Het Woord was leven

Johannes 1:1-17

1 In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Het was in het begin bij God. 3 Alles is erdoor ontstaan, zonder het Woord is niets ontstaan van wat bestaat. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 5 Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. 6 Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. 7 Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. 8 Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: 9 het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10 Het Woord was in de wereld, de wereld is door Hem ontstaan en toch kende de wereld Hem niet. 11 hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen. 12 Wie Hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13 Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God. 14 Het Woord is mens geworden en heeft in ons midden gewoond, vol van genade en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15 Van Hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want Hij was er vóór mij!”’ 16 Uit zijn overvloed hebben wij allen opnieuw genade ontvangen: 17 de wet is door Mozes gegeven, genade en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. (NBV21)

Op de Eerste Paasdag lezen wij de eerste woorden van het Evangelie van Johannes. Dat wordt meestal met Kerst gelezen, in de Kerstnachtdienst het verhaal uit Lucas 2 en dan op kerstochtend het begin van het Johannesevangelie. En voor ons is het Kerstfeest het lichtfeest bij uitstek aan het worden. Er is zelfs een wedstrijd in het aantal lichtjes dat je op aantrekkelijke wijze rond je huis kan aanbrengen. Met al die kolencentrales en atoomstroom hebben we licht in overvloed. Natuurlijk, we moeten bescheiden blijven, het licht scheen al in de dagen van Johannes in de duisternis en sindsdien wordt het maar mondjesmaat opgemerkt. Maar net als de Johannes waarover verteld wordt kunnen ook wij getuigen van het Licht. En Loesje merkte al eens op dat hoe donkerder het is hoe meer lichtpuntjes er te zien zijn. Op die manier kun je het ook op Pasen lezen, het duister verdwijnt, het wordt lente, er komt weer nieuw leven en in de kerk hoor je dat de dood is overwonnen.

Het Evangelie van vandaag noemt ons, de gelovigen in Jezus van Nazareth, de kinderen van God. Zonen en dochters van God die het verhaal verder mogen dragen en mogen werken aan het Koninkrijk van de Liefde. Zeg nu niet dat al die moeilijke woorden je te veel zijn, dat al die discussies over goed en kwaad, over wat mag en niet mag je te ingewikkeld zijn. Het Woord van God is vlees geworden. Dat betekent dat het verhaal niet meer tussen je lippen vandaan hoeft te komen, of tussen je oren hoeft te zitten maar het mag uit je handen komen. Het betekent dat je je handen mag uitsteken naar je naaste, naar de arme, naar de naakte die gekleed moet worden, naar de hongerige die gevoed moet worden, naar de gevangene die bezocht moet worden, naar de zieke die verzorgd moet worden, naar het kind dat getroost moet worden.

Het Woord van God, van de Levende mogen we vandaag zeggen, is geen verkiezingsbelofte van een Wilders of Timmermans, maar is levende werkelijkheid door al die mensen die vandaag en morgen hun handen uitsteken en zich niet neerleggen bij de wetten van de huidige regering die de rijken rijker maakt en de armen armer. Goedheid en Waarheid zijn met Jezus gekomen en ze zijn nooit meer van de aardbodem verdwenen. Wie wil horen die hore en wie wil zien die ziet het. Juist om dat te zien, om de naaste te kunnen zien, is het licht van Kerst ontstoken en branden de Paaskaarsen. Daar straalde de hemel voor in de Kerstnacht en kwamen de herders in beweging om te gaan zien wat er gezegd wordt. Daar op de Paasmorgen renden de vrouwen van het lege graf en de wandelaars naar Emmaüs terug naar Jeruzalem. Daar mogen wij ook voor in beweging komen, om te zien of we van onze naaste kunnen houden als van onszelf, elke dag, ook vandaag en morgen.

 

Bevrijd wie weerloos zijn

Psalm 82

1 Een psalm van Asaf. God staat op in de hemelse raad, Hij spreekt recht in de kring van de goden: 2 ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela 3 Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, 4 bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil.’ 5 Zij tonen geen inzicht, geen begrip, en dolen in duisternis rond. De aarde wankelt op haar grondvesten. 6 ‘Ooit heb Ik gezegd: “U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal. 7 Toch zult u sterven als mensen, ten val komen als aardse vorsten.”’ 8 Verhef u, God, spreek recht op aarde, alle volken behoren U toe. (NBV21)

Een mooi lied. Je ziet het voor je. Een vergadering van goden, die hebben geen licht nodig, die stralen het zelf wel uit. Maar zullen velen denken: er is toch maar één god? Voor de armen wel, die hebben in die vergadering van goden maar één god die er voor hen is, dat is de God van Israël. En dan schud men het hoofd, want het blijft een rare voorstelling van zaken. En dat is ook zo. Wij geloven al een aantal eeuwen aan één God, daar waar er meer goden zijn is nog een primitieve samenleving, met ziekten en modder en zo, waar de riolering nog ontbreekt. Dat was in de oudheid anders. Als je in de gunst stond van een god dan was je rijk en welvarend. Dan leek je eigenlijk het meest op de god die door jou wordt gediend. In één van de Psalmen staat dan ook dat we kinderen van God genoemd zullen worden. Jezus van Nazareth zal dat veel later herhalen.

Hier zijn het goden die als mensen zullen sterven. Het zijn dus geen onsterfelijke goden. Wij hebben ook zo’n godenvergadering. Deftig noemen we dat het economisch forum in Davos. Daar lopen de allerrijkste en allermachtigste mensen van de wereld rond. Niet om hun eigen positie ter discussie te stellen maar om zich af te vragen hoe ze al die armere mensen aan het werk kunnen krijgen om de problemen in de wereld op te lossen. Want het is toch erg dat er mensen van honger omkomen, dat er geen gezondheidszorg is, dat mensen dom blijven en niet leren lezen en schrijven. De allerrijksten geven graag aan goede doelen. Natuurlijk kleinigheden als je het vergelijkt met hun vermogens maar toch, de goede doelen zijn er blij mee. Dit jaar stond er iemand op die een andere aanpak voorstelde. Betaal uw belastingen, doe niet meer aan belastingontwijking en al helemaal niet meer aan belastingontduiking.

Hij veroorzaakte paniek. Want belasting betalen betekent dat je de zeggenschap over je geld aan anderen overdraagt, aan veel armere mensen die het onderling zullen verdelen. Dan verdwijnt je privévliegtuig omdat die vervuilt en lawaai maakt. Dan wordt je privé-eiland open gesteld voor toeristen, omdat de mooie natuur voor iedereen bestaat. Dan is het afgelopen met de jacht op wilde dieren. Dan gaan er allemaal mogelijkheden verloren om geld te verdienen. Want die dure medicijnen maken die weerlozen dan zelf wel. Die God van Israël roept maar een eind weg. Bevrijden van de armoede, hoe bestaat het, recht doen aan weerlozen en wezen, vooral die wezen die de armoede ontvlucht zijn. Je laat de mensen die niet rijk kunnen worden toch niet hun eigen gang gaan en uitmaken hoe hun samenleving in elkaar moet zitten? En wezen die niet alleen de armoede maar ook de aalmoezen ontvluchten. De dichter van deze psalm kiest onvervaard partij. De God van Israël moet de baas zijn. Betaal uw belastingen, ontwijk en ontduik niet.

Het pesachmaal bereiden

Lucas 22:1-13

1 Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. 2 De hogepriesters en de schriftgeleerden wilden Hem uit de weg ruimen en zochten naar een goede gelegenheid, want ze waren bang voor de reactie van het volk. 3 Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. 4 Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. 5 Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem daarvoor geld zouden geven. 6 Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. 7 De dag van het Ongedesemde brood, waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. 8 Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ 9 Ze vroegen hem: ‘Waar wilt U dat we het bereiden?’ 10 Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, 11 en zeg tegen de heer van dat huis: “De meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar Ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” 12 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’ 13 Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals Hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. (NBV21)

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij zich zou overleveren aan Judas en de Tempelwachters.

Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren.

Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen.

Gelukkig wie zorgt voor de armen

Psalm 41

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Gelukkig wie zorgt voor de armen; in kwade dagen zal de HEER hem uitkomst geven, 3 de HEER zal hem beschermen en in leven houden, men prijst hem gelukkig in het hele land. ‘Lever hem niet uit aan zijn vijanden!’ 4 Op zijn ziekbed zal de HEER hem tot steun zijn. ‘Hoe lang hij ook ziek ligt, U keert zijn lot ten goede.’ 5 Ik zeg: ‘HEER, wees mij genadig, genees mij, ik heb tegen U gezondigd.’ 6 Mijn vijanden verwensen mij, ze zeggen: ‘Wanneer sterft hij en verdwijnt zijn naam?’ 7 Wie mij bezoekt, heeft mooie woorden, maar zijn hart is vol kwade gedachten; staat hij buiten, hij spreekt ze uit. 8 Wie mij haten hopen het ergste voor mij en fluisteren aan mijn bed tegen elkaar: 9 ‘Hij is geveld door iets boosaardigs, wie zo ziek ligt, staat nooit meer op.’ 10 Zelfs mijn beste vriend, die ik vertrouwde en die at van mijn brood, heeft zich tegen mij gekeerd. 11 Toon mij, HEER, uw genade en laat mij opstaan, dan zal ik hun geven wat ze verdienen. 12 Hieraan zal ik weten dat U mij liefhebt: als mijn vijand niet langer juicht, 13 als U mij bijstaat, omdat ik onschuldig ben, en mij voorgoed laat wonen in uw nabijheid. 14 Geprezen zij de HEER, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, amen. (NBV21)

De opschriften boven deze dagelijkse overwegingen zijn altijd ontleend aan het Bijbelgedeelte dat we eerst lezen. En vandaag was dat gemakkelijk. De regel die het meest aanspreekt is de eerste regel. Na het opschrift boven het lied dat we vandaag zingen dan. Want iedereen die voor de armen zorgt wordt gelukkig geprezen. Nu is de zorg in ons land iets heel praktisch, twee handen en twee voeten en die in dienst stellen van degene die het met eigen handen en voeten niet meer redt. Maar de Hebreeuwse term die hier met “zorgt” is vertaald heeft een wijdere betekenis. Daar klinkt ook in mee dat je een open oog kunt hebben voor de positie van armen, dat je hen recht wil doen, dat je je samenleving, of je eigen leven, zo inricht dat armen tot hun recht komen en worden geholpen. Dan wordt je gelukkig geprezen, dan ben je als het ware een bovenste beste. In onze dagen van directe behoeftebevrediging zouden we kunnen denken dat als je nu maar voor de armen zorgt er jou niks meer zal kunnen overkomen, je doet immers wat in de Bijbel staat.

Je hoort dat ook wel eens van namaak evangelisten: “Geef je hart aan Jezus en niks kan je meer overkomen” klinkt het dan. Maar zo zit het leven niet in elkaar. De psalm spreekt al over de gevolgen voor de degene die voor de armen zorgt als die ziek wordt. Voor zijn vijanden hoeft die niet bang te zijn, die vijanden zijn er dus wel. En op zijn ziekbed zal de Heer tot steun zijn. Mooi is dat, het ziekbed is er dus wel degelijk en direct beter worden is er ook niet bij want hoe lang hij ook ziek ligt, uiteindelijk keert God het lot van de zieke ten goede. Nee wie zorgt voor de armen heeft daarmee geen verzekering tegen ziekte en onheil afgesloten. Maar wie zorgt voor de armen heeft weet van de rijkdom die hij overhoudt als ziekte en onheil hem treffen. Liefde voor anderen, liefde voor de zwaksten is zo’n onuitputtelijke bron van rijkdom dat ziekte en onheil daarbij vaak in het niet vallen. Daarom kan de dichter om vergeving vragen want de ziekte van eigenwaan en eigendunk plaagt hem en houdt hem af van het zorgen voor de armen.

De psalmist is gevoelig voor het blijven van zijn naam, zijn vijanden hebben medelijden met hem want die goede naam zal verdwenen zijn als hij is heengegaan. Ze noemen de ziekte een straf van God en dat terwijl de dichter juist gericht was op het eren van God, op het navolgen van zijn gebod tot het houden van de naaste als van zichzelf. Uit die dodende situatie wil de dichter opstaan, niet tot eigen roem en eer maar tot eer van de God van Israël die mensenogen opent voor de armen die onrecht worden aangedaan. Wij vergeten vaak hoe het zit. Hoe eenvoudige arbeiders een deel van hun karig loon bij elkaar legden om een ziekenkas te beginnen zodat collega’s die geen dokter konden betalen toch de behandeling zouden krijgen die ze verdienden. Die zorg voor zieken bleek voor de hele samenleving succesvol, zo’n succes dat we nu klagen dat de last van de ziekenkas, het ziekenfonds, de ziektekostenverzekering ons te zwaar wordt. Pas daarmee op, let op wat het effect is voor de zwaksten, voor de armen, voor de zieken. Dan weten we het succes er weer van te waarderen, met dank aan de God van Israël die ons de ogen opent en gelukkig prijst wie voor de arme zorgt, ook vandaag.

Dat alle volken U loven

Psalm 67

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm, een lied. 2 Moge God ons genadig zijn en ons zegenen, moge het licht van zijn gelaat over ons schijnen. sela 3 Dan zal men op aarde uw weg kennen, onder alle volken uw reddende kracht. 4 Dat de volken U loven, God, dat alle volken U loven. 5 Laten de naties juichen van vreugde, want U bestuurt de volken rechtvaardig, Uwijst de naties op aarde de weg. sela 6 Dat de volken U loven, God, dat alle volken U loven. 7 De aarde heeft een rijke oogst gegeven, God, onze God, zegent ons. 8 Moge God ons zegenen opdat de einden der aarde ontzag hebben voor Hem. (NBV21)

Vandaag zingen we, volgende het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, een kleine psalm uit het boek van de Psalmen. Het is de eerste werkdag in de goede week. We zingen een psalm die bij de harp werd gezongen, tegenwoordig zou je zo’n liedje bij een gitaar zingen, misschien wel in een café, in elk geval in een ruimte waar rust heerst en mensen bij elkaar komen voor plezier met elkaar en voor vrede en rust. Het lied begint met een gebed om genade en zegen. Al die dingen die tegen de weg van recht en gerechtigheid in gaan, die de vrede tussen mensen verstoren, moeten ons nu maar vergeven worden, ze waren niet zo bedoeld en we hebben er spijt van. Wat we willen is dat we gezegende mensen zijn, dat er goeds van ons uitgaat, dat we vredestichters zijn en oog hebben voor de minsten op onze weg.

Waarom een dergelijk gebed? Opdat we zelf behouden of gered zouden worden? De dichter van de psalm zou raar opkijken als hem dat gevraagd zou worden. Wat nu, het gaat niet om de dichter, of om de zanger, of om de speler op de snaren. Het gaat er om dat men op de aarde de weg van de God van Israël leert kennen, in heel de wereld de reddende kracht van de God van Israël, die volken redt van onderdrukking en geweld, die zijn volk uitgeleid heeft uit de slavernij, die vrede brengt en recht en gerechtigheid klaar heeft voor alle volken. Het gaat dus om de volken op de aarde, hoe die geregeerd worden, hoe die het bestuur van de God van Israël aanvaarden. Het gebedsliedje is een politiek manifest geworden. Want politiek is de manier waarop gemeenschappen van mensen bestuurd worden, om te beginnen de polis, de stad waarin je woont.

Wie deze kleine psalm durft te zingen neemt nogal wat op zich. De zegen die je voor jezelf vraagt is bedoeld om alle volken God te laten loven. Is daar reden toe? Als het lukt wel! De aarde heeft een rijke oogst gegeven, ook vandaag de dag hebben geleerden uitgerekend dat er meer dan genoeg voedsel verbouwd wordt om iedereen te behoeden voor honger en hongerdood. We verdelen dat voedsel alleen op een heel verkeerde manier. Willen we dat God ons blijft zegenen, dat men ontzag voor die God heeft tot aan de uiteinden der aarde dan zullen we dit jaar er voor moeten zorgen dat de verdeling van voedsel over de wereld zo wordt dat er niemand meer van honger sterft. Doen we dat niet, bidden we om eigen redding, om het heil voor ons persoonlijk, dan zijn we huichelaars en wacht vervloeking ons, maar als we de weg van de God van Israël zichtbaar weten te maken en als we dat samen doen met allen die er in durven geloven dan zal dit jaar zegen brengen voor alle mensen op de hele bewoonde wereld, aan de slag dus.

 

De Heer heeft het nodig.

Lucas 19:29-40

29 Toen Hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde Hij twee van de leerlingen vooruit 30 en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. 31 Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?”, moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’ 32 De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. 33 Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ 34 Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ 35 Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. 36 Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor Hem op de weg uit. 37 Toen Hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. 38 Ze riepen:‘Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ 39 Enkele farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ 40 Maar Hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’ (NBV21)

Hoe beschrijf je nu een hoogtepunt dat ook een dieptepunt is. Je hebt een menigte die al “zoon van David” heeft geroepen en daarmee de koning heeft uitgeroepen. Het verhaal begint dus met een intocht die laat zien wat voor Koning dit is. Die tocht begint bij een paar bijzondere dorpjes, het huis der onrijpe kleine vijgen, Betfage, en het huis van de armoede, Bettanië. Vandaar uit gaat het op naar Jeruzalem. In het verhaal van vandaag lijkt het er op of het niet slechter kan, alleen maar beter, Van de ellende op naar de kroning. Voor die intocht is een rijdier nodig. Koningen reden immers te paard hun hoofdstad binnen? Jezus van Nazareth volgt de woorden van de profeet Zacharia die had geschreven dat de bevrijder koning, de Messias, weliswaar rechtvaardig en zegevierend zou binnenrijden maar deemoedig op een ezel, een veulen, het jong van een ezelin. Als de leerlingen dan ook tegen de eigenaar van het ezelsveulen zeggen dat de “Heer” die nodig heeft dan wordt de ezel direct afgestaan.

Het zinderde in Israël van Messiassen en je kon moeilijk aan de goede je medewerking weigeren. Bovendien was “Heer” ook de aanspreektitel van koning Herodes Antipas en zelfs de Romeinse Keizer kan bedoeld worden. Zo rijdt Jezus van Nazareth naar Jeruzalem, op een dier waar nooit iemand op had gezeten, wat hier gebeurt is nooit eerder gebeurt, dat benadrukt dit beeld. Hij gaat over de Olijfberg en daar beginnen de leerlingen te zingen. Hier komt werkelijk de Koning. Het afdalen van de Olijfberg is een omgekeerde beweging, ooit vluchtte een huilende koning David deze Olijfberg op, nu komt de koning terug naar Jeruzalem. Een revolutionaire beweging, hier wordt de macht van de Romeinen uitgedaagd. Geen wonder dat de Farizeeën manen tot rust en orde. Zij beschermden immers het volk tegen de bezetters. Een opstootje als dit leidde gemakkelijk tot militair ingrijpen en onschuldige slachtoffers. Wisten die Romeinen veel dat hier gewoon psalmen werden gezongen zoals pelgrims al eeuwen hadden gedaan? Je zag hier het toneelstuk van de macht, mantels op de straat, takken van de bomen en iedereen die zingt en buigt voor de koning op de ezel. Een carnavalsscene maar als het volk er achter staat een machtig gebeuren.

Hier klinkt het vrede in de hemel, niet meer de vrede op aarde zoals bij de geboorte, want de hemel is waarlijk op aarde gekomen. Maar opnieuw roept Jezus van Nazareth de profeten te hulp om de kritiek te smoren. Habakuk had immers gezegd dat indien nodig de stenen uit de muren zouden roepen? De angst en de vrees voor een machtige overheid moeten ons nog steeds niet stoppen. Applaus kan in de Tweede Kamer klinken als vluchtelingen voor geweld het geweld weer dreigen te worden ingestuurd door onze regering. Maar het mag ons niet weerhouden voor hen op te komen, de slachtoffers onderdak te geven zoals in het Kerkasiel in Kampen, de bedroefden te troosten, de gewonden te verzorgen en te blijven werken aan die hemel op aarde die komt als het Koninkrijk van God daar is, dat mag zingend en met vreugde, ook vandaag weer als we vieren dat ook onze koning Jezus van Nazareth is en geen ander en zeker niet de laffe angsthazen die in de kamer op hun bankjes zitten trommelen als het recht wordt geschonden.

 

Feestvieren, samen met

Deuteronomium 16:9-17

9 Zeven weken moet u aftellen: zeven weken nadat de eerste sikkel in het koren is gezet 10 moet u voor de HEER, uw God, het Wekenfeest vieren, zo uitbundig als uw vrijwillige gaven het toelaten, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zegent. 11 Ten overstaan van Hem moet u dan feestvieren, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, de Levieten die bij u in de stad wonen, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Doe dat op de plaats die de HEER, uw God, zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. 12 Bedenk dat u zelf in Egypte slaaf bent geweest; houd u daarom zorgvuldig aan deze voorschriften. 13 Wanneer het graan is gedorst en de druiven zijn geperst, moet u gedurende zeven dagen het Loofhuttenfeest vieren. 14 Vier dan uitbundig feest, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen. 15 Zeven dagen lang moet u voor de HEER, uw God, feestvieren op de plaats van zijn keuze. Hij zal immers al uw werk zegenen en u een rijke oogst geven, zodat u uitbundig feest kunt vieren. 16 Driemaal per jaar moeten alle mannen dus voor de HEER, uw God, verschijnen op de plaats die Hij zal kiezen: voor het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Ze mogen daar niet met lege handen komen; 17 ieder moet geven naar de mate waarin de HEER, uw God, hem heeft gezegend. (NBV21)

Naast de feesten Pesach en het Wekenfeest kent de Hebreeuwse Bijbel ook het Loofhuttenfeest. In het Nieuwe Testament overigens ook door Jezus van Nazareth. Ook dit feest is een oogstfeest verbonden met het herdenken van de bevrijdingsgeschiedenis van Israël. Bij dit feest wordt de tocht door de woestijn herdacht. Bij het vieren van die tocht met als centrale wet het Heb Uw Naaste Lief als Uzelf, staat dat liefhebben centraal. Dan wordt er uitbundig feest gevierd, maar dat feest moet je delen. Aan je feest moeten naast je familieleden ook je slaven en slavinnen, je knechten en de vreemdelingen die je helpen deelnemen, ook moet er plaats zijn voor de armen.

Het feest wordt gevierd bij het centrale Heiligdom, in de loop van de geschiedenis is dat de Tempel in Jeruzalem geworden, maar oorspronkelijk had elke stam een eigen heiligdom. Alleen de Samaritanen hadden dat nog over tijdens het leven van Jezus van Nazareth. In de Tempel werkten de Levieten die ook in alle steden van Israël de rechtspraak verzorgden. Ook zij moesten mee mogen doen in de maaltijd van het Wekenfeest. Het Pesachfeest, het feest van Bevrijding is voor Christenen het feest van de bevrijding van de dood geworden. Niet langer was de angst voor de dood, angst voor een dodende overheid, bepalend voor je gedrag, maar de liefde voor allen. Daarom werd een maaltijd als op het Wekenfeest, waarop brood en wijn werd gedeeld, de centrale rite uit het Christendom, ter herinnering aan Jezus van Nazareth die de liefde door de dood heen vol wist te houden.

Aanvankelijk werd op dat Pesachfeest ook de herinnering aan de uitstorting van de Geest en de Hemelvaart gevierd. Je kunt dat op het eind van het evangelie van Lucas nalezen. Later werd de oogst die de Geest aan de Christelijke gemeente had gebracht gevierd op het Wekenfeest en nog later kreeg de Hemelvaart haar bijzondere plaats. Een restant van het Loofhuttenfeest is wellicht terug te vinden in de Dankdag voor gewas en arbeid die in de kerken van de Reformatie in het najaar wordt gevierd op een woensdag. Bij al die feesten gaat het niet om offers te brengen aan een God om die gunstig te stemmen, maar om te delen van wat je hebt. Erkening dat wat je hebt gekregen niet door jezelf is verdiend maar gekregen is uit Gods hand, het offer uit de dankbaarheid voor die God. Dank voor het leven in vrijheid dat we mogen leven en dat we ook anderen mogen geven, ook vandaag weer.

 

Bij zonsondergang

Deuteronomium 16:1-8

1 Ieder jaar in de maand abib moet u voor de HEER, uw God, het pesachoffer bereiden. Hij heeft u immers op een nacht in die maand uit Egypte weggeleid. 2 Voor het pesachoffer ter ere van de HEER moet u geiten, schapen of runderen slachten op de plaats die Hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. 3 Bij dat vlees mag u geen gedesemd brood eten, maar alleen ongedesemd brood, gedurende zeven dagen. Het is het tranenbrood dat u, zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte, aan dat overhaaste vertrek. 4 Zeven dagen lang mag er in het hele land bij u geen stukje zuurdesem te vinden zijn. En van het vlees dat de slacht van de eerste avond oplevert, mag niets tot de volgende dag bewaard worden. 5 U mag de dieren voor het pesachoffer niet slachten in elk van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, 6 maar u moet dat op de ene plaats doen die Hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, en wel ’s avonds, bij zonsondergang, het tijdstip waarop u uit Egypte vertrok. 7 Daar moet u het vlees bereiden en eten; de volgende morgen kunt u weer naar uw eigen woonplaats terugkeren. 8 Zes dagen lang moet u ongedesemd brood eten, en de zevende dag is er een feestelijke samenkomst voor de HEER, uw God; dan mag u niet werken. (NBV21)

Voor Christenen is dit gedeelte uit het boek Deuteronomium niet zonder betekenis. Twee van de grote Christelijke feesten konden ontstaan door de voorschriften uit dit gedeelte. Sinds het bewind van Koning Josia was het volk Israël zich bewust van deze feesten en als men niet in ruime mate de vreemde Kanaänitische feesten volgde dan vierde men het Pesach feest, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Pesachfeest en het Wekenfeest kennen we in het Christendom. Het Pesach als Paasfeest en het Wekenfeest als Pinksterfeest. Het Pesachfeest was het feest waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht en het Wekenfeest was een oogstfeest waarop ook het sluiten van het verbond op de Horeb werd herdacht. Dat was bij de inrichting van die feesten dan ook goed te merken.

Bij het Pesachfeest werden ritueel de gewoonten uit de slavernij weer tot leven gebracht. In het hete woestijnzand van Egypte moest je geen vers geslacht vlees tot de volgende dag bewaren, dan is het bedorven. Daarom mag het ook niet in de zeven dagen van het Pesachfeest. Tijdens de slavernij, die voorafgaande aan de bevrijding steeds erger werd, had je geen tijd om het brood te laten rijzen voor je het ging bakken. Daarom heet het ongezuurde brood dat met Pesach wordt gegeten het tranenbrood, het is het brood uit de slaventijd. Dat het niet zo snel bedierf en daarom ideaal was om tijdens de vlucht uit Egypte mee te nemen was een gelukkige bijkomstigheid.

Ook vandaag de dag herinnert het Pesachfeest van de Joden aan het lijden dat het volk heeft moeten doormaken. Daarom staan er op de Pesachtafel ook de bittere kruiden waarvan gegeten wordt, na de Tweede Wereldoorlog met haar Holocaust, hebben deze kruiden een extra bittere betekenis gekregen. Denk ook niet dat het avondmaal of de eucharistie in de kerken een kopie is van de Pesachmaaltijd. De maaltijd die Jezus in de Pesachweek vierde was wel de maaltijd die in het Bijbelgedeelte van vandaag werd voorgeschreven. Maar Jezus vult de maaltijd in door er de vrijblijvendheid uit te halen. Hij offert zich op voor zijn vrienden, eigenlijk voor heel zijn land, door af te zien van geweld toen hij zich overgaf aan de Tempelpolitie. Vanaf die dag wordt van Christenen verwacht dat ze bereid zijn zichzelf op te offeren als dat voor de lieve vrede nodig is. Ook vandaag dus.

Geen besef van schuld

Psalm 36

1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. 2 De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart- angst voor God kent hij niet. 3 De zonde sust zijn geweten in slaap- geen besef van schuld, geen afkeer van het kwaad. 4 Hij spreekt woorden van onheil en bedrog en blijft ver van wat wijs en goed is, 5 op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen, hij betreedt een verkeerde weg en het kwade verwerpt hij niet. 6 HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw, 7 uw gerechtigheid is als de machtige bergen, uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan: U, HEER, bent de redder van mens en dier. 8 Hoe kostbaar is uw liefde, God! In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen, 9 zij laven zich aan de overvloed van uw huis, U lest hun dorst met een stroom van vreugde,10 want bij U is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht.11 Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde, aan de oprechten van hart uw gerechtigheid. 12 Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen, de hand van goddelozen mij niet verjagen.13 Daar liggen zij die verderf zaaiden-gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. (NBV21)

Iedereen heeft een geweten. Net als liefde is een geweten niet te pakken, het is geen ding, het is een eigenschap van mensen. Gewetenloos noemen we die mensen die een geweten missen. Ergens is iets verkeerd gegaan en heeft een besef van eigen schuld aan tegenvallers geen plaats gekregen. Iedereen buiten de gewetenloze heeft schuld maar de persoon zelf niet. Het gevolg is dat een gewetenloze alles doet vanuit een vermoeden van voordeel voor zichzelf. Morele wetten tellen daarbij niet. Liegen, bedriegen, manipuleren, doden, stelen, het kan allemaal als het de nodige voordelen oplevert. Als een gewetenloze misdaden pleegt dan kan een rechter iemand dwingen een behandeling te ondergaan die het gebrek aan geweten kan oplossen. Als een gewetenloze in de politiek gaat is dat een gevaar voor de samenleving. Maar ook een gewetenloze kan een volwaardig mens met een besef van schuld en onschuld worden.

De dichter van de Psalm barst dan ook los in een loflied. Een loflied op de liefde van God, op zijn trouw op zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid. De beelden die in dit loflied worden gebruikt zijn ontleend aan de Tempel. Boven de Ark van het Verbond waken gouden cherubs met hun vleugels over de inhoud van de Ark. Die goddelijke vleugels beschermen dus ook de mensen. En wat is de inhoud van de Ark ook weer? Er liggen in stenen platen geschreven de richtlijnen voor de menselijke samenleving die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Die richtlijnen worden in de Bijbel ook vaak vertaald als je moet de mensen tot hun recht laten komen, zeker de armen en de zwakken in je samenleving moet je kansen geven om mee te kunnen doen als gewone burgers. Bij de maaltijd die je bij de Tempel moet houden als offer, met de priesters en je familie, moet je uitdrukkelijk ook de armen en de vreemdelingen betrekken. Daar kan dus gelaafd worden aan de overvloed die er in de Tempel, het huis van God, te vinden is.

De fraaie woorden waarmee mensen die fouten hebben gemaakt die fouten op anderen af weten te wentelen benemen je soms het zich op wat er werkelijk aan de hand is. De Psalmist vraagt daarom aan zijn God de waarde van de liefde van God te blijven tonen aan hen die zijn Weg willen bewandelen. Ook de geboden van de God van Israël, de richtlijnen voor de menselijke samenleving worden een licht op ons pad genoemd. Het scheppingswoord uit Genesis “Er zij licht” wordt dan ook uitgelegd als een licht dat ons is opgegaan als inzicht in het kwade dat mensen kunnen doen. Zonder de richtlijnen van de menselijke samenleving, zonder het licht van de God van Israël, hadden we nooit ontdekt dat het afschuiven van fouten op anderen een kenmerk is van de zondaar die geen verantwoordelijkheid neemt voor eigen falen. In de brief aan de Romeinen citeert Paulus deze Psalm nog eens om te laten zien hoe hardnekkig dit kwaad kan zijn. Bij ruiterlijk toegeven en werkelijk veranderen hoort vergeving, maar zij die blijven volharden in het afschuiven op anderen dienen aangepakt te worden. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Ieder naar zijn daden

Jesaja 59:15b-21

15 Zo laat de waarheid verstek gaan, en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit. 16 Maar de HEER zag het, en het was slecht in zijn ogen dat er geen recht meer was. Hij zag dat er niemand was, Hij was geschokt dat niet één mens ingreep. Op eigen kracht bracht Hij redding en zijn gerechtigheid spoorde Hem aan. 17 Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan en zette de helm van de redding op zijn hoofd. Hij deed het kleed van de vergelding aan en hulde zich in de mantel van de strijdlust. 18 Hij zal ieder naar zijn daden vergelden: woede voor zijn vijanden, wraak voor zijn tegenstanders; ook op de eilanden wreekt Hij zich. 19 In het westen zal men de naam van de HEER vrezen en in het oosten zijn majesteit. Want Hij zal komen met de kracht van een rivier in een smalle bedding, voortgestuwd door de adem van de HEER. 20 Hij zal als bevrijder naar Sion komen, naar allen uit Jakobs nageslacht die met de misdaad breken -spreekt de HEER. 21 Dit verbond sluit Ik met hen-zegt de HEER: mijn geest, die op jou rust, en de woorden die Ik je in de mond heb gelegd, zullen uit jouw mond niet wijken, noch uit de mond van je kinderen, noch uit de mond van je kindskinderen, van nu tot in eeuwigheid-zegt de HEER. (NBV21)

Als de mensen het niet doen dan moet God het zelf maar doen. Het is niet eerlijk, niet gerechtvaardigd, dat de wandaden van de bozen voortduren. Daarom het harnas van gerechtigheid aangetrokken, de helm van redding op het hoofd, het kleed van vergelding omgeslagen en gehuld in de mantel van strijdlust ging de God van Israël tekeer tegen het onrecht. Al die volken rond Israël, al die mensen in het land, die de God van Israël hadden bespot, die de teruggekeerde ballingen en vluchtelingen hadden uitgelachen werden op hun plaats gezet. Het volk van Israël werd eindelijk recht gedaan. Want de God van Israël zal naar Sion komen. Naar Sion? Het ging toch om Jeruzalem, de stad die met zoveel moeite was opgebouwd? Jazeker, maar in het midden van de stad ligt de heuvel Sion. En op die heuvel was vanouds de Tempel gebouwd. Daar werden de richtlijnen voor een menselijke samenleving bewaard. Daar draaide heel de godsdienst van Israël om, heb uw naaste lief als uzelf.

Die richtlijnen waren voor een deel zelfs in steen gehouwen, het waren de richtlijnen die het volk had gekregen, had ontdekt in de woestijn op de vlucht voor slavernij op weg naar een land dat zou overvloeien van melk en honing. Daar moet je je dus aan houden als je mee wil doen met de God van Israël. Het wordt beschreven als een verbond, een verdrag, een overeenkomst tussen twee partijen, het volk en de God van Israël. Bij andere goden moet je maar afwachten of die goden wat willen doen als je aan hen offert. Als je je hele leven in dienst stelt van de goden van winst en profijt moet je maar afwachten of je rijk wordt, de een lukt het wel de ander lukt het niet. De goden zelf zijn niet te beïnvloeden. Maar bij de God van Israël ben je er van verzekerd dat je het geluk ontmoet als je je aan zijn richtlijnen houdt. Je ziet het geluk in de ogen van hen die jouw hand nodig hebben en aan wie jij je hand uitsteekt. Je ziet de glimlach op de gezichten van de hongerigen met wie jij je voedsel hebt gedeeld, de opluchting van de dorstigen die jij hebt gelaafd, de warmte bij de gevangenen die jij hebt bevrijdt.

Alles wat jij doet in de geest van de God van Israël blijkt het goede te zijn en vraagt om meer van het goede. Je doet het dus niet voor jezelf. Je beloning is het geluk voor de anderen, is de betere wereld die er met jouw hulp ontstaat. Jij mag God dankbaar zijn dat je daaraan deel mag hebben, zelf zou je het niet hebben aangedurfd, zelf zou je er misschien niet eens opgekomen zijn. Daarom kan de profeet zeggen dat de woorden over het heb uw naaste lief als uzelf niet zullen wijken uit je mond, dat je het je kinderen wil leren en doorgeven, dat je oplet dat ook je kleinkinderen het te horen krijgen en zullen overnemen. Want dan komt er een nieuwe aarde, waar God zelf zijn tenten zal spannen, waar de God van Israël zelf wil wonen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Telkens weer zullen we er een stukje van mogen zien en ervaren. Elke dag als we weer werken aan de richtlijnen van die God, zijn richtingwijzers volgen, ook vandaag weer.