Ik heb gezondigd!

1 Samuël 15:24-35

24 Toen zei Saul tegen Samuel: ‘Ik heb gezondigd! Ik ben ingegaan tegen het bevel van de HEER en tegen uw woorden. Ik was bang voor de soldaten en daarom heb ik naar hen geluisterd. 25 Alstublieft, vergeef me en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER.’ 26 ‘Nee,’ antwoordde Samuel. ‘U hebt de opdracht van de HEER verworpen, daarom verwerpt de HEER u als koning van Israël.’ 27 Toen Samuel zich omdraaide om weg te gaan, greep Saul de slip van zijn mantel beet, maar die scheurde af. 28 En Samuel zei: ‘Hierbij scheurt de HEER het koningschap over Israël van u los en geeft Hij het aan iemand anders, die waardiger is dan u. 29 En u weet dat de Glorie van Israël nooit zijn woord breekt en nimmer op zijn besluiten terugkomt. Hij is immers geen mens, dat Hij op zijn besluiten terug zou komen.’ 30 Weer zei Saul: ‘Ik heb gezondigd! Maar val me alstublieft niet af waar de oudsten van mijn volk en heel Israël bij zijn en laat me niet alleen; ik wil neerknielen voor de HEER, uw God.’ 31 Toen ging Samuel met Saul mee en Saul knielde neer voor de HEER. 32 Daarna zei Samuel: ‘Laat koning Agag van Amalek hier komen.’ Agag liep naar hem toe, nog steeds geboeid. ‘De bittere dreiging van de dood is zeker wel geweken?’ vroeg hij. 33 Maar Samuel antwoordde: ‘Zoals uw zwaard vrouwen van hun kinderen heeft beroofd, zo wordt nu uw moeder van haar kind beroofd.’ En hij hakte Agags hoofd af ten overstaan van de HEER in Gilgal. 34 Samuel ging terug naar Rama en Saul keerde terug naar zijn woonplaats Gibea. 35 Samuel heeft, tot de dag van zijn dood, Saul niet meer teruggezien, maar hij treurde wel om hem. En de HEER betreurde het dat Hij Saul als koning van Israël had aangesteld. (NBV21)

Toen Willem Alexander ingehuldigd werd als Koning der Nederlanden had hij een hermelijnen mantel aan. Dat is het teken van zijn koningschap. De Koningsmantel is een symbool dat net als de kroon al een heel oud symbool is. Zelfs in de verhalen van Saul en Samuël komt deze mantel voor. Wie het bovenstaande deel goed gelezen heeft zal zeggen dat niet Saul maar Samuël een bijzondere mantel draagt. Als Saul die vastgrijpt scheurt er een stuk van af. Dat is het teken dat het koningschap van Saul eigenlijk voorbij is. Het is net als bij het Nederlandse Koningschap waarbij de Koning geen kroon draagt en niet wordt gekroond. Dat laatste komt omdat men eigenlijk niet kon bedenken wie de Koning zou moeten kronen. De protestanten in de negentiende eeuw vonden dat de Koning door God gekroond zou moeten worden. De Koning is immers Koning bij de gratie Gods heet het. De genade van God bepaald of je echt koning bent en Saul heeft die genade beschaamd door ongehoorzaam te zijn.

Saul gaat verder. Hij legt de schuld van zijn falen bij zijn soldaten. Hij was bang voor zijn soldaten en had daarom maar gedaan wat ze wilden. Over de Koning van de Amalekieten, Agag, zwijgt hij. Nu had hij kunnen weten dat juist angst de meest slechte raadgever is. Als de God van Israël je iets heeft opgedragen dan hoef je voor niks en niemand meer bang te zijn. Niet dat je geen gevaar meer loopt, maar zelfs de dood is zonder angst geen drijfveer meer. Het volgen van de Weg van de God van Israël is volstrekt zonder eigen belang. Dat was nu juist ook de kern van de ban die geslagen was over Amalek. Dat volk moest worden uitgeroeid. Een volk dat in de woestijn een vermoeid en naar vrede snakkend volk in de rug durft aan te vallen is een bedreiging voor alle volken. Koning Agag denkt echter door de houding van Saul dat hij het leven er wel van af zal brengen ondanks alle dood en ellende die hij en zijn volk hebben veroorzaakt. Samuël laat nog een keer zien hoe het had gemoeten door Agag het hoofd af te slaan. Ten overstaan van de God van Israël staat er. Ter bescherming dus van alle zwakken die bedreigd bleven als Agag in leven zou zijn gebleven.

In kerken en religieuze bewegingen wordt nog wel eens gediscussieerd over wat men noemt de vrije wil. Als God alles weet en bestuurt wordt de mens dan ook niet bestuurd door de God van Israël? Is ons handelen wel in vrijheid of is het een gevolg van een eerder raadsbesluit van God? In het verhaal dat we vandaag lezen wordt het antwoord op die vraag niet gegeven. Ons wordt verteld dat we moeten blijven handelen of we er zelf helemaal verantwoordelijk voor zijn. Als God ons ergens voor uitgekozen heeft en wij houden ons niet aan zijn opdracht dan kan God berouw krijgen van zijn besluit. Daar sluit het gedeelte van vandaag mee af. De God van Israël houdt vast aan wat Hij is begonnen. En die God is ooit begonnen met het scheppen van een leefbare wereld voor de mensen. Daarvoor werd een volk uitgekozen dat direct ondervond wat het was dat die God wilde: bevrijding uit de slavernij. Dat volk kreeg dan ook de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de tien geboden noemen we die ten onrechte. Daar moeten we ons aan houden. Niet alleen als individuen maar als wereldgemeenschap. We weten natuurlijk best dat het dan beter zou gaan in de wereld. Het is daarom goed dat we elke dag opnieuw kunnen beginnen met die God, met de richtlijnen van die God, ook vandaag weer.

 

‘Geen woord meer!’

1 Samuël 15:10-23

10 Toen richtte de HEER zich tot Samuel en zei: 11‘Ik betreur het dat Ik Saul koning heb gemaakt, want hij heeft Mij de rug toegekeerd en doet niet wat Ik hem heb opgedragen.’ Samuel werd boos en schreeuwde het de hele nacht uit tegen de HEER. 12 De volgende morgen vroeg wilde hij Saul tegemoet gaan. Men vertelde hem dat Saul in Karmel was geweest en daar voor zichzelf een gedenkteken had opgericht, en toen was doorgereisd naar Gilgal. 13 Toen Samuel bij Saul aankwam, begroette deze hem met de woorden: ‘Wees gezegend door de HEER. Ik heb gedaan wat de HEER mij heeft opgedragen.’ 14 Maar Samuel vroeg: ‘Hoe komt het dan dat ik schapen hoor blaten en runderen hoor loeien?’ 15 ‘Die hebben ze meegenomen van de Amalekieten,’ antwoordde Saul. ‘De soldaten wilden de beste schapen, geiten en runderen sparen om ze te offeren aan de HEER, uw God. De rest hebben we afgemaakt.’ 16 ‘Geen woord meer!’ zei Samuel tegen Saul. ‘Laat me u vertellen wat de HEER mij vannacht gezegd heeft.’ ‘Zoals u wilt,’ zei Saul, 17 en Samuel zei: ‘U mag dan in uw eigen ogen onbelangrijk zijn, toch staat u aan het hoofd van de stammen van Israël, nietwaar? De HEER heeft u gezalfd tot koning van Israël, 18 en de HEER heeft u eropuit gestuurd met de opdracht om de Amalekieten, die zondaars, te vernietigen en tegen hen te strijden tot ze volledig waren uitgeroeid. 19 Waarom hebt u niet geluisterd naar wat de HEER u heeft gezegd? Waarom hebt u zich op de buit gestort en iets gedaan dat slecht is in de ogen van de HEER?’ 20 ‘Maar ik heb toch geluisterd naar wat de HEER gezegd heeft!’ wierp Saul tegen. ‘Ik ben er toch op uit getrokken zoals de HEER me heeft opgedragen! Koning Agag heb ik gevangengenomen en de rest van de Amalekieten heb ik gedood. 21 En de soldaten hebben de beste van de buitgemaakte schapen, geiten en runderen voor vernietiging gespaard om ze in Gilgal te offeren aan de HEER, uw God.’ 22 Daarop zei Samuel: ‘Schept de HEER meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. 23 Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de HEER verworpen; daarom verwerpt Hij u als koning!’ (NBV21)

Saul wordt dus een koning als andere koningen. Niet zorgen voor het zwakste maar het sterkste voor jezelf reserveren. Niet belangeloos oorlog voeren om het volk, om de zwaksten, te beschermen, maar oorlog voeren om eer en buit te behalen. Na de overwinning een monument oprichten waarin jouw heldendaden vastgelegd zijn. Samuël barst bijna van woede. Had hij daarvoor dat verhaal van de uittocht uit de slavernij in leven gehouden? Had hij daarvoor de Leer van Mozes nog eens extra onder de aandacht gebracht? Had hij niet om gehoorzaamheid gevraagd aan de God van Israël die hebzucht en het begeren van dat van je naaste was had veroordeeld?

Dit was niet de koning die eer kon bezorgen aan de God van Israël, die volken kon laten zien hoe je ook met mensen kan omgaan, niet om er zelf beter van te worden maar juist om de zwaksten, de ander, te beschermen. Die God van Israël hoef je niet te voeden, offers zijn niet echt nodig, maar gehoorzaamheid is nodig. Gehoorzaamheid aan die richtlijnen voor een menselijke samenleving, richtlijnen die zich laten samenvatten als “heb uw naaste lief als uzelf”. Dat was de manier om die God lief te hebben boven alles. Dat mag ook vandaag nog onze maatstaf zijn. Gaan we religieus doen om er beter uit te zien in onze omgeving of helpen we er belangeloos de armen mee. Elke dag mogen we die keus maken, ook vandaag weer.

Saul geeft aan het nog steeds niet te willen snappen. God had toch gevraagd tegen de Amalekieten op te trekken? Op één na waren alle Amalekieten gedood. Het vee dat was buitgemaakt en aan de God van Israël geofferd. Maar offers zijn voor die God niet belangrijk. Dat is geen voor wat hoort wat God. Dat is een God die uit is op een menselijke samenleving. Een samenleving waar het ene volk het andere niet in de rug aanvalt. Een volk dat dat wel doet is een permanent gevaar voor de vrede, dat snijd je uit als een gezwel. Saul had zich beperkt tot het halen van een overwinning. Met eer, losgeld, en feest voor soldaten. Als je jezelf op die manier lief hebt dan aanbidt je eigenlijk een afgod. Daar mogen wij dus eigenlijk ook nog wel eens bij stil staan.

 

Spaar ze niet

1 Samuël 14:47-15:9

47 Saul nam het koningschap over Israël op zich en voerde oorlog tegen alle hem omringende vijanden: tegen Moab, tegen de Ammonieten, tegen Edom, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen. Overal waar hij kwam, behaalde hij de overwinning. 48 Hij werd steeds machtiger, versloeg de Amalekieten en bevrijdde zo Israël uit de greep van zijn plunderaars. 49 De zonen van Saul waren Jonatan, Jiswi en Malkisua. Hij had ook twee dochters; de oudste heette Merab en de jongste Michal. 50 Sauls vrouw was Achinoam, de dochter van Achimaäs. Zijn opperbevelhebber was zijn neef Abner, de zoon van Ner. 51 Sauls vader Kis en Abners vader Ner waren allebei zonen van Abiël. 52 Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden. Daarom keek hij steeds uit naar heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst. 1 Op een keer zei Samuel tegen Saul: ‘De HEER heeft mij destijds gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over Israël. Luister dus nu naar wat de HEER te zeggen heeft. 2 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ben niet vergeten wat Amalek Israël heeft aangedaan: het heeft Israël de weg versperd bij zijn tocht uit Egypte. 3 Trek daarom op tegen de Amalekieten en versla ze. Wijd al hun bezittingen onvoorwaardelijk aan de HEER. Spaar ze niet, maar dood alles en iedereen: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.’ 4 Saul liet het leger oproepen en hield wapenschouw in Telaïm. Er waren tweehonderdduizend man voetvolk en nog eens tienduizend man uit Juda. 5 Toen hij bij de stad van de Amalekieten kwam, legde hij een hinderlaag in de rivierbedding. 6 Intussen waarschuwde hij de Kenieten: ‘Maak dat u wegkomt! Blijf niet bij de Amalekieten, want dan moet ik u samen met hen uitroeien, terwijl u de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte juist goed behandeld hebt.’ De Kenieten gingen dus weg bij de Amalekieten. 7 Saul sloeg de Amalekieten terug van Chawila tot aan Sur, op de grens met Egypte. 8 Hun koning Agag nam hij levend gevangen, maar de rest van het volk doodde hij. 9 Agag werd door Saul en zijn manschappen gespaard, samen met de beste schapen, geiten en runderen en de sterkste jonge stieren en rammen, kortom alles wat van waarde was. Dat wilden ze niet vernietigen, maar alles wat geen of weinig waarde had, maakten ze af. (NBV21)

Wat het volk had gevraagd krijgt het ook. Het volk had gevraagd om een Koning die voor het aangezicht van het volk zou uittrekken en hun oorlogen zou voeren. Nu dat hebben ze geweten. Als je oppervlakkig leest dan zie je al dat er een hele rij volken in de pan wordt gehakt. Je vraagt je af waarom zo’n verhaal in de Bijbel staat. Maar dan moet je opnieuw de Bijbel van het begin af lezen. Vooral het verhaal over de tocht door de woestijn speelt daarbij een rol en het boek Jozua over de verovering van Israël. Wie de kaart van Israël er bij neemt leest hier dat Saul van zuid naar noord eerst de volken aan de rand van de woestijn verslaat. Moab, de Ammonieten en Edom. In het noordoosten ligt dan ook nog Soba. Het zijn allemaal landen en volken met wie op het eind van de tocht door de woestijn is onderhandeld over een vreedzame doortocht. Al die volken hadden dat geweigerd en worden er nu net zo voor gestraft als de volken die geweigerd hadden het land dat overvloeide van melk en honing met Israël te delen.

Saul was een machtig vorst geworden meer dan een rechter die iedere keer een nieuw leger moest vormen. Maar hij was dat geworden zonder dat de God van Israël er bij betrokken was. Was Saul nu echt een koning geworden zoals er Heidense Koningen waren of leek dat alleen maar zo? Ook voor ons zijn dit soort vragen van belang. Wij hebben alleen deze oude verhalen uit de Bijbel om ons te leren wat de Weg is van de God van Israël en hoe wij Jezus van Nazareth na mogen volgen. Waar kun je nu aan merken of je op de goede weg bent? Dat is niet altijd eenvoudig. Zo’n verhaal over Saul als we vandaag lezen kan ons daarbij helpen. Er lag namelijk nog een oude rekening die vereffend moest worden. Toen het volk Israël bijna het beloofde land had bereikt kwam men bij het volk van Amalek. Het volk was moe. Veel mensen waren verzwakt door de ontberingen van de woestijn. In plaats van een doortocht en hulp besloot Amalek oorlog te voeren tegen Israël. Een oorlog op de meest laffe wijze, men viel Israël in de rug aan, daar waar de zwaksten waren gelegerd.

Die laffe daad moest tot een totale ondergang van Amalek leiden en mocht nooit vergeten worden. Saul was de koning die zich hier kon bewijzen. Zouden Saul en zijn soldaten ook oorlog kunnen voeren zonder dat daar voor henzelf een direct voordeel te behalen zou zijn? Om dat uit te vinden gebruikte Samuël een gewoonte die in Kanaän en de omringende volken gewoon was. Amalek werd geslagen met de ban. Dat betekende dat alles en iedereen die Amalek was, alles dat van Amalek was of dat bij Amalek hoorde vernietigd diende te worden, het was besmet verklaard. Saul was een machtig koning en hij overwon Amalek gemakkelijk. Maar dan. Saul deed zoals alle Koningen zouden doen. Alles wat weinig waarde had maakten ze af. Maar de Koning bleef als gevangene in leven, daar zou nog losgeld voor kunnen worden gevraagd. En de beste schapen, geiten en runderen en de sterkste jonge stieren en rammen werden gehouden. Die zouden geofferd worden aan de God van Israël. Dat zou een feest worden voor de soldaten want van het offervlees mochten ze eigenlijk vrijwel alles zelf opeten. Bij elke oorlog, hoe nobel het begin ook lijkt, dient dus de vraag gesteld worden wie er aan de oorlog verdient, nadat het doel is bereikt. Ook vandaag hoort die vraag te klinken.

 

Wat heb je gedaan?

1 Samuël 14:36-46

36 Later die avond zei Saul: ‘Laten we vannacht de Filistijnen achternagaan en ze belagen tot de morgen aanbreekt. Niet één zullen we er in leven laten.’ ‘Wat u maar wilt,’ zeiden de soldaten, maar de priester zei: ‘Laten we ons eerst tot God wenden.’ 37 Saul raadpleegde God en vroeg: ‘Zal ik de Filistijnen achternagaan? Zult U ze aan Israël uitleveren?’ Maar deze keer gaf God geen antwoord. 38 Toen zei Saul tegen de bevelhebbers: ‘Treed allemaal aan. Ga na wat voor zonde vandaag is begaan. 39 Zo waar de HEER leeft, de redder van Israël, al is mijn eigen zoon Jonatan de schuldige, sterven zal hij!’ Maar niemand gaf antwoord. 40 Toen zei hij tegen de Israëlieten: ‘Jullie gaan aan de ene kant staan, en ik en mijn zoon Jonatan aan de andere kant.’ ‘Zoals u wilt,’ zeiden de soldaten. 41 En Saul vroeg de HEER: ‘God van Israël, breng de waarheid aan het licht!’ Jonatan en Saul werden aangewezen; de soldaten gingen vrijuit. 42 Toen zei Saul: ‘Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.’ En Jonatan werd aangewezen. 43 ‘Zeg op, wat heb je gedaan?’ vroeg Saul. Jonatan bekende dat hij met de punt van zijn stok wat honing had geproefd en zei: ‘Ik ben bereid te sterven.’ 44 ‘En sterven zul je, Jonatan,’ riep Saul uit, ‘anders mag God met mij doen wat Hij wil!’ 45 Maar de soldaten protesteerden: ‘Moet Jonatan sterven, die voor Israël deze grote overwinning heeft behaald? Geen denken aan! Zo waar de HEER leeft, hem mag geen haar worden gekrenkt. Wat hij vandaag gedaan heeft, heeft hij bereikt met Gods hulp!’ Zo pleitten de soldaten Jonatan vrij, en hij werd niet ter dood gebracht. 46 Saul staakte de achtervolging van de Filistijnen en de Filistijnen trokken zich terug op hun eigen grondgebied.(NBV21)

Koning zijn moet je leren. Dat is in onze dagen gemakkelijker dan in de dagen van Saul en Samuël. Saul was ook de legeraanvoerder en de rechter over het volk. En daar sta je dan als je zoon de door jou gemaakte regels heeft overtreden. Het was immers Koning Saul zelf die de overwinning die de God van Israël had geschonken aan zijn zoon tot een heilige oorlog omsmeedde. Dat je tijdens een oorlog die de goedkeuring van de God van Israël heeft moet vasten staat nergens. Het was Saul ook nooit voorgehouden. Hij had moeten wachten in Gilgal op Samuël de profeet, maar dat deed hij niet. Nu was zijn leger uitgeput aan het eind van de dag. En het was maar goed dat de Filistijnen hun etensvoorraden op de vlucht niet hadden meegenomen. De honger na de zware arbeid van het oorlog voeren was te groot. Nu hoor je respect te tonen voor een dier waarvan je het leven neemt om jou in leven te houden.

Nadat de soldaten ordelijk gegeten hadden was de vraag of ze die Filistijnen die in verwarring waren geraakt ook in de nacht zouden vervolgen Saul beseft dat hij weer terug moet naar de Godsdienst die hem tot koning had gemaakt. Maar dan, moeten ze doorgaan met de oorlog of is het genoeg? Een priester wordt gevraagd God te raadplegen. Daarvoor zijn twee heilige stenen aanwezig die, als je het lot gooit, God antwoord kunnen laten geven. Maar God geeft geen antwoord, er is iets mis. En als Saul laat uitzoeken wat er mis is dan wordt zijn zoon Jonathan aangewezen. Die moet dus geofferd worden.

Maar dan laat het volk zien er meer van begrepen te hebben dan Saul. De overwinning was immers door de God van Israël geschonken aan Jonathan? Het kan niet zijn dat hij fout was en dus blijft hij leven. Daar eindigt deze oorlog ook. De Filistijnen trekken zich terug en Saul ook. Geweld is dus niet de oplossing voor de vrede. Geweld kan, met respect, met in gedachten dat je niet mag doden, dat je zelfs voor de dieren die je eet respect moet hebben, geweld kan nodig zijn. Maar ook wij moeten steeds opnieuw bedenken waarvoor het nodig kan zijn en waar het moet ophouden. Dat gold voor Saul, het geld voor ons ook, elke dag weer.

 

Hoe helder mijn ogen weer staan

1 Samuël 14:23b-35

24 De strijd zette zich voort tot voorbij Bet-Awen. Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, want Saul had de soldaten onder ede bezworen: ‘Vervloekt wie het waagt om vóór de avond iets te eten, voor ik me op mijn vijanden heb gewroken.’ Dus nam niemand ook maar iets te eten. 25 Op een gegeven moment kwamen ze in een dichtbegroeid gebied waar overal bijennesten waren. 26 Maar zelfs toen waagde niemand het zijn hand uit te steken om uit die nesten, die dropen van de honing, iets te eten te halen, zo bang waren ze voor de vervloeking. 27 Jonatan had echter niet gehoord dat zijn vader de soldaten een eed had opgelegd. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht de honing naar zijn mond. Meteen stonden zijn ogen weer helder. 28 Een van de soldaten sprak hem aan en zei: ‘Uw vader heeft ons dringend bezworen om vandaag niet te eten, ook al hebben we nog zo’n honger.’ 29 ‘Mijn vader stort het land in het ongeluk,’ zei Jonatan. ‘Kijk toch hoe helder mijn ogen weer staan nu ik wat van die honing heb geproefd. 30 Als de soldaten vandaag wel hadden gegeten van de buit die ze op de vijanden hebben veroverd, hadden ze een veel grotere overwinning op de Filistijnen kunnen behalen!’ 31 De Israëlieten dreven de Filistijnen die dag terug van Michmas tot Ajjalon. De soldaten, volkomen uitgeput, 32 stortten zich op de buit. Ze grepen geiten, schapen, koeien en kalveren, slachtten die zomaar op de grond en aten ervan terwijl het bloed er nog in zat. 33 Men vertelde Saul dat de soldaten tegen de HEER zondigden door vlees te eten waar nog bloed in zat. ‘Wat jullie doen is streng verboden!’ zei Saul. ‘Rol onmiddellijk een grote steen hierheen. 34 Ga het kamp rond en zeg tegen iedereen dat ze hun rund of schaap of geit bij mij moeten brengen en hier op deze steen moeten slachten. Daarna kunnen ze eten zonder tegen de HEER te zondigen, want dan hoeven ze geen vlees te eten waar nog bloed in zit.’ Alle soldaten brachten toen het dier dat ze bemachtigd hadden naar de steen en slachtten het daarop. 35 Zo bouwde Saul zijn eerste altaar voor de HEER. (NBV21)

Moest er gerouwd worden en gevast als teken dat ook een stukje van jezelf was gestorven? Soldaten hebben kracht nodig, zeker in een achtervolging, dan moeten ze immers harder kunnen rennen dan de achtervolgde vijand? Jonathan, hij weer, begrijpt waar de fout zit. De overwinning is door de God van Israël geschonken en niet door Israël afgedwongen. Hij wist niet van het verbod om te eten en toen hij honing tegenkwam maakte hij er dankbaar gebruik van om op krachten te komen. Daaraan merkte hij ook de fout. Omdat zijn medestrijders niet hadden gegeten raakten ze verzwakt en konden ze de vijand niet zo raken als de bedoeling was geweest. De kans op plundering door de vijand bleef bestaan. Het gaat dus altijd eerst om de mensen en zeker nooit om de eer of om hoe het er uit ziet. Dapperheid als doel brengt niemand verder. Dat mag ook in onze dagen in situaties van geweld nog wel eens bedacht worden.

Het was Koning Saul die de overwinning die de God van Israël had geschonken aan zijn zoon tot een heilige oorlog omsmeedde. Dat je tijdens een oorlog die de goedkeuring van de God van Israël heeft moet vasten staat nergens, je moet rein blijven, dus geen omgang met een vrouw en geen vlees eten waar nog bloed in zit. Dat vasten was Saul ook nooit voorgehouden. Hij had moeten wachten in Gilgal op Samuël de profeet, maar dat deed hij niet. Nu was zijn leger uitgeput aan het eind van de dag. En het was maar goed dat de Filistijnen hun etensvoorraden op de vlucht niet hadden meegenomen. Geiten, schapen, koeien en kalveren werden gegrepen, geslacht en gegeten. Alle regels over het slachten en eten van dieren waren vergeten. De honger na de zware arbeid van het oorlog voeren was te groot. Nu hoor je respect te tonen voor een dier waarvan je het leven neemt om jou in leven te houden. Dat leven zit in het bloed en dat bloed hoort dus aan God die het leven geeft. Daarom hoor je zo te slachten dat je het bloed op het altaar kunt sprenkelen.

Saul beseft dat hij weer terug moet naar de Godsdienst die hem tot koning had gemaakt. Hij maakt zelf een altaar en slacht daarop het voedsel voor zijn leger. Eindelijk erkent Saul de rol van de God van Israël in zijn oorlog voeren. Het vragen van toestemming was eigenlijk nog een farce. De regels over vasten en reinheid had Saul helemaal verkeerd begrepen en ook verkeerd toegepast. Reinheid betekent hier dat je je niet te buiten gaat en onnodig energie verspilt. Vast is juist het afzien van nieuwe energie om te ervaren hoe belangrijk het geschenk van God is dat je elke dag mag nuttigen, maar ook hoe veel je eigenlijk hebt om te delen. In een situatie van oorlog heb je alle energie nodig die voorhanden is. Dat het God is die dat ter beschikking stelt moet je nooit vergeten. God gaf ook de dieren leven dus ook de dieren verdienen de eerbied die God toekomt. Saul doet alsof hij daarvan de beschermer is, maar waarom dan slachten onder toezicht van Saul? Dat toezicht komt de priester toe. Wij laten slachten zonder elke vorm van toezicht. Wie filmt wordt bestraft. Besef dat als je dieren eet.

 

Hij leert hun zijn paden te gaan

Psalm 25

1 Van David. Naar U, HEER, gaat mijn verlangen uit, 2 mijn God, op U vertrouw ik, maak mij niet te schande, laat mijn vijanden niet triomferen. 3 Zij die op U hopen worden niet beschaamd, beschaamd worden zij die U achteloos verraden. 4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. 5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want U bent de God die mij redt, op U blijf ik hopen, elke dag weer. 6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen. 7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd, maar denk met liefde aan mij, HEER, omwille van uw goedheid. 8 Goed en rechtvaardig is de HEER: Hij wijst zondaars de weg, 9 wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan. 10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden. 11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld, omwille van uw naam. 12 Aan wie in ontzag voor Hem leven, leert de HEER de rechte weg te kiezen. 13 Hun leven verloopt in voorspoed en hun kinderen zullen het land bezitten. 14 De HEER is een vriend van wie Hem vrezen, Hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond. 15 Ik houd mijn oog gericht op de HEER, Hij bevrijdt mijn voeten uit het net. 16 Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. 17 Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis. 18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende, vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie met hoevelen mijn vijanden zijn, hoe ze mij dodelijk haten. 20 Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij U. 21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren, op U is mijn hoop gevestigd. 22 God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. (NBV21)

Voor wie het Hebreeuws kan lezen is dit een leuke Psalm. Elk vers begint met de volgende letter uit het Hebreeuwse alfabet. Net zoiets als de coupletten van het Wilhelmus de naam Willem van Nassov vormen met hun eerste letters, maar dan in deze Psalm met het Hebreeuwse ABC. Het volgen van de wil van God is volgens de dichter van deze Psalm kennelijk een abc’tje. Maar vertalingen doen veel van de schoonheid van de Psalm verdwijnen. De mooiste is waarschijnlijk de vertaling van de Naardense Bijbel die spreekt van het geven van je hele ziel en zaligheid aan de Ene. En dat enthousiasme kan aanspreken zeker als je leest over het vertrouwen dat die hoop op de Ene niet beschaamd zal worden. Daarvoor moet je zoals deze Psalm zegt de wegen van God leren, met name de armen mogen die wegen leren. Het is de weg van alvast gaan beginnen te leven alsof het licht is gekomen, alsof dat Koninkrijk van recht en vrede er al is. Dat klinkt een beetje belachelijk en daarom de wens van de dichter om niet uitgelachen te worden. Delen met elkaar, zorgen voor de zwakke, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdeling in ons midden.

In het verhaal van God mag iedereen meedoen en iedereen die echt meedoet roept op om je aan te sluiten. De Psalm spreekt in dit verband van goedheid en rechtvaardigheid. Je blijft niet onverschillig omdat God het je wel zal vergeven. Je hoopt op vergeving omdat je elk moment opnieuw de Weg mag gaan waartoe de Bijbel oproept. De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Er wordt in het tweede deel van deze Psalm een belangrijk punt aangeraakt. Onze God leert ons de juiste keuzes te maken. Als we tot God bidden heeft het dus geen zin voor alle arme en zielige mensen te bidden en God te vragen daar iets aan te doen maar God vraagt of jij wil leren daar iets aan te doen. En zeg nu niet dat je niet de hele wereld op je nek kunt nemen want met je plaatselijke kerk kom je een heel eind door samen diaconie te bedrijven, in je eigen woonplaats en met Kerk in Actie in de hele bewoonde wereld.

De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Maar juist omdat je op de Weg van het goede mag terugkeren wordt die pijn geheeld en gaat de vreugde overheersen. Want dan weet je dat mensen toch recht zal worden gedaan, als jij het niet zorgt God wel dat ze gehoord worden en dat er mensen zijn die horen. De dichter van deze Psalm zinspeelt weer op de oude belofte uit het boek Jozua, aan iedere familie die het land kwijt raakt zal het land na 50 jaar weer worden teruggegeven. Ook armen, mensen die vastgelopen zijn in onze samenleving, die aan de kant van de weg zijn geraakt mogen weer op nieuw hun plaats in de samenleving in nemen. Daarom mag je er op vertrouwen dat de kinderen van de armen weer het land zullen bezitten. De armoede is geen natuurverschijnsel, je hoeft niet te wachten op een volgend leven om het te bestrijden. De opheffing uit de armoede, de bevrijding van de armen, kan vandaag nog beginnen, daar mag je met heel je ziel en zaligheid aan werken.

Een golf van paniek

1 Samuël 14:16-23a

16 De mannen van Saul die bij Gibea in Benjamin op de uitkijk stonden, zagen wat er gebeurde: er ontstond een golf van paniek en de menigte rende heen en weer. 17 Daarop beval Saul de mannen die bij hem waren: ‘Laat iedereen aantreden en zoek uit wie er ontbreekt.’ Het bleek dat Jonatan en zijn wapendrager er niet waren. 18 ‘Breng de ark van God hier,’ zei Saul tegen Achia. De ark van God bevond zich namelijk op dat moment in het kamp van de Israëlieten. 19 Maar terwijl Saul met Achia sprak, zwol het rumoer in het kamp van de Filistijnen nog aan en daarom trok hij zijn bevel weer in. 20 Saul en zijn mannen verzamelden zich en stortten zich in de strijd. De verwarring was zo groot dat de Filistijnen het zwaard tegen elkaar opnamen. 21 Zelfs de Hebreeën die zich al jaren eerder bij de Filistijnen hadden aangesloten en aan hun kant meevochten, bedachten zich en kozen nu de kant van de Israëlieten onder Saul en Jonatan. 22 En toen de Israëlieten die zich in het bergland van Efraïm schuilhielden hoorden dat de Filistijnen op de vlucht sloegen, zetten ook zij de achtervolging in, en ze bleven hen op de hielen zitten. 23 Zo schonk de HEER Israël die dag de overwinning. (NBV21)

Heel langzaam wordt duidelijk hoe Saul de samenwerking met de God van Israël op de verkeerde manier hanteert. Voor ons mag hierdoor heel langzaam duidelijk worden waar we op moeten letten als geweld aan de orde is. In onze samenleving lijkt die vraag niet meer ter discussie te staan. Onze samenleving zelf wordt steeds gewelddadiger. Steekpartijen en schietincidenten nemen toe. Maar ook de roep om toepassing van geweld neemt toe. Eenzelfde roep als de Filistijnen hadden. Kom maar op hadden ze geroepen toen Jonathan en zijn wapendrager de berg hadden beklommen waar de Filistijnen hun wachtpost met heiligdom hadden gevestigd. Ze waren in de pan gehakt. En neemt het geweld tegen de politie in onze dagen nu toe omdat het geweld nu eenmaal toeneemt of neemt het geweld toe omdat ook onze politie sneller geneigd is geweld te gebruiken en zelfs bij een verkeersovertreding tot schieten over kan gaan?

Het is een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is maar wel wat vaker gesteld mag worden. De mannen van Saul worden in dit verhaal wakker met een merkwaardig gezicht op de vijand. Die vijand rent in paniek en verwarring rond in hun legerplaats. Saul moet zelfs onderzoeken wie er van zijn kant mist. Dat blijken Jonathan en zijn wapendrager te zijn. Gelet op de paniek zou er een kans kunnen zijn dat het leger van Saul de overwinning behaald. Maar daarvoor is de hulp van de God van Israël nodig. Dus laat Saul de Ark komen, het enige heilige voorwerp dat nog een beetje lijkt op een godenbeeld uit een Tempel en ook die Ark had lang in een Heiligdom gestaan.

De Ark bleek niet nodig. Toen Saul en zijn mannen zich in de strijd hadden gestort merkten ze dat de Filistijnen elkaar aan het afmaken waren. Alle soldaten van Israël zetten de achtervolging in. De Hebreeën, die met de Filistijnen mee hadden gevochten, kozen de kant van de overwinnaars en de soldaten die zich hadden verstopt in de bergen kwamen te voorschijn en deden ook mee. Nu de overwinning hen geschonken was wilde Saul er desondanks een heilige oorlog van maken. Hij verbood de soldaten die dag te eten, een vastendag moest het worden. Waarom een vastendag? Moest er eten worden gespaard om te delen? Weer trekt Saul het heilige van de oorlog en de overwinning naar zich toe. Laten wij er ons voor hoeden.

 

We jullie weleens leren!

1 Samuël 14:4-15

4 Aan weerszijden van het ravijn dat Jonatan wilde oversteken om bij de Filistijnse wachtpost te komen, staken twee rotspieken uit: de Boses in het noorden, tegenover Michmas, en de Senne in het zuiden, tegenover Gibea. 5 6 Jonatan zei tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de wachtpost van die onbesnedenen. Misschien is de HEER op onze hand. Hij kan immers evengoed met weinigen voor een overwinning zorgen als met velen.’ 7 ‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde de wapendrager. ‘Ik volg u op de voet.’ 8 ‘Luister,’ zei Jonatan, ‘we steken over en zorgen dat de soldaten ons zien. 9 Misschien zeggen ze tegen ons: “Halt! Verroer je niet tot we bij jullie zijn!” Dan blijven we staan en gaan we niet naar ze toe. 10 Maar als ze zeggen: “Kom maar op!”, dan klimmen we naar boven, want dat is voor
ons het teken dat de HEER ze aan ons uitlevert.’ 11 Ze zorgden er dus voor dat de bezetting van de Filistijnse wachtpost hen tweeën in het oog kreeg. De Filistijnen zeiden tegen elkaar: ‘Kijk, de Hebreeën komen uit hun holen tevoorschijn.’ 12 En de soldaten van de wachtpost riepen naar Jonatan en zijn wapendrager: ‘Kom maar op, dan zullen we jullie weleens leren!’ ‘Volg mij,’ zei Jonatan tegen zijn wapendrager, ‘de HEER heeft ze aan Israël uitgeleverd!’ 13 Jonatan klom op handen en voeten naar boven, met zijn wapendrager achter zich aan. Waar hij kwam, vielen de Filistijnen neer, en zijn wapendrager gaf hun de genadestoot. 14 Bij dit eerste treffen doodden Jonatan en zijn wapendrager twintig man. Dit alles speelde zich af op een terrein half zo groot als een span ossen in één dag kan ploegen. 15 Er ging een siddering door het kamp in het veld en door de bezetting van de wachtpost, en ook de stoottroepen rilden van schrik. De aarde beefde, en alle Filistijnen sidderden van angst voor God.(NBV21)

De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Daar wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oorgst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primintief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Israël was een volk van ongewapende strijders. Niemand had een zwaard of een speer. Er was immers geen smid meer in Israel.

Daar gingen de Filistijnen in de fout. Zij doen of ook hun verstand in hun wapen zit. Iemand zonder wapen kan immers geen gevaar betekenen. Nu waren in Israël ook stenen uit een beek of rivier gevaarlijke wapens in handen van slingeraars. David had er eens een reus mee overwonnen. En in een heel volk zijn er altijd uitzonderingen, Jonathan en zijn vader hadden nog wel een zwaard en dat hadden zee kunnen weten. Vertrouwen op wapens is dus niet erg slim. Dat was toen zo, dat is natuurlijk nog steeds zo. Onze raketten en drones raken op. We sturen ze weg en de meeste blijven ook weg nadat ze schade hebben aangericht.

Jonathan maakt gebruik van de hoogmoed van de Filistijnen. Maar hij leunt niet eenzijdig op zijn God. Of zijn God hem helpt of zijn handelen goed keurt blijkt achteraf. Jonathan opent twee mogelijkheden. De Filistijnen houden rekening met de mogelijke kracht en moed van Israël ook zonder wapens, of de Filistijnen vertrouwen op hun wapens als almachtig. Dat laatste doen ze dus. Maar dat eerste had een uitweg geboden. Niemand kan de God van Israël voor zijn karretje spannen. Dat kon toen niet, dat kan nu ook niet. Niet inzake oorlog, niet inzake ziekte en genezing. Roepen dat iemand moet genezen in de naam van Jezus, of God is bedrog plegen, is het verzoeken van God. De Bijbel leert ons anders, leert ons vertrouwen op mensen, die doen goed of die doen kwaad. Wij zoeken het goede, niet anders dan het goede, elke dag opnieuw.

Geen smid te vinden.

1 Samuël 13:15b–14:3

15 Daarop verliet Samuel Gilgal en ging naar Gibea in Benjamin. 16 Saul monsterde de mannen die bij hem waren gebleven. Het waren er zeshonderd. Saul en zijn zoon Jonatan waren met hun toepen gelegerd bij Gibea in Benjamin; de Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Michmas. 17 De stoottroepen van de Filistijnen rukten uit in drie richtingen: één naar Ofra in Sual, 18 één naar Bet-Choron en één naar de grensstrook waar je over de Hyenavallei heen uitkijkt op de woestijn. 19 In die tijd was in heel Israël geen smid te vinden. De Filistijnen wilden namelijk voorkomen dat de Hebreeën zwaarden of speren zouden maken. 20 Alle Israëlieten moesten hun ploegscharen, hakken, bijlen en sikkels bij de Filistijnen laten slijpen. 21 Dit kostte twee derde sjekel voor ploegscharen en hakken, en een derde sjekel voor bijlen en ossenprikken. 22 Bij het uitbreken van de oorlog beschikte dus geen van de soldaten van Saul en Jonatan over een zwaard of een speer, alleen Saul zelf en zijn zoon Jonatan. 23 Een eenheid van de Filistijnen had de wacht betrokken op de bergpas bij Michmas. 1 Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de Filistijnse wachtpost daar aan de overkant.’ Maar hij vertelde niet aan zijn vader wat hij van plan was. 2 Saul bivakkeerde onder de granaatappelboom bij Migron, even buiten Gibea. Hij had zeshonderd soldaten bij zich. 3 De functie van priester werd bekleed door Achia, de zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, die de zoon was van Pinechas, de zoon van Eli, de priester van de HEER in Silo. Niemand wist dat Jonatan weg was. (NBV21)

Vandaag een deel dat vertelt wat er gebeurt als je wel op de God van Israël vertrouwt. Saul heeft nog maar 600 soldaten over. Twee maal zoveel als Gideon nodig had om de Filistijnen te verslaan. Gideon wordt niet voor niets genoemd want de elite van de Filistijnen rukt op naar Ofra, de geboorteplaats van Gideon. Verder komt deze plaatsnaam in de Bijbel niet voor. Saul had dus niet gewacht op Samuël. In deze versie van het verhaal is hij zelfs niet naar Gilgal gegaan zoals Samuël had gezegd. Maar Jonathan, de zoon van Saul, vertrouwt op de God van Israël. Aan priesters hadden ze niet veel. De priester die dienst deed was een broer van Ichabod staat er. Die Ichabod werd geboren op de dag dat de twee zonen van Eli werden gedood op het slachtveld en Eli zijn nek brak. De moeder van Ichabod stierf van schrik in het kraambed.

Jonathan ging zelf op pad vertrouwend op de God van Israël. Als de vijand alleen uit was op vechten en onderdrukken dan had de vijand bijvoorbaat al verloren. Als de vijand bereid was tot overleg en er op uit was levens te sparen dan moest je vooral daar niet tegenin gaan. Uiteindelijk hadden de Filistijnen er al voor gezorgd dat men in Israël zelf geen wapens kon smeden om oorlog te voeren. Het volk Israël was daardoor veroordeeld om het gebod van “Gij zult niet doden” te volgen. Maar het land leeg laten roven door de Filistijnen was ook niet goed. Daarom was de vraag hoe ver de Filistijnen zich van de geboden van de God van Israël hadden verwijderd. Dat bleek al snel, ze waren er op uit om te doden, om te vechten tegen dat eigenwijze volk van Israël. .

De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Er zijn altijd andere wegen lom je recht te halen. Van geweld wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oogst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primitief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Ook vandaag weer en juist in deze dagen is een zicht op geweldloosheid meer dan nodig. Bij elke oorlog zijn de armsten, de zwaksten, de ongewapenden de eerste slachtoffers. Voor hen dienen wij dus als eerste te zorgen, als het moet net zo stiekum als Jonathan.