De naam van de Heer

Romeinen 10:5-13

5 Mozes zegt over de rechtvaardigheid die op grond van de wet verkregen wordt: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ 6 En dit zegt de rechtvaardigheid die geschonken wordt op grond van geloof: ‘Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel?’ -dat wil zeggen: om Christus naar beneden te brengen. 7 Of: ‘Wie zal afdalen naar de onderwereld?’ -dat wil zeggen: om Christus bij de doden vandaan naar boven te brengen. 8 De rechtvaardigheid zegt iets anders: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ -en dat betreft de boodschap van het geloof die wij verkondigen. 9 Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. 10 Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered. 11 Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ 12 En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen, 13 want er staat: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’ (NBV21)

De Naam van de Heer aanroepen. Wat moet je daar nu weer mee? Kennelijk wordt jou dan niet aangerekend dat het een rotzooi in de wereld is. Maar we roepen toch al dat de God van Israël één is en de enige God, schepper van Hemel en aarde en zo. Is dat dan niet genoeg? Jezus zelf zei eens dat het niet gaat om hen die “Here, Here” roepen maar om hen die doen de wil van de vader. Het gaat dus niet om dat “Heer” zijn van God maar om zijn naam. In het Hebreeuws bestaat die naam uit vier letters en die worden nooit uitgesproken. Maar ooit werd die Naam aan Mozes bekend gemaakt en toen kon die in het Nederland vertaald worden als “Ik zal er zijn” Dat was het antwoord van die God op het leed dat zijn volk werd aangedaan in Egypte.

En daarmee zijn we bij Mozes waarnaar verwezen wordt in het eerste deel van dit Bijbelgedeelte. Die heeft het over de Tora, de leer van Mozes zoals die in de eerste vijf boeken van de Bijbel staat beschreven. Ten onrechte wordt dat bij ons meestal als “Wet” vertaald. Het is meer dan een Wet heeft Jezus ons geleerd, het is een manier van leven waarmee die Tora wordt vervuld. Wij zeggen dan dat het de richtlijnen zijn voor de menselijke samenleving en als je leeft volgens die richtlijnen dan komt die menselijke samenleving er ook. Niet omdat Christus weer zal opstaan, of weer uit de Hemel wordt gehaald, al dat Jezus gedoe wordt door Paulus hier verworpen, maar omdat Jezus ons geleerd heeft in leven, sterven en opstanding dat die Tora kan worden vervuld en dus dat die totaal andere wereld er ook komt.

Dat is dus geloven en dat moet je doen om niet beschuldigd te worden bij te dragen aan de rotzooi in de wereld. En als ze vragen waarom? Dan ligt het antwoord vooraan op je lippen, omdat die andere wereld er waarachtig wel zal komen, zeker als iedereen daarin gaat geloven en er aan mee gaat werken. God heeft ons die wereld gegeven, hij ligt voor ons voor het grijpen. De mensen kunnen niet eeuwig blijven lijden, het zal niet zo zijn dat delen van de aarde ontvolkt worden omdat andere delen vinden dat het bij hen niet op moet kunnen. We zijn nu eenmaal samen op de aarde om te delen met onze broeders en zusters en alle mensen zijn nu eenmaal onze broeders en zusters, of ze dat geloven of niet, we zullen het ze laten zien, wij zullen er zijn.

Over de steen gestruikeld

Romeinen 9:30–10:4

30 Wat kunnen we hieruit nu opmaken? Volken die niet op rechtvaardigheid uit waren, hebben haar toch verkregen: ze zijn rechtvaardig verklaard op grond van geloof. 31 Maar Israël, dat naar rechtvaardigheid streefde door de wet te volgen, heeft dat niet bereikt. 32 Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing, en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld 33 waarover geschreven staat: ‘In Sion leg Ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ 1 Broeders en zusters, ik wens uit de grond van mijn hart en bid tot God dat ze zullen worden gered. 2 Ik kan van hen getuigen dat ze God vol toewijding dienen, maar het ontbreekt hun aan inzicht. 3 Omdat ze Gods gerechtigheid niet kennen, proberen ze hun eigen gerechtigheid te laten gelden, en erkennen ze die van God niet. 4 De wet evenwel vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard. (NBV21)

Soms lijken de dingen waarover in de Bijbel wordt geschreven ingewikkelder dan ze zijn. Zo’n onderwerp als de voorbeschikking, of, waar het vandaag om gaat, de samenhang van werken en geloven zijn onderwerpen waar je je meestal niet met al te veel vreugde in wil verdiepen. Toch moeten we die onderwerpen wel in de gaten houden. Want als je wat doet wil je daarvoor ook beloond worden. Voor wat hoort wat nietwaar? Dat is een algemeen menselijk gegeven. En als we worden opgeroepen om het goede te doen al kost dat ook ons eigen leven dan zou een beloning toch helemaal op z’n plaats zijn. In de dagen van Paulus hielden de Joden zich aan de Wet ook al werden ze daardoor op tal van terreinen buiten de Romeinse samenleving gehouden. In het boek Daniël lees je zelfs dat onder vreemde heerschappij het houden aan de Wet gemakkelijk kon leiden tot veroordeling tot de dood. In het boek Daniël kun je ook lezen dat die Wet vol te houden was dwars door de dood heen, een vurige oven noch een leeuwenkuil had maar enige invloed.

Toch was het het volk Israël niet gelukt om het centrum van de wereld te worden waar alle volken zich naar toe keerden. Volgens Paulus komt dat doordat ze een beloning van God voor hun houden van de Wet wilden. En het is omgekeerd. Dat je je aan de Wet van heb je naaste lief als jezelf kunt en wilt houden komt door God. Dat vermogen is ons door God geschonken, dat is al de beloning, daar hoeft niks bij. Als je gelooft dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zijn, waar geen honger meer is en geen droefenis, als je gelooft dat die wereld er komt omdat God ons die wereld beloofd heeft, dan kun je niet anders dan alvast aan het werk gaan voor die hemel op aarde, dan kun je niet wachten tot het er is. Maar dan weet je ook direct dat je er bij hoort. Niet omdat je het wil maar omdat het onontkoombaar is, niet om er later nog een beloning voor te krijgen maar omdat je dankbaar bent voor de beloning die je al ontvangen hebt.

De beloning is dat het ergens op de wereld al een klein beetje op de nieuwe aarde gaat lijken. Gewoon om dat iemand die honger had nu wordt gevoed, of dat ergens strijd is en er nu vrede komt, omdat een gevangene wordt bevrijd. Je hoeft het ook niet alleen te doen, er zijn een heleboel mensen al aan het werk. Ze hebben zich verenigd in organisaties als Kerk in Aktie, voedselbanken, Amnesty International, Pax. Het is dus niet zo ingewikkeld als het lijkt. Aan het werk, de handen uit de mouwen, hongerigen voeden, naakten kleden, bedroefden troosten, zieken bezoeken, gevangenen bevrijden, recht doen aan mensen, stem worden van de minsten op de aarde.

Wie mijn geliefde niet was

Romeinen 9:19-29

19 Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?’ 20 Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ 21 Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? 22 Maar ook al wil God zijn macht tonen en zijn toorn laten gelden, toch heeft Hij degenen die het voorwerp zijn van zijn toorn en bestemd zijn voor de ondergang, met veel geduld verdragen. 23 Waarom anders dan om zijn overweldigende majesteit te tonen jegens degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid en die Hij tevoren bestemd heeft om in zijn majesteit te delen? 24 Hen heeft Hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken, 25 zoals ook bij Hosea staat geschreven: ‘Wat mijn volk niet was, zal Ik mijn volk noemen; wie mijn geliefde niet was, zal Ik mijn geliefde noemen. 26 En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet,” zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd.’ 27 En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al telde het volk van Israël zo veel mensen als er zand is bij de zee, slechts een rest zal worden gered. 28 Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort.’ 29 En zoals Jesaja al heeft gezegd: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’(NBV21)

Het idee dat God mensen heeft uitverkoren als geliefden en verworpen omdat hij ze haat heeft veel mensen in verwarring gebracht. Paulus beschrijft een deel van die verwarring. Want als God vooraf al heeft uitgemaakt of we uitverkoren worden dan wel verworpen waar zouden wij ons dan nog druk over maken? Het antwoord van Paulus is dat we ons druk moeten maken omdat we het niet weten. We hebben zelf niet de criteria in handen, we kunnen ze zelfs niet bedenken, waarlangs God tot keuzes is gekomen of zal komen. Paulus illustreert dat aan de hand van uitspraken van profeten. Een aantal jaren geleden herdacht de Protestantse Kerk de vijfhonderdste geboortedag van Johannes Calvijn, de grote reformator die een geweldige invloed heeft gehad op het denken in alle Christelijke Kerken. Aan hem wordt de leer van de voorbeschikking, de predestinatie toegeschreven. Maar het is niet zo dat eerst Calvijn ging schrijven en toen pas Paulus, het is omgekeerd.

Calvijn heeft daarover wel geschreven in zijn leerboek over het christelijk geloof de Institutie. Maar daar waar velen zijn blijven steken in de ingewikkelde theologische zinnen over die predestinatie moet je eigenlijk ook even verder lezen. Calvijn schrijft dat het denken over de voorbeschikking van God een mens doet huiveren. Je bent als mens nergens meer als je God op die manier probeert te beschrijven. En dat doet geen recht aan God, want ook Paulus schrijft eigenlijk al dat God zich niet laat vangen in ons menselijk beschrijven van hetgeen God besluit. Calvijn schrijft dat je er dus beter aan doet net te doen of er geen voorbeschikking is. God is liefde, God roept ons op de naaste lief te hebben als onszelf. In die liefde voor de naaste maakt het ons niet uit wat we er zelf wijzer van worden, het is onbaatzuchtige liefde, zelfs een beloning van God hoeft er niet van te komen. Jezus van Nazareth beschrijft in het verhaal van Matteüs de verbazing van mensen als die tot de ontdekking komen dat ze met de hulp aan hun naaste eigenlijk Jezus zelf hebben geholpen.

Die liefde alleen behoort ons dus in beweging te zetten. En of wij dan al of niet zijn uitverkoren speelt daarbij geen rol. In sommige geloofsrichtingen speelt de vraag of je uitverkoren bent een grote rol. Soms noemt men het ook wedergeboren, een ander mens geworden. Voor Calvijn speelde het antwoord op die vragen geen rol meer. De twijfel en de strijd om uitverkoren of wedergeboren te worden zijn overbodig. God beschikt in zijn oneindige liefde en je mag er van uitgaan dat daar voor jou net zoveel plaats is als jij bij jou de naaste een plaats geeft. En denk nu niet dat we de liefde van God kunnen verdienen door goed te doen. We herdachten ook dat 500 jaar geleden Maarten Luther met de Hervorming begon. Hij verzette zich heel erg sterk tegen een voor wat hoort wat geloof. Alles uit genade. Maar die genade van God, de liefde die we ervaren als we geloven maakt dat we willen dat iedereen die liefde voelt. Daarmee laten we God God, de God van liefde, en zijn wij mensen die telkens opnieuw moeten beginnen onze naaste lief te hebben als onszelf, maar dat opnieuw beginnen mag, vandaag ook.

 

Ik ben barmhartig

Romeinen 9:6-18

6 Gods belofte is niet komen te vervallen. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, 7 niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen; er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ 8 Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte. 9 Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom Ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ 10 Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, 11-12 en al voor ze geboren waren en iets goeds of slechts gedaan hadden, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Zo blijft Gods besluit van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat Hij hem roept. 13 Zoals ook geschreven staat: ‘Jakob heb Ik liefgehad, Esau heb Ik gehaat.’ 14 Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. 15 Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’ 16 Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens. 17 Zo zegt Hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb je alleen maar aangesteld om mijn macht over jou te tonen en om mijn naam op heel de aarde bekend te maken.’ 18 Dus God is barmhartig voor wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil.(NBV21)

De kinderen van Abraham, wie zijn dat eigenlijk. Abraham zou de vader worden van vele volken had God beloofd. En ook zijn oudste zoon Ismaël zou vele volken als nakomelingen krijgen. Toch werden de inwoners van Judea centraal gesteld als het gaat om de aanbidding van de God van Israël. Paulus legt dat uit. In de loop van de geschiedenis heeft God een volk uitgekozen om te laten zien hoe is om volgens de richtlijnen van die God te leven. Dat neemt niet weg dat er veel volken van Abraham afkomstig zijn. Nu is de tijd gekomen dat God ook barmhartig is na de andere volken. Jezus van Nazareth heeft voorgeleefd hoe het is als je ondanks een wrede onderdrukking toch de richtlijnen van die God naleeft. Dan kan de Liefde voor de mensen zelfs de dood overwinnen. Het vormen van gemeenschappen van Judeeërs en Heidenen die met elkaar gingen delen van bezit en inkomen had tot gevolg dat die Heidenen ook de goden gingen mijden die in het Romeinse Rijk talrijk aanwezig waren.

Het ergste was nog dat ze ook de beelden van de Romeinse Keizer niet meer wilden aanbidden als die zich weer eens tot god hadden uitgeroepen. Dat was gezagsondermijnend. Van die Paulus moesten ze dus steeds minder hebben, die was maar gevaarlijk. Paulus had het daar maar moeilijk mee. Hij was afkomstig uit Turkije, was wel geboren uit Judese ouders maar had in Israël jarenlang toch heel veel moeite moeten doen om er bij te horen. Hij had zelfs voor rabbijn gestudeerd bij een van de meest vooraanstaande geleerden, Gamaliël. En nu hoorde hij er niet meer bij. Zijn verzuchtingen in het gedeelte dat we vandaag lezen worden daardoor begrijpelijk. Het volk Israël had immers van oudsher al vreemden in zich opgenomen. Het was ook vanouds God geweest die had bepaald langs welke lijnen het volk zou groeien en wie er wel en wie er niet bij zou horen.

Nu was er de kans om de hele wereld mee te krijgen, om alle volken zich te laten keren naar Jeruzalem zoals vanouds was beloofd en nu deden juist de kinderen van Israël daar niet aan mee. Dat was een geweldige teleurstelling. Het geloof in de enige God, het houden van de enige Wet die telt, moet toch voortkomen uit Israël. De kinderen van Esau, de Edomieten, waren toch ook kinderen van Abraham maar die hoorden er niet bij. Wij mogen blij zijn met een God die ons de Jood Paulus stuurde. Wij mogen dankbaar zijn dat we onze naaste lief mogen hebben als onszelf, dat we geleerd hebben te delen van hetgeen wij hebben met onze naaste. Misschien wel omdat we het ook de staat Israël moeten voordoen zodat zij het opnieuw leren en vrede sluiten met de Palestijnen. Wat de bedoeling ook moge zijn, we kunnen vandaag weer laten zien dat Paulus geen ongelijk had.

 

Als zijn kinderen

Romeinen 9:1-5

1 Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door de heilige Geest, is mijn getuige dat ik niet lieg: 2 ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld. 3 Bijna zou ik bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn, omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel. 4 Dat zijn de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie Hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken. 5 Het is het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen-Hij die God is, boven alles verheven, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen.(NBV21)

Binnen het Christendom zijn er altijd weer mensen die de Joodse bron van het Christendom vergeten, klein maken of zelfs ontkennen. De Evangelist Johannes en de apostel Paulus zijn daar schuldig aan. Maar zoals Oud Gereformeerden en Remonstranten beide het Christendom vertegenwoordigen zijn ook de Evangelist Johannes en de apostel Paulus voluit vertegenwoordigers van het Jodendom. Johannes schenkt veel aandacht aan de verschillen die waren opgetreden tussen Jezus en de stroming van de Farizeeën. Die stroming was er een van de vele, we kennen ook de Sadduceeën en Jezus was behoorlijk verwant aan de Farizeeën. Het was de opvatting over de wet die hen scheidde. Voor Jezus is de wet er voor de mensen en door de mensen te vervullen, voor de Farizeeën is de wet er voor zichtzelf en moeten mensen zich daarnaar modelleren. Paulus is zich in de loop van de tijd steeds meer af gaan zetten tegen zijn landgenoten en de Judeeërs zijn zich steeds meer gaan afzetten tegen Paulus.

Paulus werd door Judeeërs als een oproerkraaier gezien, een sektariër die hun veilige bestaan in het Romeinse Rijk in gevaar bracht. De Judeeërs hadden zich daar een plaats verworven naast andere godsdiensten. Ze werden soms nog wel als atheïsten gezien omdat ze geen beeld van hun God hadden en de andere goden niet wilden aanbidden, maar omdat ze hun eigen gebedsruimtes hadden, regelmatig daar samenkwamen en konden bidden waren ze een religie, zij het van een rare soort. Die Paulus fietste daar maar doorheen. Die wilde dat die Judese gemeenschappen zich gingen bemoeien met de Heidense wereld er om heen. Ook die Heidenen moesten mee gaan doen met de leer van Mozes, in de zin van heb-Uw-naaste-lief-als-Uzelf. Dat was volgens die Paulus het hart van de leer van Mozes en alle andere wetten en voorschriften konden ze vergeten. Die golden misschien voor de Judeeërs maar niet voor de Heidenen. Rome was bij uitstek de hoofdstad van het Heidendom. Zelfs de Keizers werden daar als goden vereerd.

De onderlinge discussies tussen Joden en Christenen raakten de maatschappelijke positie van de Joden meer naar mate er meer Heidenen mee gingen doen met het Christelijk geloof. In zijn brief aan de Christelijke gemeente in Rome, de brief aan de Romeinen moest Paulus dus wel de Joodse oorsprong van het Christendom benadrukken. Ook Christenen, Heidens of Joods, moesten de bijzondere maatschappelijke positie van Joden verdedigen. Ook Christenen hadden immers geen beeld van hun God, van de God van Israël die zij als enige God erkenden. De maatschappelijke invloed van Christenen, die tot slaven gemaakten en slavenhouders als broeders en zusters als gelijken beschouwden mocht geen Jodenvervolging tot gevolg hebben. En in Rome dreigde dat wel. Van buiten af waren Joden en Christenen gelijk. Beiden gaven Heidenen de gelegenheid zich bij hen aan te sluiten. De revolutionaire opvattingen van de Christenen hadden hun bron in het Jodendom, het heb uw naaste lief als uzelf komt daar vandaan. Ook in onze dagen mogen we dat steeds beseffen. Wie Joden veroordeelt of veracht veroordeelt en veracht ook Christenen.

Een gedetailleerd bouwplan

2 Koningen 16:10-20

10 Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria. 11 Nog voordat Achaz terugkeerde liet Uria het altaar nabouwen, precies volgens het ontwerp dat de koning hem vanuit Damascus had gestuurd. 12 Toen koning Achaz uit Damascus terugkeerde, nam hij het altaar in ogenschouw, liep ernaartoe en besteeg de treden. 13 Hij droeg persoonlijk verschillende offers op: een brandoffer, een graanoffer en een wijnoffer, en goot het bloed van de dieren voor het vredeoffer tegen de zijkanten van het altaar. 14 Tussen het nieuwe altaar en de tempel stond nog het bronzen altaar ter ere van de HEER. Dat liet hij verwijderen en opzij van het nieuwe altaar opstellen, aan de noordkant. 15 Hij beval de priester Uria: ‘Op dit grote altaar moeten vanaf nu ’s morgens het brandoffer en ’s avonds het graanoffer worden opgedragen. Ook het brandoffer en het graanoffer van de koning moeten daar worden opgedragen, evenals de brandoffers, de graan- en de wijnoffers van het volk, en het bloed van de offerdieren moet tegen de zijkanten van het grote altaar worden gegoten. Het bronzen altaar gebruik ik voortaan zelf, wanneer ik God wil raadplegen.’ 16 De priester Uria voerde alles precies uit zoals de koning het hem had opgedragen. 17 Verder liet koning Achaz de spoelbekkens van hun onderstellen halen en de panelen van de onderstellen slopen. Het grote bekken, de Zee, liet hij verwijderen van de bronzen runderen waarop het rustte, en op een stenen fundering zetten. 18 Ook liet hij het sabbatsbaldakijn dat men aan de tempel had aangebouwd en de speciale opgang voor de koning verplaatsen naar de binnenkant van de tempel, opdat de koning van Assyrië ze niet te zien zou krijgen. 19 Verdere bijzonderheden over Achaz zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 20 Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Hizkia volgde hem op. (NBV21)

Als politici het over afbouwen hebben, afbouwen van voorzieningen of afbouwen van gebouwen, dan bedoelen ze afbreken, of tenminste beperken. Die manier van praten maakt dat gewone burgers niet zo snel door hebben wat er wordt bedoeld. Soms is hetgeen afgebouwd moet worden dierbaar voor de mensen, of zelfs heel belangrijk en als er ruw gezegd wordt dat het afgebroken zal worden of de dienst beëindigd dan ontstaat er maar protest, terwijl die politici vinden dat ze het algemeen belang voor ogen hebben en dat iedereen het met ze eens zou moeten zijn. Dit soort uitdrukkingen is door de geschiedenis heen altijd gebruikt. Vlak na de tweede wereldoorlog voerde ons land oorlog met de nationalisten in Indonesië die er een onafhankelijke staat van wilden maken. Nu kwamen we net uit de oorlog en dat klonk dus lelijk, dus noemden we het een politionele aktie, was het zelfde maar het klonk beter. Volgens velen gebeurd er hetzelfde met onze bijdrage aan de opbouw en de veiligheid van Afghanistan. Het is dus niet zo vreemd dat we dit soort taalgebruik ook in de Bijbel tegenkomen. Het gedeelte van vandaag is er een mooi voorbeeld van.

Want wat ging die Koning Achaz van Juda nu precies doen in Damascus bij die Koning van Assyrië? Het verhaal van de Bijbel zegt dat hij er op bezoek ging, maar de Bijbel is geen journalistiek verslag of een geschiedenisboek. Historici hebben ontdekt dat de Koning van Assyrië vazallen ontving, koningen van landjes die hem belasting schuldig waren, waar hij eigenlijk de baas over was. En Koning Achaz had al belasting betaald aan de Koning van Assyrië, gouden en zilveren voorwerpen uit de Tempel in Jeruzalem en uit het Paleis. Kennelijk was het niet genoeg. Er was ook nog een mooi bronzen altaar, er waren prachtig bewerkte onderstellen van spoelbekkens en op die onderstellen waren fraaie panelen. Allemaal zaken waar je de Koning van Assyrië blij kon maken, net als de bronzen runderen die het grote bekken droegen. Er kwam een gewoon altaar met trappen voor in de plaats. Voortaan moesten daar maar de offers op gebracht worden. Dat de offers bedoeld waren om te delen, om je bereidheid om te delen te tonen, verdween. Het ging er voortaan om gunsten van God te krijgen tegen betaling van een offer. Zo ging het immers in alle godsdiensten.

De koning speelde in de Tempel geen koning meer. Alles wat daarop zou kunnen lijken werd afgebroken. Hij speelde alleen nog waarzeggertje, net als de Romeinse Keizers later zouden doen. Uit een offer zou hij een godsspraak af kunnen leiden. Pas als we zien hoe de verhoudingen tussen wereldmachten en kleine landjes zijn kunnen we duiden wat de betekenis is van de verhalen die leiders van kleine landjes vertellen. Dat was in de dagen van koning Achaz zo, dat is in onze dagen nog net hetzelfde. Frankrijk en Duitsland bepalen voor een groot deel wat er in Europa gebeurd en onze regering heeft daar maar beperkt invloed op. En als de Verenigde Staten politieke en of militaire steun nodig hebben voor de bescherming van hun eigen belangen dan is Nederland er snel bij om steun te geven of om zelfs mee te doen. De Bijbel roept ons met verhalen als over Achaz op om door de woorden van machthebbertjes heen te luisteren, om er niet in te trappen, roept ons op om de maat van de God van Israël er langs te leggen. Worden hier armen beter van? Wordt de God van Israël meer gediend, of ook voor de gek gehouden? Doen we het samen of moeten we wel? Elke dag opnieuw mogen we ons weer afvragen hoe onze samenleving is ingericht en er aan werken dat het gaat lijken op het Koninkrijk van God, ook vandaag weer.

Ik ben uw dienaar

2 Koningen 16:1-9

1 Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 2 Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, 3 maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. 4 Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. 5 In die tijd trokken koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, tegen Jeruzalem ten strijde. Ze dreven Achaz in het nauw, maar slaagden er niet in hem te overwinnen. 6 Het was in diezelfde tijd dat koning Resin van Aram Elat weer bij zijn rijk inlijfde en de Judeeërs eruit verdreef. De Edomieten trokken Elat binnen, en ze zijn er gebleven tot op de dag van vandaag. 7 Achaz stuurde gezanten naar koning Tiglatpileser van Assyrië, met de boodschap: ‘Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.’ 8 Hij liet het goud en het zilver uit de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis halen en bood dat de koning van Assyrië als geschenk aan. 9 De koning van Assyrië gaf gehoor aan Achaz’ verzoek. Hij trok op tegen Damascus en nam de stad in. De bevolking voerde hij als ballingen naar Kir, en Resin liet hij ter dood brengen. (NBV21)

Vandaag beginnen we een verhaal te lezen uit het spannende verhalenboek 2 Koningen. Er zijn twee boeken over Koningen maar er zijn ook nog twee boeken die Kronieken heten en die verhalen hebben die gebaseerd zijn op dezelfde gebeurtenissen als de verhalen in de boeken Koningen. Boven elk van die verhalen uit de boeken Koningen en Kronieken hoort eigenlijk een vetgedrukte waarschuwing te staan. Dit is de Bijbel en dit is geen geschiedenisboek. Het is niet gebaseerd op het soort historische bronnen waar geschiedeniswetenschappers in onze dagen gebruik van maken en er zijn geen journalisten aanwezig geweest om ons onafhankelijke verslagen van de gebeurtenissen na te laten. De verhalen vertellen hoe in Israël geluisterd werd naar de God van Israël en wat er daardoor met de mensen gebeurde. In het verhaal dat we vandaag beginnen te lezen is het land Israël uiteengevallen in twee kleine koninkrijkjes, Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem en Israël in het Noorden met als hoofdstad Samaria.

Ons verhaal begint als er een nieuwe koning in Jeruzalem komt. Achaz, een koning van twintig jaar die zestien jaar zou regeren. Ook in Israël, het zuidelijke koninkrijk, was er in die tijd een koning en wel Pekach die al zeventien jaar koning was toen Achaz, de zoon van Jotam, aan de macht kwam. Die Achaz stamde nog van David af maar het was geen beste Koning, hij volgde niet de Wet van de God van Israël zoals David dat had gedaan. Hij deed net als de Koningen van Israël staat er. De verteller van dit verhaal heeft het niet zo op de Koningen van Israël. Die Koningen hadden een ander heiligdom moeten inrichten omdat ze niet meer naar de Tempel in Jeruzalem konden gaan. Die Tempel van hun moest ook mooi zijn, net zo mooi als de Tempel van Salomo was geworden. De manier om de tempel nog mooier te maken was door er mooie gouden en zilveren beelden in te zetten, net als de buurvolken van Israël hadden. Achaz deed hetzelfde in Jeruzalem wordt ons verteld. Hij ging zelfs nog verder, hij offerde zijn zoon in een brandoffer, naar we aannemen aan Moloch, de afgod van Assyrië aan wie kinderoffers werden gebracht.

Wat is nu het gevolg? Er komt oorlog, de ene koning verbindt zich met de andere en ze proberen elkaars land en steden te veroveren. Maar Achaz helemaal verslaan dat lukte de koninkjes nu net niet, al verloor Juda een behoorlijk stuk van haar territorium. Achaz was echter geen haar beter en in plaats van te vertrouwen op de God van Israël sloot hij een verbond met de koning van Assyrië. Met goud en zilver uit de tempel in Jeruzalem werd die koning omgekocht. De koning van Assyrië vond het wel best zijn macht uit te breiden en daar nog voor betaald te krijgen ook. Hij nam Damascus in, liet de koning ombrengen en het volk in ballingschap brengen. Na de ballingschap lazen de Israëlieten tot hun schrik dat het een koning van Juda was geweest die Assyrië op het idee had gebracht volken in ballingschap te brengen. Dat was hun zelf ook overkomen. De boodschap van het verhaal is dus ook dat je nooit op bondgenootschappen met machtige volken moet vertrouwen maar altijd het lot van arme mensen voorop moet stellen. In ons verhaal komen die arme mensen niet voor, maar hopelijk in ons leven wel. Wij mogen elke dag ons vertrouwen stellen op de God die ons oproept om de naaste lief te hebben als onszelf, daar mogen we ook vandaag weer mee beginnen.

Een leren zak in de rook

Psalm 119:81-88

81 Mijn ziel smacht naar de redding die U brengt, in uw woord heb ik mijn hoop gesteld. 82 Mijn ogen smachten naar uw belofte, wanneer zult U mij troosten? 83 Al teer ik weg als een leren zak in de rook, uw wetten vergeet ik niet. 84 Hoeveel dagen nog telt het leven van uw dienaar, wanneer zult U mijn vervolgers berechten? 85 Ze hebben voor mij een kuil gegraven, de hoogmoedigen die uw wet niet erkennen. 86 Elk van uw geboden is betrouwbaar, maar leugens achtervolgen mij-kom mij te hulp! 87 Bijna werd ik van de aarde weggevaagd, toch heb ik uw regels niet verlaten. 88 Blijf mij trouw, laat mij leven, dan houd ik mij aan de richtlijn uit uw mond. (NBV21)

Er zijn tegenwoordig veel groepen die het Christendom verkopen als verzekering voor geluk. Als je maar gelooft in Christus dan gaat het met jou in het leven goed. Sterker nog, je hoort zelfs met gezag beweren dat als je in Jezus Christus gelooft ook je bedrijf winst zal maken. Hoe meer geloof in je bedrijf hoe hoger de winst. Het zijn ook de groepen die voortdurend de aandacht richten op de vervolging van Christenen door boze ongelovigen, dat die ongelovigen ook andere minderheden vervolgen blijft het liefst buiten zicht. De kredietcrisis was volgens hen de straf van God op het toenemende ongeloof in de wereld en de bedrijven waar massaal in God werd geloofd bleven buiten schot. Het zijn leugens en die beweringen zijn in strijd met de Bijbelse boodschap. De dichter van Psalm 119 heeft in de verzen die we daar vandaag uit lezen alle reden om te klagen. Wie weg schrompelt als een leren zak in de rook zal zich in het algemeen niet door God gesteund weten. De psalmdichter moet er dan ook op wijzen dat die dichter de Thora, de richtingwijzers, van God niet vergeet. De dichter vreest zelfs het leven op korte termijn te verliezen.

Die Thora is dan wel betrouwbaar maar leugens achtervolgen de dichter en hulp is geboden. Zo goed gaat het dus niet met gelovigen die weliswaar bijna van de aarde verdwenen waren maar toch de regels van God hadden gehouden. Geloven is dus geen verzekering tegen onheil. Geloven biedt geen garantie op winst. De hebzucht die de financiële wereld regeert maakt iedereen tot slachtoffer, gelovig of niet. Als er Christenen worden vervolgd dan kun je er van op aan dat ook andere minderheden worden vervolgd en dat er een groep is die zichzelf zo goed vindt dat ze de aarde wil beheersen. De grote vraag is of je ondanks het onheil, misschien zelfs in weerwil van het onheil, toch de grondslag van de God van Israël weet vast te houden. En die grondslag was God lief te hebben en je naaste als jezelf. Dat was de Wet van de Woestijn, de ontdekking van Israël dat je als volk in de woestijn alleen kunt overleven als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen en bereid bent alles wat je hebt met elkaar te delen. Deze Psalmdichter roept het uit dat het vervullen van dat gebod het hoogste doel is in het leven en het leven pas echt zin geeft.

Daar zullen we alle maatregelen in de crises van vandaag dus aan moeten toetsen. Zetten we mensen die in armoede zijn komen te verkeren op straat? Geven we de banken de gelegenheid om alles af te pakken van mensen in nood om de bonussen van de top te kunnen betalen? Belonen we met belastinggelden de mensen die de fouten hebben gemaakt en de hebzucht zo hebben opgeschroefd dat bijna iedereen mee ten onder gaat aan de schuldencrisis? Of beschermen we mensen door nu de reclame voor luxe en overbodige goederen te verbieden en het verlenen van particuliere leningen aan strenge regels te binden? Luxe consumptiegoederen zijn niet strikt noodzakelijk en ze worden meer waard en mooier naarmate je je er meer voor moet ontzeggen en langer voor moet sparen. Het huren van een huis is ook niet minder of slechter dan het kopen van een huis. Mensen die een huis hadden gehuurd hebben nu meer vrijheid om een woning in een ander deel van het land te huren als daar wel werk voor hen is. Voor de Bijbel is het streven naar eigen bezit verdacht, voor de Bijbel is het streven naar eerlijk delen en elkaar helpen altijd het eerste doel. En voor ons?

De vruchten plukken van haar werk

Spreuken 31:21-31

21 De sneeuw zal haar gezin niet deren: zij heeft hen in scharlaken gekleed. 22 Ze maakt de mooiste dekens, ze gaat gekleed in linnen en purperen wol. 23 Haar man geniet bekendheid in de stad, hij vergadert met de oudsten in de poort. 24 Zij vervaardigt kleding en gordels, en levert die aan kooplui. 25 Uit haar verschijning spreken kracht en waardigheid, de dag van morgen ziet ze lachend tegemoet. 26 Ze spreekt wijze woorden, wat ze zegt zijn liefdevolle lessen. 27 Ze waakt over haar huishouding, nietsdoen is haar onbekend. 28 Haar kinderen prijzen haar, haar man bejubelt haar: 29 ‘Veel vrouwen zijn sterk, maar jij overtreft ze allemaal.’ 30 Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat, maar een vrouw met ontzag voor de HEER moet worden geprezen. 31 Moge zij de vruchten plukken van haar werk, mogen haar daden worden geprezen in de poorten. (NBV21)

Binnen Christelijke traditie zijn vrouwen er vaak maar bekaaid afgekomen. Thuis blijven, het huis besturen, kinderen krijgen en de echtgenoot behagen waren zogenaamd de natuurlijke taken van de vrouw. En vergis je niet. Zelfs het gedeelte dat we vandaag uit het boek Spreuken lezen werd zo uitgelegd dat het past in de tweede rangs positie die vrouwen moesten innemen. Als ze al contact met leveranciers had gebeurde dat bij de achterdeur. Op het platteland was het contact met rondreizende handelaren in snuisterijen en keukenwaar inderdaad een taak voor de vrouw. En vergis je niet. Voor veel mensen behoren dergelijke beelden over een vrouw tot het verleden. Maar in zogenaamde Christelijke en Gereformeerde minderheden zijn dat opvattingen nog tot vandaag de dag de geldende opvattingen.

Kloppen doet het niet. Dat de daden van de vrouw worden geprezen in de poorten betekent vooral niet dat mannen bepalen wat de taak en de positie van de vrouw is. In de poorten gaat het over gerechtigheid. Gerechtigheid voor de armen, voor de weduwen en de wees en als vrouwen daarom geprezen mogen worden dan betekent het dat vrouwen een belangrijk stempel op de hele samenleving hadden gedrukt. Een vrouw die aan de beschrijving uit dit slot van het boek Spreuken beantwoord zou ook met gemak een minister van economische zaken kunnen zijn, ze zoekt wol en linnen uit, zorgt voor de textielproductie, handelt met verre landen en haalt wat voor ons land nuttig is. Ze werkt van vroeg tot laat voor de samenleving. Ze handelt en zorgt voor de voedselproductie, zelfs in de nacht gaat ze er mee door als het nodig is. Maar niet alleen voor zichzelf, ze heeft weet van delen met de armen en de behoeftigen.

Het gaat haar ook niet om schoonheid voor zichzelf, want schoonheid vergaat, het is de lelijkheid die blijft nietwaar. Haar man staat als rechtvaardige bekend en zij spreekt liefdevolle lessen, ziedaar het Christelijk gezin als middelpunt van het goede, niets dan het goede. Niks de vrouw thuis en de man in de samenleving, ze zijn samen en elk apart voorbeelden in de samenleving en elk voor zich zorgen ze dat daar het goede gebeurt, elke dag weer. De vaardigheden die hier in de Spreuken worden toegedicht aan vrouwen betekenen dat ze overal dezelfde positie als mannen moeten innemen. Een kerk zonder vrouwelijke ambtsdragers en voorgangers is geen christelijke kerk. Daar mogen wij ons dag in dag uit bij aansluiten en door inspireren laten, of we mannelijk of vrouwelijk zijn, in de Christelijke gemeente vervalt het onderscheid en eigenlijk hebben we dat vandaag ook uit het boek Spreuken gelezen.

Ze geeft de armen hulp

Spreuken 31:10-20

10 Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Zij is meer waard dan edelstenen. 11 Haar man vertrouwt op haar en zal daar rijkelijk bij winnen. 12 Ze brengt hem voorspoed, geen ellende, alle dagen van haar leven. 13 Ze zoekt wol en linnen uit, en spint en weeft met vreugde. 14 Zoals een koopmansschip naar verre streken vaart, zo haalt zij van verre wat ze nodig heeft. 15 Ze staat al op als het nog donker is, geeft heel haar gezin te eten, draagt haar slavinnen taken op. 16 Als zij haar zinnen op een akker zet, koopt ze hem, van wat ze heeft verdiend, plant ze een wijngaard. 17 Zij is vol daadkracht, onvermoeibaar is ze in de weer. 18 Handeldrijven gaat haar heel goed af, ’s nachts gaat haar lamp niet uit. 19 Haar handen zijn voortdurend aan het spinrok, steeds houdt zij de spintol vast. 20 Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen, ze geeft de armen hulp.

De moeder van Koning Lemuël heeft hem nog een liedje geleerd waarmee het boek Spreuken besluit. Dat liedje heeft hij zorgvuldig opgeschreven al was het in een vorm die het onthouden gemakkelijk maakt. Elk couplet uit het liedje , wij lezen dat als elke spreuk, begint met een letter uit het Hebreeuwse Alfabet. Het is een ABC’tje dus om de teksten uit dit deel van de Bijbel te volgen. Commentatoren op de Bijbel, dat zijn bijna altijd mannen, hebben dit liedje dan ook losgekoppeld van de moeder van Koning Lemuël. Er wordt wel gezongen dat vrouwen wijze woorden spreken maar dat moet je in de Kerk dan niet direct aan vrouwen toedichten. Een verkeerde uitleg van een woord van Paulus maakt immers dat velen vinden dat de vrouw moet zwijgen in de Kerk. Paulus had het over de orakels van zijn tijd die alleen vrouwelijk waren maar ook onder de hoede van een man stonden.

Tegen betaling voorspelden zij de toekomst zoals goden die in petto zouden hebben. Die vrouwen horen niet in een kerk thuis. Maar de vrouw die doet wat God heeft opgedragen als uitvoering van zijn verbond hoort ook in de Kerk door te klinken en dat Woord te verkondigen. Bijna uitdrukkelijk staat hier de priesterlijke taak van de zorg voor de armen, een taak die wij kennen van de diaken. Het gedeelte van vandaag wordt nog wel eens gelezen op begrafenissen van ondernemende vrouwen, als lof op de verstandige huisvrouw. Maar dat is jammer, want dan is het eigenlijk te laat. Het zou beter in het begin van de puberteit gelezen kunnen worden, als een meisje tot vrouw wordt. Ze heeft dan een eigen kompas of richtlijn voor de rest van haar leven. En de gemeente hoort dat het vanzelfsprekend is dat vrouwen besturen en verkondigen.

En als ook jongens het lied leren weten ze wat ze kunnen hebben aan een partner die ze als gelijke mogen ontvangen, hoewel menige jongen geen fractie kan wat aan de verstandige en ondernemende vrouw in dit Bijbelgedeelte wordt toegedicht. Maar ja, die jongen hoeft zich dan ook alleen met recht en gerechtigheid bezig te houden. Dat is tenminste wat er in de poort gebeurd, daar horen de armen en de minsten tot hun recht te komen. Daar wordt de weduwe en de wees beschermd. Daar wordt uitgemaakt wie de weduwe in zijn huishouden moet opnemen om haar een deel van leven en van een toekomst te verzekeren. Een vrouw vinden die voor de rest zorgt is een kostbaar geluk, die vrouw is meer waard dan edelstenen. Het is een loflied op de verstandige vrouw wordt vaak gezegd. Maar eigenlijk is het een danklied aan God die man en vrouw schiep en beiden dezelfde taken en mogelijkheden gaf om een menselijke samenleving te bouwen, elke dag weer.