Neemt u mij niet kwalijk

Lucas 14:12-24

12 Tegen degene die Hem had uitgenodigd, zei Hij: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren. Want zij zullen op hun beurt u uitnodigen, en zo doen zij iets voor u terug. 13 Wanneer u een feestmaal geeft, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. 14 Dan zult u gelukkig zijn, juist omdat zij niets kunnen terugdoen. Want u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’ 15 Een van de andere gasten, die dit hoorde, zei tegen Hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’ 16 Daarop zei Jezus: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. 17 Toen de dag van het feestmaal gekomen was, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles staat klaar.” 18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 19 En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” 22 Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” 23 zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en haal iedereen binnen, want mijn huis moet vol. 24 Ik zeg jullie: niemand van de genodigden zal van mijn feestmaal proeven.”’(NBV21)

We hebben zo allemaal wel onze beslommeringen. De hypotheek moet worden afgelost, er moet regelmatig worden overgewerkt, je moet toch ook eens naar het theater en de bioscoop. Dan zijn er nog sportwedstrijden waar je niet buiten kunt. Als je kinderen hebt moet je vrijwel elke dag de kinderen brengen naar en halen van clubs en activiteiten. Wie heeft er nog tijd om een aantal uren in een Wereldwinkel te staan, of kleding te sorteren voor Oost-Europa, of achter de telefoon te zitten bij de Telefonische Hulpdienst, Sensoor, of één van de vele vrijwilligersbaantjes te vervullen die er in onze samenleving voor dorp, stad, land en wereld nodig zijn. We hebben het bijna allemaal te druk om aan het feest van de betere wereld, het Koninkrijk van God, mee te doen. We zijn in de afgelopen tientallen jaren fors korter gaan werken. De 40 urige werkweek werd ingevoerd, maar ook die is langzaam ingekort tot 36 en 32 uur.

Daarnaast zijn er ook nog ADV dagen gekomen en zijn veel mensen in plaats van voltijd in deeltijd gaan werken. Toch is het aantal vrijwilligers in de samenleving hard achteruit gegaan. Die ouders die het zo druk hebben met hun kinderen naar sportverenigingen te brengen en ze weer te halen hebben het te druk om elftalbegeleider, of teambegeleider te zijn in het weekeinde als de wedstrijden gespeeld moeten worden. Mensen die mopperen op de kwaliteit van het gemeentebestuur en de wegen die voortdurend zijn opgebroken en de hoge belastingen die ze moeten betalen hebben geen tijd om met de plaatselijke politici van hun partijkleur mee te werken en mee te denken over een beter gemeentebestuur. Dat Koninkrijk van God komt er ondertussen wel. Dat is de blijde boodschap die uit dit gedeelte van het Evangelie van Lucas klinkt.

Wees dus niet verbaasd als je er buiten staat, als je er geen deel aan blijkt te hebben. Al zijn er tekort vrijwilligers, ze zijn er wel. Soms nemen ze gewoon hun partner en kinderen mee. Zo zijn er hele gezinnen die samen werken in de plaatselijke voedselbank en zelf de laatste voedselpakketten mee naar huis nemen omdat ze die ook zelf nodig hebben. Juist in die delen van de samenleving waar mensen het eerst arbeidsongeschikt zijn, het langst werkloos blijven, het laagste inkomen hebben, het kortst naar school zijn geweest is de bereidheid om te helpen en een betere wereld te maken het grootst. Soms lijkt het of ze een wereld maken voor zichzelf en dan worden de machtigen en rijken er bang van, maar weet goed dat iedereen mee kan doen. Je moet er alle dagen klaar voor zijn en wel voor willen samenwerken.

De minste plaats

Lucas 14:1-11

1 Toen Hij op sabbat in het huis van een vooraanstaande farizeeër was, waar Hij voor een maaltijd was uitgenodigd, werd Hij scherp in het oog gehouden. 2 Er was daar iemand met waterzucht. 3 Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de farizeeën: ‘Is het toegestaan hem op sabbat te genezen of niet?’ 4 Maar ze zwegen. Hij pakte de man bij de hand, genas hem en stuurde hem weg. 5 En tegen de farizeeën en wetgeleerden zei Hij: ‘Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’ 6 Ook daarop hadden ze geen antwoord. 7 Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: 8 ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, 9 en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. 10 Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij!” Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aanligt. 11 Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’ (NBV21)

Er is in de Kerkgeschiedenis nog wel eens gedaan of Jezus iets tegen de Joden zou hebben gehad. Nu komen we in het verhaal over Jezus van Nazareth weinig tegen over wat de Duitsers “zelfhaat” noemen. Jezus van Nazareth was voluit Jood en wilde dat ook voluit zijn. Hij deed mee in het verhaal van Israël, ja, erger nog, hij wilde niet dat het verhaal van Israël uiteindelijk zou stranden in een hoekje van de wereldgeschiedenis. Het land Israel was immers bezet door Perzen, Grieken, Syriërs en in zijn tijd door Romeinen. Jezus van Nazareth was waarschijnlijk het meest verwant aan de stroming van de Farizeeën. Die wilden de leer van Mozes weer midden in het volk plaatsen. Omdat onder al die bezettingen door vreemde machten het bezoeken aan Jeruzalem waar de grondregels werden bewaard vaak moeilijk was hadden ze de Synagoge uitgevonden, het leerhuis, waar uit de Tora, de Profeten en de Schriften werd gelezen. Wij kunnen die teruglezen in wat ook in de Nieuwe Bijbelvertaling ten onrechte “Het Oude Testament” wordt genoemd. Het is een Nederlandse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel.

Er was echter een groot verschil tussen Jezus van Nazareth en de meeste van de Farizeeën. Die laatsten hielden rekening met de gevoeligheden van de bezetters. Ze hielden zich zo ver mogelijk van vreemdelingen vandaan en konden daardoor ook niet in conflict komen. Verder waren uiterlijk vertoon en een strikt ordelijk gedrag voor veel Farizeeërs kennelijk belangrijk. Jezus van Nazareth stelt de gevolgen voor mensen centraal. De leer van Mozes is er immers om de mensen beter te laten leven, de mensen zijn er in elk geval niet om een Wet te laten verheerlijken. De leer van Mozes kent maar één Heer en dat is de God van Israël, de God van Liefde. En daar laat Jezus van Nazareth ook zien waar de oplossing ligt voor conflicten in de leer van Mozes. Het conflict bijvoorbeeld tussen De regel dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en de regel dat je op de sabbat niet mag werken. Genezen mag dus wel, een mens of een dier uit een put halen ook. Maar altijd de mensen voorop stellen? Daar zwijgen de machthebbers over, ook die uit onze dagen. Natuurlijk, zullen ze zeggen, bescherming van eigen bezit moet voorop staan. Maar hulp aan de armen? Dat zou ten koste kunnen gaan van dat eigen bezit.

Er is een soort diners waar zien en gezien worden, vooral het laatste, belangrijker is dan de inhoud. Kennelijk waren er in de dagen van Jezus van Nazareth ook al zulke diners. Jezus drijft de spot met de mores, de gewoonten, rond zulke bijeenkomsten. Ga maar eens op de minste plaats zitten, je dwingt dan de gastheer, of gastvrouw, om je naar voren, naar een betere plaats te roepen. Het gezien worden is dan gelijk gelukt. Als je jezelf de beste plaats toekent loop je de kans geen rekening te hebben gehouden met de eregast en te moeten opkrassen. Dat is een manier van gezien worden die je liever overslaat. Het zijn de grappen waarmee al in de Bijbel de rijken en machtigen worden bespot en te kijk worden gezet. Voor Jezus is een andere strategie belangrijk. Nodig de armen, de chronisch zieken, de gehandicapten uit. Die nodigen je weliswaar niet terug uit voor een diner en nemen ook niet veel geld voor een goed doel of status in de samenleving mee, maar op de lange duur geven ze meer plezier. Want er komt een dag dat ook deze medeburgers opstaan en zich niet langer laten knechten. De opstanding van de rechtvaardigen noemt de schrijver van dit Evangelie dat. En op dat moment ben jij geen vijand, maar een vriend van de armen, een vriend van de mensen die geen plaats in de samenleving hebben. Jij hebt ze een plaats gegeven. Die armen strijden nergens voor, ze leven om te overleven. Bij hen hoef je je nooit af te vragen wat jouw plaats is, als jij de maaltijd geeft is het de ereplaats.

 

Verkleed je

1 Koningen 14:1-20

1 In die tijd werd Jerobeams zoon Abia ziek. 2 Jerobeam zei tegen zijn vrouw: ‘Kom, verkleed je zo dat niemand je als mijn vrouw herkent, en ga naar Silo. Daar woont de profeet Achia, die mij voorzegd heeft dat ik koning over dit volk zou worden. 3 Neem tien broden, een paar koeken en een kruik honing voor hem mee en ga naar hem toe; hij zal je vertellen hoe het met onze zoon zal aflopen.’ 4 De vrouw van Jerobeam deed wat hij gezegd had. Ze ging naar Silo, naar het huis van de profeet Achia. Achia kon niet meer zien, want zijn ogen waren door de ouderdom helemaal dof geworden. 5 Maar de HEER had tegen Achia gezegd: ‘De vrouw van Jerobeam komt naar je toe om je te raadplegen over haar zoon, die ziek is. Ze zal in vermomming bij je komen.’ En Hij zei tegen Achia wat hij tegen Jerobeams vrouw moest zeggen. 6 Toen Achia de vrouw bij de deur hoorde aankomen, begroette hij haar als volgt: ‘Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom hebt u zich vermomd? Ik moet u een nare boodschap overbrengen. 7 Ga naar Jerobeam en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb je verheven boven het volk en je als vorst over mijn volk Israël aangesteld. 8 Ik heb het koningschap van het huis van David losgescheurd en het aan jou gegeven. Maar jij bent niet zoals mijn dienaar David, die mijn geboden in acht nam, Mij met heel zijn hart toegewijd was en altijd deed wat goed is in mijn ogen. 9 Jij hebt je nog slechter gedragen dan al je voorgangers: je hebt Me getergd door je in te laten met andere goden en godenbeelden te maken, en Mij heb je verworpen. 10 Daarom zal Ik nu onheil brengen over het huis van Jerobeam. Alle mannelijke leden van je familie zal Ik uitroeien, van hoog tot laag, Ik zal je koningshuis wegvegen als straatvuil, tot er niets meer van over is. 11 Wie van de familie van Jerobeam in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de roofvogels. Zo heeft de HEER gesproken.” 12 Ga nu naar huis. Zodra u de stad bereikt, zal uw kind sterven. 13 In heel Israël zullen ze over hem rouwen, en hij zal begraven worden. Hij is de enige nakomeling van Jerobeam die in een graf zal worden bijgezet, omdat hij de enige is van het huis van Jerobeam in wie de HEER, de God van Israël, iets goeds heeft kunnen vinden. 14 Binnenkort – wat zeg ik, nu vandaag nog zal de HEER iemand tot koning van Israël verheffen die het huis van Jerobeam zal uitroeien. 15 De HEER zal Israël treffen zoals de wind het riet in het water heen en weer zwiept. Hij zal de Israëlieten verdrijven uit dit goede land dat Hij aan hun voorouders heeft gegeven. Hij zal ze uiteendrijven en verjagen tot over de Eufraat, omdat ze Hem hebben getergd door Asjerapalen te maken. 16 Hij zal Israël aan zijn lot overlaten omdat Jerobeam gezondigd heeft en de Israëlieten tot zonde heeft aangezet.’ 17 De vrouw van Jerobeam vertrok en ging terug naar Tirsa. Zodra ze haar voet over de drempel zette, stierf het kind. 18 Het werd begraven en heel Israël rouwde over hem, zoals de HEER bij monde van zijn dienaar, de profeet Achia, had voorzegd. 19 Verdere bijzonderheden over Jerobeam, over de oorlogen die hij heeft gevoerd en over zijn regering, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 20 Jerobeam regeerde tweeëntwintig jaar. Toen ging hij bij zijn voorouders te ruste. Zijn zoon Nadab volgde hem op. (NBV21)

Je kunt de God van Israël niet willekeurig aanroepen en negeren. Jerobeam was er al bang voor. Toen een zoon van hem ziek werd en dreigde te sterven was het toch de gewoonte om de God van Israël in te roepen. Maar ja, de eigen altaren en heiligdommen waren toch ver van wat het eigenlijke heiligdom van de God van Israël was, de tempel in Jeruzalem. Er was nog een dun draadje dat Jerobeam verbond met dat verleden. Hij had immers van de profeet Achia gehoord dat hij voortaan Koning van Israël zou zijn. Wellicht kon Achia God dan ook om een wederdienst vragen. Hij stuurde zijn vrouw naar Achia. Nu moest men niet denken dat de Koning gevallen was voor hen die riepen om de aanhang van de God van Israël centraal in de Tempel in Jeruzalem. Daarom gebood Jerobeam zijn vrouw zich te verkleden als een vrouw uit het volk.

Daar ging ze. Een offergave mee op weg naar Achia. Het draadje dat Jerobeam nog had was wel erg dun want hij wist kennelijk niet dat de profeet blind was geworden. Maar ja dat een zoon van Koning ongeneeselijk ziek was bleef niet geheim en toen er een vrouw kwam vanwege de ziekte van haar zoon snapte Achia dat de God van Israël gezocht werd door Jerobeam. Maar de God van Israël heeft maar één maat om wat te doen. Hij stuurt jou en mij op pad om mensen te helpen die dat nodig hebben. Met die God is niet te onderhandelen, offers zijn geen beloningen voor goede daden en tegenover goede daden staat geen genade voor jou te wachten maar alleen lof aan God die mensen stuurt die helpen. Achia maakt duidelijk dat Jerobeam een eigen godsdienst heeft gesticht.

De godsdienst van voor wat hoort wat. Jij hebt mij op weg gestuurd om koning te worden dan mag jij nu mijn zoon genezen. Zo werkt de God van Israël niet. Integendeel, dat voor wat hoort wat geloof leidt tot je ondergang. Je steunt niet op de liefde voor de minsten maar alleen op de liefde voor jezelf. Goede daden zijn voor jou de daden die jou wat opleveren. Voor God is het tegendeel. Paulus zal later oproepen om jezelf los te laten en alleen nog te doen als Jezus had gedaan. Dat Jezus aan het kruis was geëindigd moet jou er niet van weerhouden zijn weg te gaan. Alleen de liefde voor de minste is immers van belang. Zo ook bij Jerobeam. Een gewone Koning die 22 jaar regeert, een mooi boek heeft over zijn daden en opgevolgd wordt door Kroonprins Nadab. God speelde geen enkele rol, dus lezen we verder niks over Jerobeam.

Ach mijn broeder!

1 Koningen 13:23-34

13 Toen de godsman had gegeten en gedronken, liet de profeet die hem had meegenomen een ezel voor hem zadelen. 24 De godsman ging op weg, maar onderweg werd hij door een leeuw aangevallen en gedood. Zijn dode lichaam bleef op de weg liggen, en de ezel en de leeuw bleven ernaast staan. 25 Voorbijgangers zagen het lijk liggen, met de leeuw ernaast. Toen ze in de stad kwamen waar de oude profeet woonde, vertelden ze wat ze hadden gezien. 26 Ook deze profeet, die de godsman had overgehaald om terug te keren, hoorde ervan en hij zei: ‘Dat moet de godsman zijn die zich verzet heeft tegen het bevel van de HEER. De HEER heeft hem laten verscheuren door een leeuw, zoals Hij hem had voorzegd.’ 27 Hierop droeg hij zijn zonen op een ezel voor hem te zadelen, en toen dat gebeurd was 28 reed hij uit. Hij trof het levenloze lichaam van de godsman liggend op de weg, met de ezel en de leeuw ernaast. De leeuw had het lijk niet verslonden en de ezel niet verscheurd. 29 De profeet nam het lichaam van de godsman op, legde het op zijn ezel en nam het mee terug naar de stad om het daar met gepaste rouw te begraven. 30 Hij zette het lichaam bij in het voor hemzelf bestemde graf, en ze rouwden over hem met de woorden: ‘Ach mijn broeder!’ 31 Na de begrafenis zei de oude profeet tegen zijn zonen: ‘Wanneer ik doodga, moeten jullie mij begraven in het graf waarin de godsman ligt. Leg mijn gebeente bij het zijne, 32 want wat hij in opdracht van de HEER over het altaar in Betel voorzegd heeft, zal uitkomen, en ook wat hij heeft voorzegd over alle tempels op de offerplaatsen in de steden van Samaria.’ 33 Ondanks deze gebeurtenissen brak Jerobeam niet met zijn kwalijke praktijken. Hij bleef voor de offerplaatsen priesters aanstellen uit alle groepen van de bevolking; wie maar wilde kon een aanstelling krijgen als priester van de offerplaatsen. 34 Zo verviel het koningshuis van Jerobeam tot zonde, waardoor het uiteindelijk zou worden uitgeroeid en van de aarde weggevaagd.(NBV21)

We moeten het Woord van God horen zeggen we zo vaak. Wie de Bijbel leest weet dat we het Woord van God net zo vaak moeten zien. Het gebeuren om ons heen wijst ons op wat God van ons verwacht. Daarbij moeten we niet alleen omhoog kijken naar de machtigen en de rijken die schitteren en doen wat ze willen. Ze lijken boven alle wet en regel verheven. Maar we moeten vooral ook naar beneden kijken. Daar waar vluchtelingen moeten slapen in het gras voor het loket waar ze zich moeten aanmelden. Een aanmelding die ook weer zicht geeft op en hereniging met hun gezin dat ze ergens in erbarmelijke omstandigheden hebben achtergelaten. En daar zien we ook de slachtoffers van een harteloze overheid die elk zicht op een menselijke maat lijkt verloren te zijn. Gezinnen werden uit elkaar gerukt. Kinderen uit huis geplaatst omdat hun ouders te weinig geld overhielden nadat de overheid hen onterecht had aangepakt. Medewerking aan het herstel van de gezinsband wordt geweigerd.

Dat de Bijbel laat zien dat wie de richtlijnen voor de menselijke samenleving breekt tot dood veroordeeld is dan eigenlijk niet zo vreemd. Dat is niet een gewone dood voor een huichelaar die de wacht aanzegt aan de Koning maar zich zelf door de afvalligen laat fêteren. Het is een dood die de aandacht trekt, die ook het verband legt dat nodig is om te begrijpen dat de richtlijnen voor de menselijke samenleving goddelijke richtlijnen zijn. De leeuw gaat niet verder dan het doodvonnis te voltrekken. Het lijk blijft liggen en de ezel blijft er bij staan. In de vreedzame samenleving die God beloofd gaan leeuw en ezel vreedzaam samen. De oude profeet die dit drama op gang bracht met een leugen ziet de beschermende werking die de godsman blijft houden. Hij wil daarom begraven worden naast de profeet uit Juda.

Waarom dat belangrijk is? Die profeet uit Juda had gezegd dat het offeren van Jerobeam en zijn aanhangers in strijd was met de wil van de God van Israël omdat iedereen zich voor priester kon aanmelden en men kadavers opgroef om met botten en al te worden verbrand als een soort offer. De oude profeet zou dat dus niet meer overkomen. Een dramatisch verhaal. Niet een droevig verhaal. Je hoeft met niemand medelijden te hebben. De richtlijnen voor de menselijke samenleving liggen zo voor de hand dat iedereen er door kan leven. De liefde tot de medemens staat daarbij centraal. Niet het religieuze, niet het fatsoenlijke, niet het klatergoud dat uitgestraald wordt. Jerobeam verandert er niet door. Zijn Priesters zijn niet door God gekozen, maar kozen zelf er voor er mooi en fraai uit te zien, zo mooi dat ze bewondert werden en gezag kregen. Zijn godsdienst is een godsdienst van zien en gezien worden, niet een van de bescherming van de armen, de vreemdelingen, de weduwen en de weer. Wat is onze godsdienst ook al weer?

Je bent teruggegaan

1 Koningen 13:11-22

11 Nu woonde er in Betel een oude profeet. Een van zijn zonen kwam naar hem toe en vertelde hem wat de godsman die dag in Betel had gedaan en wat hij tegen de koning had gezegd. Toen zijn zonen hem alles hadden verteld, 12 vroeg hun vader hun welke weg hij genomen had. Nadat ze waren nagegaan langs welke weg de godsman naar Juda was teruggegaan, 13 droeg hun vader hun op de ezel voor hem te zadelen. Dat deden ze, en toen reed de oude profeet op zijn ezel 14 de godsman achterna. Hij trof hem aan, zittend onder een terebint. ‘Bent u de godsman die uit Juda is gekomen?’ vroeg hij. ‘Ja,’ zei de godsman. 15 Toen zei de profeet: ‘Ga met me mee naar huis om wat te eten.’ 16 ‘Ik kan niet op uw uitnodiging ingaan,’ antwoordde de godsman. ‘Ik mag in uw woonplaats niets eten en niets drinken, 17 want er is mij door de HEER een verbod opgelegd met de woorden: “Je mag daar niets eten en niets drinken en niet langs dezelfde weg teruggaan als je gekomen bent.”’ 18 ‘Maar ik ben ook een profeet, net als u,’ voerde de ander aan. ‘En tegen mij heeft een engel in opdracht van de HEER gezegd: “Neem hem mee terug naar je huis en laat hem wat eten en drinken.”’ Zo loog hij hem voor, 19 en de godsman ging met hem mee terug om bij hem thuis iets te eten en te drinken. 20 Terwijl ze aan tafel zaten, richtte de HEER zich tot de profeet die de godsman had meegenomen, 21 en deze riep tegen de godsman uit Juda: ‘Dit zegt de HEER: Je hebt je verzet tegen het bevel van de HEER en je niet gehouden aan het verbod dat de HEER, je God, je had opgelegd. 22 Je bent teruggegaan en je hebt gegeten en gedronken op een plaats waarvan Hij had gezegd dat je er niets mocht eten of drinken. Daarom zal je lichaam na je dood niet worden bijgezet in het graf van je voorouders’.(NBV21).

Koningen en profeten zijn mensen met gezag. Vaak een goddelijk gezag. Ook onze Koning regeert bij de gratie Gods, ofwel God heeft hem op de troon gezet en hij zit daar zolang God dat goed vindt. Profeten spreken op gezag van God en zeggen en doen wat God goed vindt. Nu er nieuwe rijken zijn ontstaan na de splitsing van Juda en Israël zal opnieuw duidelijk gemaakt moeten worden wat dat namens God eigenlijk betekent en welke verantwoordelijkheden dat met zich mee brengt. We weten al dat Koningen spelletjes kunnen spelen met de macht. Zelf vroom naar de Tempel gaan maar de afgoderij van je vrouwen tolereren en daar zelfs aan mee doen. Zelfs altaren en heiligdommen inrichten als dat voor de kracht van jouw regering beter is. Maar hoe gaat dat dan met profeten?

Daarover gaat het verhaal van vandaag. De profeet die uit Juda was gekomen en namens God de godsdienstige praktijken van Jerobeam had veroordeeld moest langs een andere weg terug. Hij was geen overwinnaar die triomfantelijk terug kon keren. Nee hij reisde door een door God verlaten land en dat brengt gevaren op de weg. Die gevaren zijn er ook in onze tijd niet zo maar en uit heet niets maar die gevaren worden gevormd door mensen die hun eigen belang willen dienen door een gevaar te zijn voor anderen. In Betel woonde zo’n oude profeet. Die vluchtte niet voor Jerobeam maar bleef daar wonen. Als profeet? Als die profeet uit Juda nu eens bij hem kwam eten dan straalde het gezag van die profeet uit Juda ook op hem af. Hij gaf zijn zonen de opdracht uit te vissen waar de profeet uit Juda naar toe was gegaan.

Nu is het niet zo erg om een verbinding met de God van Israël aan te gaan. Of dat oprecht is of niet blijkt vrij snel. Worden de armen er beter van, de bedroefden getroost en de hongeren gevoed, dan is het goed. Vraag is wel of je je houd aan wat God je vraagt of je je laat verleiden daar van af te stappen, er voor je zelfs eer aan behalen bijvoorbeeld. En dat overkomt de profeet uit Juda. Het is natuurlijk een hele eer dat de oude profeet uit Betel jou erkent als Godsman en je uitnodigt, nog wel op grond van een bevel van de Allerhoogste. Maar geeft God tegenstrijdige bevelen? Gebruikt God mensen om mensen door mensen te laten bewonderen? Dat laatste is dus niet het geval. Wat mensen met gezag ook voor mooie verhalen loslaten die verhalen zijn pas van God als er hongerigen worden gevoed, vreemdelingen rechtvaardig worden behandeld en gezinnen weer bij elkaar worden gebracht. Het verhaal over de twee profeten was een waarschuwing en is een waarschuwing voor ons.

 

Altaar! Altaar!

1 Koningen 12:33–13:10

33 Op de vijftiende dag van de achtste maand, de datum die Jerobeam eigenmachtig had vastgesteld als feestdag voor de Israëlieten, besteeg hij de treden naar het altaar dat hij in Betel had laten maken, om er een offer te ontsteken. 1 Hij stond al bij het altaar klaar, toen er een godsman uit Juda aankwam die door de HEER gezonden was. 2 Op bevel van de HEER riep hij tegen het altaar: ‘Altaar! Altaar! Dit zegt de HEER: In de familie van David zal een zoon worden geboren, Josia geheten. Op jou zal deze Josia de priesters van de offerplaatsen, die wierook op je branden, ten offer brengen. Op jou zal het gebeente van mensen worden verbrand.’ 3 Hierop kondigde hij een wonder aan: ‘Dit is het teken dat het de HEER is die gesproken heeft: het altaar zal splijten en de as die erop ligt zal op de grond vallen.’ 4 Toen de koning hoorde wat de godsman over het altaar in Betel zei, stak hij over het altaar heen zijn hand naar hem uit en beval: ‘Grijp hem!’ Maar zijn uitgestrekte arm verstijfde, hij kon hem niet meer naar zich toe bewegen. 5 Toen spleet het altaar en de as viel op de grond, zoals de godsman in opdracht van de HEER had aangekondigd. 6 ‘Alstublieft,’ smeekte de koning de godsman, ‘bid voor mij en probeer de HEER, uw God, te vermurwen, zodat ik mijn arm weer kan bewegen.’ De godsman wist de HEER mild te stemmen, zodat de koning zijn arm weer kon bewegen zoals eerst. 7 Toen zei de koning: ‘Kom met mij mee naar huis, dan kunt u zich verkwikken. En ik zal u een geschenk geven.’ 8 Maar de godsman antwoordde: ‘Al gaf u mij de helft van uw bezit, dan nog zou ik niet met u meegaan. Ik zal hier in Betel niets eten en niets drinken. 9 Dat is een bevel van de HEER, dat mij werd opgelegd met de woorden: “Je mag niets eten en niets drinken en niet langs dezelfde weg teruggaan als je gekomen bent.”’ 10 Daarom nam hij een andere weg terug dan die waarlangs hij was gekomen.

Dat lijkt mooi heilig na 49 weken van 7 dagen komt de nieuwe koning van Israël naar het nieuwe heiligdom Betel om op de vijftigste dag als eerste daar een offer te ontsteken en zo het nieuwe heiligdom in te wijden. Direct ligt in de getallen een verbinding met het aangename jaar des heren. Elke zeven jaar moest het land rust krijgen en moest men leven van wat er spontaan opkwam en na 7 van deze perioden, dus na 49 jaar werd het op het vijftigste jaar herhaald. Dat is het aangename jaar des Heren. Dan werden de slaven bevrijd, dan werd het land opnieuw verdeeld. Elke familie die het land dat, het onder Jozua had gekregen, verloren had kreeg dat land nu terug en kon een nieuwe start maken. De bevrijding uit Egypte was niet iets van vroeger maar herhaalde zich jaar op jaar.

Uit de verhalen over Mozes en de reis door de Woestijn had men kunnen leren dat niet de leider van het volk een heiligdom kon inwijden maar dat die daad voorbehouden was aan de priester die door God was aangewezen. Jerobeam had de priesters zelf aangesteld en trad nu op als hogepriester. Vloeken in de kerk zouden we tegenwoordig zeggen. Dat wat door het heiligdom zou worden verkondigd zou de goedkeuring moeten hebben van de nieuwe Koning. Net als in Polen de regering graag uitspraken van de rechterlijke macht hoort die haar welgevallig zijn. In Europa komen dan het Europees parlement en de commissie in actie om de machthebbers duidelijk te maken dat zoiets niet kan. In de tijden van Jerobeam en Rehabeam kwam de Tempel in Jeruzalem in het geweer.

Uit de leer van Mozes werd duidelijk dat er maar één centraal Heiligdom mocht zijn. Daar werden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard en alle rituelen waren er op gericht verbinding te brengen tussen de God van wie die richtlijnen afkomstig waren en het volk dat zich aan die richtlijnen zou moeten houden. Een heiligdom daarnaast moet dus wel een heidens heiligdom zijn. En daarom kwam er een profeet uit Juda naar Betel om duidelijk te maken hoe slecht de riten daar waren. Dit heidense altaar was bedoeld om de God van Israël te binden aan dat nieuwe Koninkrijkje. Die Koning kon wel een arrestatiebevel geven maar duidelijk werd dat hij zich macht had toegeëigend. Dat altaar viel in stukken. Dit heiligdom en deze koning hadden niks te maken met de godsdienst van de God van Israël. Zo moeten ook wij blijven kijken of besluiten van onze overheid zich wel verhouden tot de regels voor de menselijke samenleving. Een overheid die gezinshereniging van vluchtelingen in de weg gaat staan hoort daar dus niet bij. Verzet daartegen is geboden door gelovigen in de God van Israël.

Alles is van Mij uitgegaan.

1 Koningen 12:20-32

20 De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda. 21 Bij zijn terugkeer in Jeruzalem riep Rechabeam uit de stammen Juda en Benjamin honderdtachtigduizend geoefende krijgslieden op om de strijd aan te binden met de Israëlieten en het koningschap voor hem, de zoon van Salomo, terug te winnen. 22 Maar God richtte zich tot de godsman Semaja met de woorden: 23 ‘Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo en koning van Juda, en tegen Juda en Benjamin en de rest van het volk: 24 “Dit zegt de HEER: Trek niet ten strijde tegen de Israëlieten, jullie broeders, maar keer terug naar huis, want dit alles is van Mij uitgegaan.”’ Ze gehoorzaamden en gingen terug naar huis, zoals de HEER had gezegd. 25 Jerobeam vestigde zich in Sichem, in het bergland van Efraïm, nadat hij de stad eerst had versterkt. Later trok hij daar weg en versterkte hij Penuel. 26 Hij bedacht dat er alle kans was dat het koningschap weer zou terugvallen aan het huis van David 27 en overlegde bij zichzelf: Wanneer het volk naar Jeruzalem blijft gaan om daar offers op te dragen in de tempel van de HEER, zullen ze zich verzoenen met hun heer, koning Rechabeam van Juda. Dan zullen ze mij vermoorden en zich weer bij Rechabeam aansluiten. 28 Na rijp beraad besloot hij om twee gouden beelden te laten maken in de vorm van een stierkalf. Daarop zei hij tegen het volk: ‘U bent nu vaak genoeg op bedevaart naar Jeruzalem gegaan! Israël, dit is uw god, die u uit Egypte heeft geleid.’ 29 Het ene beeld liet hij in Betel plaatsen, en het andere in Dan, 30 waar het door de Israëlieten in optocht naartoe werd gebracht. Zo verviel het volk tot zonde. 31 Jerobeam liet tempels bouwen op de offerhoogten en stelde priesters aan die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden, maar afkomstig waren uit alle groepen van de bevolking. 32 Ook stelde hij op de vijftiende dag van de achtste maand een feest in dat leek op het feest in Juda. Hij besteeg dan, in Betel, de treden naar het altaar om offers op te dragen aan de stierenbeelden die hij had laten maken. In Betel installeerde hij ook de priesters die hij voor de offerplaatsen had aangesteld. (NBV21)

Het ontrafelen van grote rijken is niet altijd even eenvoudig. In onze tijd hebben we de opdeling meegemaakt van de Sovjetunie. De spanning daarvan ontlaad zich onder meer in de oorlog in Oekraïne. Jerobeam voelde die spanning kennelijk ook. Hij begon met de versterking van Sichem, de stad die hoofdstad werd van Israël, het tienstammenrijk. Een strategische belangrijke beslissing. De stad beschermde de weg die door de heuvels van Mannasse liep. Ook Penuël werd versterkt om zo greep te krijgen op het Overjordaanse. Maar de schrijvers van de Bijbel zijn het meest geïnteresseerd in de manier waarop Koningen omgaan met de regels voor de menselijke samenleving zoals die in het verbond met de God van Israël waren vastgelegd.

Die regels werden bewaard in de Tempel van Jeruzalem. Drie maal per jaar trok het volk op naar Jeruzalem om daar te offeren en een maaltijd te houden met de priesters en levieten, de familie, de knechten en de slaven en de vreemdelingen uit hun midden. Die Tempel was uitgegroeid tot een nationaal symbool. Jerobeam was bang dat dat samenbindende karakter op den duur zijn positie zou ondermijnen. Eén volk met een gezamelijk feest is toch veel fijner als twee volken met een eigen cultuur die dan samen dezelfde godsdienst hebben. Jerobeam kon zijn eigen heilige plaatsen. Dat waren Bethel en Dan. Twee steden met een heel oude binding met de aanbidding van de God van Israël. In Bethel had Jacob gedroomd van zijn band met God en een altaar opgericht. In het boek Rechters wordt het verhaal van Dan verteld die een godenbeeldje hadden gestolen en met de bijbehorende priester naar hun deel van het land hadden overgebracht om daar een heiligdom te stichten.

Konden de nieuwe heiligdommen nu concurreren met de schitterende Tempel in Jeruzalem. Dat was de vraag die Jerobeam moest beantwoorden. En de schittering bracht de oplossing. In Jeruzalem werd verteld dat de Tempel de voetenbank was van de God van Israël en wat steekt er boven de voetenbank uit, jawel, de stoel. En Jerobeam liet in elk heiligdom een stoel voor de God van Israël plaatsen. Een stoel in de vorm van gouden stierkalveren, want de God van Israël bracht vruchtbaarheid en was een sterke God. Symbool voor vruchtbaarheid en kracht is nu eenmaal de stier. Jerobeam wilde dus niet dat Israël de stierkalveren ging aanbidden. Hij hield op godsdienstig gebied de band met de God van Israël in stand. Tenminste dat wilde hij. Als baas van de onbetaalde werkers aan de Tempel in Jeruzalem had hij kennelijk niet begrepen dat de God van Israël aan de kant van die arbeiders stond en dat hij dus beter graansilo’s had laten bouwen voor tijden van misoogst, want ook dat was een regel uit de leer van Mozes. Ook wij mogen dus eerst letten op de gevolgen voor de armen in de regeringsmaatregelen. Het gras in Ter Apel maakt dat meer dan nodig.

 

Een dienaar van het volk

1 Koningen 12:1-19

1 Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen. 2 Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde hiervan, maar hij bleef in Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht. 3 Daarom werden er boden gestuurd om hem te halen, en samen met de verzamelde Israëlieten wendde hij zich tot Rechabeam met het volgende verzoek: 4 ‘Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maakt u onze taak nu minder zwaar, verlicht het juk waarmee uw vader ons heeft belast, dan zullen wij u dienen.’ 5 ‘Geef me drie dagen bedenktijd,’ antwoordde Rechabeam, ‘en kom dan bij me terug.’ Toen het volk was weggegaan, 6 raadpleegde Rechabeam de oudsten die zijn vader Salomo terzijde hadden gestaan toen die nog leefde: ‘Wat raadt u mij aan? Wat moet ik het volk antwoorden?’ 7 ‘Als u zich nu een dienaar van het volk toont,’ zeiden ze, ‘en het van dienst bent met een welwillend antwoord, zal het u voor altijd dienen.’ 8 Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer en raadpleegde de jongemannen die met hem waren opgegroeid en die hem nu terzijde stonden: 9 ‘Wat raden jullie aan? Wat moeten wij het volk antwoorden op zijn verzoek om het juk te verlichten dat mijn vader het heeft opgelegd?’ 10 De jongemannen zeiden tegen hem: ‘Het volk heeft je gevraagd om het te ontlasten van het zware juk dat je vader het heeft opgelegd. Welnu, zeg tegen hen: “Mijn pink is dikker dan mijn vaders lid! 11 Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen!”’ 12 Toen Jerobeam en de andere Israëlieten op de derde dag bij koning Rechabeam terugkwamen, zoals hun gezegd was, 13 gaf de koning hun een hardvochtig antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer 14 en antwoordde zoals de jongemannen hem hadden aangeraden: ‘Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog verzwaren. Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen, ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen.’ 15 De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt om in vervulling te laten gaan wat Hij bij monde van Achia uit Silo aan Jerobeam, de zoon van Nebat, had voorzegd. 16 Toen de Israëlieten merkten dat de koning aan hun verzoek geen gehoor gaf, zeiden ze tegen hem: ‘Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben niets gemeen met de zoon van Isaï! We breken op, volk van Israël! Het koningshuis van David zorgt maar voor zichzelf!’ En de Israëlieten braken op. 17 Rechabeam bleef alleen koning over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden. 18 Hij stuurde Adoniram, de opzichter van de herendienst, nog naar de Israëlieten, maar die werd gestenigd. De koning zelf kon nog net op een wagen klimmen en naar Jeruzalem ontkomen. 19 Zo brak Israël met het koningshuis van David, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. (NBV21)

Het is altijd moeilijk je vader of moeder op te volgen als dat zeer krachtige figuren waren die de geschiedenis zelf hadden geschreven. Ontkomen aan de schaduw die achtergelaten is door hen die je zijn voorgegaan is bijna onmogelijk. Je kunt wel zeggen dat God het zo heeft voorzien en bestemd maar dat is de schuld van je eigen handelen over de schutting bij God gooien. Nergens voor nodig. Het verbond dat het volk met God had gesloten is klip en klaar, loop geen andere goden na en zet de armen voorop. Twee zaken waar Salomo niet echt aandacht aan had gegeven en de manier waarop Salomo in deze zaken optrad betekende dat een regering die in de geest van Salomo zou regeren geen kans van slagen had. De erfopvolging in vorstenhuizen is dat de zoon de vader opvolgt, tegenwoordig het oudste kind de vorst of vorstin opvolgt. Juda had daarom geen moeite met de opvolging van Salomo door Rechabeam. We weten niet of dit de enige zoon, of zelfs de oudste zoon was maar het verhaal van de Bijbel gaat nu eenmaal over de opvolging van Salomo door Rechabeam. De vanzelfsprekendheid waarmee Juda mede namens Benjamin de opvolging door Rechabeam erkende was er niet in de andere tien stammen die samen Israël vormden.

In het boek Samuel kunnen we lezen dat ooit de oudsten van Israël naar David, de Koning van Juda, gingen om hem het koningschap van Israël aan te bieden. David immers bood vrede en daarmee welvaart. Er was dus sprake van een verbond tussen Israël en de Koning van Juda. Bij de opvolging van Salomo moest dat verbond hernieuwd worden. Daarvoor werd een vergadering belegd in Sichem. Dat het een politieke vergadering zou zijn werd duidelijk toen men eiste dat ook de oppositie in de persoon van Jerobeam aanwezig moest zijn. Salomo had al zijn bouwwerken laten uitvoeren in zogenaamde Herendienst. Bouwers werden aangewezen en moesten zonder loon meebouwen aan de plannen van de Koning. Die bouwwerken lagen in Juda, of Benjamin eigenlijk want Jeruzalem lag in Benjamin. Wat wilde de opvolger van Salomo doen met de herendiensten, deze legden een zware last op de regionale economie. Rechabeam vroeg bedenktijd en hij raadpleegde zijn adviseurs. Eerst de adviseurs die hij van zijn vader had geërfd. Die gaven hem de raad de last van de Herendiensten te verlichten. De bouwwerken waren klaar en als je een volk wil plezieren en naar je hand zetten dan doe je aan lastenverlichting. Vervolgens raadpleegde Rechabeam de jongemannen met wie hij was opgegroeid.

Zij kwamen vanzelfsprekend uit de bovenlaag van Jeruzalem, geen kind van een koning heeft ooit geleefd van de voedselbank. Minder belastingen, minder mogelijkheden voor het hof betekende ook dat zij een stapje terug zouden moeten doen. Geen sprake van. Die Rechabeam moest er voor zorgen dat ook hij een schitterende koning werd met de schittering die ook op zijn vrienden moest afstralen. Strenger moest het worden, hoger de last die werd opgelegd. Het resultaat laat zich raden. De kloof tussen regering en volk wordt onoverbrugbaar als de regering de last voor het volk verzwaart en de last voor rijken verlicht. De salarisverhoging voor de bestuurders van grote bedrijven in ons land en het opleggen van inflatie en hoge energiekosten aan het volk scheurt ook ons land in twee. De armsten in de toeslagenaffaire, slachtoffers van het toeslagenmisdrijf worden nauwelijks geholpen, de slachtoffers van aardbevingen door gaswinning worden niet geholpen. Het platteland mag zich bezig houden met het gastvrij ontvangen van vluchtelingen. Rijke gemeenten als Bloemendaal en Aardenhout hoeven daaraan niet mee te doen. Het verhaal over Rechabeam mag ook ons aan het denken zetten.

Tien stammen geef Ik aan jou

1 Koningen 11:26-43

6 Een ander die tegen koning Salomo in opstand kwam, was een van zijn ondergeschikten, Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efraïmiet uit Sereda. Zijn moeder was weduwe en heette Serua. 27 De reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam, was de volgende. Salomo liet het Millobolwerk bouwen om de laatste bres in de Davidsburcht te dichten. 28 Jerobeam toonde zich daarbij een flinke kracht. Omdat hij Salomo opviel door het werk dat hij verzette, stelde de koning hem aan als opzichter over alle werklieden uit het gebied van de nakomelingen van Jozef. 29 Toen Jerobeam in die tijd een keer de stad uit ging, kwam hij onderweg de profeet Achia uit Silo tegen. Achia droeg een nieuwe mantel. Ze waren helemaal alleen in het open veld. 30 Achia greep zijn nieuwe mantel en scheurde hem in twaalf stukken. 31 Toen zei hij tegen Jerobeam: ‘Neem tien van deze stukken, want dit zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij scheur Ik het koningschap van Salomo los en geef Ik jou tien stammen. 32 Eén stam zal Ik hem laten houden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen. 33 Ik breng deze scheuring teweeg omdat ze zich neergebogen hebben voor Astarte, de godin van de Sidoniërs, voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de Ammonieten. Ze zijn Mij ongehoorzaam geworden en hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen, want ze hebben mijn voorschriften en rechtsregels niet nageleefd zoals Salomo’s vader David dat deed. 34 Toch zal Ik Salomo het koningschap niet helemaal ontnemen. Omwille van mijn dienaar David, die Ik had uitgekozen en die mijn geboden en voorschriften in acht heeft genomen, mag Salomo blijven regeren zolang hij leeft. 35 Maar zijn zoon zal Ik het koningschap ontnemen. Tien stammen geef Ik aan jou, 36 en zijn zoon zal Ik één stam laten houden, opdat er bij Mij in Jeruzalem, de stad die Ik heb uitgekozen om er mijn naam te laten wonen, altijd iemand zal zijn die het licht van het koningshuis van mijn dienaar David brandend houdt. 37 Jou zal Ik aanstellen tot koning over heel het gebied dat je verlangt. Jij zult koning van Israël zijn. 38 Als je luistert naar alles wat Ik je opdraag, Mij gehoorzaamt en doet wat goed is in mijn ogen door mijn voorschriften en geboden in acht te nemen zoals mijn dienaar David dat deed, dan zal Ik je terzijde staan en je koningshuis bestendigen, zoals Ik dat ook voor David heb gedaan. Ik zal Israël aan jou geven. 39 Zo zal Ik de nakomelingen van David vernederen, maar niet voor altijd.’ 40 Salomo wilde Jerobeam doden, daarom week Jerobeam uit naar Egypte, waar hij bij koning Sisak zijn toevlucht zocht. Hij bleef daar tot Salomo gestorven was. 41 Verdere bijzonderheden over Salomo en over zijn wijsheid zijn opgetekend in de annalen van Salomo. 42 Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 43 tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. (NBV21)

We komen aan het eind van het verhaal over de beroemde Koning Salomo, wijs, rijk en vrede brengend. Maar ook een eerst rijzende ster die uiteindelijk toch ook een vallende ster was. Het meedoen in afgoderij met zijn vele vrouwen kostte hem zijn afstamming als Koning uit het huis van David. Uit de geschiedenis van zijn vader David bleken toch ook een aantal vijandige volken over die het land behoorlijk veel last konden bezorgen. En vandaag lezen we over interne onvrede die zou uitmonden in vijandschap. We leren over Jerobeam, geboren uit de belangrijkste stam van het Noordrijk. Een ijverig en slim arbeider die het schopt tot opzichter over de werklieden uit Efraïm en Manasse. Hij wordt daarmee een belangrijk figuur die opkomt voor de belangen van een deel van de twaalf stammen uit Israël.

Jerobeam ging zich zo belangrijk vinden dat hij ook wel koning zou willen worden. Uiteindelijk verbond hij zich aan de profeet Achia, die we verder in de Bijbel niet kennen. Uitvoerig wordt een verhaal verteld waar de schrijver niet bij is geweest en dat alleen door Jerobeam en Achia verteld kon worden. Ze leerden elkaar in het veld kennen, waar niemand bij was. Achia droeg een nieuwe mantel en als afstammeling van Jozef maakte dat kennelijk indruk op hem. Maar Achia trok zijn mantel uit en scheurde die in twaalf stukken. Tien waren voor Jerobeam en twee waren bestemd voor Salomo en zijn opvolgers. Twee zijn Juda en Benjamin, maar Benjamin zal in het verhaal niet verder genoemd worden. De opvolgers van Salomo mogen Koning blijven van Jeruzalem. Daar zal het huis van David heersen. Maar de overige tien stammen zullen het Rijk van Israël gaan vormen.

Salomo kreeg kennelijk lucht van de plannen van Jerobeam en riep hem uit tot staatsvijand. Een vijand die gedood moest worden. Maar Jerobeam vluchtte naar Egypte. Zo wordt hij in de loop van de geschiedenis vanuit Egypte de bevrijder van Israël, net als Mozes. Maar nu zal Israël bevrijd worden van Juda, van Jeruzalem, van herendiensten en pracht en praal ten koste van de armen, de weduwen en de wezen. Hoe populair een regiem ook mag zijn, hoe schitterend ook de heerser zich mag opstellen, alle problemen weglachend. Als de zorg voor de minsten in de samenleving, de boeren, de arbeiders, de ambtenaren, de gezondheidswerkers verlaten wordt dan komt het volk in opstand. Als dan ook niet meer gezorgd wordt voor de vluchtelingen en de eerste opvang een weiland is dan kan dat regiem gemakkelijk omver geblazen worden. Het is dus ook een waarschuwing aan ons. Zo komt Salomo te sterven en wat hij verder nog heeft gedaan is voor ons niet van belang.

 

Een tegenstander

1 Koningen 11:14-25

14 De HEER gaf Salomo een tegenstander: de Edomiet Hadad, een lid van het koningshuis van Edom. 15 Dat kwam zo: Toen Davids opperbevelhebber Joab tijdens de veldtocht tegen Edom de gesneuvelden ging begraven, had hij daar alles wat mannelijk was gedood. 16 Zes maanden was Joab met het leger in Edom gebleven, tot hij er alles wat mannelijk was had uitgeroeid. 17 Hadad, die toen nog heel jong was, was met enkele Edomieten, hovelingen van zijn vader, ontkomen. 18 Via Midjan en Paran, van waar ze een aantal mannen meenamen, vluchtte hij naar Egypte, waar de farao, de koning van Egypte, hem onderdak verschafte. Hij beloofde hem voedsel en gaf hem land. 19 De farao raakte zo op Hadad gesteld dat hij hem de zus van zijn gemalin Tachpenes ten huwelijk gaf. 20 Deze zus van Tachpenes baarde hem een zoon, Genubat. Nadat hij van de borst genomen was, werd de jongen door de vorstin persoonlijk in het paleis grootgebracht, samen met de zonen van de farao. 21 Toen Hadad in Egypte vernam dat David bij zijn voorouders te ruste was gegaan en dat opperbevelhebber Joab dood was, vroeg hij aan de farao verlof om naar zijn land terug te keren. 22 ‘Wat kom je bij mij tekort, dat je zo opeens naar je eigen land wilt terugkeren?’ vroeg de farao. ‘Niets,’ antwoordde Hadad, ‘maar laat me alstublieft toch gaan.’ 23 God gaf Salomo nog een tegenstander: Rezon, de zoon van Eljada. Deze was weggelopen van zijn heer, koning Hadadezer van Soba, 24 toen David Hadadezer en de zijnen een bloedige nederlaag toebracht. Rezon had een groep mannen om zich heen verzameld en was met zijn bende naar Damascus gegaan, waar ze zich vestigden en heersten als koningen. 25 Zolang Salomo leefde, was Rezon een vijand van Israël. Net als Hadad bracht hij het land veel schade toe, want hij had een afkeer van Israël. Hij heerste als koning over Aram.(NBV21)

Is het Salomo nu gelukt met al zijn buurvolken de vrede te bewaren? Uit het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen zouden we de indruk kunnen krijgen van niet. Ondanks het stallen van paarden in de steden die een garnizoen hadden om de vrede te handhaven zijn er twee tegenstanders die hier worden genoemd. De Koning van Edom in het zuiden en de Koning van Aram in het Noorden. Beiden hebben een geschiedenis die reden geeft om Israël als vijand te zien. Maar ligt dat aan Salomo? Die twee koningen komen in de Bijbel verder nergens meer voor. Maar er is ook sprake van God en die komt in de hele Bijbel voor. Het is dus wellicht een verhaal dat meer gaat over God dan over Salomo.

Het verhaal van Salomo in de Bijbel lijkt wel van hoog naar laag te gaan. Salomo werd met moeite koning maar toen hij dat eenmaal was stelde hij zich met hart en ziel in dienst van de God van Israël. Hij had God gevraagd om Wijsheid en kreeg als beloning voor die vraag ook rijkdom en een lang leven. Hij mocht ook de Tempel van God bouwen. Maar met die bouw begon het. De bouw had vele, vele jaren geduurd en af en toe leek de bouw van een paleis belangrijker dan de bouw van het huis van God. De vrede die Salomo nastreefde leverde hem een zeer uitgebreide Harem op. Toen hij ook mee ging doen aan de afgoderij van zijn vele vrouwen was de maat vol. Aan het eind van de regering van Salomo zou ook het einde komen van het Koningshuis David.

Nu geeft God ook vijanden. Griekse vertalingen gebruiken hier ook wel het woord Satan, tegenstander, maar ook verwarrer. En die Satan komt meer voor in de Bijbel. Salomo was de koning van de wijsheidsliteratuur en daar hoort ook het verhaal over Job bij. God gaf aan Satan toestemming om Job in zijn geloof te beproeven. In het verhaal van vandaag geeft God aan Salomo satans die hem beproeven. Er zijn mensen die zeggen dat als je eenmaal in God geloofd, als je eenmaal een persoonlijke relatie met Jezus hebt al je problemen verdwijnen. Nu, Salomo ontmoette God, had een persoonlijke relatie met God. En waren zijn problemen verdwenen? Zeker niet, zelfs zijn Wijsheid hielp hem niks. Jezus waarschuwde zijn leerlingen dat zij vervolgd, gemarteld en bespot zouden worden. God geeft geen gemakkelijk leven. God jaagt je op om de minsten te helpen. Kijk maar eens in het gras bij je gemeente of men gezinnen in het gras laat slapen. Zo lezen we dit verhaal toch heel anders.