Wat je werk opbrengt

Psalm 128

1 Een pelgrimslied. Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de HEER en de weg gaat die Hij wijst: 2 je zult eten wat je werk opbrengt, geluk en voorspoed vallen je toe, 3 je vrouw als een vruchtbare wijnstok in het midden van je huis, je kinderen als jonge olijfbomen in een kring om je tafel. 4 Ja, zo wordt gezegend de man die ontzag heeft voor de HEER. 5 Ontvang de zegen van de HEER uit Sion. Je zult de voorspoed van Jeruzalem aanschouwen, alle dagen van je leven. 6 De kinderen van je kinderen zul je zien. Vrede over Israël! (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een pelgrimslied mee. Een psalm die gezongen werd als mensen op pad gingen naar de Heilige Tent, later naar de Tempel, om daar de maaltijd te houden met de dienaren van de Heilige Tent, de armen, de vreemdelingen en met hun familie, zoals dat in het boek Deuteronomium was voorgeschreven. Je mag blij zijn met alles wat je toevalt en zeker als je mag eten van wat je werk opbrengt. Chronisch zieken en gehandicapten kunnen dat vaak niet meezingen, zeker niet als ze van jongs af aan arbeidsbeperkt zijn. Ook al zouden ze nog wat werk kunnen doen, werkgevers kijken wel uit om wrakken aan te nemen. Alle pleidooien van organisaties van gehandicapten om werkgevers te verplichten een zeker percentage van hun personeel uit gehandicapten te laten bestaan zijn eigenlijk altijd aan dovemans oren gericht. Zelfs in tijden van een zeer krappe arbeidsmarkt blijven er veel mensen langs de kant gezet worden.

De verplichting om een deel van het personeel uit arbeids beperkten te laten bestaan die in de wet is opgenomen is te gemakkelijk te ontduiken en een regering heeft zich over de handhaving van die regels nooit druk gemaakt. Die maakt liever goede sier met al het geld dat ze bespaard hebben door intensief in de uitkeringen te snijden. Want niet alleen zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen fors omlaag geschroefd, daarnaast zijn er ook flinke zorgpremies ingevoerd en werd het  eigen risico in de zorg jaar na jaar verhoogd, zieken zijn te duur voor de rijken. Door dat eigen risico moet iedereen die medicijnen gebruikt of onder controle van een dokter staat elk jaar een fors bedrag extra voor de gezondheidszorg betalen. Nu de vraag naar goederen wegvalt en de winsten dreigen te dalen worden de uitkeringen weer verhoogd. De psalm gaat uit van het goede, gaat uit van de mensen die willen delen met een ander, die zorg hebben voor hun naaste, of zoals de psalm het zegt: die ontzag hebben voor de Heer.

Het is maar een kleine psalm die we vandaag zingen, maar die psalm is dan ook bedoeld voor kleine mensen. Mensen die bereid zijn de goddelijke richtlijnen uit de woestijn te volgen en daar te delen wat ze met hun eigen handen hadden verdient. Laten we meezingen. Want ook in onze dagen van zogenaamde crisissen, voor de jong gehandicapten, kan een volk pas echt overleven als het bereid is dat ontzag voor de Heer op te brengen. Wijsheid wordt dat op andere plaatsen in Bijbel genoemd. En dat ontzag voor de Heer blijkt altijd weer uit de zorg voor de armen, uit de bereidheid te zorgen voor zieken en gehandicapten, voor de weduwe en de wees en de vreemdeling, de mensen die langs de kant staan en hulp nodig hebben. In onze dagen overigens voor de minsten in de hele bewoonde wereld, tot aan de einden der aarde. Elke dag mogen we opnieuw beginnen op die manier deze psalm mee te zingen, door onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag weer.

Dan zal ik met u meegaan.

1 Koningen 19:9b-21

Toen richtte de HEER zich tot hem met de woorden: ‘Elia, wat doe je hier?’ 10 Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 11 ‘Kom naar buiten,’ zei de HEER, ‘en treed hier op de berg voor Mij aan.’ En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar in die windvlaag bevond de HEER zich niet. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar in die aardbeving bevond de HEER zich niet. 12 Na de aardbeving was er vuur, maar in dat vuur bevond de HEER zich niet. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. 13 Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan. Toen klonk een stem, die tegen hem zei: ‘Elia, wat doe je hier?’ 14 Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 15 De HEER zei tegen Elia: ‘Keer terug en ga naar de woestijn van Damascus. Daar aangekomen moet je Hazaël tot koning van Aram zalven. 16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet je zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, moet je tot je eigen opvolger zalven. 17 Wie ontkomt aan het zwaard van Hazaël, zal gedood worden door Jehu. En wie ontkomt aan het zwaard van Jehu, zal gedood worden door Elisa. 18 Maar Ik zal in Israël zevenduizend mensen overlaten die niet voor Baäl hebben geknield en hem niet hebben gekust.’ 19 Elia ging weg van de Horeb. Toen hij Elisa, de zoon van Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen; Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep op hem af en gooide zijn mantel over hem heen. 20 Meteen liet Elisa zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. ‘Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder,’ zei hij, ‘dan zal ik met u meegaan.’ ‘Doe wat je wilt,’ zei Elia. ‘Ik dwing je nergens toe.’ 21 Elisa ging terug, slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het hout van hun juk en bood het zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar. (NBV21)

Waar is God? Wanneer ontmoet je God? Is God in het lawaai van de massa, of in het vuur van een machtige toespraak of een intense praise song? Als je dit verhaal van Elia op je laat inwerken dan kom je tot de ontdekking dat God alleen in de zorg voor een goede samenleving te vinden is. Want pas in een zachte bries hoort Elia in het gefluister dat wat goed is voor Israël. Er moeten nieuwe koningen worden gezalfd, een voor de noordelijke buur en een voor de zuidelijke buur. Dat die noordelijke buur niet bij Israël hoort, dus geen aanbidder van de God van Israël is, doet niet ter zake. Ook door de politiek van vreemde heersers kan het plan van God met de wereld tot stand komen. De aanbidders van die vruchtbaarheidsgoden moeten de wereld uit. Al dat succesgedoe, al dat roepen om meer, om beter en om mooier moet tot zwijgen worden gebracht. Het gaat er om te delen van wat je hebt met de anderen.

Neem nu die Elisa, de opvolger van Elia. Dat is ook zo iemand. Hij wordt geroepen om met Elia mee te gaan en slacht zijn ossen, braadt ze op het hout van zijn ploeg en verdeeld het onder zijn knechten. Dan gaat hij niet mee als de rijke boer die de profeet zou kunnen sponsoren, maar als dienaar van de profeet. In dit verhaal zit God dus in de zorg voor de wereld, de zorg ook voor de minsten in de wereld. Want van dat streven naar winst en profijt, naar altijd maar meer en beter, worden de armsten het eerst het slachtoffer. Het zijn nu al de armsten in ons eigen land die de gevolgen ondervinden. De rijen voor de voedselbanken groeien, de aantallen daklozen nemen dag aan dag toe en mensen moeten kiezen tussen warm eten of warm zitten. En op de dag dat in Amerika gediscussieerd wordt of de echtgenote van een van de grootste oplichters in de geschiedenis 1 of 2 miljoen dollar mag houden sterven in datzelfde land opnieuw kinderen van de honger.

De regering mag dan wel een mooie begroting hebben gepresenteerd waarin het verlies aan koopkracht door de stijgende prijzen een klein beetje wordt goedgemaakt, het voorkomen van het maken van schulden is nog nauwelijks bestudeerd. De reclame voor meer consumeren blijft en of er dan schulden worden gemaakt is een eigen verantwoordelijkheid. Het zal er nog van komen dat kerken die nu actief zijn voor de voedselbanken en de schuldhulpmaatjes cursussen gaan organiseren over het verstandig en verantwoordelijk omgaan met je geld. En een overheid als dienaar, het ideaal beeld van een Elisa, is voor deze overheid zeker niet weggelegd. Geen woord in de troonrede over de slachtoffers van de toeslagenaffaire, geen woord over het aardbevingsbestendig maken van woningen in Noord Groningen. Er moeten nog veel ossen geslacht worden. Vandaag kunnen we er mee beginnen.

Sta op en eet wat

1 Koningen 19:1-9a

1 Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, ook dat hij alle profeten ter dood had gebracht. 2 Toen liet Izebel Elia de volgende boodschap overbrengen: ‘De goden mogen met mij doen wat ze willen als u morgen om deze tijd niet hetzelfde lot ondergaat als zij.’ 3 Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. Bij Berseba in Juda aangekomen liet hij zijn knecht achter 4 en zelf trok hij één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, HEER. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’ 5 Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: ‘Sta op en eet wat.’ 6 Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen. 7 Maar de engel van de HEER kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’ 8 Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God. 9 Daar ging hij een grot binnen om er de nacht door te brengen. (NBV21)

Wat doe je als je iemand in de woestijn onder een stuik ziet liggen? Dan maak je wat te eten en te drinken klaar, En als iemand daarna weer gaat slapen dan doe je dat nog een keer want dan heeft iemand kennelijk last van uitputting. Dat is wat Elia overkomt als hij het niet meer ziet zitten. Hij heeft toch bewezen dat de God van Abraham, Izaäk en Jacob oneindig veel meer kan betekenen voor het volk dan de zogenaamde vruchtbaarheidsgoden van Kanaän. Maar in plaats van een erkenning voor die God wordt Elia met de dood bedreigt. Dat maakt hem moedeloos. En aan de geschiedenis hoef je ook je kracht niet te ontlenen want gelovigen zijn elkaar door de eeuwen heen te lijf gegaan en al eeuwen wordt er opgeroepen om met elkaar op de wereld te delen maar er gaan elke dag nog duizenden dood van de honger. Hoe kan Elia ontsnappen aan die wereld van dood en doodsdreiging.

In dit verhaal moet hij daarvoor uit dat land trekken zoals het volk Isaël ooit uit Egypte trok. Veertig dagen door de woestijn zoals zij ooit veertig jaar door de woestijn trokken. Dan kom je bij de berg waar God ooit dat gebod gaf van heb je naaste lief als jezelf. Elia kan dat pas als er iemand is die midden in de woestijn bereid is met hem te delen en hem zelfs te verzorgen en uit te rusten voor die reis. Iemand die zo zorgzaam is noemen we een engel, die brengt uitkomst, die laat zien hoe God het in onze wereld wil hebben. Wij noemen zo iemand voor de grap wel eens een engel, maar de Bijbel benoemd zulke mensen als engelen omdat wij ze zouden kunnen navolgen. Dat maakt immers ook voor ons zo’n reis mogelijk. Misschien een denkbeeldige reis uit een wereld van dood en eigenbelang. Een reis terug naar een samenleving waar de wet van heb uw naaste lief als uzelf geldt.

In die samenleving kom je de mensen tegen die in hun vrije tijd in de Fair Trade winkel staan, die buddy’s zijn van aidspatiënten, die op bezoek gaan bij gevangenen of brieven schrijven voor Amnesty International, die prostituees opvangen om hen weer het gevoel te geven dat ze mens zijn en geen voorwerp, die oud en weggeworpen gereedschap opknappen om te versturen naar landen waar geen gereedschap is en tal van andere warme menslievende mensen die hun capaciteiten en zichzelf inzetten oim hier op aarde al vast iets te laten zien van de toekomst wanneer de hemel op aarde gevestigd zal zijn. Al die mensen kunnen met hun liefde ons weer op weg en in beweging zetten. Zeker als we opnieuw teleurgesteld worden doordat groepen mensen tegen elkaar worden opgezet, als mensen hun zakken vullen als ze bedrijven failliet laten gaan en mensen werkloos worden, als we het onrecht zien dat in onze dagen in onze wereld gebeurt. Wij kunnen in beweging komen om de wereld de andere kant op te helpen, de kant van liefde, vrede en gerechtigheid, ook vandaag nog. Er is altijd een grot om in te schuilen.

 

Grijp de profeten

1 Koningen 18:30-46

30 Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen. Toen ze bij hem waren komen staan, bouwde hij het verwoeste altaar van de HEER weer op. 31 Hij nam twaalf stenen, evenveel als het aantal stammen van Israël, de nakomelingen van de zonen van Jakob, tot wie de HEER had gezegd: ‘Israël is je nieuwe naam.’ 32 Met die twaalf stenen maakte hij een altaar ter ere van de HEER, en daaromheen liet hij een geul graven met een lengte van driehonderd el. 33 Hij stapelde het brandhout op, sneed de stier in stukken en legde die op de brandstapel. 34 Toen zei hij: ‘Vul vier kruiken met water en giet die over het offer en het brandhout uit.’ Toen dat gebeurd was, liet hij het nog een tweede en een derde keer doen. 35 Het water liep over het altaar heen en de geul eromheen kwam vol water te staan. 36 Toen het uur voor het graanoffer was aangebroken, trad de profeet Elia op het altaar toe en zei: ‘HEER, God van Abraham, Isaak en Israël, vandaag zal blijken dat U in Israël God bent, en dat ik U dien en dit alles in uw opdracht gedaan heb. 37 Geef mij antwoord, HEER, geef antwoord. Dan zal dit volk beseffen dat U, HEER, God bent en dat U het bent die hen tot inkeer brengt.’ 38 Het vuur van de HEER sloeg in en verteerde het brandoffer met brandhout, stenen, as en al; zelfs het water in de geul likte het op. 39 Alle Israëlieten zagen het, en allen wierpen zich voorover op de grond en riepen: ‘De HEER is God, de HEER is God!’ 40 Toen zei Elia tegen hen: ‘Grijp de profeten van Baäl; laat niet één van hen ontkomen!’ De profeten werden gevangengenomen, en Elia liet hen afdalen naar het dal van de Kison, waar hij hen ter dood liet brengen. 41 Tegen Achab zei Elia: ‘Ga nu wat eten en drinken, ik hoor het geruis van de stortregen al.’ 42 Achab ging iets eten en drinken en Elia ging naar de top van de Karmel. Daar ging hij gehurkt op de grond zitten, met zijn gezicht tussen zijn knieën. 43 Zijn knecht droeg hij op: ‘Ga jij eens kijken, de kant van de zee uit.’ De knecht ging kijken, maar toen hij terugkwam zei hij: ‘Er is niets te zien.’ Zeven keer stuurde Elia hem terug, 44 en toen de knecht voor de zevende keer was gaan kijken zei hij: ‘Er komt een klein wolkje uit zee opzetten, niet groter dan een handpalm.’ Daarop zei Elia: ‘Ga snel naar Achab en zeg hem dat hij zijn wagen moet inspannen en vertrekken, anders zal de regen hem de weg afsnijden.’ 45 In minder dan geen tijd werd de hemel verduisterd door wolken, stak de wind op en barstte er een enorme regenbui los. Achab reed in de richting van Jizreël. 46 Elia werd door de hand van de HEER gegrepen. Hij schortte zijn bovenkleed op en rende voor Achab uit, helemaal tot Jizreël. (NBV21)

Heerlijk als een verhaal vol symboliek zit. Stortregens vallen er op het einde die dreigen de koning weg te spoelen. Alsof de zondvloed van Noach weer gekomen is. Maar water speelt van begin af in dit verhaal een belangrijke rol. Zelfs in tijd van droogte zit Elia kennelijk niet zonder water. Hij giet zoveel water over het altaar heen dat zelfs de omringende goot vol water komt te staan. Van 12 stenen had hij immers dat altaar gebouwd, de 12 stenen die ook Israël hadden gevormd, van de eerste steen waarop Jacob had gedroomd af. Wij kennen alleen de Tabernakel die met het volk Israël meegevoerd werd door de woestijn en de Tempel die door Salomo in Jeruzalem werd gebouwd. Maar in de dagen van Elia waren er meer heiligdommen voor de God van Israël. één ervan was op de berg Karmel geweest maar dat heiligdom was vernietigd. Elia begint dan ook met dat heiligdom weer op te bouwen.

En als je dat weet komt ook die bliksemschicht niet meer als een verrassing. In het boek Leviticus wordt uitgebreid de wijding van de Tabernakel, de heilige Tent, beschreven. En ook daar was er een vuurflits komende uit het heiligdom die het brandoffer van een jonge stier aanstak en verteerde. Elia wordt hier dus als een Mozes voorgesteld, hij immers bevrijdde het volk Israël van de aanbidding van afgoden als Baäl en Asjera. En daarmee wordt dat wonderlijke volksverhaal over zelfontbranding of blikseminslag bij heldere hemel ineens een verhaal over de uittocht uit het land van de dood. Want de aanbidding van die afgoden loopt uit op de dood. Niet dat de vruchtbaarheid direct komt. Zeven keer moet de knecht van Elia gaan kijken of er al een wolk aankomt. Het is alsof de aarde eerst opnieuw geschapen moet worden voordat de mensen er weer van kunnen leven.

Maar komen doet het dat nieuwe leven en als je er niet door overspoeld wil worden dan moet je hard rennen. Zie je het voor je? De profeet met zijn jurk opgetrokken, vastgehouden met twee handen tot op zijn middel, en dan hart rennen voor de wagen met paarden van de Koning uit? Het zou een prachtig slot zijn voor de film over Elia en de priesters van Baäl en Asjera. Die priesters vinden de dood aan de voet van berg. Verder als dit zullen ze niet komen. Het klinkt wreed, moet dat nu helemaal dat bloedvergieten? Maar vergeet niet dat die priesters zichzelf met lansen staken en met messen opensneden. Een dergelijke godsdienst leidt tot de dood. Ook in onze dagen. Hoeveel slachtoffers zijn er al niet gevallen van plastische chirurgie die werd uitgevoerd alleen om een zogenaamd schoonheidsideaal te volgen. Het verhaal van Elia leert ons dat het volgen van dat soort idealen en bijbehorende afgoden leidt tot de dood. Het leven kiezen is delen, en het vereren van de God van heb-je-naaste-lief als jezelf. Ook vandaag de dag.

Begint u maar

1 Koningen 18:16-29

16 Obadja zocht Achab op en vertelde hem dat Elia eraan kwam. Achab ging Elia tegemoet, 17 en zodra hij hem in het oog kreeg riep hij uit: ‘Bent u daar eindelijk, u die Israël in het ongeluk stort?’ 18 Elia antwoordde: ‘Niet ik stort Israël in het ongeluk, dat doet u zelf, u en het koningshuis van uw vader, omdat u de geboden van de HEER naast u hebt neergelegd en de Baäls bent gaan vereren. 19 Welnu, laat heel Israël naar mij toe komen, op de Karmel. Laat alle vierhonderdvijftig profeten van Baäl bij me komen, en ook alle vierhonderd profeten van Asjera, die door Izebel aan het hof zijn opgenomen.’ 20 Achab stuurde boden naar alle stammen van Israël en liet ook alle profeten op de Karmel bijeenkomen. 21 Daar sprak Elia het volk als volgt toe: ‘Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de HEER God is, volg Hem dan; is Baäl het, volg dan hem.’ De Israëlieten gaven geen antwoord. 22 Toen zei Elia: ‘Ik ben de enige profeet van de HEER die nog over is. De profeten van Baäl zijn met vierhonderdvijftig man. 23 Breng ons twee stieren. Zij mogen als eersten een stier uitkiezen. Laten ze die in stukken snijden en op een brandstapel leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Ik zal de andere stier gereedmaken en op een brandstapel leggen, maar ik zal het hout niet aansteken. 24 U moet de naam van uw god aanroepen, en ik zal de naam van de HEER aanroepen. De god die antwoordt met vuur, is de ware God.’ Heel het volk stemde met dit voorstel in. 25 ‘Begint u maar, u bent met velen,’ zei Elia tegen de profeten van Baäl. ‘Kies maar een dier en maak het gereed voor het offer. Roep dan de naam van uw god aan, maar steek het hout niet in brand.’ 26 De profeten namen een van de twee beschikbare stieren en maakten die voor het offer gereed. De hele morgen lang riepen ze Baäl aan: ‘Baäl, geef ons antwoord!’ Maar het bleef stil en niemand gaf antwoord, hoe ze ook dansten en sprongen rond het altaar dat daar was opgericht. 27 Toen het middaguur aanbrak, begon Elia hen te honen: ‘Roep zo hard u kunt! Hij is toch een god? Hij is zeker in gepeins verzonken. Ik denk dat hij zich even moest afzonderen. Is hij soms op reis gegaan? Misschien slaapt hij, en moet u hem wekken!’ 28 De profeten riepen uit alle macht en brachten zichzelf, zoals hun gewoonte was, met zwaarden en lansen verwondingen toe tot het bloed over hun lijf stroomde. 29 In vervoering bleven ze schreeuwen, maar ook toen het middaguur allang voorbij was en het uur voor het graanoffer aanbrak, was er nog steeds geen enkele reactie gekomen: het bleef stil, niemand gaf antwoord.

Eigenlijk is het toch merkwaardig dat dit verhaal niet is verfilmd. We kennen verfilmingen van het Oude Testament genoeg. “Green Pastures”, met de schepping en het verhaal van Noach, Noah over Noach zelf, “Ten Commandments” over de uittocht uit Egypte en “Samson en Delila” over de Richter Simson, over Saul en David en nog veel meer. Maar dit verhaal over Elia op de Karmel is nooit verfilmd. En dat verhaal wordt toch zeer beeldend verteld. Zeven jaar is er droogte in het land geweest. Alle grond is dor en onvruchtbaar geworden. In de dagen van Elia hadden de volken van Kanaän daar vruchtbaarheidsgoden voor. Baäl en Asjera, een echtpaar. Op een paar plaatsen in de Bijbel wordt die Asjera overigens ook de vrouw van de God van Israel genoemd. Maar hier hoort ze bij de vruchtbaarheidscultus van Kanaän. Op de hoogste berg van Israël, de berg Karmel moest er aan die vruchtbaarheidsgoden geofferd worden.

Uit het hele land werden de priesters van Baäl en Asjera opgetrommeld. En daar begonnen de rites. De stieren werden klaargemaakt, waarschijnlijk met bloemenkransen versierd en dan met één haal van het rituele offermes gedood, in stukken gesneden en op het altaar gelegd. En dan moet er een wonder gebeuren, de god moet zijn eigen offer aan weten te steken. Vierhonderdvijftig priesters dansen in het rond, alleen dat al zou een prachtige filmscene opleveren, maar als dat niet helpt wordt het nog veel mooier, dan snijden ze elkaar en zichzelf met messen en lansen. Het bloed loopt alle kanten op. Dat is overigens minder vreemd dan het ons vandaag de dag lijkt. Zelfverminking was heel gewoon in dit soort vruchtbaarheidsrites en er zijn op de wereld nog veel streken waar gelovigen zichzelf of elkaar tot bloedens toe slaan of snijden als teken van aanbidding van hun God. Dat helpt dus niet. Al dat worship gezang, al die geheven handen, al die trance brengen geen genezing. De god van de vruchtbaarheid, de god van het succes, de god van de genezing op gebed zwijgt. Van de morgen tot de avond doen de priesters hun best.

Het is een opwekkingsbijeenkomst in de beste tradities. Maar die helpen dus niet. Een film hierover zou een groot succes worden denk ik. Net als die over Mozes die de Schelfzee splijt. Bij de studio’s in Hollywood kun je er nu met een studiotrein doorheen rijden. We houden met z’n allen van dit soort wonderen, eigenlijk kunnen we er geen genoeg van krijgen. Wonderdoeners, gebedsgenezers, instralers, geestenfluisteraars en andere moderne goochelaars verdienen er dikke boterhammen mee. Televisieprogramma’s er over trekken veel kijkers. Maar dat je kan overleven zoals die weduwe deed waar Elia vandaan kwam, door je laatste kruik meel met een ander te willen delen komt bij niemand op. Dat levert geen mooie filmscene’s op, dat levert alleen leven op. En met dat delen moeten we het ook vandaag weer doen, omdat we nu eenmaal van onze naaste willen houden als van onszelf, daar hoeft geen show en praise aan te pas te komen.

Regen op de aarde

1 Koningen 18:1-15

1 Voor er drie jaren verstreken waren, richtte de HEER zich opnieuw tot Elia, met de woorden: ‘Ga je opwachting maken bij Achab. Ik zal weer regen op de aarde laten vallen.’ 2 Elia ging dus op weg naar de koning. Intussen was de hongersnood in Samaria zo groot geworden, 3 dat Achab zijn hofmeester Obadja ontboden had. Deze Obadja had groot ontzag voor de HEER. 4 Toen koningin Izebel de profeten van de HEER liet uitroeien, had Obadja honderd van hen in twee groepen van vijftig in grotten verborgen en hen daar van voedsel en drinkwater voorzien. 5 Achab zei tegen Obadja: ‘Ga alle bronnen en rivieren in het land langs. Misschien is er ergens gras te vinden, zodat we onze paarden en muildieren in leven kunnen houden en het vee niet hoeven af te maken.’ 6 Ze namen ieder een deel van het land voor hun rekening: Achab ging de ene kant uit, alleen, en Obadja de andere kant, ook alleen. 7 Onderweg kwam Obadja Elia tegen. Toen hij hem herkende, wierp hij zich voorover op de grond en vroeg: ‘Bent u het, Elia, mijn heer?’ 8 ‘Jazeker,’ antwoordde Elia. ‘Ga uw meester zeggen dat Elia eraan komt.’ 9 Maar Obadja protesteerde: ‘Dat zou mijn dood zijn! Wat heb ik misdaan, heer, dat u mij aan Achabs genade wilt overleveren? 10 Zo waar de HEER, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn meester niet naar u heeft laten zoeken. En als ze zeiden dat u daar niet was, dan liet hij dat volk of dat koninkrijk zweren dat ze u niet konden vinden. 11 En nu wilt u dat ik mijn meester ga zeggen dat u eraan komt? 12 Zodra ik van u wegga komt er natuurlijk een geest van de HEER die u meevoert naar ik weet niet waar, en als ik dan tegen Achab zeg dat u er bent en hij kan u niet vinden, dan zal hij me vermoorden. Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik een groot ontzag voor de HEER. 13 Hebben ze u nooit verteld, heer, wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van de HEER liet uitmoorden? Dat ik honderd van hen een schuilplaats heb geboden, vijftig in één grot en vijftig in een andere, en dat ik hen van voedsel en drinkwater heb voorzien? 14 En nu wilt u dat ik mijn meester ga zeggen dat u eraan komt? Hij zal me vermoorden!’ 15 Maar Elia antwoordde: ‘Zo waar de HEER van de hemelse machten, in wiens dienst ik sta, leeft, vandaag zal ik bij Achab mijn opwachting maken.’ (NBV21)

De verhalen over de profeet Elia zijn echte volksverhalen. Het is het beeld van de enkeling die zich met succes verzet tegen de willekeur van de machtige koning. Tal van romans en films uit onze tijd behandelen hetzelfde thema en als het actiefilms zijn lopen ze de kans behoorlijk populair te worden. In het verhaal dat we vandaag lezen komen we een ander thema tegen dat ook in onze dagen behoorlijk actueel is. Het thema van het verzet van binnenuit. Het gaat vandaag over een hoge hoffunctionaris die wel de dienaar is van de Koning maar er toch ook voor zorgt dat het verzet in leven kan blijven. Koning Achab wilde onder invloed van zijn vrouw Izebel ook ruimte geven aan de aanbidding van vreemde goden, maar de profeten van Israël die trouw bleven aan de God van Abraham, Izaak en Mozes bleven daartegen protesteren.

Een groot aantal van die profeten werden gered door de hoge ambtenaar Obadja. Die ambtenaar krijgt nu de opdracht van de grootste profeet, en grootste opposant van de koning, Elia, hem aan te kondigen bij de Koning. En dan komt de vraag waar ook wij mee te maken hebben. Hoever kun je gaan in het dienen van een misdadig regiem en hoever kan men vragen daartegen verzet te plegen. Obadja voelt zich danig bedreigd in zijn bestaan. En dat argument hoor je ook in onze dagen als het gaat om handeldrijven met misdadige regiems. Waarom zouden we geen handel drijven met een regiem als in Myanmar. Daar zijn militaire machthebbers die het volk onderdrukken en profiteren van de handel met ons land, die handel houdt hen overeind. Het apartheidsregime in Zuid-Afrika stortte ineen toen grote bedrijven uit westerse landen zich terugtrokken uit dat land en er geen buitenlandse investeringen meer kwamen.

Maar het kan ook op individueel nivo spelen. Moet je als werknemer bij een internationaal bedrijf meewerken aan de handel met een misdadig regiem? Je zet je bestaan op het spel als je het weigert. Moet een regering diplomatieke contacten blijven onderhouden met een misdadig regiem? Die vraag speelt iedere keer als een volk in opstand komt tegen onderdrukking en vervalsing van de democratie. Het zijn geen eenvoudig te beantwoorden vragen. In de Tweede Wereldoorlog bleven veel ambtenaren op hun post omdat ze geen andere keus zagen. Het was of doorwerken of onderduiken. Vandaag de dag hebben we in ons land meer vrijheid van keuzes. Dat betekent misschien ook dat we de vraag luider en scherper kunnen stellen. Kopen van kleding en schoeisel die gemaakt zijn door kind slaven is verfoeilijk, als we het weten kopen we dat niet, maar weten we het altijd? Obadja wordt door Elia niet veroordeeld, het gaat Elia om die koning. Misschien is het stellen van de vragen een goed begin. Let vandaag dus eens extra op in welke structuren je zelf gevangen zit.

De levensadem keerde terug

1 Koningen 17:17-24

17 Enige tijd later werd het kind van Elia’s gastvrouw ziek, en wel zo ernstig dat ten slotte alle leven uit hem week. 18 Toen zei de vrouw tegen Elia: ‘Wat heb ik u misdaan, godsman? Bent u soms naar me toe gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden?’ 19 ‘Geef mij uw zoon,’ zei hij, en hij nam de jongen van haar schoot en droeg hem naar boven, naar de kamer die hij in gebruik had, en legde hem op zijn eigen bed. 20 Toen riep hij de HEER aan en vroeg: ‘HEER, mijn God, waarom treft U juist deze weduwe, die mij gastvrijheid verleent, door haar zoon te doden?’ 21 Hij strekte zich driemaal over het kind uit, daarbij de HEER aanroepend met de woorden: ‘HEER, mijn God, laat toch de levensadem in de borst van dit kind terugkeren.’ 22 De HEER verhoorde Elia’s smeekbede: de levensadem keerde terug in de borst van het kind, en het leefde weer. 23 Elia nam het kind op, droeg het naar beneden en gaf het aan zijn moeder terug. ‘Kijk, uw zoon leeft,’ zei hij. 24 Toen zei de vrouw tegen Elia: ‘Nu weet ik dat u door God gezonden bent en dat u werkelijk namens de HEER spreekt.’ (NBV21)

We kunnen het weer in alle toonaarden kunnen horen verkondigen. Als je God hebt leren kennen, als je voor Jezus op je knieën bent gevallen dan is al je ellende voorbij, dan kan je niets meer overkomen. Nou die sprookjes hoef je dus niet aan die weduwe uit Sarafat te vertellen. Die had een man van God ontmoet, een profeet. Ze had volgens de geboden zich bereid getoond om het allerlaatste wat ze aan levensvoorraad had te delen en juist dat delen had hen allen in leven gehouden. God zij geloofd en geprezen. En is nu haar ellende verdwenen? Kan haar in de schaduw van de Allerhoogste niets meer gebeuren? Vergeet het maar. Haar zoon wordt ziek, wordt nog zieker en uiteindelijk lijkt al het leven uit hem geweken. Dat is schrikken, dan gaat het dus niet goed.

En zoals het zo vaak gaat komt direct de overtuiging dat ze het wel niet goed zal hebben gedaan. Ze zal wel gestraft moeten worden met het lijden, met de dood van haar zoon. Mensen willen elkaar dat ook nog wel eens aanpraten, het lijden dat je overkomt is een straf van God. Pas als het een straf van God is heeft het lijden immers zin. Wat is anders de zin van het lijden van de zoon en de weduwe van Sarafat? Het is toch onrechtvaardig een arme weduwe ook het laatste dat ze nog heeft af te nemen. Wat is dat voor een wrede God dat die dat toelaat? Het verhaal dat wij vandaag lezen geeft hele andere antwoorden. Van straf is in de eerste plaats geen sprake. Van een ziekte door God gezonden is ook geen sprake. God wil die ziekte en dat sterven ook niet. Maar het zullen mensen zijn die iets moeten doen. En we weten dat het zo is dat mensen ziek kunnen worden, ongelukken krijgen, verkeerde beslissingen kunnen nemen, slachtoffer kunnen worden van geweld en aan die oorzaken dood kunnen gaan.

Waar het om gaat is dat je voor die zoon gaat staan, alles gaat doen om dat sterven te voorkomen, dat je opkomt voor die weduwe en alles doet om haar recht te doen. Dat is wat Elia hier gaat doen, drie keer gaat hij met de jongen dood, om drie keer met hem op te staan. In de manier waarop de verhalen over Elia ons worden verteld is dat de manier waarop Elia alles voor die jongen doet en de weduwe recht probeert te doen. Daarbij is God aan te roepen. Om dat te doen heb je de Geest van God, de kracht van God nodig. Als je dat doet kan het leven in mensen terug keren. Niet dat we lijken tot leven kunnen brengen, maar mensen die het leven niet meer zien zitten, die geen toekomst meer zien in tijden van armoede en ellende, die kunnen we weer hoop op leven geven en hoop doet leven. Wij vertellen de verhalen zoals die van Elia op een heel andere manier, maar wij kunnen net als hij opkomen voor jongeren die het leven dreigen te verliezen en de armen die recht moeten worden gedaan. Dat kunnen we zelfs vandaag.

Maak u niet ongerust

1 Koningen 17:1-16

1 De Tisbiet Elia uit Gilead zei tegen Achab: ‘Zo waar de HEER leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta, de eerstkomende jaren zal er geen dauw of regen komen tenzij ik het zeg.’ 2 De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 3 ‘Ga weg van hier. Ga naar het oosten en zoek een schuilplaats in het Keritdal, aan de overkant van de Jordaan. 4 Drinken kun je uit de rivier, en Ik heb de raven opgedragen je daar van voedsel te voorzien.’ 5 Elia deed wat de HEER hem had gezegd, hij ging weg en trok zich terug in het Keritdal, ten oosten van de Jordaan. 6 De raven brachten hem daar ’s ochtends en ’s avonds brood en vlees, en water dronk hij uit de rivier. 7 Maar doordat het almaar niet regende in het land, viel de rivier na verloop van tijd droog. 8 Toen richtte de HEER zich tot Elia met de woorden: 9 ‘Ga naar Sarefat, in de buurt van Sidon, en neem daar je intrek. Ik heb een weduwe daar opgedragen je van voedsel te voorzien.’ 10 Elia ging op weg naar Sarefat, en toen hij bij de stadspoort aankwam, zag hij een weduwe die bezig was hout te sprokkelen. Hij riep haar en vroeg of ze een kommetje water voor hem wilde halen, zodat hij zijn dorst kon lessen. 11 Terwijl ze wegliep om water te halen, riep hij haar na of ze ook een stuk brood voor hem wilde meenemen. 12 ‘Zo waar de HEER, uw God, leeft,’ antwoordde zij, ‘ik heb niets meer in voorraad, alleen een handjevol meel in de pot en een restje olijfolie in de kruik. Kijk, ik heb net een paar takken geraapt om iets te eten te maken voor mij en mijn zoon. Als dat op is, zullen we van honger sterven.’ 13 Maar Elia zei: ‘Maak u niet ongerust. Doe wat u van plan was, maar bak van wat u in huis hebt eerst iets voor mij en kom me dat brengen. Daarna kunt u voor uzelf en uw zoon iets klaarmaken, 14 want dit zegt de HEER, de God van Israël: Tot op de dag dat Ik weer regen op de aarde zal laten vallen, zal er meel in de pot zijn en zal de oliekruik niet leeg raken.’ 15 De vrouw ging naar huis en deed wat Elia had gezegd. En ze hadden elke dag te eten, zij, Elia en haar familie. 16 Er was meel in de pot en de oliekruik raakte niet leeg, zoals de HEER bij monde van Elia had beloofd. (NBV21)

Op het eerste gezicht een mooi sprookje over een oosterse profeet die eerst vlees krijgt van de vogels en vervolgens een weduwe vindt en een kruik betovert zodat het meel en olie niet op kunnen. Maar dit verhaal staat in scherp contrast met het verhaal dat we gisteren lazen. Daar werd verteld over de koningen Omri en Achab die een berg kochten, een stad stichtten en uiteindelijk een tempel bouwden voor de god Baäl. Die Baäl moest zorgen voor vruchtbaarheid in het land. En omdat in de omringende volken dezelfde godsdienst werd aangehangen kreeg je er ook vrede bij. Maar wat is het waard Het antwoord komt van de profeet Elia, wat nu vruchtbaarheid, als het niet regent dan is het land ook niet vruchtbaar. Als je zo nuchter machtige koningen ter verantwoording denkt te kunnen roepen dan kun je maar beter wegwezen.

Dat is ook vandaag de dag nog zo. Amnesty International heeft de handen vol aan het beschermen en aandacht vragen voor mensen die in hun land tegen het heersende regiem vragen om recht en gerechtigheid. Wie het geloof wil delen dat Elia voortdreef doet er goed aan Amnesty te ondersteunen. Elia trekt zich terug in de woestijn. Dat is niet zomaar een plaats. In de woestijn immers had het volk Israël de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf ontdekt, de Wet van de Woestijn. Elia ontdekt dat naast water ook vast voedsel nodig is om te overleven. En dat de aarde vast voedsel geeft merkt hij aan de raven. Een raaf werd als eerste vogel op verkenning gestuurd in het verhaal over Noach, die raaf kwam onverrichter zake terug. Zolang de raaf dus terugkeert met vlees is er nog niets aan de hand met het voedsel op aarde. Die Elia kwam uit Tisbe in Gilead ten oosten van de Jordaan en het leven in de woestijn zal hem niet helemaal vreemd geweest zijn. Maar hoe gaat het onder koning Achab met de mensen in het land? Als de aarde voedsel geeft, hebben zij ook te eten? Brengt dat verbond met Sidon iets voort dat goed is voor de armen?

Dat horen we in het verhaal over de weduwe in Sarafat, vlak bij Sidon, de machtige bondgenoot van Koning Achab. Volgens de leer van Mozes zou die weduwe het goed moeten hebben. Het tegendeel is het geval. Ze wil best delen, haalt direct water als dat gevraagd wordt door een stoffige reiziger, maar meel en olie zijn bijna op. Het kan niet anders dan zij en haar zoon zullen dood gaan van de honger. Maar dan laat Elia zien waar die richtlijnen van Mozes voor bedoeld zijn. Als je echt bereid bent om te delen met een ander dan kom je nooit te kort. Dan blijft er altijd genoeg voor iedereen om te overleven. Wij durven daar nog steeds niet op te vertrouwen. Wij beschermen onze landbouw zo krampachtig dat er van delen geen sprake is en daar gaan ontelbare mensen in Afrika dood aan. Wij kiezen nog steeds de kant van koning Achab met zijn aanbidding van de goden van winst en profijt en strategische bondgenootschappen. De Bijbel roept ons op te kiezen voor de kant van eerlijk delen en zorgen voor de armsten in de wereld, dat is de kant van God zelf.

Zijn gedrag was nog slechter

1 Koningen 16:23-34

23 Omri werd koning van Israël in het eenendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Hij regeerde twaalf jaar. Toen hij zes jaar in Tirsa had geregeerd, 24 kocht hij van een zekere Semer voor twee talent zilver een berg. Hij liet er huizen op bouwen en noemde de stad die hij liet bouwen Samaria, naar Semer, de vorige bezitter van de berg. 25 Omri deed wat slecht is in de ogen van de HEER; zijn gedrag was nog slechter dan dat van zijn voorgangers. 26 Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten ertoe had aangezet te zondigen door de HEER, de God van Israël, met hun nietige afgoden te tergen. 27 Verdere bijzonderheden over Omri en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 28 Toen Omri bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Achab volgde hem op. 29 Achab, de zoon van Omri, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda. Tweeëntwintig jaar regeerde hij in Samaria. 30 Achab deed wat slecht is in de ogen van de HEER; zijn gedrag was nog slechter dan dat van zijn voorgangers. 31 Alsof het nog niet erg genoeg was dat hij het voorbeeld volgde van Jerobeam, de zoon van Nebat, nam hij Izebel tot vrouw, de dochter van koning Etbaäl van Sidon, knielde hij voor Baäl neer en begon hem te vereren. 32 Hij liet in Samaria een tempel voor Baäl bouwen en richtte er een altaar voor hem op. 33 Ook maakte hij een Asjerapaal. Zo deed hij allerlei dingen waarmee hij de HEER, de God van Israël, tergde, meer nog dan de vorige koningen van Israël gedaan hadden. 34 In de tijd van Achab werd Jericho weer opgebouwd door Chiël uit Betel. Ten koste van zijn oudste zoon, Abiram, legde hij de fundamenten, en de poortdeuren bevestigde hij ten koste van Segub, zijn jongste zoon, zoals de HEER bij monde van Jozua, de zoon van Nun, had voorzegd. (NBV21)

Je bent in een verdeeld land niet zo maar koning. Die Omri werd door het leger uitgeroepen tot Koning over Israël maar hij had een geduchte concurrent. Het duurde wel vier jaar voor hij in Tirza tot koning werd gekroond. Maar toen kreeg het volk er ook wat voor. Hij regeerde langer dan de zeven dagen van zijn voorganger, in totaal wel twaalf jaar. Hij werd er niet armer door. Na zes jaar had hij zo veel bij elkaar gekregen dat hij een berg kon kopen. Daar liet hij een stad op bouwen. Een stad die vermaard werd. Hij noemde de stad naar de verkoper van de berg Semer, dat werd dus Samaria, de hoofdstad van het Noordrijk Israël. Hij was natuurlijk slecht want hij aanbad de afgoden en de rest is geschiedenis. Hij werd begraven in Samaria en opgevolgd door Achab.

Er wordt dus maar weinig verteld over een Koning die toch twaalf jaar had geregeerd en kennelijk rust en orde en vrede in Israël had gebracht. Het volk moet ook wel welvarend geweest zijn want de last van een nieuwe stad is redelijk zwaar. Maar de Bijbel is geen geschiedenisboek. Het enige dat van belang is is de vraag hoe iemand met de leer van Mozes omgaat en zich gedraagd als een bondgenoot van de God van Israël. In de geschiedenisboeken van de omringende volken wordt Omri beschreven als een ondernemend man. Hij werd beschouwd als een van de belangrijkste vorsten van zijn tijd. Nog land werd er over Israël geschreven als het volk van Omri. Voor ons onbetekende feiten. Al dat zoeken naar winst en profijt is lucht en najagen van wind.

Omri werd opgevolgd door Achab. Die maakte het nog bonter. Hij trouwde met de dochter van de Koning van Sidon en hij knielde van harte neer voor de Kanaänitische vruchtbaarheidsgod Baäl. In Samaria, de nieuwe hoofdstad, liet hij zelfs een Tempel voor Baäl bouwen. Ook maakte hij een paal voor de vrouw van Baäl Asjeera, als je die in haar grond stak werd de oogst groter. En van de geschiedenis trok hij zich ook al niks aan. Er lag in de buurt van de Jordaan nog een hoop stenen van een stad die eens Jericho had geheten. Die hoop stenen was een monument en het herinnerde er aan dat je ook zonder geweld kon veroveren. Achab liet de stad herbouwen, kon hij macht uitoefenen over Moab. We leren er van dat geschiedenis zeer belangrijk kan zijn, dat een volk bijna kan worden uitgeroeid, zoals in de vorige eeuw is gebeurd, moeten we steeds opnieuw gedenken, opdat het niet wordt herhaald.

Mijn schuilplaats

Psalm 142

1 Een kunstig lied van David, een gebed toen hij in de spelonk was. 2 Luid roep ik tot de HEER, luid smeek ik de HEER om genade, 3 bij Hem stort ik mijn hart uit, bij Hem klaag ik mijn nood. 4 Ik ben ten einde raad, U kent de weg die ik moet volgen, U weet dat op mijn pad een strik verborgen ligt. 5 Ik kijk om me heen en zie niemand die om mij geeft, nergens een toevlucht voor mij, niemand die hecht aan mijn leven. 6 Ik roep tot U, HEER: ‘U bent mijn schuilplaats, al wat ik heb in het land der levenden.’ 7 Hoor mijn noodkreet, ik ben uitgeput en moe, verlos mij van mijn vervolgers, zij zijn sterker dan ik. 8 Bevrijd mij uit de kerker, dat ik uw naam mag loven in de kring van de rechtvaardigen: U hebt naar mij omgezien. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een kunstig lied mee. Het is dus niet zomaar een liedje dat je op hoek van de straat zingt, maar een echt gedicht van een echte dichter. Wie die dichter is weten we niet. Het boek van de Psalmen is onderverdeeld in vijf gedeelten, voor elk van de boeken van de Tora één deel. De psalmen zijn gekozen uit een aantal verzamelingen. Die verzamelingen waren vooral in gebruik bij de priesterkoren die in de voorhof van de Tempel met hun muziek de gelovigen in de juiste stemming moesten brengen. Er was ook een bundel die een grotere verspreiding had. Die bundel heette David. Veel mensen geloofden dat de psalmen uit die bundel ook echt door David waren gemaakt. Maar als je de Hebreeuwse teksten goed bestudeerd moet je een andere conclusie trekken. Het zijn liederen die vooral ook de verhalen over David kunnen begeleiden. Dat is vandaag ook het geval. Het is een gebed dat aan David wordt toegedacht toen hij in de spelonk was.

En er zijn een paar verhalen van David die op de vlucht voor zijn vijanden een toevlucht moest zoeken in een grot, een rotsspelonk. Eén van die verhalen is extra spannend. Koning Saul was op jacht naar David met zijn hele leger. David en zijn handvol metgezellen hadden zich verstopt in een grot. Buiten in de vallei stond het leger van Saul die zelf het bevel voerde. De manschappen kregen het bevel ook de grotten te onderzoeken. David trok zich met zijn manschappen zo ver als mogelijk achter in de grot terug. Toen de soldaten kwamen hielden ze hun adem in. Maar ze werden niet ontdekt. Het meest spannende kwam pas later. Toen de avond viel kwam Saul zelf naar de grot en legde zich bij de ingang te  slapen. Midden in de nacht sneed David een stuk van Sauls mantel af en confronteerde de volgende morgen de Koning met zijn vredelievendheid. Voor even staakte Saul de achtervolging. Het is dan ook niet zo vreemd dat een lied dat voor een gevangene is geschreven vastgebonden wordt aan dit verhaal.

In het verhaal over David en Saul werd verteld dat God het leven van Saul in de handen van David had gelegd. In plaats van Saul te doden volgde David het gebod van God dat zegt: Gij zult niet doden. Pas als God geen andere uitweg bood dan vijanden te doden ging David daartoe over. Daarom werd David een koning naar Gods hart. Iemand die onschuldig in een kerker zit, of als oorlogsbuit door een vijand wordt vastgehouden zou willen dat hij net zo beschermd wordt als David werd toen hij op de vlucht was voor Saul. Deze Psalm geeft als antwoord op het klagen van de gevangene dat God die gevangene inderdaad beschermt. Men kan die gevangene niet meer doen dan dood maken en wat betekent de dood als je geloofd dat de God van Israël jou het leven geeft. Zolang je niet gestorven bent is het niet de vijand die je het leven geeft maar God. Die troost mogen we allemaal ervaren en allemaal mogen we die troost beantwoorden door ons te verzetten tegen het doden van elk mens op aarde. Voor gelovigen is het dezer dagen dan ook een raadsel waarom de voedselbanken steeds drukker worden en bij defensie de duurste gevechtsvliegtuigen worden gekocht. Leven en dood bevinden zich om de hoek.