Recht en vrede begroeten elkaar

Psalm 85

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 U bent uw land genadig geweest, HEER, u keerde het lot van Jakob ten goede, 3 nam de schuld van uw volk weg en bedekte al zijn zonden. sela 4 U bedwong uw woede en wendde u af van uw brandende toorn. 5 God, onze helper, keer tot ons terug, onderdruk uw afschuw van ons. 6 Wilt u voor eeuwig uw toorn laten duren, verbolgen zijn van geslacht op geslacht? 7 Breng ons weer tot leven, dan zullen wij ons in u verheugen. 8 Toon ons uw trouw, HEER, en geef ons uw hulp. 9 Ik wil horen wat God ons zegt. De HEER spreekt woorden van vrede tegen zijn volk, zijn getrouwen. Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid! 10 Voor wie hem eren is zijn hulp nabij: zijn glorie komt wonen in ons land, 11 trouw en waarheid omhelzen elkaar, recht en vrede begroeten elkaar met een kus, 12 uit de aarde bloeit de waarheid op, het recht ziet uit de hemel toe. 13 De HEER geeft al het goede: ons land zal vruchten geven. 14 Het recht gaat voor God uit en baant voor hem de weg. (NBV)

Vandaag zingen we een lied dat in twee delen uit elkaar valt. Eerst is er een gebed van het volk, dan klinkt de verkondiging van de boodschap van de Bijbel. Je hoort het op deze manier ook in veel kerken. De gemeente bidt samen en dan wordt de boodschap verkondigd. Maar wat wordt er dan gebeden en wat wordt er dan verkondigd? Een heel andere vraag is natuurlijk wat we er aan hebben. Het was in elk geval een lied dat in de Tempel gezongen werd. Het kwam van een zanggroep in de Tempel, de Korachieten. In de Tempel werd de Tora, de richtlijn van eerlijk delen bewaard. Wij hebben het vaak over een Tempel van God maar een beeld van God was er niet te vinden, alleen die Tora. Volgens die richtlijn moest elke gelovige een paar keer per jaar naar de Tempel om daar samen met de familie, de armen, de vreemdelingen en de dienaren van de Tempel een maaltijd te houden. Deden ze dat dan zou God weer voor hen zorgen.

Iedereen snapt wel dat bij het volgen van die richtlijn het gemakkelijk mis kon gaan. Alles delen wat je hebt, je naaste liefhebben als jezelf, zorgen voor de armen en de zwakken in de samenleving, de vreemdelingen opnemen, het is maar aan weinigen gegeven om daar dag in dag uit voortdurend mee bezig te zijn. Daarom die maaltijden bij de Tempel, dan kon je weer opnieuw beginnen. En daar gaat in dit lied het gebed over. In het verleden was God wel eens boos op zijn volk geweest maar iedere keer als het zich weer tot de Tora, de richtlijn van eerlijk delen had gewend was God een nieuwe weg met het volk ingeslagen. Dat mag dus gerust nog eens gevraagd worden. En dan volgt de boodschap, het verhaal van de Bijbel. Je mag er van uit gaan dat God vrede wil, dat God zorgt voor mensen die de vrede willen stichten, die goed willen doen, die trouw willen blijven aan de zorg voor de minsten, die zorgen dat gerechtigheid en vrede elkaar ontmoeten.

Je mag er dus van uit gaan dat recht wordt gedaan aan mensen zonder ze te onderdrukken. Dat recht voor mensen daar gaat het per slot om. En wat hebben we daar vandaag nog aan? Nou, dat er oorlog is hoeft ons niet tegen te houden om vrede te stichten. Er is altijd oorlog geweest en misschien zal er nog heel lang van tijd tot tijd oorlog uitbreken. Vast staat dat als wij mee willen doen in het verhaal van God wij in elk geval vrede willen stichten. En ook dat er honger is hoeft ons niet tegen te houden. De honger in ons eigen land brengt ons bij de voedselbanken om hen te steunen, donateur worden kan nog steeds, de voedselcrisis in de wereld brengt ons bij de Fair Trade winkels om te helpen eerlijke handelsverhoudingen voor elkaar te krijgen, en bij de organisaties die de directe honger kunnen stillen. Dat er niet voor zieken en stervenden gezorgd kan worden brengt ons regelmatig bij giro 555 of de Wilde Ganzen. Dat het tot nu toe altijd mis is gegaan hoeft ons niet tegen te houden opnieuw te beginnen met gerechtigheid en vrede, we kunnen elke dag opnieuw beginnen, we mogen elke dag opnieuw beginnen, al zingend.

Geloven wat ik zeg

Johannes 5:41-47

41 Niet dat de mensen mij moeten eren, 42 maar ik ken u: u hebt geen liefde voor God in u. 43 Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar u accepteert mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren. 44 Hoe zou u ooit tot geloof kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige God u kan geven. 45 U moet niet denken dat ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. 46 Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. 47 Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat ik zeg?’ (NBV)

Jezus verbiedt vaak de mensen te vertellen wat hij heeft gedaan om ze weer een plek in de samenleving te geven. Hoe kan heet dat blinden zien en lammen lopen. Hoe kan het dat melaatsen door de priesters genezen worden verklaard. Telkens weer wordt Jezus uitgedaagd om te laten zien namens wie hij dat doet. Want er zit een tegenstrijdigheid in het verhaal van Jezus. Iemand die aan de lopende band zieken kan genezen door een hand oplegging hoort op een podium met een trillend hammondorgel op de achtergrond, of met een blauwe jurk aan zodat zelfs het water waarover ze haar hand uitstrekt genezend gaat werken. Mensen die op zulke manier mensen genezen horen een grote bekendheid en beroemdheid te krijgen. Zij doen immers de de wonderen die Jezus ook deed.

Is dat het werk dat Jezus van Nazareth doet? De Evangelist Johannes spreekt niet over wonderen maar over tekenen. En die tekenen staan voor de betrokkenheid van Jezus van Nazareth bij de minsten in de samenleving, de zieken en gehandicapten, maar ook voor de mensen die buiten de samenleving zijn geplaatst, de mensen waarvan we er minder in ons midden zouden willen hebben, de hoeren en de tollenaars, sommigen zouden in onze dagen zeggen de Marokkanen. Daar is Jezus van Nazareth bij uitstek te vinden. Dan is er de God van Israël, die God heeft het volk Israël eerst uit de slavernij van Egypte bevrijdt en later uit de ballingschap weer thuis gebracht.

Te zien is dat Jezus van Nazareth ook de mensen bevrijdt van de slavernij van gewoonte en traditie, niet meer het “hoort zo” staat centraal maar de liefde zoals de God van Israël die heeft voorgeschreven. Als laatste mag je ook de woorden van de profeten nog eens nalezen, profeten die het volk oproepen recht en gerechtigheid te betrachten, mensen tot hun recht te laten komen, niemand uit te sluiten en te zorgen voor de zwaksten. Iedere keer zul je zeggen, ja dat doet Jezus ook, daartoe roept hij ons ook op. Maar als Jezus een mens is die onder ons heeft gewoond dan kunnen wij dat dus ook, dan kunnen wij ook opstaan tegen de samenleving van dood, dan kunnen wij ook mensen bevrijden van uitsluiting en uitbuiting. Elke dag opnieuw mogen we daarmee bezig zijn. Het gaat Jezus om die boodschap, daarbij zet je jezelf niet centraal, en ook God en Jezus van Nazareth niet maar de mens die lijdt. Werk voor ons. Ook vandaag.

Een lamp die helder brandde

Johannes 5:31-40

31 Als ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar, 32 maar iemand anders getuigt over mij, en ik weet dat zijn verklaring over mij betrouwbaar is.33 U hebt boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. 34 Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg dit om u te redden.
35 Johannes was een lamp die helder brandde, en u hebt zich een tijd in zijn licht verheugd. 36 Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat ik doe getuigt ervan dat de Vader mij heeft gezonden. 37 De Vader die mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over mij afgelegd. Maar u hebt zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, 38 en u hebt zijn woord niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die hij gezonden heeft, schenkt u geen geloof. 39 U bestudeert de Schriften en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben. Welnu, de Schriften getuigen over mij,40 maar bij mij wilt u niet komen om leven te ontvangen. (NBV)

Een ingewikkeld stukje vandaag. Mooie theologische taal die de Nieuwe Bijbelvertaling niet heeft weg vertaald en zeker niet dichterbij gewone mensen heeft gebracht. Toch zijn de vragen die hier aan de orde zijn niet onbelangrijk. Als Jezus over zichzelf zou getuigen zou dat volgens de Hebreeuwse wet niet voldoende zijn. Of iets waar is, of gebeurd is moet door twee getuigen worden verklaard. Zeker in deze tijd waarin steeds meer mensen wel willen geloven dat er iets is en dat die Jezus toch wel een aardige vent is. Maar in de God van Israël geloven en in al die verhalen in de Bijbel geloven dat is er niet meer bij. Nu ligt dat niet aan die God of aan die Bijbel maar meer aan al die mensen die zeggen er wel in te geloven. Zij laten een God van Israël zien waar je van rilt en gruwt.

Geen liefhebbende God die zich bemoeit met de steun aan mensen die steun en zorg nodig hebben maar een oordelende God die voortdurend de mensen toeschreeuwt wat ze wel niet allemaal verkeerd doen. Die zogenaamde gelovigen lezen dat allemaal in hun eigen Bijbelvertaling, de eigenlijke Bijbel kunnen ze niet lezen omdat die in Hebreeuws, Aramees en Grieks is geschreven. Nu is dat vervormen van de eigenlijke boodschap tot een eigen boodschap niet nieuw. Dat gebeurde ook al in de dagen dat Johannes zijn Evangelie schreef en daarom heeft Johannes een hoofdstuk opgenomen over de vraag wat je nu eigenlijk gelooft als je in Jezus van Nazareth gelooft. Jezus heeft dus zelf niet beweerd dat hij de Messias, de bevrijder van Israël was. Hij heeft van zichzelf ook niet gezegd dat hij de Zoon van God was die in de Hebreeuwse Bijbel aan de mensen beloofd was.

Als hij dat van zichzelf beweerd had dan hadden we gelijk geweten dat het niet waar kon zijn. Dat geloof in Jezus van Nazareth als de mens die de wil van God heeft doorleefd komt niet van hem vandaan maar ergens anders. In zijn dagen was er Johannes de Doper die de mensen opgeroepen had anders te gaan leven, te gaan leven volgens de wil van God, als je twee mantels hebt geef er dan een aan iemand die er geen heeft. Dat van die mantels is een uitspraak van die Johannes. Volgens Johannes de Doper was Jezus de mens die bij uitstek zo leefde. En die doper had Jezus al aangewezen als de bevrijder van Israël. Toen Johannes werd vastgezet nam Jezus zijn werk over, en na zijn tijd gaf hij zijn leerlingen de opdracht dat werk voort te zetten, een opdracht die voor ons allen geldt.

 

Ik oordeel naar wat ik hoor

Johannes 5:19-30

19 Jezus reageerde hierop met de volgende woorden: ‘Waarachtig, ik verzeker u: de Zoon kan niets uit zichzelf doen, hij kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier. 20 De Vader heeft de Zoon immers lief en laat hem alles zien wat hij doet. Hij zal hem nog grotere dingen laten zien, u zult verbaasd staan! 21 Want zoals de Vader doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie hij wil. 22 De Vader zelf velt over niemand een oordeel, maar hij heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd. 23 Dan zal iedereen de Zoon eer betuigen zoals men de Vader eert. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet die hem gezonden heeft. 24 Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven. 25 Ik verzeker u: er komt een tijd, en het is nu al zover, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie hem horen, zullen leven. 26 Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo heeft ook de Zoon leven in zichzelf; dat heeft de Vader hem gegeven. 27 En omdat hij de Mensenzoon is, heeft hij hem ook gezag gegeven om het oordeel te vellen. 28 Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen 29 en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden. 30 Ik kan niets doen uit mijzelf: ik oordeel naar wat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig omdat ik mij niet richt op wat ik zelf wil, maar op de wil van hem die mij gezonden heeft. (NBV)

Er is een uitspraak in de Bijbel die zegt dat de God van Israël een God van levenden is en niet een God van doden. In de Heidense godsdiensten van bijvoorbeeld Egypte en van de Grieken en Romeinen speelden dodenrijken een grote rol. In de godsdienst van Israël niet. Volgens Genesis had God de mens gemaakt uit rode klei van de aarde en als de mens dood ging dan zou de mens weer de stof worden waaruit de mens was gemaakt. Leven was gekomen omdat God zijn adem in de mens had ingeblazen en de Prediker had er nog eens op gewezen dat de adem van God weer naar God terugkeerde als de mens dood ging. Van een leven als mens na de dood was dan ook geen sprake. Wel was er een opvatting over een opstanding van de doden op, wat profeten hadden genoemd, de dag des Heren. Een deel van de Joodse religieuze elite, de Sadduceeën, geloofde dan ook niet in die opstanding van de doden. In de loop van de geschiedenis was het gewone volk de traditionele opvatting als oneerlijk gaan beschouwen. Het volk was zo wreed onderdrukt geweest, zoveel onschuldige mensen waren omgebracht om de macht van wrede heersers te verstevigen, dat men het ongestraft blijven van dit onrecht zelf als onrecht was gaan beschouwen.

In het boek Daniël is een visioen terecht gekomen dat aan de behoefte tegemoet komt om de slachtoffers van onrecht en onderdrukking recht te doen. De dag waarover profeten hadden gesproken waarop de God van Israël een oordeel over de onderdrukkers zou vellen en die zou komen brandend als een oven wordt in Daniël verder uitgewerkt. Daar is sprake van de Mensenzoon die naast God op de troon plaatsneemt en een oordeel velt over de onderdrukkers en beulen van het volk. De onderdrukten en gemartelden zijn daar getuige van en klagen hun onderdrukkers en beulen dan ook aan. Als dat kan, dat de slachtoffers uiteindelijk recht wordt gedaan dan moeten die slachtoffers opstaan uit de dood. Maar dan moeten ook die onderdrukkers en beulen opstaan uit de dood om hun oordeel te kunnen ondergaan. Daar nu gaat het gedeelte van vandaag uit het verhaal van Johannes over. Jezus van Nazareth laat als Zoon van God zien hoe dat oordeel uitpakt. Voor de minsten van het volk, voor de onschuldigen pakt dat zo uit dat hen recht wordt gedaan. Als je daar nu in gaat geloven valt gelijk elke dreiging door onderdrukkers weg. Die winnen uiteindelijk niet en ook als ze je dood weten te maken dan nog zullen zij hun gerechte straf niet ontlopen. Je gaat leven alsof je het eeuwige leven hebt en dat heb je dus dan ook.

Jezus wijst er in dit verhaal van Johannes nog maar eens op dat de God van Israël een God van de levenden is. Tegelijk wijst hij op dat visioen uit het boek Daniël over de Mensenzoon die op de wolken kwam, plaats nam aan de rechterhand van de God van Israël en de macht kreeg het oordeel over goeden en kwaden te vellen. De goeden mogen leven en de slechten ontlopen hun gerechte straf niet. In onze dagen roepen we de geschiedenis graag te hulp om een oordeel te vellen over het slechte. Dat oordeel over mensen en praktijken uit het verleden hebben we kennelijk nodig om het slechte aan mensen en gedrag uit het heden te herkennen. Jezus waarschuwt daar in een ander gedeelte van de evangeliën tegen. Wij zien zo gemakkelijk de splinter in het oog van de ander en vergeten de balk in onze eigen ogen. Natuurlijk is het slecht om een groep Nederlanders en medelanders als groep te veroordelen en te willen kleineren, maar het is ook slecht om geen oog te hebben voor de toekomst van jonge mensen wier ouders uit een heel andere cultuur komen en er niet voor te zorgen dat ook die jonge mensen in onze samenleving tot hun recht kunnen komen en een deel van leven krijgen. Jezus begint dit gedeelte van het verhaal van Johannes met te zeggen dat hij niet anders kan dan zijn Vader doet. Daarmee roept hij ook ons op hem te volgen, hij had een zieke genezen, laten wij zo ook voor de minsten zorgen, of dat de samenleving nu uitkomt of niet, we kunnen niet anders.

 

Wilt u gezond worden?

Johannes 5:1-18

1 Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem. 2 In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. 3-4 Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden.5 Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was. 6 Jezus zag hem liggen; hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ 7 De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’ 8 Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’ 9 En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmat op en liep. Nu was het die dag sabbat. 10 De Joden zeiden dan ook tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, het is niet toegestaan een slaapmat te dragen!’ 11 Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: “Pak uw mat op en loop.”’ 12 ‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze. 13 Maar de man die genezen was kon niet zeggen wie het was, want Jezus was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren. 14 Later kwam Jezus hem tegen in de tempel en toen zei hij tegen hem: ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’ 15 De man ging aan de Joden vertellen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 Het was omdat Jezus zulke dingen deed op sabbat, dat de Joden tegen hem optraden. 17 Maar Jezus zei: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’ 18 Vanaf dat moment probeerden de Joden hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde. (NBV)

Er waren drie feesten waarop het volk Israël moest optrekken naar Jeruzalem: Pesach, het Wekenfeest dat wij kennen als Pinksteren en het Loofhuttenfeest dat niet is overgenomen in de Christelijke feestkalender. Als Johannes ons vertelt dat Jezus ter gelegenheid van een feest naar Jeruzalem optrekt dan zal dat ter gelegenheid van een van de drie feesten geweest zijn. Het is een feest dat verder in het verhaal ongenoemd blijft maar het is aannemelijk dat hier sprake was van het Loofhuttenfeest. Op elk van die feesten was de opdracht om bij het Heiligdom een maaltijd te houden met de familie, de levieten, de armen, de knechten en de slaven en de vreemdelingen. Delen stond dus centraal en de zorg voor de minsten. Maar elk van die feesten moest ook als een Sabbat gevierd worden. Al het werk moest worden gestaakt. Niet alleen door de gelovigen zelf maar ook door het personeel en de slaven en zelfs door de dieren die bij het werk werden gebruikt. Voordat het feest gevierd kon worden bij het Heiligdom moest de gelovige zich eerst reinigen, een ritueel bad nemen.

Zo komt Jezus van Nazareth in dit verhaal van Johannes terecht in een badhuis met vijf zuilengangen. Als we in een dergelijk verband vijf lezen dan denken we gelijk aan de vijf boeken van Mozes, de Tora, waar de voorschriften voor de gelovigen in opgeschreven staan. Dat badhuis had een naam die op twee manieren te vertalen is, als “huis van genade” of als “stromend water” Dat badhuis had kennelijk een geneeskrachtige bron. Soms begon het water te bewegen en als je dan in het water kon springen dan genas je van je ziekten. De genezing zou dan komen omdat de God van Israël door een boodschapper, een engel, het water in beweging zou brengen. Temidden van de zieken, blinden, kreupelen en misvormden ontwaard Jezus in dit verhaal iemand die al net zo lang ziek ligt als het volk Israël nodig had om door de woestijn te trekken van de eerste rustplaats na de uittocht tot aan de laatste rustplaats voor de intocht. Jezus laat zien dat er voor al die zieken, blinden, kreupelen en misvormden een moment komt dat ze kunnen opstaan uit hun doodswoestijn en het land kunnen binnen gaan dat overvloeit van melk en honing.

Maar hoe zit het dan? Het is een feestdag. Een feestdag die als Sabbat gevierd moet worden. Een dag waarop elk werk gestaakt moet worden. Mag het werk van genezing dan wel? Mag de zieke zijn matras oppakken en het leven van elk gezond mens binnengaan? Waar zijn de regels en waar moet men zich aan houden en vooral waar mag je elkaar op aanspreken? Wij denken graag dat Jezus wonderen verrichtte en dat we daarom maar moeten geloven dat hij de Zoon van God was. Maar zo zit het niet. Johannes spreekt niet over wonderen maar over tekenen. En tekenen zijn er om iets duidelijk te maken. De symboliek die we in het verhaal kunnen ontdekken maakt dat nog meer duidelijk. Hier wordt verteld wat de bedoeling is van de feesten waarbij je naar de Tempel moet optrekken. Daarom staat er ook niet bij welk feest het is, het gaat om elk feest. De bedoeling is het beleven van de bevrijding en het gaan leven vanuit de bevrijding. De mens is niet langer slaaf van productie en consumptie, van vruchtbaarheid en welvaart, de mens is bevrijd en daarmee ook bevrijd van ziekte en handicap. Niet langer houden ziekte en handicap de mens op zijn plaats. De mens is daarmee ook geen slaaf meer van de autoriteiten, geen wonder dat die van die bevrijder af willen. Je kunt het risico niet lopen dat mensen zelf zonder regels gaan leven. Ook wij vergeten vaak dat die ene vrije dag in de week ons is gegeven om samen als volk vrij te zijn van alle overheersing. Wij gooien die ene gezamenlijke vrije dag maar over boord. Tegelijk zien we dat de zorg voor zwakken in de samenleving af neemt. Zou daar verband tussen bestaan?

De omtrek van de stad

Ezechiël 48:20-35

20 Het heilige domein dat jullie moeten afzonderen, inclusief de eigen grond van de stad, is dus vierkant en meet 25.000 bij 25.000 el. 21 Wat overblijft aan weerskanten van het heilige domein en de eigen grond van de stad, is voor de vorst: het gebied vanaf de 25.000 el van het heilige domein tot aan de oostgrens, en westelijk vanaf de 25.000 el tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, is voor de vorst. Het heilige domein met het tempelheiligdom bevindt zich in het midden. 22 Afgezien van de eigen grond van de Levieten en de eigen grond van de stad, die midden in het gebied van de vorst liggen, is al het land tussen het gebied van Juda en het gebied van Benjamin voor de vorst. 23 Vervolgens de overige stammen: Benjamin krijgt een deel, van oost naar west. 24 Grenzend aan Benjamin krijgt Simeon een deel, van oost naar west. 25 Grenzend aan Simeon krijgt Issachar een deel, van oost naar west. 26 Grenzend aan Issachar krijgt Zebulon een deel, van oost naar west. 27 Grenzend aan Zebulon krijgt Gad een deel, van oost naar west. 28 Grenzend aan Gad, in het zuiden, loopt de grens vanaf Tamar tot aan het water van Meribat-Kades en dan langs de wadi naar de Grote Zee. 29 Dit is de indeling van het land dat jullie door loting moeten verdelen onder de stammen van Israël-zo spreekt God, de HEER. 30 Dit zijn de omtrekken van de stad. Aan de noordkant meet ze 4500 el. 31 De poorten van de stad zijn genoemd naar de stammen van Israël. Er zijn drie poorten op het noorden: de Rubenpoort, de Judapoort en de Levipoort. 32 Aan de oostkant 4500 el, met drie poorten: de Jozefpoort, de Benjaminpoort en de Danpoort. 33 De zuidkant meet 4500 el, met drie poorten: de Simeonpoort, de Issacharpoort en de Zebulonpoort. 34 De westkant 4500 el, met deze drie poorten: de Gadpoort, de Aserpoort en de Naftalipoort. 35 De omtrek van de stad bedraagt 18.000 el. Voortaan heet de stad: ‘De HEER is daar!’ (NBV)

De Bijbel staat niet los van maatschappelijke discussies die in de samenleving worden gevoerd. In dit slot van het boek van profeet Ezechiël herinnert de profeet zijn volgelingen aan een aantal van die discussies die afgesloten moeten worden voordat aan de terugkeer en de herbouw zou kunnen worden begonnen. Wat is de verhouding tussen Jeruzalem en de Tempel bijvoorbeeld. Daarover zwijgt Ezechiël bijna. Bij de priesters was er een stroming die vond dat er een tempelterrein was waar alleen de gelovigen konden komen, zij die bij het volk behoorden, en dat daaromheen een stad lag waar iedereen mocht komen. Volgens Ezechiël is het zo eenvoudig nog niet. Er zijn priesters en levieten die samen een gebied hebben. Er is een vorst die een gebied moet hebben en er is de stad van een zekere omvang.

Alle gebieden zijn gericht op de Tempel en het verbond van Israël met de God van Israël. Uitdrukkelijk is dat zo met de poorten van de stad. Er zijn twaalf poorten waardoor je de stad kunt uitgaan en ingaan. Die poorten dragen de namen van de stammen van Israël. Als waar is dat Israël een licht is voor de volken dat geven die poorten en de namen van de poorten al aan dat iedereen welkom is. De stammen van Israël zijn immers toonbeelden van gastvrijheid. Niemand wil verweten worden niet gastvrij te zijn. Vanuit Jeruzalem en de Tempel gaan als het ware 12 stralen de wereld in, de hele bewoonde wereld tot aan de einden der aarde. Ezechiël neemt de unieke en exclusieve positie van Jeruzalem en de Tempelberg voor lief. Voor de ballingschap, en daarna ook, zijn er ook andere vormen geweest. Iedere stam had ongeveer haar eigen heiligdom.

Na de splitsing van Israël moest elk van de beide delen toch een eigen heiligdom hebben. Na de ballingschap probeerden de teruggekeerde ballingen de exclusiviteit van het volk vorm te geven door iedereen uit te sluiten die niet de godsdienst bedreven zoals zij dat deden. Die heiligdommen buiten Jeruzalem hadden uiteindelijk tot afgoderij geweest. Elk heiligdom wilde zich onderscheiden van de andere. Maar tijdens de ballingschap waren er Israëlieten achter gebleven. Armen, zwakken, ouderen. Zij hadden zo goed en zo kwaad als het ging de Godsdienst proberen te onderhouden. Na de ballingschap vormden zij het volk van de Samaritanen, met een eigen Heiligdom en alleen de Tora als de leer van God. De profeten en boeken als de Psalmen werden niet erkend. Voor Christenen is in dit gedeelte te lezen dat we inderdaad welkom zijn in de dienst aan de God van Israël, de hongerigen voeden, de naakten kleden en de dorstigen te drinken geven. Dar blijft. Volgens Ezechiël wordt dit door de herbouw van de Tempel alleen maar benadrukt.

 

Dit heilige domein

Ezechiël 48:8-19

8 Grenzend aan Juda, van oost naar west ligt het domein dat jullie moeten afstaan, 25.000 el breed en even lang als de andere delen, van oost naar west. In het midden komt het heiligdom. 9 Het domein dat jullie aan de HEER moeten afstaan is 25.000 el lang en 10.000 el breed. 10 Dit heilige domein is bestemd voor de priesters. Aan de noordkant is het 25.000 el lang, aan de westkant 10.000 el breed, in het oosten is het 10.000 el breed en aan de zuidkant is het weer 25.000 el lang. In het midden staat het heiligdom van de HEER. 11 Het heilige gebied is voor de priesters, die nakomelingen van Sadok zijn, die mij trouw bleven dienen en zich niet, zoals de Levieten deden, van mij afkeerden toen de Israëlieten zich van mij afkeerden. 12 Zij krijgen binnen het domein een allerheiligst eigen domein, naast het gebied van de Levieten. 13 De Levieten krijgen een gebied dat grenst aan dat van de priesters en even groot is: 25.000 bij 10.000 el. De hele lengte bedraagt 25.000 el en de breedte 10.000 el. 14 Ze mogen er niets van verkopen of verruilen. Men mag het beste deel van het land niet in andere handen laten overgaan, want het is aan de HEER gewijd. 15 De rest van het gebied van 5000 bij 25.000 el is niet heilig; het is bestemd voor de stad, als woongebied en weidegrond. De stad zelf komt in het midden te liggen. 16 Dit zijn de afmetingen ervan: aan de noordkant 4500 el, aan de zuidkant 4500 el, aan de oostkant 4500 el, en aan de westkant ook 4500 el. 17 De strook weidegrond rondom de stad is in het noorden 250 el breed, in het zuiden 250 el, in het oosten 250 el en in het westen 250 el. 18 Langs het heilige domein blijft aan de oostkant 10.000 el en aan de westkant 10.000 el over. Die stroken lopen langs het heilige domein, en de opbrengst ervan is bestemd voor hen die in de stad werken. 19 Zij zijn het ook die deze grond moeten bewerken. Ze komen uit alle stammen van Israël. (NBV)

Het publiek waartegen Ezechiël spreekt zijn alle ballingen, maar sommige ballingen meer dan andere. De oudsten van het volk komen regelmatig bij hem op bezoek en vragen om raad. En bij die oudsten horen ongetwijfeld ook de Priesters en Levieten. Bij de uitgebreide beschrijving van de plattegrond van de nieuwe Tempel werden al de ruimten op het Tempelcomplex genoemd die bestemd waren voor de dienst door de Priesters en de Levieten. Maar wat nu ht land is verdeeld. Ondanks dat er Priestersteden geweest waren kregen bij de toewijzing zoals Ezechiël die opgesomd had de Priesters en de Levieten geen eigen grond waarmee ze in hum onderhoud zouden kunnen voorzien. Maar alleen offervlees eten maakt de mensen er niet gezonder op. Daarom komt er een stuk heilig domein, bij voorrang bestemd voor de Priesters.

Met die grond kan niet gehandeld worden. Die grond is allerheiligste grond en hoort toe aan de God van Israël zelf. De dienaren van die God, zij die dienst doen in het Heilige en het Allerheiligste in de Tempel kunnen daarvan leven. Wie ploegt er en zaait er dan? Wie weidt de runderen en de schapen die nodig zijn voor het dagelijks voedsel maar ook voor de melk en de wei. De mensen uit de stad staat hier. Soms is de Bijbel heel praktisch. Arbeidsmigranten zijn in dit Israël niet nodig. Het volk komt immers zelf naar de Tempel toe. Ze komen daar om de voorgeschreven offers te brengen. Om ook een maaltijd te houden met de familie, het personeel, de slaven en slavinnen en de vreemdelingen die in hun midden zijn. Dat vee moeten ze eigenlijk zelf meenemen, maar als ze nu heel ver weg wonen dan mogen ze ook hun eigen vee in hun woonplaats verkopen en van de opbrengst in Jeruzalem de voorgeschreven offerdieren kopen. Dat brengt al een levendige handel in Jeruzalem.

Maar wie zou stadsbewoners verhinderen om zich te verhuren om het gebied van de Priesters te onderhouden. Om daar tegen een vergoeding van Pelgrims, te zaaien en te maaien. Maar ook te zorgen voor het eigen vee van de Priesters. Dat brengt melk op en wei. Schapen worden geschoren en leveren zeer nuttige wol. Runderen hebben eem huis waar je leer van kunt maken. Zo kun je ook bomen aanplanten. Niet alleen vruchtbomen maar ook snelgroeiende bomen waarvan het hout gebruikt kan worden om te verwarmen, om meubels en gebruiksvoorwerpen van te maken. Voor de zorg voor de Priesters zijn in de stad dus ook ambachtslieden nodig die voor onderhoud, voor de verwerking van de producten en daarmee voor een aangenaam leven van de Priesters werken. De stad krijgt daarmee een heilige economie die in haar geheel draait om de aanbidding van de God van Israël en het onderhouden van het verbond met die God. Onze kerken lijken soms wel op die stad. Er moet worden schoongemaakt, gestookt en apparatuur onderhouden en bediend. Wij trekken daarvoor vrijwilligers aan. Hoe meer vrijwilligers hoe hechter de gemeenschap. Wat doe jij eigenlijk binnen je eigen geloofsgemeenschap?

Dit zijn de grenzen van het land

Ezechiël 47:13–48:7

13 Dit zegt God, de HEER: Dit is de grens waarbinnen jullie het land als erfelijk bezit mogen verdelen onder de twaalf stammen van Israël-Jozef krijgt meer dan één gebied. 14 Jullie zullen het in bezit krijgen, ieder evenveel, het land dat ik onder ede aan je voorouders beloofd heb. Dit land zal jullie als bezit ten deel vallen. 15 Dit zijn de grenzen van het land. Aan de noordkant: van de Grote Zee, over de weg naar Chetlon tot men komt bij Sedad, 16 langs Hamat, Berota en Sibraïm, dat tussen de gebieden van Damascus en Hamat ligt, naar Chaser-Hattichon, aan de grens van Hauran. 17 De grens loopt dus van de zee naar Chasar-Enon, op de grens met Damascus; ten noorden ligt het gebied van Hamat. Dat is de noordgrens. 18 Aan de oostkant loopt de grens tussen Hauran en Damascus, tussen Gilead en het land Israël, langs de Jordaan tot aan de Oostelijke Zee, en verder tot Tamar. Dat is de oostgrens. 19 Aan de zuidkant loopt de grens van Tamar tot aan het water bij Meribat-Kades, en dan langs de wadi naar de Grote Zee. Dat is de zuidgrens. 20 En aan de westkant wordt de grens gevormd door de Grote Zee, vanaf de zuidgrens tot het punt ter hoogte van Lebo-Hamat. Dat is de westkant. 21 Dit land moeten jullie onder elkaar, onder de stammen van Israël, verdelen. 22 Verdeel het door loting onder elkaar en onder de vreemdelingen die bij jullie wonen en kinderen verwekt hebben. Die gelden als geboren Israëlieten, en net als jullie zullen ook zij bij de stammen van Israël bezit krijgen. 23 Een vreemdeling moeten jullie zijn bezit geven bij de stam waar hij woont-spreekt God, de HEER. 1 Dit zijn de namen van de stammen: In het uiterste noorden, langs de weg naar Chetlon, Lebo-Hamat en Chasar-Enon, bij de grens met Damascus in het noorden, aan de kant van Hamat, krijgt Dan zijn deel, van de oost- tot de westgrens. 2 Grenzend aan Dan krijgt Aser een deel, van oost naar west.3 Grenzend aan Aser krijgt Naftali een deel, van oost naar west. 4 Grenzend aan Naftali krijgt Manasse een deel, van oost naar west. 5 Grenzend aan Manasse krijgt Efraïm een deel, van oost naar west. 6 Grenzend aan Efraïm krijgt Ruben een deel, van oost naar west. 7 Grenzend aan Ruben krijgt Juda een deel, van oost naar west. (NBV)

We vragen ons wel eens af wat we nu hebben aan het lezen een leren van die oude verhalen uit de Bijbel, de Joodse Bijbel waaruit we vandaag ook lezen, en het Nieuwe Testament dat het verbond van Israël met God uitbreid naar de Heidenen. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgen we een beetje antwoord. Vraag je bijvoorbeeld eens af wat er zou moeten gebeuren als wij in onze tijd situaties tegenkomen die we ook uit de Bijbel kennen. Soms is dat gemakkelijk: wie honger heeft moet te eten krijgen, wie gevangen zit moet bezocht worden, enzovoorts want de lijst uit de bijbel is net zo lang als de lijst die in onze dagen het opschrift Compassie, medeleven, heeft gekregen. In de Bijbel krijgen de gelovigen de opdracht om te zorgen voor de voedselvoorziening voor allen, voor het voorop stellen van de zwakken en de minsten in het alledaagse, om hen gaat het. Het gedeelte dat we vandaag lezen is wat moelijker. We moeten ons eerst weer weten te herinneren waar we eigenlijk aan het lezen zijn.

Daarin hebben Christenen het moeilijker dan de Israëlieten. Christenen hebben de neiging om de Bijbel te lezen als een geschiedenisboek en dat is de Bijbel nu net niet. Profeten zijn ook geen toekomstvoorspellers maar maken duidelijker waar de manier van leven van het volk op uit zou kunnen lopen. Daar houdt ook Ezechiël zich mee bezig. Hij zat in een toch wel heel moeilijke situatie. Zijn volk was afkomstig uit het land Palestina, maar dat volk was gevangen genomen en werkte nu voor een overwinnaar. Eén van de wereldmachten maar wel die macht die gewonnen had. In die ballingschap was het volk zich gaan afvragen hoe dat toch kon die ballingschap. De God van Israël had toch beloofd dat ze hun land eeuwig zouden houden. Klopt had Ezechiël gezegd. Als jullie weer een volk zijn dat het verbond houdt, dat deze God als enige God erkent dan ontstaat weer een volk dat een licht kan zijn voor de andere volken. Ezechiël had vervolgens uitgebreid geschreven over de mogelijke terugkeer.

Zou dat dwarse volk toch echt eens een begin maken met het verbond dat ze met die God hadden gesloten. Dan werd het volk weer volk van God. We hebben gelezen over de robuuste Tempel die gebouwd zou worden. Maar wat had je aan een Tempel waar geen beeld in stond. Het antwoord van Ezechiël was dat van die Tempel de vruchtbaarheid zou uitgaan en vandaag legt hij uit dat ook die God zich dan aan het verbond zou houden. Toen ze als een bevrijd slavenvolk het land Israël in ontvangst hadden genomen had hun leider Jozua het land verdeeld over de families van Israël. Dat was een nieuw verbond. Ezechiël schetst nu hoe het dat zal gaan als het aan die God ligt. De families krijgen hun grond weer terug. De ballingen herinnerden dat beloofd was dat elke familie elke 50 jaar het door God aangewezen grond zou terugkrijgen. Nu zouden ook de vreemdelingen daarin meedelen. In onze tijd Zou je kunnen zeggen dat arbeidsmigranten en vluchtelingen mee delen in het aantal huizen dat beschikbaar is voor verdeling. Ze dringen niet voor. Ze horen er bij. Zo mogen ook wij in onze situatie kijken naar wat de Bijbel ons eigenlijk voor houdt.

Begrijpen jullie deze gelijkenis niet?

Marcus 4:13-20

13  Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen? 14  De zaaier zaait het woord. 15 Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. 16  Anderen zijn als het zaad dat op rotsgrond is gezaaid: wanneer zij het woord hebben gehoord, nemen ze het meteen met vreugde in zich op, 17  maar in hen schiet het geen wortel, ze zijn te oppervlakkig, en als ze vanwege het woord worden beproefd of vervolgd, houden ze geen ogenblik stand. 18 Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het woord wel gehoord, 19 maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft. 20  Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig.’ (NBV)

De gelijkenissen van Jezus van Nazareth zijn naast zijn wonderen wel het meest bekend, ook onder mensen die verder niet zoveel weten van het zogenaamde Christelijk geloof en de Evangeliën waarin ze opgeschreven staan. Gelijkenissen zijn verhalen uit het leven van alledag die dat leven zin geven en af en toe boven zich uit tillen. Wie zo af en toe de tuinprogramma’s op de televisie ziet begrijpt wellicht de gelijkenis van de zaaier. Als je een mooie tuin wil dat moet je zorgen dat je vruchtbare grond hebt. Planten neerzetten op een stuk asfalt werkt niet, net als planten op droog zand of op granieten rotsen. In het gedeelte dat we vandaag lezen staat de uitleg van de gelijkenis er bij. Het gaat om het zaaien van het Woord. Nu weten we best dat ook Jezus van Nazareth nog zoiets gezegd heeft als “heb uw naaste lief als uzelf” Maar is dat wat bedoeld wordt met dit woord?

Het lijkt er wel op. Nu komt dat Woord over het liefhebben van je naaste uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, de Tora heten die boeken samen. Toen de Romeinen die boeken gingen lezen dachten ze dat de inhoud van die boeken wel erg veel leken op de Romeinse Wetten. Er staan straffen in als je niet doet wat er staat, er worden strafprocessen beschreven en vrijplaatsen benoemd. Er staat in waar rechters vandaan komen en noem maar op. Geen wonder dat de Romeinen over die boeken gingen spreken als over de Wetten van Mozes. Die zou die Wetten van de God van Israël hebben gekregen. Maar de schrijvers van de Hebreeuwse Bijbel zelf schreven niet over de Wetten van Mozes maar over het onderricht van Mozes, of de leer van Mozes. Die zou hij inderdaad van God hebben gekregen. Dat is dus een heel andere benadering. Het volk Israël kreeg dat onderricht toen ze in de woestijn waren. Daar waren ze op weg naar een nieuw land. En waar kregen ze onderricht in? In het inrichten van de nieuwe samenleving als een bij uitstek menselijke samenleving, niet langer zou macht de dienst uitmaken maar Liefde.

In de dagen van Jezus van Nazareth is duidelijk geworden dat die inrichting toch niet helemaal gegaan is zoals het in de leer van Mozes beschreven staat. Er zijn armen en rijken en de rijken buiten de armen uit. Dat is vandaag de dag nog net zo. Jezus van Nazareth geeft daarvoor een verklaring. Als je dat onderwijs geeft zijn er altijd leerlingen die niet opletten. Er zijn er die de leer vertrappen, als je kans ziet dan is zelf rijker worden toch altijd leuker dan te moeten delen met een ander, vluchtelingen moet je niet helpen maar terugsturen. Er zijn ook mensen die het horen maar het niet tot zich laten doordringen, het klinkt mooi maar het heeft geen gevolg. Anderen nemen het in zich op om zich vervolgens met andere dingen bezig te gaan houden, voetballen kan ook leuk zijn, en uit gaan en er mooi uitzien en naar concerten gaan. Dat kost allemaal geld en dat kan je moeilijk delen met de armen. Er zijn maar weinig mensen die hun leven echt in dienst stellen van de armen, de vertrapten, de verdrukten, de mensen zonder recht en gerechtigheid. En die mensen zwijgen er meestal over. Die anderen maken zoveel lawaai dat er in stilte gewerkt wordt aan een menselijke samenleving. Jezus van Nazareth roept op om het niet stilletjes, niet geheim te houden maar je licht er over laten gaan, daar licht de waarheid, de zin van het leven, de toekomst met vrede, waar alle tranen gedroogd zullen zijn.

Onderwijzen

Marcus 4:1-12

1 Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2 Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei: 3 ‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. 8 Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’ 9 En hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ 10 Toen hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de twaalf, stelden ze hem vragen over de gelijkenissen. 11 Hij zei tegen hen: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, 12 “opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen.”’ (NBV)

We lezen vandaag de gelijkenis van Jezus over zaadjes die in de akker vallen en vrucht dragen. Het meest vruchtbaar zijn natuurlijk de vrouwen onder ons. In de Bijbel vindt je veel verhalen over bevrijding die beginnen met verhalen over de vrouwen die daarin een rol spelen. Mozes zou het volk Israel uit de slavernij in Egypte leiden en aan het begin van het verhaal over Mozes gaat het over zijn moeder, zijn zuster en een Egyptische prinses. De zuster van Mozes speelde ook later nog een belangrijke rol. Het verhaal van vandaag is eigenlijk een verhaal over hoop en wanhoop. We hopen natuurlijk allemaal dat ons streven in het leven ook wat opbrengt. Veel mensen zeggen dan dat ze de wereld voor hun kinderen een beetje beter willen achterlaten als ze de wereld hebben aangetroffen.

In het voorjaar is er in een aantal kerken ook nog de biddag voor gewas en arbeid. Voor veel agrariërs breekt de tijd van zaaien en planten aan en de hoop op een goede oogst. Nu de meeste agrariërs verdwenen zijn heeft de kerk daar ook de arbeid bij betrokken. En natuurlijk is het goed om met elkaar af te spreken, en daarbij stil te staan, dat dat zaaien, oogsten en werken tot zegen zal zijn, ofwel ten goede komt aan de armsten in de samenleving. Al die mensen die de biddag voor gewas en arbeid vieren zouden in hun bedrijven en op hun boerderijen kunnen werven voor het leveren van voedsel en geld voor de voedselbanken, zodat de tekorten kunnen worden weggewerkt. Vrouwen weten dat over het algemeen al wel, maar vrouwen moeten vandaag weer eens stilstaan bij wat ze eigenlijk waard zijn. Veel vrouwen stellen zich nog te dienstbaar en onderdanig naar hun mannen op.

Omdat ze vaak zo weinig van zichzelf houden komt er van de liefde voor hun naaste ook maar weinig terecht. En omdat veel vrouwen zichzelf niet echt hoog achten vindt je ook weinig vrouwen op hoge posities. Ook in het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelde en dat wij vandaag lezen wordt er niet anders geoogst dan er is gezaaid. Alleen als er in goede grond is gezaaid dan levert het meer op. In het verhaal van het leven van Jezus van Nazareth is de goede grond de liefde. Pas als er veel liefde is, kan er groei zijn, kan er vrede zijn, kan er heling zijn. Het verhaal van vandaag werd verteld in een boot omdat er zoveel mensen kwamen luisteren. Maar het verhaal gaat eigenlijk over doen. Een vrouwen verhaal, want vrouwen offeren zich op voor hun kinderen, voor hun omgeving, soms voor hun partner. Natuurlijk hoef je er zelf niet beter van te worden van al die zorg, maar hoe meer je van jezelf houdt, hoe meer je laat zien hoeveel een mens waard kan zijn, hoe meer je ook voor een ander kunt betekenen. Dan pas gaat liefde 30, 60 of 100 voud opbrengen, en van zoveel liefde gaat de wereld veranderen.