Iedereen at

Marcus 6:30-44

30 De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden. 31  Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten. 32  Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. 33  Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen. 34  Toen hij uit de boot stapte, zag hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en hij onderwees hen langdurig. 35  Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. 36  Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten te kopen.’ 37  Maar hij zei: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Ze vroegen hem: ‘Moeten wij dan voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?’ 38  Toen zei hij: ‘Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.’ En nadat ze waren gaan kijken wat ze bij zich hadden, zeiden ze: ‘Vijf, en twee vissen.’ 39  Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. 40  Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. 41  Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. 42  Iedereen at en werd verzadigd. 43  Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. 44  Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten. (NBV)

We leven in de vakantietijd. In onze dagen een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen. In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen. In het verhaal van vandaag gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie. Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag.

De leerlingen waren de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen en waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg. De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten. De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken.

Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven. Ook wij gooien zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Zelfs tijdens de crisis gingen we daar mee door. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat aan ons huisvuil wordt verbrand worden hele steden van elektra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten. Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Het hoofd van Johannes de Doper

Marcus 6:14-29

14 Koning Herodes hoorde van hem, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’15  Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia, ‘en weer anderen zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’ 16  Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ 17  Want Herodes had Johannes gevangen laten nemen en hem, aan handen en voeten geketend, laten opsluiten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij getrouwd was. 18  Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ 19  Sindsdien had Herodias het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen, maar ze kreeg er de kans niet toe, 20  want Herodes had ontzag voor Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in bescherming. En hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar hem geluisterd had, bleef hij hem toch graag horen. 21  Op een keer deed zich echter een gunstige gelegenheid voor, toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hovelingen en de hoge militairen en de voornaamste inwoners van Galilea. 22  De dochter van Herodias kwam binnen om voor Herodes en zijn gasten te dansen, wat bij hen erg in de smaak viel. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ 23  En hij bezwoer haar: ‘Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!’ 24  Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25  Haastig ging ze weer naar binnen, stapte recht op de koning af en zei tegen hem: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ 26  Deze vraag bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed had gezworen. 27  Hij stuurde iemand van zijn garde weg met het bevel hem het hoofd te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. 28  Hij bracht het hoofd binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder. 29  Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het in een graf. (NBV)

De Bijbel is zo groot en staat zo vol prachtige verhalen dat het soms lastig is om al die verhalen op de juiste manier te vertellen. In het Nieuwe Testament staan sommige verhalen dan ook nog drie of vier keer op verschillende manieren verteld en dus met verschillende bedoelingen, om ons steeds een ander deel van het verhaal duidelijk te maken. Elke evangelist vertelde het verhaal zo dat de boodschap die ze nodig vonden voor degenen voor wie ze het schreven duidelijk zou worden. Met het verhaal over de onthoofding van Johannes de Doper is dat ook zo gegaan. We kennen natuurlijk het verhaal over koning Herodes die van Johannes de Doper kritiek kreeg op de manier waarop die koning getrouwd was en op verzoek van zijn vrouw en dochter de profeet liet onthoofden en het hoofd op een schaal liet zien. Maar Marcus vertelt het verhaal bijna terloops midden in een ander verhaal.

Marcus heeft het over de leerlingen van Jezus die twee aan twee er op uit gingen, het boze uitdreven en zorgden dat zieken weer mee konden gaan doen met de samenleving. Die manier van optreden van Jezus van Nazareth maakte diepe indruk op de Koning. Die manier van doen maakte dat Jezus van Nazareth ongrijpbaar werd. Niet Jezus van Nazareth als persoon kwam daarbij centraal te staan maar zijn boodschap, het goede nieuws voor de armen. Koning Herodes werd zelfs bang dat die profeet Johannes weer tot leven was gewekt. Die profeet had immers kritiek op de koning geuit ook toen hij al gevangen was genomen en in de boeien was geslagen. Zonder op zijn eigen positie acht te slaan was hij doorgegaan met zijn verkondiging en oproep tot bekering. Jezus van Nazareth had een vergelijkbare weg gekozen, hij had zijn leerlingen er op uit gestuurd. Uiteindelijk zou zijn manier van verkondigen uitlopen op de dood aan het kruis. Maar hij overwon de dood en zijn boodschap, en volgens velen hijzelf ook, overleefde die kruisdood.

Daarom hoeven ook wij dus niet bang te zijn als we het goede nieuws van de bevrijding van de armen blijven rondbazuinen. Steeds weer in de geschiedenis zijn er mensen geweest die de fakkel oppakten en steeds weer zullen er mensen zijn die het verhaal gaan vertellen dat Liefde uiteindelijk regeert en dat recht en gerechtigheid reële mogelijkheden zijn voor het dagelijks leven. Soms moesten die mensen dat met hun leven bekopen, wij denken deze week natuurlijk aan Peter R. de Vries. Maar ook zijn boodschap overleeft het tot op jaren na deze. Als je die boodschap van liefde centraal stelt maakt het ook niet uit wat er met jezelf gebeurt, je zaait en er zal geoogst worden. Vandaag mogen wij die volgelingen van Jezus van Nazareth zijn die om ons heen het verhaal vertellen, het goede doen voor de minsten in de wereld en daarbij onze overheid het goede voorhouden en niets dan het goede.

Zijn zusters

Marcus 6:1-13

1 Hij vertrok weer en ging naar zijn vaderstad, gevolgd door zijn leerlingen. 2  Toen de sabbat was aangebroken, gaf hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! 3  Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan hem. 4  Jezus zei tegen hen: ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’ 5  Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. 6  Hij stond verbaasd over hun ongeloof. Hij trok rond langs de dorpen in de omtrek en onderwees de mensen. 7 Hij riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten. 8  Hij droeg hun op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. 9  Sandalen mochten ze wel dragen. ‘Maar, ‘zei hij, ‘trek geen extra kleren aan.’ 10  En ook zei hij: ‘Als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist. 11  Maar als jullie ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar jullie willen luisteren, moet je daar weggaan en het stof van je voeten schudden ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ 12  Ze gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, 13  en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen. (NBV)

Als iemand bij je in de buurt is opgegroeid kun je je nauwelijks voorstellen dat die persoon ineens een nationale persoonlijkheid wordt. Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan? Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen? Jezus van Nazareth verbaasde zich over het ongeloof van zijn dorpsgenoten. Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook, zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden. Dat goede nieuws bleef hij brengen, ook in de omgeving. Dat navolgen van Jezus van Nazareth zit dus niet zozeer in het ook gaan doen van wonderen, of het vertellen van mooie verhalen die de mensen nooit eerder hebben gehoord. Het is aandacht vragen voor de minsten langs de kant van de weg, de verschoppelingen van onze dagen.

Altijd zijn er mensen die bereid zijn alles wat ze hebben te delen met iemand die niets heeft. Dat was de vaste overtuiging van Jezus van Nazareth. Om te bewijzen dat hij gelijk had zond hij zijn volgelingen er op uit. Twee aan twee. Op naar mensen die bereid waren met hen te delen, voedsel en onderdak, eerlijke handel, aan die mensen kun je het goede nieuws kwijt dat er een Koninkrijk is waar dat delen de gewoonte van alle dag is, waar je niet bang hoeft te zijn voor veroordelingen maar steeds opnieuw met die gewoonte mag beginnen. Het lukte, ze dreven een hoop gekkigheid uit en zorgden dat veel mensen weer mee konden doen. Het kan dus, als wij volgelingen van die Jezus van Nazareth willen zijn kunnen wij dan ook. Zelfs al ben je gewoon timmerman. We hebben het er vaak over dat we dat visioen van Jezus van Nazareth in onze eigen omgeving gestalte kunnen geven. In het werk in de Fair Trade winkels, als schrijvende voor Amnesty International, als vrijwillige zorgende in een verpleeghuis of ziekenhuis, als  mantelzorger, als actief buurt bewonende in je eigen wijk, in de diaconale activiteiten van de kerk of in zoveel niet te noemen activiteiten die er zijn om de wereld een beter aanzien te geven.

Overal waar er oorlog is of honger, of natuurrampen geweest zijn kom je Nederlandse artsen tegen die niet uit zijn op een glanzende carrière met een hoog inkomen. Ook verpleegkundigen, hulpverleners, timmerlieden, ingenieurs, gepensioneerde managers, landbouwers, tuinders zetten zich zonder betaling of tegen een minimumloon in voor de lijdende medemens in de wereld. Van hen kun je het beste horen wat het betekent dat wij onze landbouw blijven subsidiëren, dat we veel willen blijven verdienen aan de patenten op onze medicijnen, dat we blijven weigeren eerlijke handelsverhoudingen te scheppen. Al die vrijwilligers die er op uit trekken de wereld in brengen het goede nieuws dat er altijd mensen zijn die bereid zijn alles te delen wat ze hebben, in de eerste plaats zichzelf. Ze drijven nogal wat kwaadheid de wereld uit, ze laten zien hoe mensen van verschillende herkomst, cultuur en geloof toch samen kunnen werken en samen het verschil uit kunnen maken tussen leven en dood.  Zelf aan de slag als vrijwilliger in eigen stad of dorp en als ondersteunende van mensen die naar de armste landen gaat kan allebei. Vandaag nog kun je er mee beginnen, je schrijfstok in de hand nemen en een bankrekeningnummer noteren.

Wij vliegen heen

Psalm 90

1 Een gebed van Mozes, de godsman. Heer, u bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht. 2 Nog voor de bergen waren geboren, voor u aarde en land had gebaard- u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. 3 U doet de sterveling terugkeren tot stof en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’ 4 Duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is, niet meer dan een wake in de nacht. 5 U vaagt ons weg als slaap  in de morgen, als opschietend gras 6 dat ontkiemt in de morgen en opschiet, en ‘s avonds verwelkt en verdort. 7 Wij komen om door uw toorn, door uw woede bezwijken wij. 8 U hebt onze zonden voor u geleid, onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat. 9 Al onze dagen gaan heen door uw woede, wij beëindigen onze jaren in een zucht. 10 Zeventig jaar duren onze dagen, of tachtig als wij sterk zijn. Het beste daarvan is moeite en leed, het gaat snel voorbij en wij vliegen heen. 11 Wie kent de kracht van uw toorn, wie vreest oprecht uw woede? 12 Leer ons zo onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult. 13 Keer u tot ons, HEER hoe lang nog? Ontferm u over uw dienaren. 14 Vervul ons in de morgen met uw liefde, laat ons van blijdschap juichen, al onze dagen. 15 Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat u ons kwelde, de jaren dat wij ellende doorstonden. 16  Toon uw daden aan uw dienaren, maak uw glorie bekend aan hun kinderen. 17  Laat ons uw genade zien, Heer, onze God. Bevestig het werk van onze handen, het werk van onze handen, bevestig dat.(NBV)

Het boek van de Psalmen wordt vaak toegeschreven aan de zingende en spelende koning David van wie wordt verteld dat hij als herder op de harp leerde spelen. Maar een aantal van de 150 Psalmen die in dit liedboek zijn verzameld zijn van anderen en dat staat er dan ook bij. Deze psalm 90 wordt toegeschreven aan Mozes. De man die opgroeide in Egypte, moest vluchten naar de woestijn en er uiteindelijk in slaagde het volk uit Egypte te leiden en in het hart de woestijn van God de richtlijnen kreeg waarom het uiteindelijk allemaal draaide. In deze Psalm wordt geen mooi leven beloofd. De beste jaren van ons leven zijn moeite en leed. Heel langzaam wordt de leeftijd die we kunnen bereiken wel wat hoger maar 70 en voor de sterken 80 klinkt nog steeds mooi als je jong bent. Die hoge leeftijd is overigens alleen te bereiken als je een klein beetje aan je gezondheid denkt. Een half uur per dag bewegen, niet roken, matig met alcohol, twee stuks fruit en 200 gram groente en weinig vet en zout. Het is allemaal zo moeilijk niet.

De moeite en leed waarover Mozes het heeft gaat over het volgen van die richtlijnen, het inrichten van een samenleving waarin iedereen mee kan doen. Een samenleving waar gedeeld wordt met de armen, waar recht wordt gedaan aan de minsten, waar de weduwe en de wees worden beschermd. Dat lukte uiteindelijk ook Mozes zelf niet. Van een ander houden als van jezelf is behoorlijk moeilijk als die ander zeer irritant is en het bloed onder je nagels vandaan haalt. Blijf dan maar eens vriendelijk en het echte belang van die ander in de gaten houden. Dat gezond leven om wat ouder te worden is er overigens ook om van jezelf te houden. En als je zo leeft en voor jezelf zorgt is het ook wat gemakkelijker om dat voor een ander te doen. Stiekem toch een sigaretje, of een vette hap doen alleen jezelf de das om. Daar kan je je dan weer schuldig over voelen of last van krijgen. Deze psalm beschrijft het allemaal. Het mooie is natuurlijk dat je elke dag, ja elke minuut weer overnieuw mag beginnen. Daarom kan Mozes vragen om vreugde, het lukt je vast wel een keertje, en ieder die weet wat het is echt wat goeds voor een ander te kunnen doen kent ook de diepe vreugde die dat kan geven.

Het werk van je handen wordt dan bevestigd heet dat in deftige taal. Gaaf, het werkt, het is gelukt zeggen we tegenwoordig. En al is er moeite en leed voor nodig, het is het dubbel en dwars waard. Het is zoveel waard dat het de moeite loont om iedereen op de hele wereld er in mee te krijgen. Het volk Israël was uitgekozen om een voorbeeld te zijn voor alle volken en iedereen kan in het verhaal over het volk van Israël lezen waar en wanneer het goed ging en waar en wanneer het fout ging. Uiteindelijk kwam de hele toen bekende wereld onder Romeinse bezetting. Dat was het teken dat het verhaal van de God van Israël over de hele wereld kon worden uitgedragen. Jezus van Nazareth gaf het laatste voorbeeld dat nog nodig was. Ondanks de moeite en het lijden blijft de liefde toch doorgaan. Die absolute en onzelfzuchtige liefde komt nog het meest tot uitdrukking in zijn weigering een opstand te ontketenen en zijn aanvaarding van de dood aan het kruis. Daardoor kon hij de dood overwinnen en ons tot leven brengen. Elke dag kunnen we ons daarbij aansluiten, ook vandaag weer.

Maar ook ditmaal gaf hij mij gehoor.

Deuteronomium 9:15-29

15 Toen ging ik terug; ik daalde de berg af, die in vuur en vlam stond, en de twee platen van het verbond droeg ik met beide handen. 16 En toen zag ik hoe u tegen de HEER, uw God, had gezondigd: u had een beeld gemaakt in de vorm van een stierkalf. Zo snel was u al afgeweken van de weg die de HEER u gewezen had. 17 Ik heb toen in uw bijzijn de twee platen die ik in mijn handen had, stukgesmeten. 18 Ik wierp me ter aarde voor de HEER, net als de eerste keer, en bleef veertig dagen en nachten zo liggen, zonder iets te eten of te drinken. Dat was omdat u zo zwaar gezondigd had: u had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER en hem daarmee getergd. 19 Ik vreesde de toorn van de HEER, want hij was zo kwaad op u dat hij u wilde uitroeien. Maar ook ditmaal gaf hij mij gehoor. 20 Ik heb toen in het bijzonder voor Aäron gebeden, want ook hem wilde de HEER doden, zo groot was zijn woede. 21 Het bewijs van uw wangedrag, het stierenbeeld dat u gemaakt had, heb ik verbrand en verbrijzeld, versplinterd en verpulverd; het stof dat overbleef heb ik in de bergstroom gegooid. 22 Ook later, in Tabera, in Massa, in Kibrot-Hattaäwa, zou u steeds opnieuw de woede van de HEER wekken. 23 En ook toen de HEER u vanuit Kades-Barnea op weg stuurde met de woorden: ‘Trek op, neem het land dat ik je geef in bezit, ‘verzette u zich nog tegen zijn bevel, in plaats van hem te vertrouwen en te gehoorzamen.
24 Vanaf het moment dat ik met u te maken kreeg, hebt u zich tegen de HEER verzet. 25 Ik had me dus voor de HEER ter aarde geworpen, en bleef veertig dagen en nachten op de grond liggen, omdat hij tot uw ondergang besloten had. 26 En ik bad tot de HEER: ‘Ach HEER, mijn God, spaar toch het volk dat u toebehoort en dat u zelf in uw grootheid hebt gered en met sterke hand uit Egypte hebt weggeleid. 27 Denk terug aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Blijf niet stilstaan bij het halsstarrige, slechte en zondige gedrag van dit volk. 28 Laat de mensen in het land waaruit u dit volk hebt weggeleid, niet kunnen zeggen: “De HEER was zeker niet in staat om ze naar het land te brengen dat hij hun beloofd had. Hij moet hen wel gehaat hebben, dat hij ze hier heeft weggehaald om ze in de woestijn te laten omkomen!” 29 Ach HEER, het is toch het volk dat u toebehoort en dat u door uw grote macht met opgeheven arm hebt bevrijd?’ (NBV)

Dat krijgen van die richtlijnen werd nog een aardige puinhoop. Terwijl Mozes met God samen dat hele stelsel van richtlijnen opstelde, boven op de Berg, was het volk al vast maar zelf begonnen. Wachten duurt vaak te lang. Dat maken wij vandaag de dag ook mee. Terwijl er een dodelijk virus rondwaart waartegen nog maar weinig mensen beschermd zijn wanen wij ons gemakkelijk veilig. Dus niet meer knuffelen, geen begroetingskussen, niet omhelzen en niet samen dichtbij elkaar zijn worden ons te veel. Zeker nu het aantal mensen dat beschermd is stijgt denken we wel op te kunnen houden met alle voorzorgen. En daar gaan dus onnodig weer mensen aan dood of worden zeer lang ziek. Het volk Israël was ook alvast maar begonnen. Terwijl Mozes met God de leer ontwikkelde ging het volk maar vast aan de aanbidding beginnen. In Egypte hadden ze geleerd hoe je een God kon aanbidden. Je zorgde voor een mooi beeld van die God en daar ging je dan aan offeren, danste en speelde je rond om die God aangenaam te stemmen.

Vruchtbaarheid verlangde dit slavenvolk van hun God en een stierkalf brengt vruchtbaarheid, dus dat werd de godsdienst. Geen wonder dat de aanhangers van de God van Israël in de loop van de geschiedenis steeds kwader werden over die aanbidding en het verhaal tegen de aanbidding van stierkalveren steeds feller werd. Kennelijk hadden ook Priesters van de Tempel zich schuldig gemaakt aan de godsdienst voor de stierkalveren want hier wordt verteld dat ook Aäron, broer van Mozes en de eerste Priester, bedreigd was met de dood. In het verhaal uit Exodus 32, waarnaar hier wordt verwezen, lees je dat niet direct. Wel zou je uit de opdracht aan de Levieten om alle aanhangers van de stierkalveren uit te roeien kunnen afleiden dat ook Aäron bedoeld zou moeten zijn omdat die het beeld had gemaakt. Aäron ontsnapte echter, hij zou 40 jaar na de uittocht uit Egypte sterven.

De Levieten zouden in het beloofde land een bijzondere plaats innemen. Zij kregen geen eigen grond maar moesten onderhouden worden door de overige stammen. Zij werden verdeeld over het land en moesten optreden als rechters die de leer van Mozes moesten uitleggen en er op toezien dat die leer nageleefd werd. Ook bij ons is dat wat ons winst belooft, goud en rijkdom, het allerbelangrijkst. Degene die met eigen handen een vermogen weet op te bouwen geniet bij ons het hoogste aanzien, Ook onze welvaart hebben we dus niet aan onszelf te danken maar aan de genade van God die ons blijft oproepen om zijn Weg te volgen, te delen van onze overvloed met de zwaksten en de minsten op aarde. Als we dat kunnen zal het ook onze kinderen en kleinkinderen goed en gaan en zullen ook zij in welvaart kunnen leven. Maar ook nu is God niet af te beelden als vruchtbaarheid of winst en profijt. Ook nu gaat het onze God om de zorg voor de minsten en leven in vrede. Als we de fout in gaan dan is onze God ook in staat ons de kans te geven opnieuw te beginnen. Vandaag beginnen dus.

Luister, Israël!

Deuteronomium 9:1-14

1 Luister, Israël! U staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en hebben grote steden met hemelhoge versterkingen. 2 Onder hen is ook het grote volk van de Enakieten, de beruchte reuzen, tegen wie volgens de verhalen niemand opgewassen is. 3 Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de HEER, uw God, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen uitroeien, zoals de HEER u heeft beloofd. 4 Maar wanneer hij hen zo voor u op de vlucht jaagt, moet u niet bij uzelf denken: We hebben het ook wel verdiend dat de HEER ons hierheen heeft gebracht om ons dit land in bezit te geven. Nee, het is omdat die volken zo slecht zijn dat hij ze voor u verdrijft. 5 Niet uw eigen rechtvaardigheid of uw zuivere geweten geeft u toegang tot hun land. De HEER, uw God, verdrijft die volken voor u omdat ze zo slecht zijn, en omdat hij zich wil houden aan de eed die hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. 6 Onthoud goed dat de HEER u dit goede land niet in bezit geeft omdat u het verdiend hebt, want u bent een onhandelbaar volk. 7 Herinner u hoe u in de woestijn de woede van de HEER, uw God, hebt gewekt. Vanaf het moment dat u Egypte verliet tot uw aankomst hier hebt u zich steeds weer tegen de HEER verzet. 8 Vooral bij de Horeb hebt u hem kwaad gemaakt, zo kwaad dat hij u wilde vernietigen. 9 Ik was de berg opgegaan om de stenen platen van het verbond dat de HEER met u gesloten had, in ontvangst te nemen. Veertig dagen en nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken; 10 daarna overhandigde de HEER mij twee stenen platen, met Gods vinger beschreven. Op die platen stonden alle geboden die de HEER u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeengekomen was. 11 Na veertig dagen en nachten gaf hij mij de twee stenen platen van het verbond, 12 en zei: ‘Haast je naar beneden. Jouw volk, dat jij uit Egypte hebt meegenomen, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die ik hun heb gewezen: ze hebben een godenbeeld gemaakt.’ 13 En de HEER voegde eraan toe: ‘Ik weet inmiddels hoe onhandelbaar dit volk is. 14 Houd me niet tegen: ik roei hen uit, zodat niets op aarde nog aan hen zal herinneren. Maar uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en machtiger is dan dit.’ (NBV)

Opnieuw klinkt aan het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen het dwingende “Hoor Israël, zo wordt het vanouds tenminste vertaald. Het doet gelijk denken aan de geloofsbelijdenis van het volk Israël, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is de enige. Die belijdenis luidt de intocht in het beloofde land in, het oversteken van de Jordaan. Die oversteek zou een belangrijke symbolische betekenis krijgen. Van de woestijn ga je door de rivier het land binnen dat overvloeit van melk en honing. Je gaat als het ware van de dood naar het leven. Dat land van leven krijg je echter niet zomaar. Er wonen meer mensen, reuzen zelfs. En in dat land van leven is het niet vanzelfsprekend dat iedereen mag meedoen, dat er gedeeld wordt van de overvloed met de armen en de zwakken. Integendeel, het is vanzelfsprekend dat ieder voor zich probeert zoveel mogelijk van die rijkdom naar zich toe te halen.

Die manier van leven is echter ten dode opgeschreven, als je zo leeft dan maak je van het land van leven een woestijn van dood. Ooit is hij begonnen met Abraham en diens nakomelingen. Zonder het land te kennen, zonder die God te kennen, trok Abraham uit zijn eigen land en ging op weg naar het land van leven. God had het hem beloofd. De enige God die telde was de God die dat kon beloven. En van een God die dat kan beloven kun je je geen voorstelling maken, die God gaat alle verstand te boven. Maar die God is ook trouw aan wat hij is begonnen, die laat niet los wat hij ooit aanving en het begon immers met de schepping van de chaos tot mensenland, met de scheiding van dood en leven, licht en donker, hemel en aarde. Het land van leven krijg je dus niet omdat je het verdiend hebt, hoe goed je ook je best hebt gedaan, het land van leven krijgen we omdat God genadig is.

Omdat we het land van leven krijgen kunnen we niet anders dan het met iedereen delen. Want doen we dat niet dan wordt het voor sommigen een land van dood en dan is het gelijk niet meer het land van leven. Uiteindelijk zullen daarom alle tranen gewist zijn en zal de dood niet meer zijn. Dat het volk Israël zeker het beloofde land niet aan eigen verdiensten te danken had blijkt nog eens uit de opsomming die Mozes geeft in het gedeelte dat we vandaag lezen. Centraal daarbij staat het verhaal over het gouden stierkalf dat het volk maakte toen ze op Mozes wachtte die op de Berg de stenen platen met de tien geboden aan het halen was. Nu zou je toch denken dat het volk Israël nooit en te nimmer meer een gouden stierkalf zou maken voor hun godsdienst maar als je nu het boek Koningen opslaat, vooral 2 Koningen, dan kom je daar steeds de mededeling tegen dat de godsdienst van Baäl vernietigd wordt maar dat de gouden stierkalveren die werden aanbeden ongemoeid worden gelaten. Net als wij veel geld ophalen voor de armen maar de rijken ongemoeid laten.

Niet hoogmoedig worden

Deuteronomium 8:7-20

7 Straks brengt de HEER, uw God, u naar een goed land, een land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de valleien en op de bergen, 8  een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing, 9  een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. 10 Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft. 11  Zorg ervoor dat u hem niet vergeet, waardoor u zijn geboden, wetten en regels, die ik u vandaag voorhoud, zou veronachtzamen. 12 Wanneer u volop te eten hebt en mooie huizen bouwt om in te wonen, 13 wanneer u steeds meer runderen, schapen en geiten krijgt, steeds meer goud en zilver, wanneer uw hele bezit toeneemt, 14  mag u daardoor niet hoogmoedig worden en de HEER, uw God, vergeten. Was hij het niet die u uit de slavernij in Egypte bevrijdde; 15  die u veilig door die grote, verschrikkelijke woestijn leidde, dat dorre land waar geen water te vinden is en waar giftige slangen en schorpioenen huizen; die voor u water liet ontspringen uit de steenharde rots; 16 die u in de woestijn manna te eten gaf, voedsel dat uw voorouders nog nooit hadden gezien-en dat alles om u zijn macht te laten voelen en u op de proef te stellen, zodat hij u later zou kunnen zegenen? 17 En dan zou u bij uzelf denken: Al die voorspoed hebben we op eigen kracht verworven!? 18 Nee, u moet beseffen dat het de HEER, uw God, is die u in staat stelt om die welvaart te verwerven, omdat hij zich wil houden aan wat hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, zoals hij dat tot nu toe heeft gedaan. 19 Maar als u de HEER, uw God, toch vergeet en achter andere goden aan loopt, ze vereert en voor ze neerknielt-ik waarschuw u op voorhand dat u dan zeker zult omkomen. 20  Het zal u net zo vergaan als de volken die de HEER ter wille van u uitroeit: u zult omkomen omdat u niet naar hem hebt geluisterd.(NBV)

Als je nu zo ongeveer je hele leven in de woestijn hebt rondgesjouwd moet zo’n opsomming van het goede land toch wel een hele bijzondere betekenis hebben. Van alle bevrijde slaven uit Egypte was er niemand meer overgebleven, het volk bestond uit leden van de tweede generatie die nooit anders dan de woestijn had gekend. Voor ons, die leven in een rijk land, lijkt het zelfs wat overdreven met die beken, bronnen en waterstromen in de valleien en op de bergen. Maar voor volken die in de woestijn leven is een overvloed aan water het eerste vereiste voor rijkdom, voor tarwe en gerst, wijnstokken en vijgenbomen, granaatappelbomen, olijven en honing. Maar die rijkdom is gevaarlijk. IJzer en koper in de bodem zodat je wapens kunt smeden, gras in overvloed zodat het vee zal toenemen, je kunt het zelfs verkopen zodat je een hoeveelheid goud en zilver kan verzamelen en mooie huizen kunt bouwen. Want je vergeet zo gemakkelijk dat je ooit een volk van slaven was dat echt bevrijd moest worden, want zelf kon je het niet. Je vergeet zo gemakkelijk dat je door de woestijn bent getrokken waar iedereen aangewezen was op de ander. Als het je zelf goed gaat en je rijkdom steeds toeneemt kun je je bijna niet meer voorstellen dat een ander tegenslagen heeft, misoogsten tegenkomt, ziekte en verkeerde beslissingen kent, waardoor de rijkdom van die ander afneemt in plaats van toeneemt.

Het leven zelf kan een dorre woestijn lijken dat niets te bieden heeft. Dan ben je eens te meer aangewezen op de saamhorigheid van anderen. Dan kom je pas tot je recht als anderen je tot je recht laten komen. En alleen als iedereen beseft dat die rijkdom niet door eigen verdienste is gekomen, maar van God afkomstig is, is er de kans dat net als toen in de woestijn mensen bereid zijn alles met elkaar te delen, desnoods zichzelf. Ook in onze dagen zien we de uitwassen van wat er kan gebeuren als mensen de voorspoed waarin ze leven aan zichzelf toeschrijven. Bankdirecteuren die vergeten dat hun banken alleen bloeien als de gebouwen schoon gehouden worden, als de telefoon op tijd wordt opgenomen, als de beveiliging bewaakt, als de software loopt en de computers functioneren. Daar hebben ze mensen voor aan laten nemen door afdelingen personeelszaken, tegenwoordig de afdeling menselijke bron genoemd. Daar zijn mensen voor opgeleid door bekwame scholers. En al die mensen die gewerkt hebben voor die bankdirecteuren doen dat niet alleen om het geld dat hen als loon in het vooruitzicht is gesteld maar omdat ze van dat werk houden, omdat ze er een eer in stellen dat werk goed te doen en met zoveel mogelijk resultaat.

Geen bankdirecteur kan zijn personeel verleiden om zich maximaal in te zetten zonder bereid te zijn zijn eigen beloning te delen. Wie doet alsof de winst van een bedrijf alleen aan de directie of de leiding te danken is maakt een grote vergissing en heeft geen oog voor de zwaksten in de wereld. In elk bedrijf zijn het de zwaksten die het succes van het bedrijf bepalen. Hun inzet levert uiteindelijk dat op wat het bedrijf aanzien geeft. Daar waar dat vergeten wordt gaat een bedrijf ten onder. Een bedrijf dat leeft van dienstverlening voor klanten, een bank bijvoorbeeld, en die klanten alleen als objecten van winst ziet, gaat ook ten onder. Op korte termijn zal er veel winst binnen lijken te komen, op de lange termijn zal blijken dat die klanten snel zijn uitgeput en bezwijken onder de last die hen is opgelegd in plaats van door de dienstverlening zo te zijn gesterkt dat ze nog meer kunnen opleveren. Daarom moet je nooit vergeten dat alles wat je inzet en ijver oplevert ook door een ander is voortgebracht. Niets heb je alleen en is alleen door je eigen verdienste verworven. Natuurlijk mag je blij en trots zijn op wat je zelf aan aandeel hebt maar je kunt pas echt blij zijn als je weet te delen met hen die  het niet voor elkaar gekregen hebben. Dat is de Weg van de God van Israël die onze God ook in een land van overvloed van ons vraagt om te gaan, dat is de Weg naar een ideale samenleving, elke andere weg loopt dood.

 

Van brood alleen

Deuteronomium 8:1-6

1 Leef alle geboden die ik u vandaag voorhoud strikt na. Dan zult u in leven blijven, in aantal toenemen en het land dat de HEER uw voorouders onder ede heeft beloofd, binnengaan en het in bezit nemen. 2 Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen, om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet. 3 U hebt zijn macht leren kennen: hij liet u honger lijden en gaf u toen manna te eten, voedsel dat u nooit eerder had gezien en uw voorouders evenmin. Zo maakte hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van de HEER voortbrengt. 4 Veertig jaar lang raakten uw kleren niet versleten en zwollen uw voeten niet op. 5 Laat ieder van u dan beseffen dat de HEER, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt. 6 Leef daarom zijn geboden na door de weg te volgen die hij u wijst en door ontzag voor hem te tonen.(NBV)

“Een mens leeft niet van brood alleen maar van alles wat de mond van de Heer voortbrengt”, staat er in het stuk dat we vandaag lezen. Maar wat brengt de mond van de Heer dan wel voort? Heel vaak wordt er dan gezegd dat het iets geestelijks is. Iets dat je nauwelijks onder woorden kan brengen en dat je zeker niet kunt vastpakken. Zoiets als de wind, of het vuur dat geen vorm heeft. Maar als je kijkt waar dit gedeelte over gaat dan wordt het toch een heel stuk tastbaarder. Dit gedeelte gaat over de richting die God heeft aangegeven. Die richting laat zich onder woorden brengen in het “heb Uw naaste Lief als Uzelf”, die kant moet het op met onze samenleving. Pas als je onvoorwaardelijk op elkaar weet te bouwen dan kun je de woestijn overleven. Dat bleek al bij het manna dat het volk in de woestijn vond. Als Mozes niet geweten had wat het was en dat je het zou kunnen eten dan zou het volk verhongerd zijn. Maar vertrouwen op iemand als Mozes lag niet voor de hand. Telkens was het volk tegen zijn leiding in opstand gekomen. Telkens ook had het het voortbestaan van het volk in gevaar gebracht. Vaak waren er doden bij gevallen.

Toch, na 40 jaar, op de grens van het beloofde land zijn de lessen van de woestijn duidelijk geworden. Pas als je als volk onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen, alles voor elkaar over hebt en de kennis en vaardigheden van elk lid van het volk respecteert, waardeert en benut dan kun je zo’n tijd in de woestijn overleven. Dan raken je kleren niet versleten omdat er mensen zijn die weten hoe je kleren kunt maken van wol en andere dierenhuiden, dan zwellen je voeten niet op omdat er nooit verder gelopen wordt dan de zwakste leden van het volk aankunnen. Dat is de geest van de God van Israël waarin alles gedaan wordt. Laat elk mens tot zijn en haar recht komen, zorg voor de zwaksten en de minsten, de weduwe en de wees. Dat maakt het volk Israël tot een voorbeeld, tot een licht voor alle volken. Maar nu staat het volk op de drempel van het beloofde land, het land waarheen ze 40 jaar lang op weg waren geweest. Dat land was het land overvloeiende van melk en honing. In dat land zou je verwachten dat iedereen zichzelf wel zou kunnen redden. In zo’n land is er altijd voor iedereen werk en hoeft niemand armoede te lijden. Dat hoor je ook zo vaak over ons land vertellen. Al die zorg door de samenleving maakt mensen maar afhankelijk, net zo afhankelijk als het volk Israël in de woestijn van het manna was geworden.

Maar juist op de drempel van het beloofde land wordt het volk Israël nog eens de Weg van de God van Israël ingescherpt. Juist in een land dat overvloeit van melk en honing heb je de kracht nodig die er uit gaat van de Weg van de God van Israël. Als iedereen mee mag doen, als er voor iedereen gezorgd wordt, als niemand bang hoeft te zijn voor de toekomst van zichzelf of het gezin waarvoor gezorgd moet worden, dan durft iedereen ook alles op te offeren, inclusief zichzelf, als dat nodig is om het land te verdedigen. Angst zal de samenleving in het beloofde land aantasten. De neiging om alles zelf te gaan doen, om op je eentje oplossingen te vinden voor problemen wakkert de angst alleen nog maar aan. Samen leven, samen werken en samen delen is moeilijk. Bij ons is dan ook het samen delen maar achterwege gelaten want ieder voor zich geeft de sterksten de beste kansen en daar zou iedereen beter van moeten worden. Het boek Deuteronomium bestrijdt dat. Niet de sterksten bepalen de kracht van het volk maar de zwaksten. Pas als iedereen tot zijn of haar recht is gekomen is er gerechtigheid geschied. De waarschuwing van Mozes mogen wij ons daarom ook aantrekken. Zeker nu we nadenken over delen in de toekomst. Ook bij ons zijn de zwaksten de maat voor goed of slecht. Blijf dus kijken naar hen, blijf geloven in de Weg van de God van Israël en blijf op weg naar de samenleving die ons door die God in het vooruitzicht is gesteld.

Een hartgrondige afkeer

Deuteronomium 7:12-26

12 Wanneer u zich gehoorzaam houdt aan deze voorschriften zal de HEER, uw God, zich van zijn kant houden aan wat hij uw voorouders in zijn goedheid heeft beloofd. 13 Hij zal u zijn liefde betonen, u zegenen en u talrijk maken. Zijn zegen zal rusten op de vrucht van uw schoot en de vrucht van het land-koren, wijn en olie-, op de dracht van uw runderen, schapen en geiten, in het land dat hij u zal geven, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd.14 Meer dan alle andere volken zult u gezegend worden. Onvruchtbaarheid zal bij u niet voorkomen, niet onder mannen en niet onder vrouwen, en evenmin bij uw dieren.15 De HEER zal u vrijwaren voor elke ziekte, hij zal u alle kwalen die u zich uit Egypte herinnert besparen en ze voor uw vijanden bestemmen.16 Daarom moet u alle volken die hij aan u uitlevert vernietigen, zonder medelijden te tonen. Dien hun goden niet, want dat zou uw ondergang betekenen.17 Misschien denkt u bij uzelf: Die volken zijn groter dan wij, hoe zouden wij ze kunnen verslaan?18 Wees niet bang voor hen; bedenk wat de HEER, uw God, de farao en heel Egypte heeft aangedaan.19 Herinner u de grootse daden die u met eigen ogen hebt gezien, de tekenen en wonderen en uw bevrijding met sterke hand en opgeheven arm! Zo zal de HEER ook optreden tegen alle volken die u angst aanjagen. 20 Daarna zal hij horzels op hen afsturen, tot iedereen die er nog over is of zich voor u schuilhoudt, zal zijn omgekomen.21  Wees dus niet bang voor hen, want de HEER, uw God, een machtige en ontzagwekkende God, is in uw midden.22 Wanneer hij die volken voor u op de vlucht drijft zal hij dat geleidelijk doen. U moet hen niet in één keer uitroeien, anders krijgt u te maken met grote aantallen roofdieren.23 De HEER zal u de overwinning schenken en paniek onder hen zaaien, tot ze zijn uitgeroeid. 24 Hij zal hun koningen aan u uitleveren en u zult het land zuiveren van alles wat aan hen herinnert; steeds verder zullen ze teruggedrongen worden, tot u ze allemaal uitgeroeid hebt.25 Hun godenbeelden moet u verbranden, zonder u het zilver en goud ervan toe te eigenen, want dat zou uw ondergang worden omdat de HEER, uw God, ze verafschuwt.26 Geef die gruwelijke beelden geen plaats in uw huizen, anders wordt u net als zij aan de vernietiging prijsgegeven. U moet er een diepe afschuw, een hartgrondige afkeer van hebben; de ban van de HEER rust erop.(NBV)

Het verhaal zoals dat in het boek Deuteronomium wordt verteld is gehoord en gelezen, misschien zelfs ook pas opgeschreven, in de eeuwen nadat het volk het beloofde land was binnengetrokken. Van begin af aan was het niet mogelijk gebleken om de Tora van de God van Israël helemaal te volgen. Bij de verovering van Jericho was het nog wel gegaan maar toen Ai veroverd werd had de eerste roof al plaatsgevonden. Daarom was het niet gegaan met het volk zoals de bedoeling was geweest. Uiteindelijk was het zelfs uitgelopen op een ballingschap in Babel en de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem. Toch had het volk keer op keer dit verhaal weer opnieuw gehoord, verteld, gelezen. Het zou toch kunnen dat ze door weer opnieuw te beginnen toch de belofte zouden vervullen die ze God hadden gedaan en dat die God ze vergeven zou voor alles wat ze kwaad hadden gedaan. Maar moeilijk is het. Ze werden omringt door talrijke machtige volken. Die volken hadden goede oogsten en bescherming van, zoals werd gezegd, machtige goden. In Israël moesten ze maar afwachten of ze een goede oogst zouden krijgen. Als ze een goede oogst hadden gekregen dan moesten ze maar afwachten of roversbenden niet die oogst zouden komen stelen.

Toch beseften ze dat die goden waarvan de beelden rond de akkers waren opgericht, waarvan de altaren op de dorsvloeren werden ingericht niet de vruchtbaarheid en de bescherming konden brengen die een mens nodig heeft. Zelfgemaakte goden stellen immers niks voor. En die roversbenden konden het ene jaar wel met succes een oogst roven, het andere jaar werden ze verslagen door een machtiger leger of door een handje vol Israëlieten. Uiteindelijk had je toch altijd het meest aan goede vrienden en die krijg je door te delen, door alles te delen wat je hebt en daarbij zeker niet de minsten, de zwaksten te vergeten. Als een heel volk het eerst let op de zwaksten dan wordt er zeker op jou gelet als het je een keer niet mee zit. Je moet daarom de tegenstanders geleidelijk verdrijven. Langzaam maar zeker moet die verkeerde godsdienst verdwijnen en moeten de mensen tot de overtuiging komen dat de Weg van de God van Israël veel meer voordeel brengt, de enige godsdienst is die eigenlijk pas echt voordeel brengt. Voordeel, niet in de vorm van individuele rijkdom of macht maar voordeel omdat niemand uit de samenleving wordt uitgesloten, voordeel omdat iedereen mag meedelen en meedoen. Daarom hoef je voor die machtige volken eigenlijk ook niet bang te zijn.

Ook in onze tijd geld dat. De ongelovigen lijken de overhand te hebben. Eigenbelang staat voorop. Dienstverleners in de samenleving worden maar al te vaak als slaven behandeld, vernielingen en geweld zijn aan de orde van de dag en in sommige kringen lijken alle andere mensen wel beschouwd te worden als voorwerpen om je eigen lusten aan te kunnen bevredigen. Mensen die het opnemen voor de zwakken in de wereld, voor de hongerigen en gevangenen worden uitgelachen. Hulpverleners die bij ongevallen te hulp schieten worden bedreigd en mishandeld. Wie een rechtvaardige behandeling van vreemdelingen vraagt loopt de kans zelf uitgestoten te worden. Maar voor gelovigen is er maar één keus, je zult je naaste liefhebben als jezelf of je zult God verlaten en voor wie kennis heeft gemaakt met de God van Israël, wie door die God is gegrepen,  is het verlaten zijn van God hetzelfde als dood gaan. We moeten dus de zaak omdraaien, we zullen mensen moeten afbrengen van het geloof in eigen kracht en ze moeten brengen tot het geloof in God, in het geloof in de naaste liefhebben als zichzelf, ook vandaag weer.

Altaren slopen

Deuteronomium 7:1-11

1 Straks zal de HEER, uw God, u naar het land brengen dat u in bezit zult nemen en veel volken voor u op de vlucht jagen: de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten-zeven volken die groter en machtiger zijn dan u.2 Wanneer de HEER, uw God, u de overwinning op hen schenkt, moet u hen doden. U mag geen vredesverdrag met hen sluiten en hen niet sparen.3 Sta ook geen huwelijksverbintenissen met hen toe; sta uw dochter niet af aan een van hun zonen en zoek bij hen geen vrouw voor uw eigen zoon. 4 Want zij zouden uw kinderen ertoe verleiden de HEER ontrouw te worden en andere goden te dienen. Daarmee zou u zijn toorn over u afroepen en dat zou u meteen met de dood moeten bekopen. 5 Nee, dát staat u te doen: u moet hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen, hun Asjerapalen omhakken en hun godenbeelden verbranden. 6  Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd. U bent door hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. 7  Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat hij u lief kreeg en uitkoos-u was het kleinste van allemaal! 8 Maar omdat hij u liefhad en zich wilde houden aan wat hij uw voorouders onder ede had beloofd, heeft de HEER u met sterke hand bevrijd uit de slavernij, uit de macht van de farao, de koning van Egypte.9 Besef dus goed: alleen de HEER, uw God, is God en hij houdt woord; hij komt zijn beloften na en is trouw aan ieder die hem liefheeft en die doet wat hij gebiedt, tot in het duizendste geslacht. 10 Maar ieder die hem haat zal daarvoor boeten met zijn leven; de HEER zal hem niet laten begaan, hij laat hem persoonlijk boeten.11  Neem daarom de geboden, wetten en regels die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig in acht.(NBV)

Een harde tekst, zeker in de vertaling die we hier lezen, de Nieuwe Bijbelvertaling. In de oudere vertalingen, maar ook in de Naardense Bijbel, wordt gesproken over het verbannen van de overwonnen volken, niet over het doden. In een aantekening bij de nieuwste Willibrordusvertaling vinden we dat er eigenlijk staat dat die volken aan de “vernietiging gewijd” moeten worden en dat dat betekent dat ze aan het gewone gebruik moeten worden onttrokken. Als we ons dat bedenken bij het lezen van deze passage wordt ook de nadruk op het vernietigen van de godsdienst en het benadrukken van de eigen godsdienst van Israël duidelijk. Volken werden en worden immers gekend naar hun godsdienst. Er zijn christelijke, joodse, moslim staten en staten die nog andere godsdiensten aanhangen. Wij leven in een staat die het zonder God doet als staat, scheiding van kerk en samenleving heet dat.

Het voordeel bij ons is dat gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth onafhankelijk van wie dan ook kunnen blijven wijzen op het falen van de staat als het gaat om de zorg voor de minsten en de armsten in de wereld. Maar het volk Israël staat in dit gedeelte van de Bijbel op de drempel van een nieuw land, een land waar voor iedereen genoeg is en waar de richtlijnen van de God van Israël, de Tora, de samenleving zouden moeten gaan bepalen. Vruchtbaarheid komt daarbij van de natuur en niet van de een of andere god. Welvaart is in die richtlijnen hetzelfde als welzijn van iedereen die in dat land leeft en dat kan alleen als er ook met iedereen gedeeld wordt. Daarvoor is nodig dat ook de laatste spoortjes van de heidense culturen worden verwijderd uit het land. Je kunt nu eenmaal niet net doen of jij een vruchtbaarheidsgod beter dient en beter offert dan je buurman en tegelijk alles over hebben voor je naaste die juist een misoogst of een ramp is overkomen. In de zorg voor de minsten en de armen, voor de weduwen en de wees, botsen de godsdiensten, is er eigenlijk een voortdurende oorlog met andere godsdiensten. De God van Israël bevoordeeld niet de rijken boven de armen. Wie beter geloofd dan een ander krijgt niet meer maar kan meer delen.

De God van Israël is altijd met de armen en zolang er armen zijn in de samenleving behoren er geen rijken te zijn die alles voor zichzelf houden. In die strijd tussen godsdiensten klinken de harde woorden uit het Bijbelgedeelte van vandaag. En dan is het even schrikken. Want in een samenleving waarin het eigendom heilig wordt verklaard en mensen met hun eigendom kunnen doen wat ze willen zonder dat eigendom in dienst van die samenleving te hoeven stellen zien we ineens een andere godsdienst opdoemen dan de godsdienst die in de Bijbel wordt voorgeschreven. Gelovigen in de Bijbel stellen immers alles wat ze hebben bijna per definitie in dienst van de ander en willen elkaar daar ook op aanspreken. Ze doen dit niet omdat het hen beter maakt, of omdat ze er zich op voor kunnen laten staan, maar omdat het nodig is in een samenleving waarin bezit ongelijk is verdeeld. Bezit hebben we om daarmee de naam van God groot te maken heette het vroeger wel. Daarmee werd bedoeld dat hoe meer mensen mee konden delen van dat bezit hoe groter de naam van God werd geprezen. Juist in de Heidense godsdiensten van Asjeerapalen en bijbehorende altaren ging het er om meer te bezitten en meer te krijgen dan de ander. Het geloof in de God van Israël staat daar diametraal tegenover, daar gaat het er om de ander recht te doen. Ook vandaag, ook in onze samenleving.