de geboorte van haar beroemde zoon zong ze van een wereld waar de machtigen van de troon gestoten werden en de onvruchtbaren vruchtbaar zouden zijn. De omgekeerde wereld. Van een protest van de familie is in dit verhaal dan ook geen sprake, de familie voelde zich kennelijk in het geheel niet beledigd maar wist haar plaats. De verering van Maria als meer dan andere mensen, zoals in sommige schijnbaar christelijke kerken, slaat dan ook nergens op. De energie en het geld dat daarin gestoken wordt kan beter gestoken worden in de armen. Voedselbanken moeten mensen weigeren omdat ze geld, mensen en voedsel tekort komen. Haal de Mariabeelden maar uit de kerken, verkoop het goud en de diamanten waarmee ze zijn bekleed en besteed het aan een wereld waar de familie van Jezus, de onderkant van onze samenleving, weer de boventoon voert.

Schrijf alles voor hen op

Ezechiël 43:1-12

1 Toen nam de man mij mee naar de oostpoort. 2 En daar, vanuit het oosten, zag ik de God van Israël in al zijn luister verschijnen, met een geluid als het gebulder van de zee, en de aarde straalde ervan. 3 Wat ik zag, leek op wat ik had gezien toen ik de verwoesting van de stad zag, en op wat ik had gezien bij het Kebarkanaal, en ik wierp me voorover op de grond. 4 De luisterrijke verschijning van de HEER ging door de oostpoort de tempel binnen. 5 Toen hief een geest mij op en bracht me naar de binnenhof, en ik zag dat de tempel vol was van de luister van de HEER. 6 Toen werd er vanuit de tempel tegen mij gesproken, terwijl de man naast mij stond: 7 ‘Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon, de plaats waar ik mijn voeten zet. Hier zal ik voorgoed blijven wonen te midden van de Israëlieten. Het volk van Israël zal mijn heilige naam nooit meer bezoedelen, zij noch hun koningen, niet met hun ontrouw en niet met de lijken van hun koningen in hun tombes. 8 Ze plaatsten hun drempel naast mijn drempel en hun deurpost naast mijn deurpost, alleen een muur stond er tussen ons in, ze bezoedelden mijn heilige naam met hun wangedrag en daarom heb ik hen in mijn woede vernietigd. 9 Maar vanaf nu zullen ze niet langer ontrouw zijn en de lijken van hun koningen ver van mij houden, zodat ik voorgoed bij hen kan wonen. 10 Mensenkind, vertel het volk van Israël over de tempel, zodat ze zich schamen over hun wandaden, en laat ze het model nameten. 11 Als ze zich schamen over alles wat ze hebben gedaan, maak hen dan bekend met de indeling en het ontwerp van de tempel, met de uitgangen en de ingangen, kortom met de hele indeling, en met alle bepalingen en voorschriften. Schrijf alles voor hen op, opdat zij het nauwgezet uitvoeren. 12 Dit zijn de voorschriften voor de tempel; het hele gebied rondom de tempel boven op de berg is allerheiligst. Tot zover de voorschriften voor de tempel.’ (NBV)

De hele nieuwe Tempel uit het visioen van Ezechiël is opgemeten en beschreven, Een doordacht plan dat zorgvuldig was uitgevoerd. Maar wat moet je nu met zo’n Tempel. Er staan altaren, er staat een tafel, er staan kandelaars, de muren zijn mooi versierd maar dat is aankleding, dat vertelt niet wat je met een dergelijke Tempel moet. De Heidenen in het land waar het volk in ballingschap is hebben prachtige godenbeelden. Als je daar een Tempel zou moeten beschrijven dan heb je het niet over muren met poorten en gebouwen met kamers, dan beschrijf je hoe mooi en hoe kostbaar het beeld van de god van de Tempel is. Daar is bij Ezechiël geen sprake van.

Dan ziet Ezechiël iets wat hij nauwelijks onder woorden kan brengen. De “heerlijkheid” van God komt uit het oosten. Toen het volk in ballingschap werd weggevoerd en net voor de Tempel werd verwoest zou de Geest van de God van Israël naar het Oosten zijn vertrokken. Nu komt die God weer terug. Maar de God van Israël is groter dan de Tempel, die God is de schepper van hemel en van aarde, die God gaat alles te boven. Dat is dus in die Tempel te zien. Die Tempel is geen plek waar de god in een beeld gevangen is, die Tempel is de voetenbank voor een God die groter is dan alles wat je je zou kunnen voorstellen. De luister van een dergelijke heerser neemt die Heer zelf mee, dat is zijn aard.

Er waren tijden geweest dat Koningen paleizen of tenminste een hofkapel bouwden naast de Tempelmuur. De luister van de God van Israël straalde dan op hen af en ze zouden meedelen in de macht van de Heer van hemel en aarde. Niks ervan krijgt Ezechiël te horen. In de Tempel van de God van Israël vallen verschillen tussen mensen weg. Je hebt de Priesters en de Levieten. De nakomelingen van Aäron uit de stam Levi en daarmee houdt het op, Het is voor iedereen duidelijk dat die Priesters en Levieten niet de bazen zijn van het land maar dienaren van God. En zo mogen wij ook een volk van Priesters en Koningen zijn zegt Paulus ergens. Wij dienen God door het liefhebben van onze naaste, de zorg voor de minsten, de zieken veraf en dichtbij. Wij geven hongerigen te eten, kleden de naakten en bezoeken de gevangenen. Dat doen we voor onze God.

Die plaats is heilig

Ezechiël 42:13-20

13 De man zei tegen mij: ‘De zijhallen op het noorden en die op het zuiden, aan het plein, zijn heilige zijhallen, want daar eten de priesters, die in de nabijheid van de HEER komen, de allerheiligste offers. Daar leggen ze de allerheiligste offers neer: de graanoffers, reinigingsoffers en hersteloffers, want die plaats is heilig. 14 Als de priesters binnen zijn mogen ze niet vanuit het heiligdom naar de buitenhof gaan. Eerst moeten ze hun dienstkleren, die heilig zijn, in de zijhallen neerleggen. Ze moeten andere kleren aantrekken en dan mogen ze naar de plaats van het gewone volk.’ 15 Toen de man klaar was met het opmeten van het binnenste van de tempel, bracht hij mij naar de oostpoort en mat de tempel rondom op. 16 Hij mat de oostkant met een meetstok: 500 van die meetstokken. 17 Hij mat de noordkant: 500 stokken. 18 Ook de zuidkant mat hij: 500 stokken.19 Toen kwam hij bij de westkant en hij mat 500 stokken. 20 Zo mat hij de vier buitenzijden van de tempel, die helemaal door een muur omgeven werd. Het geheel mat 500 bij 500, en de muur vormde de afscheiding tussen wat heilig is en wat niet. (NBV)

Er zijn op zich geen geheime achterkamers waarmee de godsdienst van Israël zou kunnen worden opgepoetst. Geen offers die in de nacht op geheimzinnige wijze verdwijnen en waarvan de Priesters zeggen dat de Godheid van de Tempel ze heeft genuttigd. Nee in Israël worden de offers als vanouds door de Priesters gegeten, ze zijn daar zelfs voor bestemd. Slechts een klein deel wordt verbrand want God heeft genoeg aan de lucht alleen al. Dat offeren is er voor om God te laten weten dat het volk nog steeds bereid is te delen en voor elkaar te zorgen en zo het verbond met God na te komen.

Wat wel een belangrijke rol speelt in de Godsdienst van Israël is de reinheid. Je nadert niet zo maar de God van Israël, Mozes kreeg al te horen dat de grond waarop hij stond toen hij bij de brandende braambos stond heilig was en dat hij daarom zijn schoenen uit moest trekken. In de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel staan uitgebreide voorschriften om rein te worden en te blijven. Uit de beschrijving van de Tempel blijkt dat bij de bouw van de Tempel, bij het ontwerp al, rekening is gehouden met deze voorschriften.

Dan wordt nog een keer gecontroleerd of het totale Tempelcomplex wel nauwkeurig in kaart is gebracht. En jawel, het Tempelcomplex is een vierkant met een muur er om heen. Binnen is het heilig, buiten is het dus onheilig. Wie binnen wil moet zich dus eerst reinigen en hoe dichter je bij de eigenlijke Tempel komt hoe zorgvuldiger je moet zorgen rein te blijven. Daarom binnen de Priesterverblijven en de eigenlijke Tempel andere priesterkleren als daarbuiten. Wij kennen dat verhaal uit de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Priester en Leviet lopen met een boog om het slachtoffer hen om niet onrein te worden. Jezus roept op om naast het slachtoffer te gaan liggen en zo de naaste te worden. Dat we zorgvuldig met de geboden om moeten gaan en ze in dienst moeten stellen van de minsten blijft een taak voor ons.

Aan het begin van het pad

Ezechiël 42:1-12

1 Toen nam de man me mee naar het noordelijke deel van de buitenhof en bracht me naar de zijhallen bij het achtergebouw, aan de noordkant van het plein. 2 Ze hadden een lengte van 100 el, met een breedte van 50 el en met de ingang op het noorden. 3 Galerijen in drie verdiepingen lagen langs de 20 el brede binnenhof en langs de geplaveide omloop van de buitenhof. 4 Voor de zijhallen was een gang van 10 el breed; naar het binnenste was een doorgang van 1 el, en de toegangen waren op het noorden. 5 De bovenste zijhallen waren kleiner, want de galerijen namen daar meer ruimte in beslag dan bij de onderste en de middelste hallen van het gebouw. 6 Ze vormden drie verdiepingen en hadden in tegenstelling tot de voorhoven geen zuilen; daarom waren de bovenste kleiner dan de onderste en de middelste. 7 In de richting van de buitenhof liep langs de zijhallen een muur; hij was 50 el lang. 8 De lengte van de zijhallen aan de kant van de buitenhof was 50 el, en tegenover de grote zaal was dat 100 el. 9 Onder deze zijhallen was op het oosten een ingang voor wie er vanuit de buitenhof naar binnen wilde. 10 Over de breedte van de muur van de hof naar het oosten, bij het plein en bij het achtergebouw waren ook zijhallen 11 met een pad erlangs. Ze zagen er net zo uit als de zijhallen op het noorden, net zo lang en net zo breed, met dezelfde uitgangen, inrichting en toegangen. 12 Ook de zijhallen op het zuiden hadden zulke ingangen. Voor wie binnen wilde gaan, lagen alle ingangen aan het begin van het pad dat langs de beschermmuur naar het oosten liep. (NBV)

We lezen verder over het visioen dat de profeet Ezechiël had over een nieuwe Tempel die zou komen als de ballingschap voorbij zou zijn. Een robuuste Tempel, met een voorhof, een binnenhof, poorten als vestingpoorten, gebouwen voor priesters om zich op hun dienst voor te bereiden, kamers om de offerdieren te slachten. En natuurlijk de eigenlijke Tempel met het Heilige en het allerheiligste. Maar Priesters waren dag en nacht nodig. En daarvoor lag aan de noordzijde nog een gebouw van drie verdiepingen hoog. Ook dat gebouw wordt aan Ezechiël nauwkeurig beschreven. Het gebouw kent geen pilaren de verdiepingen waren daarom niet even groot maar sprongen in, het leken op afstand of ze trappen vormden. In dit gebouw waren kamers. We kennen de maten die in het verhaal van Ezechiël worden genoemd niet precies maar deskundigen schatten de kamers ongeveer op 4 bij 4. Er staat in elk geval dat er vierkante kamers zijn en als je de maten optelt kom je inderdaad op een dergelijke constructie uit.

Ook hier vormen de muren een robuust geheel. Als je dit gebouw met militaire macht zou willen veroveren dan is dat niet gemakkelijk. Rond het hele Tempelcomplex liep een muur, de buitenmuur met de poorten en de poortgebouwen. Als je daardoor binnenkwam dan kwam je eerste in de buitenste voorhof. Het Priestergebouw waar we vandaag over lezen grensde aan de buitenste voorhof. Er was dan ook een ingang waardoor de Priesters van de buitenste voorhof direct naar het Priestergebouw konden gaan, zonder dus de binnenste voorhof te hoeven betreden. Als we de beschrijving van de Tempel uit dit visioen lezen dan krijg je bijna de indruk dat het een doolhof is van deuren, poorten, pleinen en gebouwen. Maar dat is niet zo. De Tempel van de God van Israël is gebouwd volgens een vast plan waarin niemand kan verdwalen.

Alle ingangen van het Priestergebouw liggen aan één pad. Als je dat pad inslaat kun je kiezen uit de ingang die je wil nemen maar je kunt er niet mee verdwalen. Het is en blijft een visioen. Het verhaal is bestemd voor ballingen die dagelijks geconfronteerd worden met de prachtige Tempels van Babel. Sommige hadden zelfs hangende tuinen. Wat konden de arme en zwakke ballingen verwachten van een God die volgens hun omgeving was verslagen, die geen macht meer had. Ezechiël vertelde ze dat ze een robuuste Tempel konden verwachten, fraai versierd en met duidelijke functies. Geen stiekume achterkamertjes maar helderheid en openheid. En ook wij mogen dat van God verwachten. Het nieuwe Testament maakt ons Christenen duidelijk dat die God van Israël inderdaad geen geheime rituelen nodig heeft maar dat iedereen getuige mag zijn van zijn liefde en macht.

Eeuwig leven

Johannes 3:31-36

31 Hij die van boven komt staat boven allen, wie uit de aarde voortkomt is aards en spreekt de taal van de aarde. Hij die uit de hemel komt en boven allen staat, 32 getuigt van wat hij gezien en gehoord heeft, en toch wordt zijn getuigenis door niemand aanvaard. 33 Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigt daarmee dat God betrouwbaar is. 34 Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, en God schenkt de Geest in overvloed. 35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle macht aan hem overgedragen. 36 Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten.’ (NBV)

Wat had die Zoon ons in dit Bijbelgedeelte ook al weer geboden? Dat we van boven geboren moeten worden, uit water en Geest. Als je dus van boven komt sta je boven allen. Hoe dat zo? Je hoort toch bij de minsten te zijn, als je hongerigen voedt, zieken verzorgt, dorstigen laaft of gevangenen bezoekt dan heb je dat toch aan Jezus gedaan? Er wordt hier een abstracte tegenstelling gemaakt waar je niet moet intrappen. Wij noemen boven goed en beneden slecht. De Bijbel draait dat om. Alles wat streeft naar de eerste de beste te zijn ten koste van anderen worden in de Bijbel als slecht bestempeld, wie zijn leven over heeft voor een ander heeft het begrepen en het goede gedaan. Paulus zou schrijven dat we “in Christus” kunnen zijn, al zegt hij ook dat we dood kunnen gaan om met Christus weer op te staan.

Voor de lezers van de Evangelist Johannes was er een hele grote verandering gaande. De Tempel in Jeruzalem was verwoest en ze moesten gaan geloven dat Jezus van Nazareth direct bij de God van Israël vandaan was gekomen. Er was wel discussie ontstaan over de goddelijkheid van Jezus van Nazareth. Maar de notie dat de God van Israël ook door de dood heen naast de mensen zou blijven staan die zijn Weg wilden gaan, vast blijven houden aan het houden van de naasten als van zichzelf was voldoende om in die Weg van Jezus van Nazareth te gaan geloven.

Als je dat gelooft dan is er ineens ook geen angst meer voor de dood. Dan kun je gaan leven alsof je eeuwig leeft, in de woorden van de Bijbel: dan krijg je het eeuwige leven. Dan hoef je niet meer voor jezelf of voor je nageslacht te zorgen, elke dag heeft genoeg aan zichzelf. Dan zorgen we alleen nog voor een betere wereld voor alle mensen, een wereld met rechtvaardige handelsverhoudingen, een wereld waar iedereen mee mag doen, zonder honger, zonder geweld, een wereld waar ieder tot zijn recht komt. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Hij doopte

Johannes 3:22-30

22 Daarna ging Jezus met zijn leerlingen naar Judea. Daar bleef hij enige tijd en hij doopte er. 23 Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen. 24 Johannes was immers nog niet gevangengezet. 25 Er ontstond een discussie tussen de leerlingen van Johannes en een Jood over het reinigingsritueel. 26 Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’ 27 Johannes antwoordde: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. 28 Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de messias niet, maar ik ben voor hem uit gezonden.” 29 De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. 30 Hij moet groter worden en ik kleiner. (NBV)

Hoe stook je in een gelukkig huwelijk? Soms door te zeggen dat de een meer geliefd is dan de ander. Dan ontstaat er concurrentie en dus verwijdering en wrijving. Zo niet tussen de neven Johannes en Jezus. Johannes zag zichzelf als wegbereider, de man van de advent dus, een wegbereider voor Jezus. Dat had hij nooit onder stoelen of banken gestoken en toen Jezus ook ging dopen en kennelijk veel mensen trok ging hij er niet anders over denken. het was en bleef een feest en de beste vriend van de bruidegom lijkt dan aan de kant te staan maar bij hem steekt de bruidegom nog feestelijker af. Die doop overigens wordt hier gezien als reinigingsritueel, voor het feest ga je je eerst wassen en dan begint het feest.

Al het stof van alledag wordt afgespoeld. En reiniging werd altijd voorgeschreven als je in contact zou komen met de God van Israël. Voordat je naar de Tempel ging, voordat je ging offeren, altijd eerst reinigen. Na de verwoesting van de Tempel werd het onderwerp een probleem. Maar als je God kunt ontmoeten in de armen, in de minsten, dan blijft een reiniging om er bij te horen geboden. Zo is in CHristelijke kerken de doop ontstaan. Veel mensen wilden daar hun hele huishouden, inclusief de kinderen, in meenemen en dat gebeurde dan ook. Daarom denken veel mensen dat tegenwoordig in de meeste kerken alleen de kinderen gedoopt kunnen worden.

Dat is niet zo. Er zijn wel een paar kerken waar kinderen niet gedoopt kunnen worden, die moeten wachten tot ze zelf kunnen beslissen, maar als u in de plaatselijke protestantse kerk actief wilt worden en U bent nooit gedoopt aarzel dan niet de predikant te vragen om gedoopt te worden, die zal dat graag doen. Je verbind je dan wel aan de kerk zoals die er nu uitziet. In de geschiedenis is dat wel eens veranderd en dan stappen er mensen uit de kerk en beginnen een nieuwe. Bij de fusie tussen de Hervormde, de Gereformeerde en de Lutherse Kerk is dat ook gebeurd. Mensen nemen elkaar het verzet tegen veranderingen nog wel eens kwalijk. Nergens voor nodig natuurlijk, je kunt er tegen of niet.

Wie kwaad doet, haat het licht

Johannes 3:14-21

14 De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhooggeheven heeft,15 opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft. 16 Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. 17 God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden. 18 Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon. 19 Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht. 20 Wie kwaad doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden. 21 Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet.’ (NBV)

De meest misbruikte tekst uit de Bijbel is wel die zin uit dit hoofdstuk dat God de wereld zo lief heeft gehad dat hij zijn enige zoon heeft gegeven opdat wie gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leeft. Als je die tekst uit de context van het verhaal haalt lijkt het of het gaat tussen de individuele gelovige en God, maar dat staat er niet. Het verhaal begint met een verwijzing naar een verhaal uit de woestijnreis van het volk Israel. Ze waren in een leger slangen terecht gekomen en moesten daar doorheen. Mozes maakte toen een koperen staaf met hoog daarbovenop een slang. Ieder die het oog op de slang gericht hield liep zo rechtop dat het volk door het leger slangen heen kwam, zo werd het volk gered. Zo gaat het, zegt Johannes, ook met de volgelingen van Jezus, als je het oog op Jezus gericht houdt dan wordt het volk behouden. En we kennen de afloop, zonder acht te slaan op de gevolgen voor zichzelf, de liefde blijven doen, dwars door de dood heen als het nodig is.

Daarbij gaat het alleen om het goede, niet om steeds maar te letten op wat verkeerd is, maar slechts op dat wat goed is. Dan steek je wel je nek uit, dan kom je wel in het volle licht te staan, dat valt zeker op. Zeker ook als je doet wat Paulus later aan de Romeinen schrijft, dat ze de overheid, de keizer dus, voortdurend het goede moeten voorhouden. De meeste mensen houden daar niet zo van, zo op te vallen. We hebben het goede immers niet in de binnenzak. Of iets goed of slecht is hangt vaak af van de omstandigheden. Het kan de ene keer goed zijn en de andere keer slecht. Wat we doen houden we daarom maar liever onder de oppervlakte. Toch vraagt de Bijbel je om op te vallen, om te wijzen op de mensen die ten onder dreigen te gaan. Op de slachtoffers van geweld in Syrië. Op de armen in Afrika, ondanks alle mooie woorden zijn er nog steeds geen eerlijke handelsovereenkomsten. Op de moslims en vreemdelingen in ons midden, we worden immers nog steeds opgeroepen stelling tegen hen te nemen in plaats van hen op te nemen in ons midden zoals de Bijbel ons gebiedt. Pas dus op met deze teksten. Ruk ze niet uit hun verband.

Het gaat er hier niet om dat een overheid, welke dan ook, alles mag zien van haar individuele burgers. Fouilleren als ze zin hebben, camera’s op alle plaatsen, alle telefoon en internetverkeer uitluisteren en lezen. De Big Brother uit het boek, die iedereen bekijkt, is niet God maar ook maar een mensje, zoals onze overheid ook maar uit mensjes bestaat. Het gaat er in deze Bijbelteksten over dat burgers die het goede doen zich daarvoor niet schamen maar dat goede laten zien. De vrijwilligers in de voedselbanken moeten laten zien dat de verdeling van inkomen in onze samenleving nog zo onrechtvaardig is dat gezinnen afhankelijk zijn van voedselbanken. Briefschrijvers van Amnesty laten zien hoeveel gewetensgevangenen onze wereld nog kent. De kampeerders van Occupy lieten zien hoeveel macht speculanten en beurshandelaren nog hebben over ons dagelijks leven. Zij laten het kwade zien opdat de grote daden van God zichtbaar worden. Zonder die God hadden we immers geen weet van recht en rechtvaardigheid, van eerlijk delen en zorg voor onze naaste als voor onszelf. Want die liefde mogen we elke dag opnieuw verspreiden, ook vandaag weer.

Opnieuw geboren

Johannes 3:1-13

1 Zo was er een Farizeeër, een van de Joodse leiders, met de naam Nikodemus. 2 Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. ‘Rabbi, ‘zei hij, ‘wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht.’ 3 Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ 4 ‘Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?’ vroeg Nikodemus. ‘Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden?’ 5 Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest. 6 Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. 7 Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden. 8 De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is.’ 9 ‘Maar hoe kan dat?’ vroeg Nikodemus. 10 ‘Begrijpt u dit niet, ‘zei Jezus, ‘terwijl u een leraar van Israël bent? 11 Waarachtig, ik verzeker u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet. 12 Wanneer jullie me niet geloven als ik over aardse dingen spreek, hoe zouden jullie me dan geloven als ik over hemelse dingen spreek? 13 Er is toch nooit iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon? (NBV)

Een stiekemerd, is dat een juiste benaming voor Nicodemus? Van Nicodemus worden in de eerste zin van dit verhaal twee dingen verteld. Hij was een Farizeër en hij was een van de Joodse Leiders. Dat laatste betekent dat hij lid was van het godsdienstig bestuur van Israël, het Sanhedrin. Van dat Sanhedrin wordt op een aantal plaatsen in de Evangeliën verteld dat zij wegen zochten om Jezus ter dood te laten brengen. Uiteindelijk zouden ze Jezus gevangen nemen en overleveren aan de Romeinen om gekruisigd te worden. In een dergelijk dreigend klimaat ligt het niet voor de hand om openlijk naar Jezus toe te gaan om eens serieus met hem te praten. Bovendien was die Jezus van Nazareth de hele dag bezig zieken te genezen en wonderen te doen. En die Nicodemus had een paar serieuze vragen.

En als Nicodemus zijn vragen gaat stellen dan wordt het schijnbaar een raar verhaal. Volgens Nicodemus neemt Jezus een uitzonderingspositie in tegenover alle andere gelovigen. God heeft deze Jezus van Nazareth gezonden en helpt hem met het doen van zijn wonderen. Maar Jezus verwerpt deze uitzonderingspositie. Iedereen kan dit maar je moet een ander mens worden, opnieuw geboren worden als het ware. Maar echt opnieuw als een baby ter wereld komen kan natuurlijk niet. Dat is ook niet wat Jezus bedoeld. Maar je moet eerst in bad en dat kennen we zelfs in onze dagen, een douche, een bad, een zwempartij kan je als een nieuw mens doen voelen. Jezus was gedoopt in de Jordaan juist om op die manier opnieuw te beginnen met de God van Israël. Bij hem daalde toen de Geest van God op hem neer. Veel later zou die Geest van God ook op de leerlingen neerdalen. Die konden toen ook genezen en wonderen doen.

Wij doen ook vaak dingen in de Geest van.., van je ouders bijvoorbeeld, of van iemand die je held is, die je bovenmatig bewondert. In de Geest van Rutte kom je op voor de grote ondernemers. In de Geest van Renske Leijten strijd je tegen het onrecht dat onder meer door de overheid wordt aangericht. Het is goed om jezelf bewust te maken in wiens Geest je eigenlijk handelt. Wie neem je als voorbeeld, als inspiratiebron. Gelovigen in Jezus van Nazareth proberen in zijn Geest te handelen. Ze geven de hongerigen te eten, kleden de naakten, zorgen dat mensen beschermd worden tegen ziekten door op Giro 555 te storten zodat ook de armsten gevaccineerd kunnen worden. Ze helpen de gevangenen, via Amnesty Internationaal bijvoorbeeld. Ze doen allemaal iets anders want de Geest waait waarheen die wil maar samen kunnen we vertellen dat al dat werk voor de minsten de wereld toch een betere wereld maakt, zonder oorlog, zonder geweld en onderdrukking, zonder uitbuiting en discriminatie. Je kunt er elke dag ook aan mee doen,.

Ons leven sparen

Deuteronomium 6: 13-25

13 Heb alleen ontzag voor de HEER, uw God, dien hem en zweer alleen bij zijn naam. 14 Laat u niet in met de goden van de omringende volken; 15 u zou daarmee de toorn van de HEER over u afroepen en hij zou u van de aardbodem wegvagen. Want de HEER, uw God, die in uw midden is, duldt geen andere goden naast zich.16 Stel hem niet op de proef, zoals u bij Massa deed.17 Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de HEER, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na 18 en doe wat goed is in zijn ogen. Dan zal het u goed gaan en kunt u het goede land in bezit nemen dat hij uw voorouders onder ede heeft toegezegd. 19  Al uw vijanden zal hij voor u op de vlucht drijven, zoals hij heeft beloofd. 20 Wanneer uw kinderen u later vragen: ‘Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels die de HEER, onze God, u heeft voorgehouden?’21 geef dan dit antwoord: ‘Wij waren in Egypte slaven van de farao, maar met sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte bevrijd. 22 Wij zagen met eigen ogen hoe hij tekenen en indrukwekkende wonderen deed, die groot onheil brachten over de Egyptenaren, de farao en zijn hof. 23 Maar ons leidde hij weg uit Egypte, om ons hierheen te brengen en ons het land te geven dat hij onze voorouders onder ede had beloofd. 24 Daarom gebood de HEER, onze God, ons al deze wetten na te komen en ontzag voor hem te tonen. Dan zou het ons goed gaan en zou hij ons leven sparen, zoals hij tot nu toe heeft gedaan. 25 Als wij voor het oog van de HEER, onze God, deze geboden altijd naleven, zoals hij ons heeft opgedragen, zal het ons ten goede worden aangerekend.’(NBV)

Het gedeelte dat we vandaag lezen zou gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden. Zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het stuk vertaalt zou je de indruk kunnen krijgen dat er sprake is van een soort van voor wat hoort wat. Als wij nu maar die wetten houden dan krijgen we daarvoor in ruil dat het goed met ons gaat. Maar het sleutelwoord in dit Bijbelgedeelte is het leven. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat “zou hij ons het leven sparen”, vanaf de Statenvertaling werd vertaald: “om ons in het leven te behouden”. Ook in die vertaalkeuzes wordt de indruk van een voor wat hoort wat gewekt. Als wij die geboden niet houden dan zal God ons doden.

De Naardense Bijbel vertaalt het Hebreeuws wat nauwkeuriger en daar staat: “om ons te doen leven” en dat geeft de bedoeling van dit Bijbelstuk beter weer. Als onze kinderen vragen waarom we niet in de eerste plaats voor onszelf zouden moeten zorgen maar onze naaste lief moeten hebben als onszelf dan is het antwoord dat we daardoor meer gaan leven. Niet God brengt, als een soort wraak, de dood als we de geboden niet houden, maar het niet houden van de geboden is in zichzelf een dodelijke en dodende zaak.

We lezen niet voor niets over de uittocht uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Beide situaties waren levensbedreigend. Zonder de bevrijding en zonder de Tora die daar werd ontdekt zou het volk zijn uitgestorven. Wij spreken bij onderdrukking en slavernij ook wel eens over monddood. Elke levendigheid verdwijnt uit een samenleving. Pas als de mensen onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen en bereid zijn alles wat ze hebben met elkaar te delen dan pas is overleven en is echt leven mogelijk. Daarom is onze keuze elke dag opnieuw voor het leven, ook vandaag weer.

 

Luister

Deuteronomium 6:4-12

4 Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! 5 Heb daarom de HEER, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. 6 Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. 7 Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. 8 Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. 9 Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. 10 Straks brengt de HEER, uw God, u naar het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd. U krijgt daar grote, mooie steden, die u niet zelf hebt gebouwd, 11  huizen vol voorraden, die u niet hebt aangelegd, regenputten, die u niet hebt uitgehouwen, en wijnstokken en olijfbomen, die u niet hebt geplant. Als u daar in overvloed leeft, 12 zorg er dan voor dat u de HEER niet vergeet, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. (NBV)

Heel het boek Deuteronomium is gecomponeerd als een toespraak van Mozes vlak voor het volk het beloofde land binnentrekt. Mozes zelf zal daar niet bij zijn maar geeft een nog een aantal laatste raadgevingen mee voor het leven in het nieuwe land. In dit gedeelte wordt nog het meest uitdrukkelijk naar voren gewezen. De overvloed waarin het volk zal gaan leven heeft het niet aan zichzelf te danken. Het was een volk van slaven, gevlucht uit Egypte en in het land gekomen na een lange, zeer lange, tocht door de woestijn. Het is een waarschuwing die wij ons ook wel eens ter harte mogen nemen. De welvaart en de rijkdom vernieuwd moet worden.

We beseffen nu dat het delen met anderen zo hier en daar in de wereld ook vrucht afwerpt, nu lijken we te vergeten dat we die rijkdom niet aan onszelf te danken hebben maar dat we die hebben gekregen van de generaties voor ons, generaties die met vallen en opstaan, met strijd soms, de Weg probeerden te volgen van Jezus van Nazareth en zich zijn oproep om de naaste lief te hebben als zichzelf eigen probeerden te maken. Het verhaal van de geschiedenis van onze rijkdom laat zich vertellen zoals Mozes hier het verhaal van het bereiken van het beloofde land vertelt. Centraal staat de oproep van Mozes om in dat nieuwe land niet de goden van omringende volken na te lopen. Bij ons heten het geen goden van omringende volken maar economische theorieën van de geleerden van de rijken. De goden van markteconomie, de goden van winst en profijt, de goden van goud en beloften.

Waarom mogen banken en financiële instellingen niet van ons allemaal zijn? Dat we de rijkdom ook nog zouden moeten willen delen met de armsten in de wereld raakt bijna geheel achter de horizon van het hedendaagse herstelbeleid. We horen nog wel over de klimaatcrisis omdat we daar direct zelf last van hebben, maar de voedselcrisis in de wereld is geen letter in een krant of een minuut op tv meer waard. Juist in een land vol rijkdom en welvaart zou de God van Israël extra centraal moeten staan, daar waar gedeeld wordt met de armsten worden ook de vijanden verjaagd, ook in onze dagen. Daarom zullen we ook vandaag de waarschuwingen van Mozes ter harte moeten nemen.