In paniek

Matteüs 14:22-36

22 Meteen daarna gelastte Hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant. Hij zou ook komen nadat Hij de mensen had weggestuurd. 23 Toen Hij hen weggestuurd had, ging Hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en Hij was daar helemaal alleen. 24 De boot was intussen al vele stadiën van het vasteland verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd. 25 Tegen het einde van de nacht kwam Hij naar hen toe, lopend over het water. 26 Toen de leerlingen Hem op het water zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een geest!’ en schreeuwden het uit van angst. 27 Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Houd moed! Ik ben het, wees niet bang!’ 28 Petrus antwoordde: ‘Heer, als U het bent, zeg me dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ 29 Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. 30 Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’ 31 Meteen strekte Jezus zijn hand uit, Hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ 32 Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen. 33 De leerlingen wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’ 34 Toen ze overgestoken waren, gingen ze aan land bij Gennesaret. 35 De mensen daar herkenden Hem en maakten zijn komst overal in de omgeving bekend, en men bracht allen die ziek waren bij Hem. 36 Die smeekten Hem alleen maar de zoom van zijn mantel te mogen aanraken. En iedereen die dat deed werd genezen. (NBV21)

Wie liep over het water? Jezus? Misschien wel maar dat staat niet echt in het verhaal dat Matteüs ons vertelt. Petrus liep over het water toen Jezus hem toestond uit te stappen maar hij zonk weg toen hij bang werd van de storm. En over die storm ging het verhaal. Nu is het zeer eng om tijdens een storm in een klein bootje op een meer te varen, ook al is dat meer zo ondiep dat je er in zou kunnen lopen. De valwinden die in Israël zo af en toe aan de orde zijn maken het er niet beter op. Maar moet je dan bang zijn? Jezus lijkt de regel te handteren die later op brandvoorschriften in het grootwinkelbedrijf zouden verschijnen “Paniek is erger dan brand”. Dat was naar aanleiding van een grote brand in een warenhuis in Antwerpen. Daar brak zo’n geweldige paniek uit dat er meer mensen omkwamen door ongevallen ten gevolge van de paniek dan door de brand. Bij branden in discotheken geldt dat ook nog vaak, in paniek probeert iedereen de uitgang te bereiken en daarbij worden de zwaksten onder de voet gelopen.

Paniek en angst leiden altijd tot meer slachtoffers dan misschien nodig was geweest. Bij brand in hele hoge gebouwen springen er ook mensen uit ramen van verdiepingen beneden de brand, die mensen zouden wellicht gered hebben kunnen worden. De storm bezweren betekent dus ook heel vaak de paniek bezweren. Daarmee is het probleem van een brand of een storm niet opgelost maar het geeft wel de mogelijkheid samen naar een oplossing te zoeken. Je moet je dan natuurlijk niet van je voeten laten blazen zoals Petrus overkwam. Simon de rots zoals hij werd genoemd is niet zo standvastig als zijn bijnaam doet vermoeden. Hij bezwijkt in dit verhaal onder zijn angst voor de storm, later zal hij schijnbaar bezwijken onder de angst voor autoriteiten en die laatste angst kennen we allemaal wel eens. Veel mensen accepteren zaken in hun werk uit angst hun baan te verliezen of een promotie niet te krijgen. Zelfs het lidmaatschap van een vakbond wordt soms vermeden of verzwegen uit angst voor autoriteiten. En juist die vakbond kan de angst voor het onrecht doen overwinnen. De Nederlandse vakbeweging is vrijwel altijd uit op redelijk overleg en weet in individuele gevallen tot een uitstekende hulpverlening te komen.

Lid van de vakbond zijn is gemakkelijker dan over water lopen, maar soms vraagt het dezelfde standvastigheid en het voorkomt dat je in een onverwachte storm geen bescherming hebt. Zoek vandaag maar eens naar FNV of CNV en als je lid bent steek ze eens een hart onder riem. En als je echt een misstand in de samenleving of op je werk kent dan kun je altijd nog klokkenluider worden. Het is overigens niet aan te raden in je eentje klokkenluider te worden. De storm die zeker zal gaan opsteken als je misstanden aan de kaak stelt die men liever geheim had gehouden, of zelfs in stand wil houden, is zo sterk dat bij vergelijkbare stormen menig klokkenluider het hoofd heeft moeten buigen. Hulp van een vakorganisatie kan dan van beslissende betekenis zijn, evenals advies van betrouwbare vertrouwenspersonen. Juist in het verhaal van Jezus van Nazareth past dat je niet je mond houdt als mensen het slachtoffer worden van misstanden maar het verhaal over de storm laat zien dat je niet alleen op jezelf hoeft te vertrouwen, je mag het samen doen. En het verhaal leert ons die aan de kant staan ook om mensen die in een storm verzeild zijn geraakt, ook een maatschappelijke storm, de hand toe te steken.

 

Stuur de mensen weg

Matteüs 14:13-21

13 Toen Jezus hiervan hoorde, week Hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar Hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit de steden volgden ze Hem over land. 14 Toen Hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde Hij medelijden met hen en Hij genas hun zieken. 15 Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’ 16 Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’ 17 Ze antwoordden Hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’ 18 Hij zei: ‘Breng ze Mij.’ 19 En nadat Hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; Hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. 20 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol. 21 Er hadden ongeveer vijfduizend mannen gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. (NBV21)

Geleerden zeggen het, het valt na te rekenen, er is voedsel genoeg op de aarde, en er kan nog zeer lange tijd voldoende voedsel verbouwd worden. Waarom dan die hongerende kinderen op de TV? Waarom dan die wanhopige smeekbeden om hulp van hulporganisaties. Waarom dan die eindeloze onderhandelingen bij de Wereld Handels Organisatie? Niet zo lang geleden is er weer een onderhandelingsronde mislukt. Dat heeft 3 oorzaken, de eerste is het weer. De ene zomer hebben we een overvloedige aardappeloogst in de Wieringermeer, de volgende zomer een gewone oogst, en soms rotten de aardappelen op het land weg voordat ze geoogst worden. De aardappels worden duur als de oogst is tegengevallen, maar wij schakelen rustig over op pasta en rijst. De tweede oorzaak is de verdeling. Die rijst komt niet uit Nederland maar uit verre landen, Indonesië of Suriname. Wij weten het te organiseren dat de rijst wordt bewerkt en hierheen vervoerd en omdat de rijst moet concurreren met aardappels en pasta hoeven we er niet te veel voor te betalen.

Het graan voor de pasta komt voor een groot deel uit Oost Europa, of uit landen waar ze met weinig mensen veel graan kunnen produceren, ook dat is goedkoop dus, en dus blijven de mensen die alleen rijst kunnen telen arm. Als daar de oogst eens wat tegenvalt is er direct een groot probleem. Wij zorgen dat iedereen die niet in de landbouw werkt toch meebetaalt aan onze boeren zodat de prijzen laag kunnen blijven, de concurrentie groot is en de armen arm blijven. Die subsidies staan wel ter discussie maar we weigeren er een eind aan te maken. De derde reden is onze invoerpolitiek. Rijst en graan, maar ook koffie en cacao zijn welkom als ze maar niet bewerkt zijn, dat geldt voor bijna alle grondstoffen uit de arme landen. Chocolade en gebrande koffie zijn niet welkom, daar rust een hoge invoerprijs op. Zodat wij kunnen blijven werken en de mensen die er van afhankelijk zijn arm blijven. En er dreigt zelfs een vierde reden bij te komen. Sommige producten uit de landbouw kunnen wij omvormen tot brandstof voor onze auto’s, biobrandstof noemen we dat. Je kunt die producten dan niet meer eten, en omdat wij ze zelf omvormen verdient er in de arme landen niemand wat aan.

Jezus van Nazareth gaf het voorbeeld hoe het anders kan. Het was even schrikken geweest na dat bericht over de stiekeme dood van neef Johannes, maar Jezus was zo populair dat de mensen hem achterna bleven gaan. En als mensen op stap gaan nemen ze als het even kan eten mee, een zakje brood, een visje, je ziet het bijna niet. Twaalf manden vol bleef er over, het leek de voedselbank wel die met overgebleven voedsel duizenden te eten geeft. Als je nu gewoon in groepen bij elkaar gaat zitten en alles deelt is er genoeg te eten, zoals Mozes in de woestijn al de mensen bij elkaar zette om met hun vertegenwoordigers te kunnen overleggen. Deden we dat gewoon op de hele wereld maar, dan hoefden we tijdens het diner niet meer op TV naar stervende kinderen te kijken. Dus maar bidden dus dat onze regering bij die onderhandelingen op de Wereld Handels Conferentie het been stijf houdt en blijft pleiten voor het afschaffen van landbouwsubsidies en het open gooien van onze markten voor producten uit arme landen. Vijf broden en twee vissen is genoeg om te delen en zuinig met brandstof kunnen we zelf alvast ook zijn.

 

De tetrarch

Matteüs 14:1-12

1 In die tijd hoorde ook Herodes, de tetrarch, over Jezus vertellen, 2 en hij zei tegen zijn hovelingen: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ 3 Herodes had Johannes destijds laten arresteren en in de boeien laten slaan en hem in de gevangenis geworpen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. 4 Johannes had namelijk tegen hem gezegd: ‘U mag haar niet tot vrouw nemen.’ 5 En hoewel hij hem wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet hield. 6 Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. 7 Daarom beloofde hij haar te geven wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed. 8 Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: ‘Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.’ 9 Dit bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, 10 en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. 11 Het hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. 12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het Hem te vertellen. (NBV21)

Er zijn mensen die de Bijbel graag als geschiedenisboekje lezen. Alle namen, feiten en jaartallen moeten kloppen met wat de moderne geschiedeniswetenschap ons vertelt. Als het niet klopt dan pakken ze de schaar en de lijmpot en verknippen de Bijbelteksten en plakken ze opnieuw in andere volgorde net zolang tot het klopt met de moderne geschiedeniswetenschap. Soms houden ze dan stukjes tekst over, soms zelfs blijken Bijbelse figuren in de geschiedenisboekjes niet terug te vinden te zijn. Dan moeten ze er maar uit zeggen sommigen van die zogenaamde Bijbelwetenschappers. De Bijbel is namelijk helemaal geen geschiedenisboekje, de Bijbel is een geloofsboek waarin mensen hebben opgeschreven wat ze hadden meegemaakt en wat ze te weten waren gekomen van de God van Israël. Vaak hadden ze die God in heel moeilijke omstandigheden ontmoet en had die God hen bevrijdt van die moeilijke omstandigheden. Maar evenzo vaak had die God hen niet beschermd tegen de problemen, tegen onderdrukking en slavernij, tegen marteling en moord. Vandaag lezen we een verhaal dat ook terug te vinden is in de geschiedenisboekjes.

Tenminste de namen en de feiten komen ook terug in een geschiedenisboek. Niet alle namen uit het verhaal van vandaag. Het geschiedenisboek is van Flavius Josephus. Die had deelgenomen aan de grote Judeese opstand die uitgelopen was op de verwoesting van de Tempel. Daarna was hij in dienst gekomen van de Romeinse Keizer en ter verdediging van het optreden van de Judeeërs had hij zijn geschiedenis van Israël geschreven. Daar komt dit verhaal van Johannes de Doper in voor. Die Koning Herodes was dan wel koning van Judea, hij had zich zwaar vergrepen aan de Tora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving. De scheiding van zijn eerste vrouw ging er nog mee door, hij had haar weggestuurd met een scheidingsbrief. Maar dan gaan hokken met de vrouw van je broer was toch wel zeer in strijd met wat er over geschreven stond in het boek Leviticus. Het was Herodes in Judea dan ook zeer kwalijk genomen. Johannes de Doper had zich rechtstreeks tot de Tetrarch gewend en hem dit voorgehouden. Johannes was zeer populair geweest schrijft Flavius Josephus en was dus gevangen genomen en later ter dood gebracht. Die Herodes was de zoon van de grote Koning Herodes onder wiens regering Jezus was geboren. Deze zoon werd geen koning maar een rang lager, Tetarch, Viervorst in het Nederlands.

In het verhaal van Flavius Josephus ontbreekt echter een Bijbelse figuur. Die Jezus van Nazareth. Die kon kennelijk hetzelfde aan wonderen doen als Johannes de Doper en was net zo populair. Dat vertelt het verhaal van Matteüs tenminste. Het verhaal van Matteüs gaat over Jezus van Nazareth, niet over Johannes de Doper en maar een klein beetje over Herodes. Geen woord over de hoofdpersoon van Matteüs bij Flavius Josephus. Volgens de Bijbelverhalen was Jezus van Nazareth een volgeling van Johannes de Doper geweest. Het optreden van Jezus begon nadat hij door Johannes gedoopt was. Het was Johannes die had opgeroepen om als je twee mantels had er een weg te geven aan iemand die er geen had. Nadat Johannes was vermoord door Herodes vluchtte Jezus naar Galilea. De aanhangers van Jezus van Nazareth volgden hem echter, ze lieten hem niet los ook niet in donkere tijden. Zo wordt de Bijbelse geschiedenis een ander soort geschiedenis. Hier gaat het niet om namen en feiten, maar om geloof. We hebben dan ook niet veel aan dat soort boekjes maar veel meer aan de boodschap van de Bijbel, heb je naaste lief als jezelf, daar mag je elke dag opnieuw mee beginnen.

Schenk mij inzicht

Psalm 119:73-80

73 Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd, schenk mij inzicht, dan leer ik uw geboden. 74 Wie U vrezen zien mij met blijdschap, in uw woord heb ik mijn hoop gesteld. 75 Ik weet het, HEER, uw voorschriften zijn rechtvaardig, en U vernederde mij in uw trouw. 76 Moge uw liefde mij vertroosten, zoals U aan uw dienaar hebt beloofd. 77 Heb mededogen met mij, en ik zal leven, uw wet verheugt mij. 78 Laat de hoogmoedigen beschaamd staan, zij doen mij kwaad met hun leugens, maar ik overdenk uw regels. 79 Laat mijn vriend zijn wie U vreest en uw richtlijnen kent. 80 Laat mij volmaakt naar uw wetten leven, dan zal ik niet beschaamd staan. (NBV21)

Psalm 119 is een loflied op de Thora. Dan lees je in Nederlandse vertalingen dus graag over voorschriften, over de Wet maar vandaag gaat het over inzicht, zeg maar de Wijsheid die je ook in de boeken Spreuken en Prediker tegenkomt. Alleen in de vrije bewerking van het gedeelte van vandaag door Huub Oosterhuis komen termen als voorschriften en geboden niet voor. Dat komt omdat in onze samenleving het Romeinse Recht geldt. Iedereen moet zich altijd onder alle omstandigheden op dezelfde manier aan de geldende rechtsregels houden. Of het handelen van burgers goed of fout is wordt door onafhankelijke rechters beoordeeld. Hun uitspraken geven een interpretatie van de rechtsregels en leveren daarin ook weer nieuwe rechtsregels op. De Thora, de leer van Mozes zoals deze van de God van Israël heeft gekregen, staat daar haaks op. In Psalm 119 wordt het beeld van het licht gebruikt, “Uw Woord is een licht op mijn pad” Hoe je loopt, hoe hard je loopt maak je zelf uit, maar waarheen je gaat en waar je je licht over laat schijnen wordt door de Thora uitgemaakt. In het hart van de Thora  staat de Liefde en daar gaat een groot deel van het gedeelte van vandaag dan ook over.

Het leren van de geboden zoals dat in de Nieuwe Bijbelvertaling heet is dus niet het uit het hoofd leren van een verzameling rechtsregels. Je kunt het eerder vergelijken met het leren van een ambacht, door het veel te doen krijg je het ambacht uiteindelijk in de vingers en kunnen er meesterstukken ontstaan. Het leren van een sport gaat op dezelfde manier. Door duizenden keren handelingen te herhalen worden ze uiteindelijk ingescherpt en kun je ze zonder er bij na te denken herhalen en toepassen en daardoor topprestaties leveren. Zo is het met de liefde ook. De mensen zien die langs de weg zijn komen te staan en een hand uitsteken naar die mensen. Door Amsterdam bijvoorbeeld zwerft een groep van rond de honderd vreemdelingen die klem zijn komen te zitten in de bureaucratie. Hier mogen ze niet blijven maar er is geen land op de wereld waar ze anders heen kunnen. Al een paar jaar is er een groep Amsterdammers die zich over deze zogenaamde vreemdelingen hebben ontfermd. De overheid spreekt graag over illegalen maar geen mens is illegaal, ieder mens is een kind van God en deze mensen zijn dus onze broeders en zusters met wie wij op deze wereld in liefde en vrede moeten samenleven. Die Amsterdammers vervullen dus de Thora, het boek waar de God van Israël belooft een beschermer te zijn van de zwaksten in de samenleving.

Want je schaamt je dood als je ziet hoe de samenleving die niks van de Thora van de God van Israël wil weten met je broers en zusters omgaat. Dat was altijd al zo want dat beschaamd staan vind je al terug in het gedeelte van de Psalm dat we vandaag lezen. Pas als je volmaakt volgens de Thora weet te leven, als je die prestatie weet te leveren hoef je je niet te schamen. In de loop van de geschiedenis zijn we er door schade en schande overigens wel achter gekomen dat het leven volgens de Thora niet een kleinigheid is. Daar heb je een gezindheid, een mentaliteit voor nodig die ons mensen eigenlijk vreemd is, die in gaat tegen alles wat je in je omgeving in mensen aantreft. De Bijbel spreekt er graag over dat je dan de Geest van God moet hebben en van mensen die doen wat de Thora vraagt wordt dan ook vaak in de Bijbel gezegd dat de Geest van de God van Israël vaardig werd over die persoon. Het zoveel jaar je inspannen voor het recht doen aan mensen van wie dagelijks wordt gezegd dat er geen uitzicht voor hen is lijkt dan ook een bovenmenselijke inspanning, boven menselijk en boven de mens gaat eigenlijk alleen God uit. We mogen Goddelijk bezig zijn, dat is dan geen goddelijk genot, maar Goddelijk recht, mensen recht doen als medemensen. Dat mag elke dag opnieuw ook vandaag weer.

De armen en behoeftigen

Spreuken 31:1-9

1 Hier volgen woorden voor koning Lemuel, uitspraken die zijn moeder hem voorhield. 2 Mijn zoon, die ik gedragen heb, mijn zoon, om wie ik geloften heb afgelegd, wat zal ik je zeggen? 3 Verspil je krachten niet aan vrouwen, ga niet om met hen die koningen te gronde richten. 4 En, Lemuel, een koning mag zich evenmin te buiten gaan aan wijn, dat past hem niet, een leider mag niet hunkeren naar bier. 5 Hij mag niet drinken en zijn plicht vergeten, de rechten van verdrukten niet schenden. 6 Geef bier aan wie een kommervol bestaan leiden, geef wijn aan wie diep ongelukkig zijn. 7 Laat ze maar drinken en hun armoede vergeten, zodat ze niet meer denken aan hun gezwoeg. 8 Spreek voor hen die weerloos zijn, bescherm het recht van de vertrapten. 9 Spreek, oordeel rechtvaardig, geef de armen en behoeftigen hun recht. (NBV21)

Vandaag slaan we een nieuw hoofdstuk uit het boek Spreuken open. Een verzameling Spreuken die blijkens het opschrift zijn opgeschreven door een koning Lemuël maar die hem gegeven waren door zijn moeder. Lemuël was de koning van Massa. Wie die koning Lemuël geweest is weten we niet echt. We weten zelfs niet precies waar dat land Massa gelegen heeft of welk volk daarmee werd bedoeld. Wat wel duidelijk wordt is dat die moeder van Lemuël een Jodin geweest moet zijn of tenminste in de godsdienst van de God van Israël moet zijn grootgebracht. Ze brengt de wijsheid van Israël behoorlijk goed onder woorden en de verzameling van haar Spreuken is niet voor niets in de Bijbel opgenomen. Haar naam is verdwenen, het volk en de koning waar ze bij ging horen zijn ons onbekend, maar haar Wijsheid mag met hoofdletters geschreven worden. Wie denkt dat de natuurlijke positie van de vrouw een zwijgende is en dat het spreken aan mannen overgelaten moet worden heeft de boodschap van de Bijbel dus niet goed begrepen. Koning Lemuël was zo wijs om de Spreuken van zijn moeder op te schrijven, zodat wij er ook nu nog lering uit kunnen trekken.

De verzameling Spreuken van Lemuël zal ergens in de tijd rond de ballingschap aan het boek Spreuken zijn toegevoegd. De spreuken van het gedeelte dat we vandaag lezen zijn namelijk niet alleen in het Hebreeuws geschreven maar er komen ook allerlei woorden in voor die in het Aramees geschreven zijn. Dat Aramees was de rijkstaal van de Perzen en werd uiteindelijk ook gesproken door de volken die onder de heerschappij van de Perzen vielen, zeg maar de hele wereld verstond Aramees. Dat was zelfs nog zo toen de Romeinen de heerschappij over de wereld hadden overgenomen. In de dagen van Jezus van Nazareth werd er in Jeruzalem gewoonlijk Aramees gesproken, al was het Grieks toen de internationale voertaal geworden. De spreuken die Lemuël van zijn moeder meekreeg, die beginnen met drie maal te benadrukken dat hij de zoon en zij de moeder is, bevatten ook kritiek op wat in Israël populair geworden was.

Van David en Salomo werd verteld dat ze meerdere vrouwen hadden. Salomo zou er wel duizend hebben gehad staat er geschreven. De moeder van Lemuël raad haar zoon aan daar van af te zien. Van een passie voor vrouwen wordt je maar lui en zwak. Een kanttekening bij het koningschap van met name Salomo die ook elders in de Bijbel voorkomt, al die vreemde vrouwen zouden ook maar tot afgoderij kunnen leiden, ze namen allemaal hun eigen goden mee en voor je het weet doe je iemand een plezier door die vreemde goden te aanbidden. Een rijke koning heeft ook toegang tot het beste eten en drinken van het land. Maar het drinken van wijn moet een echte koning slechts met mate doen. Dronkenschap sluit immers de redelijkheid uit. In onze dagen klagen we over uitgaansgeweld door overmatig alcohol gebruik en over verkeersdoden door dronken automobilisten. Een Koning zal nuchter en wijs recht moeten doen en vooral de armen tot hun recht moeten laten komen staat hier. En aangezien we volgens Paulus een volk van Koningen en Priesters zijn gelden die vermaningen ook ons. Elke dag opnieuw mogen we weer op weg om anderen tot hun recht te laten komen, ook vandaag weer.

Snode plannen

Spreuken 30:24-33

24 Vier dieren zijn de kleinste op aarde, maar ze zijn buitengewoon wijs: 25 de mieren-sterk zijn ze niet, maar al in de zomer leggen ze een voorraad aan; 26 de klipdassen-machtig zijn ze niet, maar ze maken holen in de rotsen; 27 de sprinkhanen-een koning hebben ze niet, maar ze rukken in slagorde op; 28 de hagedissen-je kunt ze met je handen vangen, maar ze dringen door tot in het paleis van de koning. 29 Drie hebben een voorname tred, vier schrijden statig voort: 30 de leeuw-hij is de koning der dieren en deinst voor niets terug; 31 de trotse haan, de bok, en een koning die zijn troepen monstert. 32 Als je jezelf schaamteloos op de borst slaat of als je snode plannen smeedt, houd ermee op en zwijg! 33 Want als je melk slaat, krijg je boter, als je iemand op zijn neus slaat, vloeit er bloed, als je iemand slaat die woedend is, komt er strijd. (NBV21)

Vandaag lezen we een lied over dieren. Hoe slim, nuttig, leerzaam en mooi dieren wel niet kunnen zijn. Of de namen van de dieren nu helemaal juist zijn vertaald is soms de vraag. In andere vertalingen dan de Nieuwe Bijbelvertaling kom je soms andere namen tegen, het lijkt dan of het om andere dieren gaat. Maar daar gaat het ook niet om. In de Nieuwe Bijbelvertaling is geprobeerd zo goed mogelijk te vertalen en daar waar er onduidelijkheden zijn het dier te zoeken dat in onze dagen het dichtst bij de eigenschappen komt die wij direct herkennen. De trotste haan en de bok zien we gelijk voortstappen, de bok misschien zelfs wel voor de bokkenwagen. Maar de haan is ook wel met windhond vertaald, of paard of sprinkhaan. Belangrijk is het niet, het gaat uiteindelijk om die koning die trots voor de troepen uit schrijdt.

Want waar is dit hele leerdicht nu voor bedoeld? Wat kunnen we er van leren? We kennen natuurlijk de opdracht aan de luiaards om naar de mieren te gaan en te zien hoe ijverig de mieren zijn en hoe ze daardoor kunnen overleven. Uit de fabels van La Fontaine kennen we de fabel van de krekel en de mier waarbij de krekel maar blijft spelen terwijl de mier een voorraad voor de koude winter aanlegt. De mier kan overleven de krekel niet. Maar dat soort lessen lezen we in het gedeelte van vandaag uit het boek spreuken niet terug. Het lijkt er op dat de dieren worden bezongen om vervolgens naar een ander onderwerp over te gaan als de Koning die trots voor de troepen uitstapt is vergeleken met een bok of een trotse haan, het haantjes gedrag terug in de Bijbel. De laatste verzen van het gedeelte dat we vandaag lezen leren ons dat het daar inderdaad om gaat.

Het heeft geen enkele zin om je meer en beter te wanen dan een ander mens. Net als de dieren hebben ook mensen verschillende eigenschappen. De een kan goed schoonmaken en de ander kan goed vergaderen over ingewikkelde onderwerpen. De een is technisch begaafd en heeft gouden handen, de ander heeft de gave van het woord en kan ingewikkelde onderwerpen op een eenvoudige manier onder woorden brengen. De verschillende eigenschappen komen maar zelden samen voor bij één mens. Jezelf op de borst slaan voor je eigen eigenschappen is dan ook dwaas. Van opscheppen komen zaken die je niet wilt. Als je melk wil drinken moet je niet eerst boter karnen, als je vrede wil moet je niet de oorlog aangaan. Niemand is beter dan een ander, daarom is het zaak voor de minsten te zorgen, want misschien ben je morgen zelf de minste op aarde. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw onze naaste liefhebben als onszelf, ook vandaag weer.

Niets verkeerds gedaan

Spreuken 30:15-23

15 Er zijn twee soorten bloedzuigers: de eerste zegt ‘Geef!’, de andere ‘Geef!’ Drie dingen worden nooit verzadigd, vier dingen zeggen nooit ‘Het is genoeg’: 16 het dodenrijk, een onvruchtbare schoot, een uitgedroogd stuk land, en het vuur, dat ook nooit zegt ‘Het is genoeg.’ 17 Wie spottend neerkijkt op zijn vader en zijn moeder ongehoorzaam is, hem zullen de raven bij de beek de ogen uitpikken, en de gieren zullen die opschrokken. 18 Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij, vier dingen kan ik niet bevatten: 19 de vlucht van een arend hoog aan de hemel, het glijden van een slang over de rots, de vaart van een schip op volle zee, de gang van een man naar een meisje. 20 Zo doet de vrouw die overspel pleegt: ze zegt: ‘Ik heb niets verkeerds gedaan,’ alsof ze na het eten haar mond afveegt. 21 Van drie dingen beeft de aarde, tegen vier dingen is ze niet bestand: 22 een slaaf die koning wordt, een zot die genoeg te eten heeft, 23 een onuitstaanbare vrouw die aan de man raakt, een slavin die haar meesteres verdringt. (NBV21)

De eerste zin uit het gedeelte dat we vandaag uit het boek Spreuken lezen werd vroeger wel vertaald als “De bloedzuiger heeft twee dochters, geef en geef”. En dan volgen er raadseltjes rond getallen. Nu is het niet de bedoeling daar lang op te puzzelen dus de meest eenvoudige uitleg is de beste. Drie is het getal van God en God is niet te begrijpen, ondoorgrondelijk zegt de Bijbel. Vier is het getal van de aarde, de vier windstreken, tot aan de einden der aarde zegt de Bijbel. En bij God is altijd plaats, maar de God van Israël weet ook van het genoeg, weet ook van het dagelijks brood waar we eigenlijk genoeg aan zouden moeten hebben. De afgoden van deze wereld weten nooit van genoeg, het moet altijd meer, altijd groeien, ze weten niet van de grenzen aan de groei, van hergebruik, van zuinig omgaan. Altijd moet er gezocht naar wegen om meer te produceren om van het uitgedroogde land ook het laatste te kunnen oogsten.

Er was een tijd dat zuinig aan het motto was. Dat was het motto van onze ouders en grootouders in tijden van grote armoede, in tijden ook van het besef dat alles wat er is door mensen eigenhandig werd gemaakt. Wie daarom de spaarzaamheid van zijn ouders en grootouders bespot zal er achter komen, op een goede dag is er niks meer, zie je geen toekomst meer, slaat de crisis toe en ben je alles kwijt wat het aanzien waard is. We zien die gevolgen nu al om ons heen in de huidige crisis. Waarom hebben we toch niet genoeg aan de schoonheid die de aarde, die het leven, zelf ons biedt. De vlucht van de arend hoog aan de hemel, het glijden van een slang over de rots, de vaart van een schip op zee aan de horizon, de weg van een man naar een meisje. We houden er wel van. Natuurprogramma’s op televisie zijn zeer populair en boer zoekt vrouw is al jaren het meest bekeken programma op de Nederlandse televisie.

Maar we willen meer, steeds meer. Afwisseling in relaties, avonturen in verre landen, altijd weer de nieuwste elektronica, het mooiste design. We letten nauwelijks meer op verhoudingen tussen mensen. We kiezen regeerders die afhankelijk zijn van de kooplieden op de financiële markten, we kopen producten die gemaakt worden onder de meest erbarmelijke omstandigheden, we dragen kleding die gemaakt is door kinderen die aan hun weefgetouwen zijn geketend. En onder het motto van de vrije markt laten we toe dat die producten vrijelijk in onze winkels en op onze martkten verkocht mogen worden. De financiële crisis van een aantal jaren geleden was gekomen door zogenaamde derivaten, maar daar waar aan alle producten veiligheidseisen zijn gebonden is er sinds het uitbreken van de crisis geen enkele regel voor derivaten bijgekomen, er was ook geen enkele regel en de crisis kan zich dus keer op keer herhalen. Inzicht in het werken van onze samenleving is de eerste stap naar verandering. Elke dag opnieuw mogen wij zien hoe onze samenleving uitwerkt op de armen en mogen we werken aan een wereld waar de tranen gedroogd zijn en iedereen mee mag doen, ook vandaag weer.

Voor ik vernederd werd

Psalm 119:65-72

65 U bent goed geweest voor uw dienaar, HEER, zoals U hebt beloofd. 66 Leer mij goed oordelen en onderscheiden, ik heb vertrouwen in uw geboden. 67 Voor ik vernederd werd, tastte ik mis, nu houd ik mij aan uw woord. 68 U bent goed en U doet goed, onderwijs mij in uw wetten. 69 Hoogmoedigen beschuldigen mij vals, maar ik volg uw regels, met heel mijn hart. 70 Hun hart is dwaas en gevoelloos, maar ik verheug mij in uw wet. 71 Het was goed voor mij dat ik vernederd werd, zo leerde ik uw wetten kennen. 72 Goed voor mij is de wet uit uw mond, beter dan een schat aan goud en zilver. (NBV21)

“Het was goed voor mij  dat ik vernederd werd” zegt de NBV21 in haar vertaling van het gedeelte dat we vandaag lezen van Psalm 119. Nou dat staat er niet echt in het Hebreeuws. De Naardense Bijbel zegt hier “‘t Is goed voor mij geweest dat ik moest bukken” en dat komt er al veel dichterbij. Vertalen is een kunst en de opvattingen over wat de beste vertaling is kunnen soms hinderlijk uiteenlopen. We zijn immers niet bezig met vertalen maar met het proberen de boodschap van de Bijbel te verstaan. En een goed verstaander heeft wellicht maar een half woord nodig maar het moet dan wel het kernwoord zijn. Dat bukken staat hier in tegenstelling tot de hoogmoedigen. Als je iemand op wil richten die op de grond ligt dan moet je je wel bukken. Als je iemand wil helpen die het een stuk minder heeft dan jij dan krijg je het gevoel dat je van je toppen van geluk moet afdalen tot de diepten van een andermans ellende. Ook dat is bukken.

De Psalm zegt dat je juist in dat bukken de Wet van de Liefde, de Thora, leert kennen. De Wet leer je niet kennen als je jezelf voorhoudt dat God met je is omdat je het goed hebt en dat de mensen die het slecht hebben van God verlaten zijn. Dat kan mensen nog wel eens kwaad maken. Als je blijft zeggen dat de psychisch gestoorde zwervers in de stad hulp nodig hebben en geen straf. Dat we onze hand moeten uitsteken al komen we niet verder dan soep uitdelen met het Leger des Heils, maar eens zal een opmerking over een ander leven iemand doen luisteren, zal een uitgestoken hand worden aangenomen. Als we tenminste onze hooghartigheid weten te verlaten en werkelijk weten te bukken. Voor veel mensen betekent dat een vernedering. Afstappen van alle voorrechten die je hebt en meegaan met hen die huis en haard verlaten en verloren hebben. Voor de dichter van deze Psalm is het het tegendeel van een vernedering. Het is een verkwikking waaraan je met heel je hart kunt vasthouden.

Zo blijft verbondenheid met de armsten in de wereld je het gevoel van gemeenschap geven waar geen trots op welk land dan ook tegenop kan. Want juist in de verbondenheid met de armsten ligt de bron van een betere wereld, de wereld waar de Wet van eerlijk delen regeert, waar de Thora wordt vervuld, waar geen honger en geweld meer voorkomt. Daarom is onze betrokkenheid met al die slachtoffers van oorlog en geweld goed, maar zullen we meer moeten doen dan soldaten sturen, of kogels en raketten. We weten dat we zullen moeten bukken, dat we zullen moeten delen, dat is meer dan wederopbouw, dat is ook de Palestijnen in de Gazastrook een eigen land gunnen binnen veilige grenzen, net als Israël. Want ook Palestina hoort bij het land van Jezus van Nazareth, net als al die landen waar nog honger en oorlog is. Het zal nog goddelozen kwaad maken als je gaat pleiten voor meer hulp aan Palestina, voor meer zorg voor de slachtoffers van oorlog en geweld, maar het is de Thora die ons dat ingeeft en met vreugde de hand doet grijpen van de armsten in de wereld.

Spreek geen kwaad

Spreuken 30:10-14

10 Spreek geen kwaad van een slaaf tegenover zijn meester, hij zou je vervloeken en je laten boeten. 11 Er zijn mensen die hun vader vervloeken en hun moeder hun zegen onthouden. 12 Er zijn mensen die denken zuiver te leven, maar vol vuiligheid zijn. 13 Er zijn mensen met een hooghartige blik, met ogen die misprijzend kijken. 14 Er zijn mensen met tanden als zwaarden, met een messcherp gebit, die de armen op aarde verscheuren, behoeftige mensen verslinden.(NBV21)

Toen Noach eenmaal weer vaste grond onder de voeten had stelde God vast dat de mens nu eenmaal slecht is. Dat slechte in de mens is geen reden meer om de aarde te vernietigen. De Spreukendichter bevestigd die opvatting van God. Mensen moeten voortdurend aangesproken worden op de verkeerde keuzes die ze maken. Wij spreken graag kwaad over de knechten, de mensen die voor een karig loon proberen winst te maken voor hun baas. Maar als ze een foutje maken lijkt de wereld soms te klein om het kwaad te vergelden. Die kwaadheid heeft geen enkele zin. En pas op slaaf gemaakten en ook loonslaven zijn gelijk aan jou, zijn gelijk aan de slavenhouder, de werkgever, de CEO. Kwaad spreken, zeker als daardoor grote inkomensverschillen ontstaan mag dus niet van de Bijbel.

Zeker niet als het mensen zijn die echt er op uit zijn mensen te helpen. Onderwijzend  personeel, ambulancebroeders, brandweerlieden, politie, ziekenhuispersoneel, allen wordt bijna dagelijks de maat genomen. Dat heeft dus al geleid tot bepalingen in de strafwet die je geld kunnen kosten. Zeker ook niet als mensen te goeder trouw kunnen zijn. Kwaad spreken zonder reden zorgde voor Toeslagenslachtoffers. Het Christelijk geloof wordt wel eens verweten te lief te zijn. Iedereen krijgt vergeving zelfs voor het kwaadste dat er is gedaan. Iedereen krijgt een nieuwe kans. Maar dat lieve is maar schijn. Afzweren van het kwaad en niet anders doen dan het goede is een moeilijke en vaak pijnlijke weg. Je moet dan ook nog wat toegeven. Vandaag lezen we over mensen die denken zuiver te leven maar vol vuiligheid zijn.

Zeker in onze tijd vinden heel veel mensen dat hun gelijk ook het gelijk van iedereen moet zijn. En als anderen een ander gelijk hebben dan volgen scheldpartijen en doodsbedreigingen. Er zijn mensen die menen altijd gelijk te hebben. Die neer kijken op mensen die dat kennelijk nog niet door hebben, met misprijzende ogen zegt de Spreukendichter. Hun wapens zijn niet de liefde en solidariteit maar tanden als zwaarden en kaken als messen, het zijn de trollen die het maatschappelijk debat naar zich toe weten te trekken en vervuilen. Zeker de armen, de minsten, de gehandicapten de ouderen worden daarvan het slachtoffer. Die trollen roepen zo hard dat het er op lijkt dat ze nog gelijk hebben ook. Wie het goede zoekt te doen en voor de armen en de minsten op komt weet dat uiteindelijk de liefde sterker is. Dat moeten we misschien wat luider laten weten, ook vandaag weer.

Ik kan niet meer.

Spreuken 30:1-9

1 Hier volgen de woorden van Agur, de zoon van Jake, dit zijn de uitspraken die hij heeft gedaan. Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer. 2 Ik ben dommer dan ieder ander, elk menselijk inzicht ontbreekt mij. 3 Ik heb geen wijsheid opgedaan, van de Heilige weet ik niets. 4 Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald? Wie heeft de wind met zijn handen gevangen? Wie heeft het water in zijn mantel gebonden? Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald? Noem mij zijn naam, en de naam van zijn zoon, als je die kent. 5 Elk woord van God is getoetst, Hij is een schild voor wie bij Hem hun toevlucht zoeken. 6 Voeg niets aan zijn woorden toe, anders straft Hij je en blijk je een leugenaar. 7 Twee dingen vraag ik U, gun ze me zolang ik leef: 8 Houd me ver van leugen en bedrog. Maak me niet arm, maar ook niet rijk, voed me slechts met wat ik nodig heb. 9 Want als ik rijk zou zijn, zou ik U wellicht verloochenen, zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de HEER?’ En als ik arm zou zijn, zou ik stelen en de naam van mijn God te schande maken. (NBV21)

Je kunt er moe van worden. Er is zoveel in de wereld dat om aandacht schreeuwt, zoveel waar zorg voor nodig is. Zoveel onrecht in de wereld, zoveel geweld, zoveel leed ook door natuurrampen. En alles komt tegenwoordig op onze weg. Agur de zoon van Jake heeft daar een verstandig recept voor. Het is de God van Israël die overal over gaat. Er is geen mens die alles bevatten kan, alles regeren kan, alle mensen kan beschermen. Daarom zijn er maar twee geboden waar het echt op aan komt, heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Je hoeft dus niet de hele wereld op je nek te nemen, achter elke zucht om hulp aan te lopen. Doen wat je hand vindt om te doen is vaak al voldoende. Natuurlijk zijn de grote rampen, de grote oorlogen en de grote ellende in de wereld belangrijk, maar weet dat je die alleen samen met anderen de baas kan, met heel erg veel anderen vaak. En bondgenoten vind je alleen door dichtbij te beginnen en daarin anderen mee te krijgen.

Agur de zoon van Jake werkt het houden van die twee geboden op een simpele manier uit. Maak me niet arm en maak me niet rijk vraagt hij. Een arme kan gedwongen zijn om te stelen, een rijke zal geneigd zijn alles voor zichzelf te willen houden, beiden wil je niet als je de Weg van de God van Israël wil volgen. Wie overigens Agur de zoon van Jake is geweest weten we niet. Het is in elk geval niet Koning Salomo aan wie het boek Spreuken lang is toegeschreven. Het zou zelfs wel eens kunnen dat het helemaal geen volksgenoot van Salomo wordt was maar iemand uit een van de buurvolken van Israël. Iemand als de profeet Bileam die alleen goeds kon profiteren over Israël. Agur de zoon van Jake had heel goed door wat in de wijsheid van Israël belangrijk was. Dat was de bereidheid om alles wat je bezit te delen met mensen die niets bezitten maar zonder delen niet verder kunnen leven. Zo moet je dus willen zijn.

Maar waar je echt moe van kan worden zijn mensen die het altijd beter weten. Die de zuiverheid in hun binnenzak hebben en over alles en iedereen een oordeel klaar menen te kunnen hebben. Hun ouders hebben het verkeerd gedaan, hun stadgenoten doen het verkeerd, hun bestuurders en regeerders doen het verkeerd. Ze voelen zich bedreigd door alles en iedereen en gebruiken geweld om zich te verdedigen ook al worden ze niet aangevallen. Ze zijn daardoor ook een voortdurend gevaar voor de armen op de aarde die ze verscheuren, ze verslinden de verschoppelingen onder de mensen. We kennen ze ook in onze dagen. Ze roepen dat iedereen voor zichzelf verantwoordelijk is en in plaats van de zwakken te helpen verantwoordelijkheid te dragen controleren ze zo weinig dat de zwaksten onder hen verleid worden fraude te plegen. Echte liefde voor mensen zou betekenen dat ze mensen op eigen benen helpen staan zodat ze werkelijk tot hun recht komen. Gelukkig dat we daar elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag weer.