Een rechtmatige straf

Hebreeën 1:10–2:4

10 En ook: ‘In het begin hebt U, Heer, de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk van uw handen. 11 Zij zullen vergaan, maar U houdt stand, ze zullen als een gewaad verslijten, 12 als een mantel zult U ze oprollen, als een gewaad zullen ze worden verwisseld; maar U blijft dezelfde, en uw jaren zullen geen einde nemen.’ 13 Tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? 14 Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die de redding als erfenis zullen ontvangen? 1 Daarom moeten wij onze aandacht des te meer richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. 2 Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, 3 hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de grote redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord? 4 Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door overeenkomstig zijn wil steeds de heilige Geest te schenken. (NBV21)

God heeft zijn engelen niet boven zijn zoon gesteld. Engelen zijn en blijven boodschappers. De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen.Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe.

De schrijver van deze preek citeert hier Psalm 8 over de plaats van de mens. Een citaat overigens uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Want in de Hebreeuwse Bijbel staat niet “U hebt hem lager dan de engelen geplaatst” maar “U hebt hem bijna tot een God gemaakt”, in elk geval staat daar al dat God ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens heeft onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen.

Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Tora en met de God die hen de leer van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Zo mogen wij ook elke dag weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *