Twee zonen

Lucas 15:11-32

11 Vervolgens zei Hij: ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij trok eropuit en verhuurde zich aan een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21 “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren. 25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en probeerde hem tot andere gedachten te brengen. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen, die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 We kunnen toch alleen maar feestvieren en blij zijn? Want je broer was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.”’ (NBV21)

Dit verhaal staat in een serie van opmerkingen over Jezus van Nazareth die bij tollenaars en zondaars ging eten. Zijn antwoord was dat, als je ook maar een klein deel van je bezit kwijt bent, je alles opgeeft om het weer terug te vinden. Maar hoe ga je dan met mensen om? Daarover gaat het verhaal van de twee zonen. Of is het een verhaal over de ene vader? Want je moet toch een beetje medelijden hebben met de zoon die is blijven leven, die thuis bleef. Die krijgt geen schouderklopjes voor zijn aanvankelijk goede keus. Ja een aanvankelijk goede keus. Gewoon thuisblijven, meehelpen in het bedrijf van vader en niet het erfdeel er doorheen jagen is natuurlijk een goede keus. Maar niet binnenkomen en meedelen in het feest om de teruggekeerde broer lijkt toch niet een goede keus. Die teruggekeerde broer was van de weg van de vader afgeweken. Zoals zijn vader en zijn broer deden, deed hij niet, integendeel. Daarmee was hij voor zijn familie dood, hij hoorde niet meer bij de familie. Maar moet je dan een blijvende boycot uitspreken? Moet je dan je hele leven boos blijven om die ene scheve schaats die er ooit was gereden? De vragen stellen is de vragen beantwoorden.

Zuur kan je er van worden. Chagrijnig ook. Doe je je best, gaat een ander met de eer strijken. Wordt je collega bevorderd en je buurman wint de jackpot in de loterij. De Postcodeloterij maakt het nog erger. Het winnende lot kan daarbij zomaar op jouw postcode vallen en als je dan geen loten hebt dan win je helemaal niets. De kans dat het winnende lot op jouw postcode valt is overigens vrijwel nihil, het komt dus uiterst zelden of bijna nooit voor. We gunnen daarbij een ander ook nooit het geluk dat zomaar toevalt. Daar gaat dit verhaal uit het Evangelie van Lucas ook over. Geluk dat je zomaar ten deel valt. Er wordt een feest gegeven omdat iemand eindelijk eens normaal doet. Over de mensen die altijd al normaal doen hoor je nooit wat. Als je maar gek doet, of uit de band springt, dan wordt er over je gesproken en als je alles over de balk hebt gegooid en je wel gedwongen wordt om weer een beetje normaal te doen, dan organiseren ze nog een feest voor je ook.

Dat is zuur, daar kun je knap chagrijnig van worden. Waarom krijgen we toch zo de indruk dat in de Bijbel juist dat feest het centrale feest is, dat men daar niet onder het organiseren van dat feest uit denkt te kunnen. Want die zoon die thuiskomt was toch niet verloren? Ze wisten toch heel goed waar die heen was. Hij had er toch zelf om gevraagd? De zoon die thuis bleef niet, die had niet gevraagd om al dat werk, om zelfs dubbel werk toen zijn broer de hort op ging. Voor die zoon hadden ze een feest moeten organiseren. Die had het immers volgehouden al die tijd, werken voor twee en nog thuis blijven ook. Eerlijk is het niet. Maar het is een verhaal van Jezus van Nazareth, die vertelt het nadat hij kritiek had gekregen dat hij steeds met slechte mensen omging. Dat hij die slechte mensen er op wees dat ze zich eigenlijk hadden te gedragen als de goede mensen ligt nog voor de hand, maar een feest houden als ze zich normaal gaan gedragen. Pas als jezelf van je naaste houdt als van jezelf, als je jezelf in weet te zetten voor de zwaksten in de samenleving ga je begrijpen wat bedoeld wordt. Niet het terugkomen maakt er een feest van, maar het weer opnemen in de familie is een feest. Daar mag je dan ook aan meedoen. En dat van je naaste houden mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Deel in mijn vreugde

Lucas 15:1-10

1 Alle tollenaars en zondaars kwamen Hem opzoeken om naar Hem te luisteren. 2 Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ 3 Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: 4 ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6 en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben. 8 En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? 9 En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” 10 Zo, zeg Ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt.’ (NBV21)

Hoe gaan we met mensen om en hoe gaan we met bezit om? In het verhaal dat hier uit het Evangelie van Lucas wordt gelezen stelt Jezus van Nazareth die beide tegenover elkaar. Hij gaat om met mensen die het niet zo nauw nemen met het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Integendeel belastingpachters, tollenaars dus, en andere zogenaamde zondaars, hangjongeren op weg naar criminaliteit, zorgden in de eerste plaats voor zichzelf en dan pas voor anderen. Jezus van Nazareth probeert hen er steeds toe te brengen dat andersom te doen en ze daarbij te laten zien dat ze pas daardoor een plaats in de samenleving verdienen. Want mensen die voor de vijand werken of alleen voor zichzelf zorgen plaatsen zich buiten de samenleving nietwaar. Mensen die zich fatsoenlijk gedragen, die zich aan orde en regel houden staan in groot aanzien.

Toch kun je je afvragen of ze eigenlijk met dat nette en ordelijke gedrag toch niet ook in de eerste plaats voor zichzelf zorgen. Gaan ze bijvoorbeeld anders met bezit om? De vergelijking van de schaapherder die een schaap kwijt is of de huisvrouw die een munt kwijt is snappen ze kennelijk direct. Als er iets van je bezit vermist wordt dan keer je alles om teneinde het terug te vinden. Als je al zo met bezit omgaat hoe zou je dan met mensen om moeten gaan? Het is vandaag de dag natuurlijk niet anders. Belastingen bestemd voor de armen, de ziekenhuizen, de veiligheid, de straten de wegen en het openbaar vervoer, voor scholen en universiteiten, voor dijken en sluizen, worden lasten genoemd. Als je dan iets meer belasting wil heffen van de rijken om de armen iets meer te kunnen ontzien en ze iets te kunnen laten delen in de geweldige rijkdom van ons land dan wordt er geklaagd dat de lasten op onaanvaardbare wijze worden verhoogd.

Ook in onze samenleving is het beter te snappen dat je alles in de steek laat om een snipper gemis aan je bezit weer goed te maken dan dat je regels van fatsoen en gewoonte in de wind slaat om de armen en hen die buitengesloten zijn te helpen en weer een plaats in de samenleving te bezorgen. Samen een maaltijd houden maakt dat je samen op hetzelfde niveau komt, maar ook dat je elkaar kunt aanspreken op het goede dat we voortdurend zouden moeten doen. Bezit vergaat, het bederft of het roest weg. Liefde voor mensen blijft, het groeit alleen maar door de jaren heen. Hoe langer iemand mensen lief heeft hoe meer die persoon groeit in aanzien onder mensen. Niet onder mensen die meer waarde hechten aan bezit. Maar mensen horen geen bezit te zijn, geen voorwerpen die je kunt gebruiken, mensen horen je gelijken te zijn, zusters en broeders, die een echte volwaardige plaats hebben in de samenleving. Misschien is daar een nieuw soort samenleving voor nodig, het Koninkrijk van Jezus van Nazareth.

Zeven dagen

1 Koningen 16:8-22

8 Ela, de zoon van Basa, werd koning van Israël in het zesentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Twee jaar regeerde hij in Tirsa. 9 Tegen hem werd een aanslag beraamd door zijn dienaar Zimri, de bevelhebber van de helft van de wagenmenners. Toen Ela zich een keer aan het bedrinken was in het huis van zijn hofmeester Arsa, in Tirsa, 10 drong Zimri binnen en doodde hem. Het was in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda dat Zimri Ela doodde en in zijn plaats koning werd. 11 Toen hij de macht eenmaal in handen had en goed en wel op de troon zat, liet hij het hele koningshuis van Basa ter dood brengen. Niemand van het mannelijk geslacht bleef in leven, niet één familielid of vriend bleef over om hem te wreken. 12 Zo roeide Zimri de hele familie van Basa uit, zoals de HEER bij monde van de profeet Jehu over Basa had voorzegd, 13 omdat Basa en zijn zoon Ela gezondigd hadden en de Israëlieten ertoe hadden aangezet te zondigen door de HEER, de God van Israël, met hun nietige afgoden te tergen. 14 Verdere bijzonderheden over Ela zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.Zimri, koning van Israël 15 Zimri werd koning van Israël in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Zeven dagen regeerde hij in Tirsa. Het leger lag in die tijd voor de Filistijnse stad Gibbeton. 16 Toen de Israëlieten daar hoorden dat Zimri een aanslag op de koning had gepleegd en hem gedood had, riepen ze diezelfde dag nog, in het legerkamp, hun opperbevelhebber Omri tot koning van Israël uit. 17 Omri trok met het hele leger uit Gibbeton tegen koning Zimri op en belegerde Tirsa. 18 Toen Zimri begreep dat de stad zou worden ingenomen, trok hij zich terug in het versterkte gedeelte van het paleis en stak hij het paleis in brand. Zo kwam hij om het leven, 19 omdat hij gezondigd had door te doen wat slecht is in de ogen van de HEER. Hij had immers het voorbeeld van Jerobeam gevolgd door net zoals hij de Israëlieten tot zonde aan te zetten. 20 Verdere bijzonderheden over Zimri en over de aanslag die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 21 Na de dood van Zimri viel het volk van Israël in twee partijen uiteen. De ene helft wilde Tibni, de zoon van Ginat, als koning uitroepen, de andere helft koos de kant van Omri. 22 Maar de aanhangers van Omri waren sterker dan de aanhangers van Tibni. Tibni, de zoon van Ginat, vond de dood en Omri werd koning.(NBV21)

Wij leven in een democratie en zijn verbonden met een heleboel landen die ook democratieën zijn. Dat het ook anders kan komt ons soms vreemd voor. In de Hebreeuwse Bijbel worden landen geregeerd door Koningshuizen. Het huis van David is daarbij het meest bekende. Maar er is ook een andere vorm en dat is de militaire staatsgreep. Vandaag lezen we over een militaire staatsgreep en de machtsstrijd die daar op volgt. Ela was de Koning van Israël. Hij regeerde maar twee jaar. Je moet in het droge verhaal van de Bijbel op zoek naar het spannende verhaal dat er wordt vertelt. We weten al dat er voortdurend oorlog was tussen Juda en Israël. Als het oorlog is worden militairen belangrijker. Er was een oorlog gaande met de Filistijnen. Het leger belegerde Gibbeton. En terwijl de soldaten voor die stad gelegerd waren, altijd beroerde omstandigheden, vierde Ela feest in het huis van zijn hoogste dienaar.

Dat viel niet goed bij het leger en generaal Zimri, de baas van de helft van de menners van de strijdwagens, viel het feest binnen en vermoorde de Koning en nam de macht over. En hij was niet zuinig, direct liet hij de hele koninklijke familie van het huis van Basa vermoorden. Hadden ze maar niet de afgoden moeten dienen merkt de schrijver van dit Bijbelboek op. Dat was dus een mooi overwinning en een geslaagde machtsgreep zou je denken. Maar dan staat er dat Koning Imri maar zeven dagen regeerde. Hij had weliswaar een mooie staatsgreep gepleegd maar verzuimd te zorgen voor een draagvlak. De soldaten die in de strijd verwikkeld waren kozen hun eigen bevelhebber tot koning. En met z’n allen trokken ze op tegen Zimri. Natuurlijk wonnen ze en Zimri stak zijn paleis in brand en kwam daarbij zelf om. Had hij maar geen afgoden moeten nalopen schrijft de Bijbelschrijver.

Maar een staatsgreep leidt ook vaak tot een burgeroorlog. Geweld roept geweld op, wie wind zaait moet storm oogsten. Het ging tussen Tibni en Omri. Omri had het leger achter zich en dus won Omri. Je zou in onze dagen een generaal als Zimri snel vergeten. De Bijbel niet. Daar straft de een de ander. Alleen wie leeft volgens de richtlijnen die God had gegeven kan het langer overleven. Het “Gij zult niet doden” zorgt er ook vaak voor dat er geen oorlog uitbreekt of dat een leger meer wordt dan een verdediging tegen vijanden die het land in gevaar brengen. Je zou ook kunnen lezen dat het wel erg lang zou duren voor de democratie vat kreeg in het land dat God had gegeven. Maar voor een democratie moeten we terug naar Mozes. Die verdeelte het volk in groepen van vijftig en honderd en die kozen de oudsten van het volk. Een democratie vraagt dus haar eigen verdediging. Kiezen moet niet zomaar en verdedigen is ook nodig als de bedreiging van binnenuit komt. We moeten ons dus vooral richten op de leer van Mozes.Dat deden de Koningen van Israël, en Juda, dus niet.

Ze werden allemaal uitgeroeid

1 Koningen 15:25–16:7

25 Jerobeams zoon Nadab werd koning van Israël in het tweede regeringsjaar van koning Asa van Juda. Twee jaar regeerde hij over Israël. 26 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en volgde het voorbeeld van zijn vader, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. 27 Basa, de zoon van Achia, uit de stam Issachar, beraamde een aanslag op Nadab en doodde hem bij de Filistijnse stad Gibbeton toen Nadab met het leger van Israël deze stad belegerde. 28 Het was in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda dat Basa Nadab doodde en in zijn plaats koning werd. 29 Zodra hij de macht in handen had, liet hij de hele familie van Jerobeam ter dood brengen. Geen van Jerobeams nakomelingen bleef in leven; ze werden allemaal uitgeroeid, zoals de HEER bij monde van zijn dienaar Achia uit Silo had voorzegd, 30 omdat Jerobeam de HEER, de God van Israël, had getergd door te zondigen en de Israëlieten tot zonde aan te zetten. 31 Verdere bijzonderheden over Nadab zijn te vinden in de kronieken van de koningen van Israël. 32 Asa en koning Basa van Israël waren voortdurend met elkaar in oorlog. Basa, koning van Israël 33 Basa, de zoon van Achia, werd koning van Israël in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda. Vierentwintig jaar regeerde hij in Tirsa. 34 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER en volgde het voorbeeld van Jerobeam, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. 1 Daarom richtte de HEER zich tot Jehu, de zoon van Chanani, met de volgende uitspraak tegen Basa: 2 ‘Ik heb je uit het stof gehaald en je aangesteld tot vorst over mijn volk Israël. Maar jij hebt het voorbeeld van Jerobeam gevolgd en de Israëlieten, mijn volk, ertoe aangezet te zondigen en Mij met hun wangedrag te tergen. 3 Daarom zal Ik Basa en zijn koningshuis wegvagen zoals Ik het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, heb weggevaagd. 4 Wie van de familie van Basa in de stad sterft, zal door de honden worden opgevreten, en wie sterft in het open veld, zal worden opgevreten door de roofvogels.’ 5 Verdere bijzonderheden over Basa en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 6 Toen Basa bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Tirsa. Zijn zoon Ela volgde hem op. 7 Bij monde van de profeet Jehu, de zoon van Chanani, had de HEER zich dus tegen Basa en zijn familie gericht, omdat hij had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER. Hij had immers, net zoals Jerobeam en zijn familie, de HEER getergd met zelfgemaakte goden. Bovendien had hij de familie van Jerobeam uitgemoord. (NBV21)

Op de dag nadat Groot Brittannië na 70 haar geliefde vorstin heeft verloren lezen wij in de Bijbel over een aantal Koningen in het oude Juda en Israël de twee rijken waarin het land uiteengevallen was. De ideale Koning is en blijft Koning David en het antwoord op de vraag of Koningin Elisabeth aan dat ideaal heeft voldaan zal ergens anders gevonden moeten worden. Het is immers niet aan ons om daarover te oordelen. De verhalen die we hier lezen zijn bedoeld om ons te helpen te leven volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die door de God van Israël ons zijn geschonken door Jezus van Nazareth. De Koningen van Israël en Juda regeerden vaak volgens het tegendeel van de goddelijke richtlijnen. Het was Jerobeam die werd uitgeroepen tot koning over het 10 stammenrijk dat zich voortaan Israël noemde. De stammen Juda en Benjamin bleven samen het Koninkrijk Juda met als hoofdstad Jeruzalem.

Het huis Jerobeam bleef niet lang bestaan. Was het Jerobeam die zijn volk had aangemoedigd zich los te maken van Jeruzalem en eigen offerplaatsen te stichten zijn zoon Nadab maakte het nog erger door het aanbidden van de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän, de goden van winst en profijt aan te moedigen. Macht speelde daarbij een grote rol, in plaats van dienstbaarheid. Er kwam dan ook een staatsgreep en wel door Basa die Nadab vermoorde en vervolgens de hele familie van Jerobeam liet ombrengen. Hij bleef in oorlog met Juda. Maar Basa bleef ook de afgoderij tolereren die al onder Jerobeam was begonnen. Een dergelijke houding leidt onherroepelijk tot dood en ellende. Het was de profeet Jehu die vergeefs Basa waarschuwde tegen de afloop die op zijn manier onafwendbaar was.

Wat die Basa verder deed is voor ons niet van belang. De Bijbel is geen geschiedenisboek en aan het hof van de Koning werd nauwkeurig een kroniek bijgehouden met de veldslagen die gewonnen dan wel verloren waren en verdere gebeurtenissen die voor de staat van belang waren. Maar dat alles wat Basa had gedaan tot ellende zou leiden was helder en klaar. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ela. Wij hebben geen absolute Koningen meer. Ook Koningin Elisabeth regeerde bij de gratie van het volk, en het parlement van Groot Brittannië zal haar opvolger Koning Charles III moeten erkennen door een eed van trouw te zweren. Als democratie worden we door de Bijbel steeds gevraagd of we nog wel worden bestuurd volgens de richtlijnen van God, of alleen in ons eigen belang.

Zijn leven lang

1 Koningen 15:9-24

9 Asa werd koning van Juda in het twintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. 10 Eenenveertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn grootmoeder was Maächa, de dochter van Abisalom. 11 Net zoals zijn voorvader David deed Asa wat goed is in de ogen van de HEER. 12 Hij joeg de mannen die zich aan afgoden gewijd hadden het land uit en verwijderde alle godenbeelden die zijn voorouders hadden gemaakt. 13 Zijn grootmoeder Maächa ontnam hij zelfs haar koninklijke titel, omdat ze een aanstootgevend beeld van Asjera had laten maken. Het beeld hakte hij in stukken en hij verbrandde het in de bedding van de Kidron. 14 En al verdwenen de offerplaatsen dan niet, toch was Asa de HEER zijn leven lang met heel zijn hart toegedaan. 15 Hij liet de wijgeschenken van zijn vader overbrengen naar de tempel van de HEER en bracht daar ook zijn eigen wijgeschenken onder: goud, zilver en gebruiksvoorwerpen. 16 Asa was voortdurend in oorlog met Basa, de koning van Israël. 17 Koning Basa van Israël viel Juda binnen en versterkte Rama om de aan- en afvoerwegen voor koning Asa van Juda af te snijden. 18 Daarom verzamelde Asa al het goud en zilver dat in de schatkamers van de tempel en het paleis over was en stuurde enkele van zijn hovelingen ermee naar Damascus. Daar moesten ze het aan koning Benhadad van Aram, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Chezjon, overhandigen met de woorden: 19 ‘Wij zijn bondgenoten, en onze vaders waren dat ook. Hierbij bied ik u een geschenk in goud en zilver aan. Verbreek uw verdrag met koning Basa van Israël, zodat hij zich uit mijn land terugtrekt.’ 20 Benhadad willigde het verzoek van koning Asa in en gaf zijn bevelhebbers opdracht met hun legers tegen de steden van Israël op te rukken. Zo veroverde hij Ijjon, Dan, Abel-Bet-Maächa, heel het gebied van Kinneret en heel het land van Naftali. 21 Toen Basa hiervan hoorde, zag hij ervan af Rama verder te versterken en trok hij zich terug in Tirsa. 22 Koning Asa liet heel Juda oproepen, niemand uitgezonderd, om mee te helpen bij het afbreken van de versterkingen die Basa in Rama had gebouwd. De stenen en het hout werden gebruikt om de steden Mispa en Geba in Benjamin te versterken. 23 Verdere bijzonderheden over Asa, over de vele overwinningen die hij behaalde en de steden die hij liet versterken, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. Overigens werd hij op latere leeftijd slecht ter been. 24 Toen Asa stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Josafat volgde hem op.(NBV21)

Vertalen is verraden. Dat is een spreuk die rondgaat onder Bijbelvertalers en zij die graag kritiek hebben op vertalers. In dit Bijbelgedeelte komt de spreuk weer op als het gaat over Maächa. Hiervoor wordt zij de moeder van Abiam genoemd. Maar in het Hebreeuws wordt ze hier ook de moeder van de zoon van Abiam, Asa, genoemd. Dan zou Asa misschien een broer van Abiam geweest kunnen zijn maar er staat ook uitdrukkelijk dat Asa de zoon van Abiam was en dat kan bij een opvolger toch beter dan een broer die niet wordt genoemd. De vertalers van de NBV21 lossen het op door van Maächa een grootmoeder te maken. Belangrijk was ze onder de regering van Abiam in elk geval wel.

Die Abiam was eindelijk weer een koning naar Gods hart. Hij was de derde koning na de splitsing van het rijk in Juda en Israël dus werd het tijd. Zijn regering begon toen Jerobeam nog Koning over Israël was. En gelijk wordt er bij vertelt dat dit een koning was die wel eenenveertig jaar heeft mogen regeren. Dat kwam, zo suggereert de Bijbelschrijver, omdat hij begon met het uitroeien van de afgoderij in Juda. Alle afgoden priesters werden het land uit gejaagd en alle afgodsbeelden vernield. Zelfs een mooi beeld dat zijn oma voor Asjeera, vruchtbaarheidsgodin, had gemaakt werd in stukken gehakt en op de vuilstortplaats geworpen. Daar was ook de begraafplaats voor de gewone inwoners van Jeruzalem, dus het maakte grote indruk.

Verder vocht Asa voortduren met Basa van Israël. Tussen de twee landen bleven er grensconflicten. Daarom ook deed Asa een beroep op de bondgenoten, met kostbare geschenken overigens, om hem te helpen. En ze hielpen hem zodat Asa ook nog belangrijke overwinningen boekte op zijn vijandige buurman. Was Asa nu ideaal? Het verhaal vertelt dat hij er niet in slaagde de offerplaatsen verspreid door het land op te ruimen. Volgens de leer van Mozes zou offeren alleen in Jeruzalem mogen plaatsvinden. Maar men offerde niet meer aan afgoden dus het werd Asa niet heel erg kwalijk genomen. De rest moeten we maar lezen in de officiele annalen. De Bijbel gaat alleen over de verhouding met God. Dan kan een koning zo oud worden dat hij slecht ter been is, maar slecht aflopen doet het niet. Wij streven nog wel eens naar het volmaakte ideale, hoeft niet zegt de Bijbel hier, als de God van Israël maar wordt gediend.

Drie jaar regeerde hij

1 Koningen 15: 1-8

1 Abiam werd koning van Juda in het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat. 2 Drie jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Maächa, de dochter van Abisalom. 3 Hij bedreef alle zonden die zijn vader vóór hem had bedreven en was, in tegenstelling tot zijn voorvader David, de HEER, zijn God, niet met heel zijn hart toegedaan. 4 Maar omwille van David liet de HEER het licht van Davids koningshuis in Jeruzalem branden: Hij liet het koningschap van vader op zoon overgaan en zorgde dat Jeruzalem standhield. 5 David had immers steeds gedaan wat goed is in de ogen van de HEER en zich altijd gehouden aan wat Hij hem opdroeg, behalve in de kwestie met de Hethiet Uria. 6-7 Net als Rechabeam was Abiam voortdurend in oorlog met Jerobeam. Verdere bijzonderheden over Abiam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 8 Toen Abiam bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Asa volgde hem op. (NBV21)

In het boek Koningen worden de Koningen van Juda en Israël steeds naast elkaar gezet. Uiteindelijk zullen beide volken eindigen in ballingschap in Babel en zullen de ballingen van beide volken terugkeren naar Israël om in Jeruzalem de Tempel te herbouwen en weer huizen te bouwen. Over Jerobeam hebben we al gelezen. Tijdens de regering van Jerobeam kwamen er verschillende koningen van Juda. Over Rechabeam de zoon van Salomo hebben we het al gehad. Die zorgde voor de splitsing van het Rijk van David en het koningschap van Jerobeam. Rechabeam werd opgevolgd door Abiam.

Helemaal duidelijk is de opvolging niet. Hoe oud Abiam was toen hij Koning werd wordt niet vermeld. Wie zijn moeder is blijft onduidelijk. Hier wordt Maächa genoemd maar in het boek Kronieken heet ze Michaja. Ook wordt Maächa de moeder genoemd van de opvolger van Abiam, Asa. De Bijbel is geen geschiedenisboek. Voor de feitelijke geschiedenis moeten we zijn bij de kronieken van de Koningen van Juda. Dat is overigens een ander boek dan het boek Kronieken dat ook in de Bijbel staat. Voor de Bijbel is belangrijk hoe Abiam om gaat met de God van Israël. Nu dat is niet best.

Abiam wordt hier niet vergeleken met zijn grootvader Salomo maar met zijn overgrootvader David. Die David zou het hele Bijbelverhaal door de modelkoning zijn. Abiam voerde oorlog met Jerobeam. Hij bestreed niet de afgodendienst die in het volk een plaats had gevonden. In de drie jaar dat hij regeerde werden ook de armen vergeten kennelijk. Dat is namelijk de belangrijkste maat die steeds genomen wordt. In tijden van crises moet dus aan vrede worden gewerkt en de armen moeten zeker niet vergeten worden en nog armer worden. Dat was de les die David ons leerde en die je dus volgens dit Bijbelgedeelte steeds opnieuw moet leren. Tot op de dag van vandaag.

 

Hun wangedrag

1 Koningen 14:21-31

1 Rechabeam, de zoon van Salomo, was dus koning van Juda. Hij was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Zeventien jaar regeerde hij in Jeruzalem, de stad die de HEER uit alle steden van Israëls stammen had uitgekozen om er zijn naam te laten wonen. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. 22 De Judeeërs deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Met hun wangedrag ergerden ze Hem nog meer dan hun voorouders ooit hadden gedaan. 23 Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom bouwden ook zij offerplaatsen, richtten ze gewijde stenen op of plaatsten ze Asjerapalen. 24 Ook waren er in het land mannen en vrouwen die zich aan afgoden hadden gewijd. Kortom, men gaf zich over aan alle verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. 25 In het vijfde jaar van de regering van koning Rechabeam trok koning Sisak van Egypte tegen Jeruzalem op. 26 Hij roofde de schatten uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis en nam alles mee, ook de gouden schilden die Salomo had laten maken. 27 Koning Rechabeam liet toen bronzen schilden maken en gaf deze in bewaring aan de bevelhebbers van de koninklijke garde, die het paleis bewaakte. 28 Telkens als de koning naar de tempel van de HEER kwam, namen de leden van de garde de schilden mee, en daarna brachten ze die weer terug naar hun kazerne. 29 Verdere bijzonderheden over Rechabeam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 30 Rechabeam en Jerobeam waren voortdurend met elkaar in oorlog. 31 Toen Rechabeam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn moeder was Naäma, een Ammonitische. Zijn zoon Abiam volgde hem op. (NBV21)

Over de opvolger van Salomo als koning van Juda kunnen we vrij kort zijn. Rechabeam regeerde 17 jaar, deed wat slecht was in de ogen van God en maakte ruzie met Jerobeam de koning van Israël. En, o ja, zijn moeder was Naäma een Ammonitische. Zo wordt het bovenstaande Bijbelgedeelte vaak samengevat. Maar dat is toch iets te eenvoudig. Wij als lezers van de hele Bijbel weten dat die afvalligheid van de God van Israël uiteindelijk zou leiden tot de Ballingschap in Babel. Dat wisten de oudsten van Israël ook toen zij tijdens de ballingschap opnieuw de oude verhalen over God en het Verbond met het volk op een rij zetten. Ze vroegen zich af waarom die ballingschap toch uiteindelijk onvermijdbaar was. Onder David en Salomo was de godsdienst toch zo sterk geweest.

Onder Salomo was de teruggang al begonnen. Die Koning had vele vrouwen en had hen toegestaan afgoden te blijven aanhangen. Zijn zoon Rechabeam was dan ook een zoon van een van die buitenlandse heidense vrouwen. Ze kwam uit Ammon. Het moest dus wel mis gaan. Maar het volk werd gewaarschuwd. Terwijl het volk ging vertrouwen op de vruchtbaarheidsgoden uit Kanaän, zo plaatsten ze palen in de grond voor Asjeera, de vrouw van Baäl, om de vruchtbaarheid van de akkers te vergroten werden er mannen en vrouwen geweid voor de Tempelprostitutie die voor de vreemde godsdiensten in gebruik was. Dat was allemaal niet zonder gevolgen. Koning Sisak van Egypte trok op tegen Israël. Salomo was het eerst getrouwd met een prinses uit Egypte, maar de opvolger van Salomo had een moeder uit een ander volk.

Die Koning Sisal trok diep Juda binnen. Uiteindelijk werd hij door Reobeam afgekocht met het goud en zilver van Jeruzalem. Vooral het roven van de gouden schilden, de grote en de kleine, maakte diepe indruk. Reobeam had geen vrede gebracht en dus ook geen welvaart. Vervangen kon hij de gouden schilden niet. Het werden bronzen schilden en die kwamen niet eens te pronk te staan in het paleis en de Tempel maar de soldaten bewaarden, en beschermden, ze in hun kazernes. Zo verliep de verhouding tussen God en Juda. Er is natuurlijk veel meer gebeurd maar de Bijbel is geen geschiedenisboek. Die andere gebeurtenissen staan opgetekend in de hofboeken. Wij mogen ook leren dat het najagen van winst en profeit niet leidt tot welvaart en welzijn maar tot strijd en oorlog. De armsten worden hier het eerst het slachtoffer van. Zorg voor de armsten, onthechting van bezit en aanzien, zouden verandering kunnen brengen. We kunnen het vandaag nog gaan proberen.

 

Mijn smeken

Psalm 143

1 Een psalm van David. HEER, hoor mijn gebed, luister naar mijn smeken, antwoord mij, U bent trouw en rechtvaardig. 2 Daag uw dienaar niet voor het gerecht, voor U is geen sterveling onschuldig. 3 De vijand heeft mij vervolgd, mijn leven vertrapt in het stof, ik moet wonen in duisternis als de doden van eeuwen her, 4 ik ben ten einde raad, geschokt tot diep in mijn hart. 5 Ik denk terug aan vroeger dagen, mijmer over uw daden en beschouw het werk van uw handen, 6 ik strek mijn handen naar U uit, dorstig als droge aarde. sela 7 HEER, geef mij antwoord, haast u, mijn kracht is uitgeput. Houd u niet voor mij verborgen, of ik word als wie afdaalt in het graf. 8 Laat mij in de morgen uw liefde horen, in U stel ik mijn vertrouwen, wijs mij de weg die ik gaan moet, mijn ziel verlangt naar U. 9 Verlos mij van mijn vijanden, HEER, bij U zoek ik bescherming. 10 Leer mij uw wil te volbrengen, U bent mijn God, laat uw goede geest mij leiden over geëffende grond. 11 Houd mij in leven, HEER, tot eer van uw naam, leid mij uit de verdrukking, door uw gerechtigheid, 12 toon uw trouw, versla mijn vijanden, vernietig al mijn belagers – ik ben uw dienaar. (NBV21)

Vandaag zingen we een smeekpsalm mee. In een tijd waarin de ene crisis over de andere lijkt te tuimelen is een smeekpsalm misschien niet overbodig. Maar deze Psalm is meer dan een klaaglied, een smeekpsalm wijst ook op de verandering die noodzakelijk is om bevrijd te worden van het lijden. De zanger van een smeekpsalm staat als het ware op tegen het lijden dat moet worden ondergaan. De zanger vraagt aan God niet te letten op wat hij allemaal verkeerd zou hebben kunnen doen of gedaan heeft maar op zijn vijanden die hem belagen en waardoor hij het in het leven niet meer uithoudt. Hij wil zich scharen onder de mensen die de geboden van God houden maar het wordt hem bijna onmogelijk gemaakt. Die “geboden van God” is een term die in onze dagen wel helemaal versleten is en het liefst zonder inhoud gebruikt lijkt te worden. Wat God wil is niet zo moeilijk, eert Hem met heel je hart en heel je verstand en dat doe je door je naaste lief te hebben als je zelf.

De zanger van deze Psalm wil zich blijven herinneren hoe het is geweest met die God van Israël. Die had immers ooit geluisterd naar het klagen en het smeken van zijn volk toen het tot slavernij was veroordeeld in Egypte. Door Mozes had die God zich laten zien aan de heersers in Egypte en zich in rampen getoond aan het volk van Egypte. Uiteindelijk hadden die hun eerstgeborene gedood als offers aan de goden en gemerkt dat juist de gelovigen in de God van Israël gespaard bleven doordat die een lam hadden geslacht en het bloed van dat lam op de deurposten hadden gesmeerd. Ze hadden dat volk het land uitgejaagd de woestijn in en zo had de God van Israël dat volk bevrijd van de harde slavernij die ze hadden moeten ondergaan. De zanger had gehoord van de verleiding die het volk steeds had moeten weerstaan om in het door de God van Israël beloofde land niet de vruchtbaarheidsgoden achterna te lopen maar te vertrouwen op wat de God van Israël ongevraagd zou geven en wat ze mochten delen met de zwaksten en de armsten.

De druk op mensen om zich te schikken naar de wetten van de goden van winst en profijt is ook vandaag de dag nog groot. één dag in de week al het werk te staken, ja ook je knechten en je slaven, zelfs je dieren al het werk te laten staken zodat je geen slaaf kan worden van werken en consumeren kan niet meer in deze moderne tijd. Het is toch ouderwets en particulier religieus als je anderen op wil leggen dat ze zich moeten bevrijden van de slavernij. Er zijn mensen die roepen dat je moet onthaasten, dat je gezond moet leven door gezond te eten en op tijd te bewegen. Dus zie je in ons land op de vroege zondagmorgen grote groepen mensen hard lopen die daarna nog nahijgend van de ochtendloop zich weer aan het werk zetten. Dat ze zich in vrijheid met hun naasten zouden kunnen bezig houden, zich bezinnend op de vraag hun de wereld er beter, rechtvaardiger en vreedzamer uit zou kunnen zien ontgaat ze. Het ontgaat onze psalmzanger niet. Die smeekt die moderne slavendrijvers te doen verstommen. Juist vanwege die bevrijding van geweld, onderdrukking en slavernij. Elke dag weer mogen we meezingen met deze psalmist, ook vandaag, net zolang tot we allemaal bevrijd zijn en niemand meer honger hoeft te lijden of pijn.

Zout is iets goeds

Lucas 14:25-35

25 Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei: 26 ‘Wie Mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zussen, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. 27 Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij aan komt, kan niet mijn leerling zijn. 28 Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? 29 Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen 30 en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar afmaken kon hij het niet.” 31 En welke koning die eropuit trekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? 32 Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen. 33 Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn. 34 Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? 35 Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’(NBV21)

Heeft de Bijbel een hekel aan rijken? We herinneren ons de hoofdpersoon uit het boek Job. Die was zeer rijk staat er aan het begin. Aan het eind van het boek staat dan dat hij zeven keer zo veel ontving als hij aan het begin had gehad. Dat is dus niet alleen zeer rijk maar superrijk. Wat betekent het dan dat Jezus van Nazareth zegt dat wie geen afstand doet van al zijn bezittingen geen leerling kan zijn? Uit het boek Job hadden we geleerd dat Job zelf geen waarde hechtte aan al die rijkdom. Hij deelde dat met de armen en de vreemdelingen. Hij ging zelfs zo ver dat als zijn kinderen mogelijk eens het personeel, de armen en de vreemdelingen vergeten zouden kunnen zijn bij het houden van een feest Job dit de volgende dag alsnog goed ging maken.

Dat is dus de geest waarin we ook dit verhaal van Jezus van Nazareth moeten lezen. Afstand doen van de bezittingen is niet een hekel hebben aan rijken maar een hekel hebben aan armoede en houden van de armen. Toen we lazen dat Jezus van Nazareth zeventig van deze leerlingen er op uit stuurde om het Evangelie te verkondigen was de inhoud van dat Evangelie de bevrijding van de armen. In de praktijk blijken veel rijken alleen van zichzelf te houden. Ze willen geen belastingen betalen om daar uitkeringen, scholing, openbaar vervoer en zorg uit te betalen, hooguit belasting om nog meer asfalt aan te leggen voor grote personenauto’s en meer blauw op straat om de armsten in bedwang te houden. Zelfs het geringste voorstel om voor een paar van de allerrijksten iets meer bijdrage te vragen in de staathuishouding kan al rekenen op het grootste verzet van de rijken.

Gelukkig zijn er ook rijken die zelf met voorstellen komen om iets meer te delen. Die zich evengoed inzetten voor het afschaffen van de onrechtvaardige tolmuren en hun bezit gebruiken om ruimte te maken voor het herzien van onze samenleving in een rechtvaardige samenleving. Ze financieren studies naar herverdeling van kennis macht en inkomen, beter gebruik van grondstoffen en tegengaan van klimaatverandering en maken hun tijd vrij om eigenhandig mensen te helpen in de zorg of de gevangenissen. Zij geven het voorbeeld dat we allemaal kunnen volgen. Bij Christenen verdwijnt immers ook het onderscheid tussen armen en rijken? Daarvoor moeten we dus allemaal los komen van ons bezit. Wie het bezit op de eerste plaats zet kan dus nooit God, of Christus op de eerste plaats zetten. Daarom moeten we ons elke dag weer los maken van waar we aan hechten, zodat we ons des de vaster aan het voorbeeld van Jezus kunnen hechten en de armen gaan

Neemt u mij niet kwalijk

Lucas 14:12-24

12 Tegen degene die Hem had uitgenodigd, zei Hij: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren. Want zij zullen op hun beurt u uitnodigen, en zo doen zij iets voor u terug. 13 Wanneer u een feestmaal geeft, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. 14 Dan zult u gelukkig zijn, juist omdat zij niets kunnen terugdoen. Want u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’ 15 Een van de andere gasten, die dit hoorde, zei tegen Hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’ 16 Daarop zei Jezus: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. 17 Toen de dag van het feestmaal gekomen was, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles staat klaar.” 18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 19 En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” 22 Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” 23 zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en haal iedereen binnen, want mijn huis moet vol. 24 Ik zeg jullie: niemand van de genodigden zal van mijn feestmaal proeven.”’(NBV21)

We hebben zo allemaal wel onze beslommeringen. De hypotheek moet worden afgelost, er moet regelmatig worden overgewerkt, je moet toch ook eens naar het theater en de bioscoop. Dan zijn er nog sportwedstrijden waar je niet buiten kunt. Als je kinderen hebt moet je vrijwel elke dag de kinderen brengen naar en halen van clubs en activiteiten. Wie heeft er nog tijd om een aantal uren in een Wereldwinkel te staan, of kleding te sorteren voor Oost-Europa, of achter de telefoon te zitten bij de Telefonische Hulpdienst, Sensoor, of één van de vele vrijwilligersbaantjes te vervullen die er in onze samenleving voor dorp, stad, land en wereld nodig zijn. We hebben het bijna allemaal te druk om aan het feest van de betere wereld, het Koninkrijk van God, mee te doen. We zijn in de afgelopen tientallen jaren fors korter gaan werken. De 40 urige werkweek werd ingevoerd, maar ook die is langzaam ingekort tot 36 en 32 uur.

Daarnaast zijn er ook nog ADV dagen gekomen en zijn veel mensen in plaats van voltijd in deeltijd gaan werken. Toch is het aantal vrijwilligers in de samenleving hard achteruit gegaan. Die ouders die het zo druk hebben met hun kinderen naar sportverenigingen te brengen en ze weer te halen hebben het te druk om elftalbegeleider, of teambegeleider te zijn in het weekeinde als de wedstrijden gespeeld moeten worden. Mensen die mopperen op de kwaliteit van het gemeentebestuur en de wegen die voortdurend zijn opgebroken en de hoge belastingen die ze moeten betalen hebben geen tijd om met de plaatselijke politici van hun partijkleur mee te werken en mee te denken over een beter gemeentebestuur. Dat Koninkrijk van God komt er ondertussen wel. Dat is de blijde boodschap die uit dit gedeelte van het Evangelie van Lucas klinkt.

Wees dus niet verbaasd als je er buiten staat, als je er geen deel aan blijkt te hebben. Al zijn er tekort vrijwilligers, ze zijn er wel. Soms nemen ze gewoon hun partner en kinderen mee. Zo zijn er hele gezinnen die samen werken in de plaatselijke voedselbank en zelf de laatste voedselpakketten mee naar huis nemen omdat ze die ook zelf nodig hebben. Juist in die delen van de samenleving waar mensen het eerst arbeidsongeschikt zijn, het langst werkloos blijven, het laagste inkomen hebben, het kortst naar school zijn geweest is de bereidheid om te helpen en een betere wereld te maken het grootst. Soms lijkt het of ze een wereld maken voor zichzelf en dan worden de machtigen en rijken er bang van, maar weet goed dat iedereen mee kan doen. Je moet er alle dagen klaar voor zijn en wel voor willen samenwerken.