1 Samuël 13:15b–14:3
15 Daarop verliet Samuel Gilgal en ging naar Gibea in Benjamin. 16 Saul monsterde de mannen die bij hem waren gebleven. Het waren er zeshonderd. Saul en zijn zoon Jonatan waren met hun toepen gelegerd bij Gibea in Benjamin; de Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Michmas. 17 De stoottroepen van de Filistijnen rukten uit in drie richtingen: één naar Ofra in Sual, 18 één naar Bet-Choron en één naar de grensstrook waar je over de Hyenavallei heen uitkijkt op de woestijn. 19 In die tijd was in heel Israël geen smid te vinden. De Filistijnen wilden namelijk voorkomen dat de Hebreeën zwaarden of speren zouden maken. 20 Alle Israëlieten moesten hun ploegscharen, hakken, bijlen en sikkels bij de Filistijnen laten slijpen. 21 Dit kostte twee derde sjekel voor ploegscharen en hakken, en een derde sjekel voor bijlen en ossenprikken. 22 Bij het uitbreken van de oorlog beschikte dus geen van de soldaten van Saul en Jonatan over een zwaard of een speer, alleen Saul zelf en zijn zoon Jonatan. 23 Een eenheid van de Filistijnen had de wacht betrokken op de bergpas bij Michmas. 1 Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de Filistijnse wachtpost daar aan de overkant.’ Maar hij vertelde niet aan zijn vader wat hij van plan was. 2 Saul bivakkeerde onder de granaatappelboom bij Migron, even buiten Gibea. Hij had zeshonderd soldaten bij zich. 3 De functie van priester werd bekleed door Achia, de zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, die de zoon was van Pinechas, de zoon van Eli, de priester van de HEER in Silo. Niemand wist dat Jonatan weg was. (NBV21)
Vandaag een deel dat vertelt wat er gebeurt als je wel op de God van Israël vertrouwt. Saul heeft nog maar 600 soldaten over. Twee maal zoveel als Gideon nodig had om de Filistijnen te verslaan. Gideon wordt niet voor niets genoemd want de elite van de Filistijnen rukt op naar Ofra, de geboorteplaats van Gideon. Verder komt deze plaatsnaam in de Bijbel niet voor. Saul had dus niet gewacht op Samuël. In deze versie van het verhaal is hij zelfs niet naar Gilgal gegaan zoals Samuël had gezegd. Maar Jonathan, de zoon van Saul, vertrouwt op de God van Israël. Aan priesters hadden ze niet veel. De priester die dienst deed was een broer van Ichabod staat er. Die Ichabod werd geboren op de dag dat de twee zonen van Eli werden gedood op het slachtveld en Eli zijn nek brak. De moeder van Ichabod stierf van schrik in het kraambed.
Jonathan ging zelf op pad vertrouwend op de God van Israël. Als de vijand alleen uit was op vechten en onderdrukken dan had de vijand bijvoorbaat al verloren. Als de vijand bereid was tot overleg en er op uit was levens te sparen dan moest je vooral daar niet tegenin gaan. Uiteindelijk hadden de Filistijnen er al voor gezorgd dat men in Israël zelf geen wapens kon smeden om oorlog te voeren. Het volk Israël was daardoor veroordeeld om het gebod van “Gij zult niet doden” te volgen. Maar het land leeg laten roven door de Filistijnen was ook niet goed. Daarom was de vraag hoe ver de Filistijnen zich van de geboden van de God van Israël hadden verwijderd. Dat bleek al snel, ze waren er op uit om te doden, om te vechten tegen dat eigenwijze volk van Israël. .
De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Er zijn altijd andere wegen lom je recht te halen. Van geweld wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oogst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primitief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Ook vandaag weer en juist in deze dagen is een zicht op geweldloosheid meer dan nodig. Bij elke oorlog zijn de armsten, de zwaksten, de ongewapenden de eerste slachtoffers. Voor hen dienen wij dus als eerste te zorgen, als het moet net zo stiekum als Jonathan.