Met hart en ziel

1 Koningen 11:1-13

1 Koning Salomo beminde vele buitenlandse vrouwen: behalve de dochter van de farao beminde hij ook vrouwen uit Moab, Ammon, Edom en Sidon, en Hethitische vrouwen. 2 Ze waren afkomstig uit de volken waarover de HEER tegen de Israëlieten had gezegd: ‘Jullie mogen je niet met hen inlaten en zij mogen zich niet met jullie inlaten, anders zullen zij jullie ertoe verleiden hun goden te gaan dienen.’ Juist tot die vrouwen voelde Salomo zich aangetrokken. 3 Hij had zevenhonderd hoofdvrouwen en driehonderd bijvrouwen, en deze vrouwen maakten hem ontrouw: 4 op zijn oude dag verleidden zij hem ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de HEER, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat was geweest. 5 Salomo begon Astarte te vereren, de godin van de Sidoniërs, en Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten. 6 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en was de HEER niet zo trouw als zijn vader David. 7 Hij liet op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kemos, de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten. 8 Zo zorgde hij ervoor dat al zijn buitenlandse vrouwen wierook konden branden en offers konden brengen aan hun goden. 9 De HEER werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan Hem, de God van Israël, die hem tot tweemaal toe was verschenen 10 en hem uitdrukkelijk had verboden andere goden te vereren. Omdat Salomo zich niet hield aan wat de HEER hem bevolen had, 11 zei de HEER tegen hem: ‘Het is met jou zover gekomen dat je het verbond met Mij niet in acht neemt en je niet houdt aan de bepalingen die Ik je heb opgelegd. Daarom zal Ik het koningschap van je losscheuren en het aan een van je ondergeschikten geven. (NBV21)

Het was ook te mooi om waar te zijn. Een koning die zich uitsluitend en alleen aan de leer van Mozes zou houden. De eerste grote overtreding zou wellicht te vergeven zijn. Mozes had bij zijn afscheidstoespraak die je in Deuteronomium kunt lezen, al gezegd dat een eventuele Koning niet te veel vrouwen zou moeten nemen omdat dat alleen maar tot ellende zou leiden. Maar ja, Salomo was ook vredevorst. En vanuit die houding sloot hij vredesverdragen met al de volken die Israël omringden. En ter bezegeling van het vredesverdrag moest er nu eenmaal getrouwd worden met een prinses. En je kon dat volk ook niet beledigen door tegelijk elke vorm van godsdienst van dat land te verbieden. Omwille van de vrede had Salomo daarom elke prinses toegestaan de eigen godsdienst te blijven aanhangen.

Uiteindelijk had Salomo wel duizend vrouwen, hoofdvrouwen en bijvrouwen. Ambassadrices van hun eigen volk die dus ook reclame maakten voor hun eigen cultuur, daar maakt godsdienst ook een onderdeel van. Nu was in de Leer van Mozes vastgelegd dat het trouwen met vrouwen van zulke vreemde volken tot afval van de God van Israël zou leiden. Moab, Ammon, Edom en Sidon waren zeer uitdrukkelijk genoemd, net als vrouwen uit dat gewelddadige ruitervolk de Hethieten. Als je zoveel vrouwen hebt en met die vrouwen ook nog de vrede moet bewaren. Elk van de hoofdvrouwen moest nu eenmaal bij tijd en wijle geëerd worden. Samen een feestdag vieren van de God van de betreffende prinses is dan een uitmuntende manier om eer te bewijzen. Maar daarmee val je direct de God van Israël af.

Dat was eigenlijk ook al eerder gebeurd. Mozes had er in zijn afscheidsrede voor gewaarschuwd. Koningen moesten niet te veel paarden kopen, zeker niet in Egypte. Koningen moesten ook niet te veel goud en zilver verzamelen, het zou de kloof met de armen maar vergroten waardoor de minsten niet meer centraal kwamen te staan. Salomo had zich van deze waarschuwingen niks aangetrokken. Ook al waren er een schitterende Tempel en een indrukwekkend paleis uit voortgekomen, in het licht van de leer van Mozes kon je er toch vragen bij stellen. Het uiterlijk vertoon is dus niet zaligmakend, integendeel. Ook wij zullen moeten opletten of het verkrijgen van macht, invloed, en bij politici, kiezers niet belangrijker wordt dan de zorg voor de armen, de zieken en gehandicapten en de kinderen. Dan dient er een grondige verandering in de samenleving moet komen. Daar kunnen we alleen samen voor zorgen.

Overal

Psalm 112

1 Loof de HEER, volken op aarde, prijs Hem, naties overal: 2 zijn liefde voor ons is overstelpend, eeuwig duurt de trouw van de HEER.
Halleluja! (NBV21)

Wat een klein psalmpje zingen we vandaag met de Kerk mee. Hoe komt zo’n tweeregelig liedje nu in de Bijbel terecht? Precies weten we dat natuurlijk niet, we zijn er niet bij geweest toen het boek van de Psalmen werd samengesteld maar er is wel een aanwijzing. Dit soort liederen leent zich uitstekend voor een optocht van mensen die samen naar een doel op weg zijn. En dat doel zou er vandaag, zo aan het eind van de zomer, ook bij ons kunnen zijn.

Het volk Israël kende drie zogenaamde pelgrimsfeesten. Dan moest het volk optrekken naar Jeruzalem om daar met de familie, de knechten en dienstmeiden, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden en de levieten bij de Tempel een maaltijd houden. De drie feesten waren het Pesachfeest als de gerst oogst was binnengehaald, het Wekenfeest, wanneer de tarweoogst werd binnengehaald en het Loofhuttenfeest als de rest van de oogst was binnen gehaald. Die Pelgrimsreis kennen we van Jezus van Nazareth als hij gezeten op een ezel naar het Pesachfeest in Jeruzalem ging.

De menigte zwaaiden met palmtakken en zongen onder meer deze Psalm. Het Wekenfeest kennen wij als Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. En als het Pinksterverhaal wordt gelezen dan klinken de namen van al die landen van waaruit mensen naar Jeruzalem waren getrokken om dit feest te vieren, ieder hoorde het verhaal in de eigen taal. Vandaag zingen we dus met de Pelgrims mee en mogen we ons voorbereiden op het laatste en grootste feest, vandaag mogen we ons openstellen voor de opdracht het verhaal over de hele wereld aan iedereen te vertellen. Te beginnen in onze eigen straat.

Vertrek

Lucas 13:31-35

31 Precies op dat ogenblik kwamen er enige farizeeën die tegen Hem zeiden: ‘Vertrek, ga weg van hier, want Herodes wil U doden!’ 32 Hij antwoordde: ‘Zeg tegen die vos: “Let op, Ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees Ik mensen, en op de derde dag bereik Ik de voltooiing.” 33 Maar Ik moet vandaag en morgen en de volgende dag op weg blijven, want een profeet hoort niet om te komen buiten Jeruzalem – 34 Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en stenigt wie naar je toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels hoedt, maar jullie hebben het niet gewild. 35 Jullie tempel wordt aan zijn lot overgelaten. Ik verzeker jullie: jullie zullen Mij niet meer zien, totdat je zult zeggen: “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!”’ (NBV21)

In het Evangelie van Lucas draait alles om Jeruzalem. Het verhaal begint daar in de Tempel met de priester Zacharias en het eindigt daar ook als de volgelingen van Jezus van Nazareth elke dag naar de Tempel gaan. Jeruzalem is het centrum van het verhaal en in het verhaal het centrum van de wereld. Daar wordt immers de leer van Mozes bewaard. De leer die ooit werd ontdekt door het volk Israel en die de garantie zal vormen voor een ideale wereld. Een wereld waar, zoals later zal worden gezegd, de straten van goud zijn en alle tranen zijn gedroogd. Juist in Jeruzalem zul je kunnen horen en leren dat die wereld er komt als de mensen geleerd hebben hun naasten lief te hebben als zichzelf. Daarom kunnen de armen bevrijding worden aangezegd zoals in het Evangelie van Lucas wordt verteld.

Maar Jezus van Nazareth beseft dat het niet eenvoudig zal zijn. Daar waar de leer het meest voor de hand ligt is het verzet het grootst en de mensen die willen dat het liefhebben van de naasten wordt omgezet in daden worden het hardst aangepakt. Bij ons is het al niet anders. Terwijl de top van het bedrijfsleven de kans krijgt om zichzelf met bonussen en grote salarisverhogingen te verreiken blijven de lonen achterlopen. Een premier die roept dat het een schande is vergeet dat hij zelf kan voorstellen het minimum loon te verhogen en als grootste werkgever de overheidssalarissen flink verhogen. Dat zou de ongelijkheid verkleinen. Ondertussen houden mensen met een bescheiden inkomen de voedselbanken overeind, ze zamelen in en delen uit.

Als er wat gevraagd wordt van de rijken, van de bezitters, dan ontstaat er verzet. Verandering in de Landbouw en maken dat die duurzaam wordt krijgt verzet van de veevoederindustrie. Die zal moeten stoppen met de invoer van soja. Dat het positieve gevolgen heeft voor het behoud van het regenwoud in het Amazonegebied zal ze een zorg zijn. Zij houden met leningen de boeren gevangen in een systeem waar de winst belangrijker is dan de mensen en de natuur. De winst nu is zeker belangrijker dan de mensen die na ons komen, aan wie wij de aarde moeten nalaten. Geen wonder dat de bank die de meeste leningen in de landbouw heeft uitstaan medewerking aan verandering weigert. In het hart van de naastenliefde worden profeten gestenigd, boeren die het anders willen bedreigt en het werken van voorstanders van verandering onmogelijk wordt gemaakt. Hou vol, ga door, Jezus ging ons voor, zelfs door de dood heen. Wij mogen elke dag opnieuw beginnen.

Onrechtplegers!

Lucas 13:22-30

22 Op weg naar Jeruzalem trok Hij verder langs steden en dorpen, terwijl Hij onderricht gaf. 23 Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Hij antwoordde: 24 ‘Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg Ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen. 25 Als de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur heeft gesloten, en jullie staan buiten op de deur te kloppen en roepen: “Heer, doe open voor ons!”, dan zal hij antwoorden: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan?” 26 Jullie zullen zeggen: “We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt in onze straten onderricht gegeven.” 27 Maar hij zal tegen jullie zeggen: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie, onrechtplegers!” 28 Dan zullen jullie jammeren en knarsetanden wanneer je Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten in het koninkrijk van God ziet, maar zelf buitengesloten wordt. 29 Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen, en ze zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van God. 30 En bedenk wel: er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.’(NBV21)

Denk nu niet dat er in de Bijbel alleen in vriendelijke voorkomende woorden tegen elkaar wordt gesproken. Niets is minder waar. Vooral Jezus van Nazareth kon, zo vertellen de vier Evangelieverhalen, soms onbarmhartig uithalen. Vooral tegen mensen die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten. We kennen dat nog steeds, als een club wint is het aantal supporters niet te tellen, als een club verliest blijft er maar een klein clubje over. In de verhalen van Jezus van Nazareth worden heel andere maatstaven aangelegd. Daar staan de armen voorop. Wie niets heeft mag meedoen aan het Koninkrijk van recht en vrede. Wie niets heeft mag aan tafel op een feest dat voortdurend met een bruiloftsfeest wordt vergeleken. Wie geen oog heeft gehad voor het delen met de armen, wie bezig is geweest met eigen gewin en eigen profijt wordt buitengesloten. De NBV21 vertaald het ruwe karakter van de woorden van Jezus weg. Rechtsverkrachters stond er, daar zouden de slachtoffers van het toeslagenmisdrijf of de aardbevingen in Groningen zich beter in hebben herkent, daar strijden zij tegen.

Natuurlijk, ook zij willen meedoen met het feest, ook zij zullen roepen dat ze zich netjes hebben gedragen, altijd oppassend zijn geweest, fatsoenlijk, ja zelfs op zondag naar de kerk zijn gegaan. Het helpt allemaal niet want niet wie vooraan staat en een grote borst weet op te zetten komt als eerste voor het feest in aanmerking, maar wie hoort bij de armen. In een ander verhaal wordt de vergelijking getrokken met hen die in het struikgewas moeten slapen, langs de kant van de weg. Wie daarbij hoort, of wie voor die mensen opkomt en hen een deel van leven geeft is het feest bedoeld. De anderen zijn de rechtsverkrachters, weg er mee. Is dat bruiloftsfeest ook voor ons weggelegd? Dat is dus niet een gemakkelijke vraag. Je moet door een smalle deur. Op je knieën vallen, je handen omhoog steken en Jezus in je hart laten is niet genoeg. Waar het om gaat is het de naaste zijn van de minsten. Als zij bevrijdt worden van armoede en onderdrukking dan wordt het wat met dat Koninkrijk van Jezus.

Ook Jezus van Nazareth beseft dat het niet eenvoudig zal zijn. Daar waar de wet het meest voor de hand ligt is het verzet het grootst en de mensen die willen dat het liefhebben van de naasten wordt omgezet in daden worden het hardst aangepakt. Maar laten wij ons niet laten ontmoedigen. We moeten weten dat zij die het hardst het Halleluja roepen en zich koesteren en goed klinkende popmuziek met zogenaamd Christelijke teksten nu de eersten lijken maar straks de laatsten zullen blijken te zijn. Zij die dag en dag uit niet voor zichzelf, zelfs niet voor Jezus van Nazareth, maar voor de minsten bezig zijn staan nu achteraan maar zullen straks de eersten zijn. Elke dag mogen we er weer opnieuw mee beginnen, totdat die nieuwe wereld komt, dus ook vandaag weer.

Zes dagen

Lucas 13:10-21

10 Hij gaf op sabbat onderricht in een synagoge. 11 Er was daar ook een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon met geen mogelijkheid rechtop staan. 12 Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich en zei tegen haar: ‘U bent verlost van uw ziekte,’ 13 en Hij legde haar de handen op. Meteen ging ze rechtop staan en loofde God. 14 Maar de leider van de synagoge werd boos omdat Jezus op sabbat genas en zei tegen de menigte: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom dus op die dagen om u te laten genezen en niet als het sabbat is!’ 15 Maar de Heer zei: ‘Huichelaars! Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os of ezel los van de voederbak om hem te laten drinken? 16 Mocht deze vrouw, die een dochter is van Abraham en al achttien jaar door Satan geboeid werd gehouden, dan niet op sabbat uit deze boeien worden losgemaakt?’ 17 Toen Hij dat zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd, maar de hele menigte was verheugd over de machtige daden die door Hem werden verricht. 18 Daarop zei Hij: ‘Waarop lijkt het koninkrijk van God en waarmee zal Ik het vergelijken? 19 Het lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn tuin zaaide, waarna het groeide en een boom werd, waar de vogels van de hemel in de takken kwamen nestelen.’ 20 En opnieuw zei Hij: ‘Waarmee zal Ik het koninkrijk van God vergelijken? 21 Het lijkt op zuurdesem die een vrouw mengde met drie zakken meel tot alle meel doordesemd was.’ (NBV21)

Vandaag lezen we een paradijsverhaal. Zo op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen. Het gedeelte dat we uit het Evangelie van Lucas lezen gaat toch over een genezing en twee kleine gelijkenissen. Daartussen staat dan nog een soort discussie en een ruzie. Maar toch is het verhaal opgeschreven als een paradijsverhaal. Dat begint al met de opmerking dat Jezus van Nazareth zat te onderwijzen in de Synagoge. Wij kennen toch de meeste verhalen over zijn leren als hij in de buitenlucht staat. De Bergrede is een voorbeeld, er is ook een Veldrede. Hij stond een keer in een schip met alle toehoorders op de wal. En hij gaat dan ook wel naar de synagoge maar onderwijzen in de synagoge is toch iets bijzonders. Toch was het het ideaal van de Farizeeën, iedereen moest meedoen en op de Sabbat ging het om de Wet van God van Israël. Iedereen moest daarin studeren en daarover mee kunnen praten.

Dat ideaal wordt ook door de eerste Christenen gedeeld. Die Sabbatdag is een dag waarop we weer wandelen met God, een paradijs dag dus. Voor Christenen de eerste dag van de week, toen na de opstanding er weer met Christus gewandeld kon worden. In het verhaal over het Paradijs uit Genesis ging het mis toen de mensen gelijk wilden worden aan God. Veel Joden geloofden dat God toen besloot de mensen tot dieren te maken, maar dat Adam had gebeden dat niet te laten gebeuren. Die gebogen vrouw leek al een beetje op een viervoeter. Ze was net zo lang gebogen geweest als het volk Israël onderdrukt was zoals het in het boek Rechters werd beschreven. Het volk werd van die onderdrukking verlost door de rechters Ehud en Jefta. En daar komt dan de discussie. Jefta had als prijs zijn dochter moeten doden. Wat dat wat God wil? Niemand wilde daar aan en dus is de genezing het enige dat ons rest en mag daarover een feest gevierd worden.

Op die manier zal dus ook dat Paradijs op aarde weer terugkomen. Dat is de betekenis van de gelijkenissen die verteld worden. Het gaat er helemaal niet om dat we van die grote daden plegen. Gewoon beginnen een hand uit te steken, ook al lijkt dat klein, denk dan aan dat mosterdzaadje. Dat is een heel klein zaadje. Als je het in je hand neemt moet je nog uitkijken ook want voor je weet is het weggeblazen. Maar het groeit uit tot een grote struik. In de dagen van Jezus groeiden er mosterdbomen van wel drie meter hoog. Wij kennen ze niet meer zo groot maar er zijn verhalen van reizigers naar Galilea die zich over die grote mosterdbomen verbaasden. Maar die kleine daden van ons, elke dag opnieuw een hand uitsteken naar de minsten, vrijwilligers werk doen in asielzoekerscentra of plaatsen voor noodopvang, winkelier zijn in de Fair Trade winkel, voedsel sorteren in de voedselbank en noem maar op, maakt dat de wereld beter? Jezus vergelijkt het met zuurdesem, gist, zonder krijg je echt geen eetbaar brood, maar met, zelfs met een heel klein beetje krijg je het brood dat je elke dag nodig hebt. Daar hebben we ook voor gebeden in het Onze Vader. Dus elke dag opnieuw mogen we die liefde om ons heen verspreiden, ook vandaag mag dat weer.

Zeker niet

Lucas 13:1-9

1 Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die Hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met dat van hun offerdieren. 2 Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat lot ondergaan hebben? 3 Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4 Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5 Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’ 6 Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7 Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij put alleen maar de grond uit.” 8 Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven. 9 Misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’ (NBV21)

De tijd die Lucas beschrijft wordt in Israël gekenmerkt door grote opstanden, de ene na de andere. Na de opstand van het jaar 70 tegen de Romeinse bezetting was de Tempel in Jeruzalem verwoest en de inwoners van Juda en Galilea werden verspreid over het Romeinse Rijk. De vraag was wie daarvoor verantwoordelijk was. We stellen bij tegenvallers immers graag de schuldvraag. Iemand moet toch schuldig zijn aan wat ons overkomen is. Lucas plaatst het antwoord van Jezus weer in de dagen dat Jezus van Nazareth nog leefde. In zijn dagen waren er ook allerlei opstootjes en opstanden geweest. Bij de kruisiging was het volk zelfs de keuze voorgelegd of ze een opstandelingenleider wilden vrijgelaten hebben of een afwijzer van alle geweld. We kennen de keuze van het volk. Maar is een volk schuldig als het in opstand komt tegen een bezetter? In de geschiedenis hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth de vraag met ja beantwoord. Zij vervolgden de “Godsmoordenaars” tot in de vorige eeuw tot het uiterste. Van de schuld die het christendom met die vervolging op zich heeft geladen zijn we voorlopig nog niet af.

Jezus van Nazareth heeft namelijk een hele andere benadering. Wie omhakt, wie uitroeit ontneemt de vruchteloze opnieuw de kans vrucht te gaan dragen. Het vermengen van eigen bloed met het bloed van offers maakt de offeraar bijzonder onrein. Maar kun je dan zeggen dat God het volk verdelgd heeft omdat ze onrein waren geworden? Wie de geschiedenis van de Joden heeft bestudeerd weet dat niet het volk gestraft werd maar Pilatus die vanwege die vervolging ontheven werd van zijn functie. Gelukkig hebben we een geschiedschrijver als Flavius Josephus die dat in zijn geschiedenisverhaal heeft opgenomen. De Bijbel is namelijk geen geschiedenis boek. De opstand waarbij het bloed van de offeraars werd vermengd met het bloed van de offerdieren vond namelijk pas plaats na de kruisiging van Jezus. Ook vanwege de mensen die omkwamen toen een toren bij Siloam omviel rees de vraag of die nu schuldiger waren dan de andere inwoners van Jeruzalem die het hadden overleefd. Natuurlijk niet is het antwoord. Maar als je de weg kiest van geweld en verwoesting, als je blijft denken in termen van schuld en boete dan wordt je daar zelf slachtoffer van.

Daar gaat die gelijkenis dus over. Hoe gaat God met deze misdaden om? Hoe gaat God om met een volk dat eerder geweld zoekt dan vrede en de liefde tot haar sterkste wapen maakt? Over het antwoord moeten we goed nadenken. Jezus zet ons graag op het verkeerde been. Wij denken dat de man die de boom had geplant en zich heeft laten ompraten door de wijngaardenier de God is die streng doch ook barmhartig is. Maar dat staat er niet. Die bomenplanter koos de weg van geweld en uitroeiing van het vruchteloze. Het was de wijngaardenier die niet voor niets als wijngaardenier wordt opgevoerd die de zorg voor de planten bleef behouden ook al brachten die planten niets meer op. Natuurlijk zijn er grenzen aan, drie jaar in dit geval. Maar de eerste keus is niet omhakken, maar extra zorgen. We kennen dat in het strafrecht. Als mensen geheel of gedeeltelijk een daad niet kunnen worden aangerekend dan doden we die mensen niet maar stellen we ze ter beschikking van de regering om een genezende behandeling te ondergaan. Doden van misdadigers doen we al helemaal niet meer. De Weg van de wijngaardenier is dus eigenlijk de Weg van onze God. Die weg willen we gaan. Die weg zullen we dus ook moeten gaan in vraagstukken van oorlog en vrede. Hoe moeilijk dat ook is.

Even gewoon als steen

1 Koningen 10:21-29

21 Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld. Er werd geen zilver gebruikt, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 22 De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die samen met de vloot van Chiram de zeeën bevoer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. 23 Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 24 Uit alle delen van de wereld kwamen mensen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 25 En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. 26 Salomo schafte ook wagens en paarden aan; hij bezat in totaal veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. 27 Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28 Salomo’s paarden waren afkomstig uit Egypte, uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. 29 Een wagen kostte in Egypte zeshonderd sjekel zilver, een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs. (NBV21)

Er is een visioen over het Jeruzalem dat aan het einde van de tijden op aarde zal verschijnen. Daar is goud niks meer waard en maken ze er straatstenen van, de straten zijn van goud heet het daar. In het Jeruzalem van Salomo was die waarde al met zilver bereikt. Er was zo veel goud dat zilver niks meer waard was. Jaar in jaar uit stroomde het goud samen met andere kostbaarheden Jeruzalem in. Koning Salomo was de rijkste koning op de wereld. Dat was zeker in zijn paleis het geval. Borden, vorken, messen en lepels, schalen alles was van goud er kwam geen zilver aan te pas want zilver was eigenlijk niks waard. Was dit wat het houden van de leer van Mozes aan een koning opleverde? De rijkdom werd beschouwd als van God gegeven.

Maar de leer van Mozes had andere richtlijnen. Op het eind van het boek Deuteronomium wordt aan een koning van Israël de raad gegeven in elk geval niet te veel goud en zilver bij elkaar te brengen. De schittering van al die rijkdom lijkt de schrijvers van het verhaal, en ook ons wellicht, te verblinden. Er is niet anders te zien dan rijkdom en overvloed. Iedereen kwam er op af. De Wijsheid van Salomo was ook een begrip en iemand die zo rijk was moet ook wel heel slim zijn. Maar al die bezoekers namen ook weer geschenken mee waardoor alleen al de rijkdom toenam. Wat zien we niet? Deze hele beschrijving van de onmetelijke rijkdom van Salomo gaat alleen over Salomo. Over het volk hoor je geen woord. Hoe gaat het onder Salomo met de weduwe en de wees, met de armen, met de boeren wier oogst mislukt was.

Waarom was alleen Salomo zo rijk en deelde het volk daarin niet heel uitdrukkelijk mee? Het verhaal besluit met een opmerkelijke aanduiding. Salomo kocht in Egypte strijdwagens en paarden. Dezelfde paarden als de Hethieten hadden. Dat was een berucht ruitervolk dat uiteindelijk ook Egypte zou overwinnen. Maar paarden en wagens waren ook de symbolen voor de Farao die Israël in slavernij bracht. Ging Salomo met zijn herendiensten, onbetaald verplicht voor de koning werken, zijn rijkdom en zijn militaire macht niet een beetje heel veel op een Farao lijken? Misschien laten wij ons te veel verblinden door de schittering van de rijksten onder ons en zien we niet meer de mensen langs de kant van de weg die, zelfs als ze een beroep doen op onze overheid in het gras buiten het hek mogen slapen.

Van ivoor

1 Koningen 10:10-20

10 De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Zo veel reukwerk als de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, is later nooit meer aangevoerd. 11 De vloot van Chiram die het goud uit Ofir had meegebracht, voerde van daar ook een grote hoeveelheid sandelhout en edelstenen mee. 12 Uit het sandelhout liet Salomo balustrades maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Het is tot op de dag van vandaag niet meer voorgekomen dat er zulk sandelhout werd aangevoerd. 13 Koning Salomo gaf de koningin van Seba de gebruikelijke koninklijke geschenken en daarbij nog alles wat ze verder maar vroeg. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. 14 Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 15 nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten, de winst die zijn handelaars maakten en het goud dat de vorsten van de woestijnvolken en de stadhouders van Israël afdroegen. 16 De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel goud verwerkt. 17 En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd drie mine goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 18 Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met fijn goud. 19 Zes treden leidden naar de troon, die aan de bovenkant een ronde hoofdsteun had en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 20 en op de zes treden stonden twaalf leeuwen, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. (NBV21)

Ook in onze dagen is het bij staatsbezoeken gewoon dat de Koning geschenken uitgewisseld met de hoogste regeerder van het land dat wordt bezocht. Waar die geschenken blijven is meestal niet erg duidelijk. We hoeven er echter niet zo van onder de indruk zijn als het volk was toen het zag hoeveel de Koningin van Seba wel niet gaf toen ze ervan overtuigd was dat Koning Salomo wel degelijk de Koning was over wie zoveel te melden was geweest. Daarbij kwam nog dat de hulp van Koning Chiram van Tyrus nog niet was opgedroogd. Naast het Goud waarmee een groot deel van de Tempel was bekleed kreeg Salomo ook sandelhout en edelstenen. Van dat sandelhout werden balustrades gemaakt zodat bezoekers het gebeuren in de Tempel en het Paleis konden volgen. Daarnaast ook lieren en harpen voor de zangers en musici in de Tempel.

Die Salomo was dus schat hemeltje rijk. Rijker kon het niet. Hij was zo rijk dat het leek dat hij van gekkigheid niet meer wist wat hij met al dat goud zou moeten. Elk jaar kreeg hij meer, uit winsten van handelsondernemingen, uit belasting voor de diverse gebieden die onder het gezag van Israël vielen en uit de afdrachten van woestijnvolken die aan Israël schatplichtig waren. Je kunt dat goud en die inkomsten natuurlijk onder de armen verdelen maar een Koning die zo rijk is moet dat toch ook een beetje kunnen uitstralen. Wee degene die aan de rijkdom van de Koning zou durven komen. Het paleis noemde men het Woud van Libanon vanwege de grote hoeveelheid cederhout die er in verwerkt was. Als je de hal binnenkwam dan stonden daar gelijk 200 grote gouden schilden en 300 kleine gouden schilden. De Koning wist zich goed te beveiligen.

Een machtige Koning zit op een hoge troon. Ook daar had Salomo voor gezorgd. Van Ivoor, verguld met goud uiteraard. Een troon met een hoofdsteun en armleuningen. Er er naast ter weerszijden twee leeuwen. Wilde je de troon bereiken dan moest je over een trap met zes treden waarvan elke trede ook geflankeerd werd door twee leeuwen. Zoiets hadden ze nog nooit ergens gezien. Het komt ons allemaal toch een beetje overdreven voor. En volgens Bijbelgeleerden is dat ook de bedoeling. God heeft Salomo weliswaar zeer rijk gemaakt maar dat je dat nu zo moet laten zien is de vraag. Het gaat tussen de Koning en zijn bezit. Niet tussen de Koning en God en zeker niet tussen de Koning en de minsten van zijn volk. Het hele verhaal dat we hier lezen lijkt op een waarschuwing door het uiterlijk vertoon van rijken en machtigen heen te kijken. God had immers de armen, de weduwen en wees vooropgezet. Wat zien wij als we dat ook doen?

Om recht en gerechtigheid te handhaven

1 Koningen 10:1-9

1 De roem van Salomo, die de naam van de HEER tot eer strekte, was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. 2 Ze kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan dromedarissen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 3 En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 4 Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 5 de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden, de dranken die werden geschonken en de offers die hij opdroeg in de tempel van de HEER, was ze buiten zichzelf van bewondering. 6 Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. 7 Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid en welvaart zijn nog veel groter dan wordt gezegd. 8 Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 9 Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat Hij u op de troon van Israël heeft gezet. Zijn liefde voor Israël is zo grenzeloos dat Hij u als koning heeft aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’ (NBV21)

Wat moet je nu met vrouwen in het bestuur van je Kerk, helemaal als die vrouwen ook iets te zeggen krijgen en kerkdiensten mogen leiden en het Avondmaal mogen uitreiken. Helemaal niks zeggen de Rooms Katholieke en de Christelijk Gereformeerde Kerk onder meer. De Bijbel zegt heel iets anders. In andere boeken worden vrouwen als profetes, of als geslaagde zakenvrouw afgeschilderd. In een Bijbelboek dat gaat over Koningen mag ook een Koningin niet ontbreken. En die Koningin wordt ontvangen door Salomo, de meest wijze van alle in de Bijbel genoemde Koningen. Wie die Koningin is geweest weten we eigenlijk niet.

Ook Seba blijft ons onbekend en in de Bijbel wordt de naam van deze Koningin niet genoemd. Ze komt in elk geval uit het buitenland. Daarmee wordt de wijsheid van Salomo niet alleen een wijsheid voor het volk maar voor de hele bewoonde wereld. De Koningin heeft al thuis veel over de Wijsheid van Salomo gehoord. Maar worden die verhalen niet overdreven? Beschrijvingen van onbekende steden, of onbekende goden, of onbekende gewoonten worden vaak uitvergroot. Mythische verklaringen worden er bij gevoegd om het verhaal meer aanvaardbaar te maken. Zou het ook zo zijn met al die verhalen over de Wijsheid van Salomo? Ze bereid zich zorgvuldig voor. Ze formuleert een hele lijst met vragen waarop niet direct een antwoord voor de hand ligt. Alleen een echte wijze zou er een paar kunnen beantwoorden. Salomo beantwoord ze allemaal.

Maar is niet alleen te horen van de Koning er is ook te zien. Zijn hofhouding wordt goed onderhouden. Mensen zijn geen machines maar helpers van de Koning om Koning te kunnen zijn. Aan het voedsel wordt veel aandacht besteed. Het Paleis ziet er niet alleen goed uit maar het is ook plezierig er te verblijven. Een bijzondere eigenschap voor een paleis. En dan ook nog de rol van de Koning in de Tempel. Daar worden offers gebracht niet om God in het leven te houden maar om te laten zien dat je bereid bent om te delen. Recht en gerechtigheid, daar gaat alles van Salomo om. Je zal Hoveling mogen zijn aan het hof van Salomo dat ben je bevoorrecht ervaart de Koningin. Gelukkig maar dat wij ook van die hovelingen mogen zijn. De leer van Mozes, de boeken met de wijsheid van Salomo en het voorbeeld van Jezus van Nazareth in woord en daad mogen wij navolgen, omringt door een honger naar gerechtigheid.

Wat zijn dat voor steden

1 Koningen 9:10-28

10 Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 11 Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zo veel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. 12 Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden 13 en hij beklaagde zich: ‘Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?’ Hij noemde die streek Eres-Kabul, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 14 In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd. 15 Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. 16 De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. 17 Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, 18 Baälat, Tamar in de woestijn van Juda 19 en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 20-21 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 22 De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, legeraanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. 23 Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk. 24 Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk. 25 Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER. 26 Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. 27 Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. 28 De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV21)

Er zijn mensen die denken dat Salomo niet meer gedaan heeft dan de Tempel bouwen en een mooi Paleis. Maar dan wordt Salomo toch wel onderschat. Of al die bouwwerken die Salomo liet uitvoeren wel even wijs waren wordt betwijfeld. Vooral ook omdat hij het volk Israël voor niks liet werken aan niet geringe projecten. Maar na de bouw van de Tempel en het Paleis, die 20 jaar had geduurd, moest er eerst afgerekend worden met de leveranciers van hout en goud. Koning Chiram van Tyrus had bij het begin van de Tempelbouw Salomo net zoveel bomen en goud beloofd als Salomo nodig zou hebben. Tyrus grensde aan Galilea dus besloot Salomo 20 steden uit Galilea aan Koning Chiram te schenken. Maar die steden bevallen de Koning niet. Hij noemde de streek het land van ijzer, dat had hij gekregen voor al het goud. Overigens had Chiram tijdens de hele bouwperiode grote hoeveelheden graan en ander voedsel gekregen. Salomo echter had nu een deel van het land dat God aan het volk had geschonken weggeven aan een Heidense Koning.

Maar Salomo had nog meer laten doen. Hij begon met het werk van vader David af te maken. Hij begon met de Millo, dat is de muur rond Jeruzalem. Zijn nazaten van een aantal generaties verder zouden nog veel nut aan deze muur beleven. Verder liet Salomo versterkingen aanbrengen in een aantal strategisch belangrijke steden als Hasor, Meggido en Geser. Bij de inname van het land Kanaän zoals in de boeken van Jozua en Rechters is beschreven waren de Kanaänitische bewoners met rust gelaten. Toen Salomo zo hard aan het bouwen was had Egypte de stad ingenomen en alle bewoners ter dood gebracht. Dit kleine oorlogje was beëindigd met een vredesverdrag. Als teken daarvan trouwde Salomo met de dochter van de Farao. Als bruidsschat kreeg zij de stad Gezer mee. Salomo aanvaarde het feit dat dit deel van het land niet als gegeven door de God van Israël werd beschouwd maar als gegeven door de Farao van Egypte.

Niet alles wat Salomo liet bouwen wordt met naam en toenaam genoemd. Er zijn schatsteden en wagensteden genoemd die voor de beveiliging van het land en het innen van belasting bestemd moeten zijn geweest. Salomo bouwde ook een havenstad en vormde een sterke vloot. Koning Chiram van de havenstad Tyrus stuurde een aantal ervaren zeelieden om de zeelieden van Salomo op te leiden. Salomo kon zo veel bouwen omdat hij zijn arbeiders niet betaalde. Herendiensten noemde hij dat maar het was gewoon wat wij tegenwoordig slavernij werd genoemd. Maar alles wat gebouwd werd was ter ere van de God van Israël. Zelfs het weggeven van het land dat God had gegeven was ter ere van die God. Ondertussen had Salomo een klein legertje gevormd dat toezicht hield op de bouw. En Salomo zelf was zeer vroom. Drie maal per jaar ging hij naar de Tempel om daar uitgebreid te offeren. Daarom kwam hij tegemoet aan de richtlijn uit het boek Deuteronomium. De manier waarop dit verhaal verteld wordt is ook een waarschuwing aan ons. Regeerders die de buitenkant zo mooi willen maken en daar het volk in mee proberen te slepen moeten diep gewantrouwd worden. In hun ogenschijnlijk zo fraaie beleid schuilen zeer rotte plekken die veel later tot rampspoed kunnen leiden. Het weglachen door de leider van de kritiek helpt dan niet meer.