De HEER beschermt de vreemdelingen

Psalm 146

1 Halleluja! Loof de HEER, mijn ziel. 2 De HEER wil ik loven zolang ik leef, mijn God bezingen zolang ik besta. 3 Vertrouw niet op mensen met macht, op een sterveling, bij wie geen redding is. 4 Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde, op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder. 5 Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft, wie zijn hoop vestigt op de HEER, zijn God, 6 die hemel en aarde heeft gemaakt, de zee en alles wat daar leeft, Hij die trouw is tot in eeuwigheid, 7 recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan de hongerigen. De HEER bevrijdt de gevangenen, 8 de HEER opent de ogen van blinden, de HEER richt de gebogenen op, de HEER heeft de rechtvaardigen lief, 9 de HEER beschermt de vreemdelingen, wezen en weduwen steunt Hij, maar goddelozen richt Hij te gronde. 10 De HEER is koning tot in eeuwigheid, je God, Sion, van geslacht op geslacht. Halleluja! (NBV21)

Elk jaar aan het einde van het jaar hebben we de verkiezing van de politicus van het jaar. Daarbij wordt steeds duidelijker  hoe verdeeld het volk eigenlijk is. Ook de journalisten van de parlementaire pers zijn zeer verdeeld. Echte winnaars zijn er dan ook eigenlijk niet. Al zal meneer Wilders het hier niet mee eens zijn, hij immers werd de laatste jaren vaak tot winnaar uitgeroepen. Hij roept het hardst tegen de gevestigde macht en veel mensen die ook onvrede hebben met de gevestigde macht roepen met hem mee en vinden eigenlijk dat hij nog te zacht roept. Maar hem laten roepen tegen de machthebbers in ons land, is dat ook vertrouwen op stervelingen waar geen redding is, zoals in deze Psalm gezongen wordt? Moeten we ons niet geheel en al naar een andere kant wenden? De Psalm prijst gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft. Jakob was de man die zijn vader en zijn broer bedroog en daarom moest vluchten naar zijn oom Laban.

Door Laban werd hij op zijn beurt bedrogen maar uiteindelijk keerde hij met vier vrouwen, 12 zonen en een dochter terug, om een hele nacht met een vreemdeling te vechten die hem mank sloeg. Ondanks het verdwijnen van zijn lievelingszoon bleef Jakob echter geloven dat hij zou uitgroeien tot een groot volk, hij hield de rest van zijn zonen bijeen en schroomde niet ze te laten bedelen om voedsel in Egypte. Dat werd hun redding en uiteindelijk zouden de nakomelingen van Jakob uit Egypte vluchten als slaven de woestijn in. Naar die God moeten we ons wenden, want die God is volgens deze Psalm trouw tot in eeuwigheid, die doet recht aan verdrukten, geeft brood aan hongerigen, bevrijdt de gevangenen, opent de ogen van de blinden, richt de gebogenen op, heeft de rechtvaardigen lief, beschermt de vreemdelingen en steunt de wezen en de weduwen.

Van het rechtdoen aan de verdrukten tot de steun aan de weduwen komt ons dat toch wel heel bekend voor. Dat zijn de zaken die we zelf, die we samen moeten doen, waar we ook onze politici op moeten afrekenen. Je kunt van Wilders veel zeggen maar toch niet dat hij de vreemdelingen beschermt en die staan toch echt in het rijtje van de godsdienst. Want al die dingen doen is het beoefenen van onze godsdienst. Dienst aan mensen is immers dienst aan God. Het zijn de woorden van de God van Israël die ons in die richting voortdrijven. Dat was de ontdekking die de nakomelingen van Jakob in de woestijn deden. Niet het oprichten van beelden, niet het kiezen van idols, of van politici van het jaar, maar het houden van je naaste als van jezelf, dat brengt uiteindelijk een einde aan ellende. Daarom sluit de Psalm met het noemen van Sion, daar werd de Wet van Liefde, van eerlijk delen, bewaard. Dat is de enige machthebber die het over ons te zeggen mag hebben. En dat mogen we elke dag weer opnieuw ervaren, ook vandaag weer.

Een zwerm bijen.

Jesaja 7:18-25

18 Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19 Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20 Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes-de koning van Assyrië-bij jullie alle haren van hoofd en onderlichaam afscheren en zelfs de baard. 21 Op die dag zal men een jonge koe houden en twee schapen. 22 Doordat ze ruimschoots melk geven, zal iedereen boter eten. Voor wie in het land achterblijven is er boter en honing. 23 Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24 Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren overal de weg. 25 Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.(NBV21)

Kritiek op de machtspolitiek van grootmachten is zeer Bijbels. De profeten weten daarvoor soms prachtige poëtische beelden te gebruiken. Vandaag komen we er weer een aantal tegen. Om ze goed te begrijpen moeten we ons eerst even verdiepen in de wereldpolitiek van de dagen van Jesaja, zoals dat te vinden is in het eerste gedeelte van het boek van de profeet Jesaja. Assyrië is een wereldmacht geworden. Egypte was dat al. Daar tussenin liggen een aantal kleine landjes, Juda is er één van. We hadden al gehoord hoe Efraïm, Samaria ook genoemd, samen met Aram zich daartegen teweer probeerden te stellen. Tevergeefs. Uiteindelijk zouden die kleine landjes vermorzeld worden tussen die wereldmachten. Ook Juda. Maar de schade zal beperkt blijven. Assyrië zal het land kaalvreten, zoals een scheermes het haar van een man kan weghalen tot een gladde huid overblijft zo zal Assyrië te keer gaan. De vreemde soldaten van Egypte zullen zich als vliegen op het verwoeste land storten.

Maar het land blijft een land overvloeiende van melk en honing. Boter en honing blijven voldoende aanwezig om het geweld van de anderen te overleven. Jesaja had opgeroepen om aan het geweld van Assyrië en Egypte geen geweld toe te voegen dat zou maar onnodig extra slachtoffers maken. De handel zal door het geweld teniet worden gedaan. De wijnbouw, vanouds gericht op de export, zal stil komen te liggen. Ook de akkerbouw op de moeilijk bereikbare plekken is economisch onrendabel geworden. Maar de vreemde troepen hebben geen reden wraak te nemen op de plaatselijke bevolking. Ze hebben tegen elkaar gevochten maar ze ondervonden daarbij geen tegenstand van de plaatselijke bevolking. Die hield zich afzijdig. Dat is de manier volgens Jesaja om uiteindelijk te overleven tot er vrede is, ja zelfs de Weg om tot vrede te komen. Ook in onze dagen mogen we wel eens nauwkeuriger opletten of we die Weg wel volgen.

Als Israël tot vrede met de Palestijnen wil komen dan zullen twee staten naast elkaar in vrede moeten leren leven, dat vinden we al sinds de stichting van de staat Israël. Maar krijgen de Palestijnen nu een eerlijke kans hun eigen staat te ontwikkelen zodat vrede een vruchtbaar alternatief is voor voortgezet verzet? Steun aan de Palestijnen betekent stappen zetten op de Weg naar vrede voor Israël. Ontwikkelingssamenwerking betekent stappen zetten op de weg naar vrede in Afrika en alleen vrede kan vrouwen beschermen tegen misbruik en verkrachting, kan helpen hongersnood bestrijden, kan producenten een eerlijke plaats op de wereldmarkt geven en kan ons helpen onze broeders en zusters als broeders en zusters te verwelkomen. Machtspolitiek probeert alleen te letten op eigen belang, het reageert ook heel vaak vanuit de angst de eigen positie te verzwakken. Wij mogen luisteren naar de roep niet te vrezen, niet bang te zijn, maar de Weg te gaan van de God van Israël. Ook vandaag weer, de weg van delen van wat we hebben met de armsten en de Weg van recht en gerechtigheid.

 

Boter en honing

Jesaja 7:10-17

10 De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: 11 ‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’ 12 Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ 13 Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het u niet genoeg mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14 Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen. 15 Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16 Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zoveel angst inboezemen, geheel verlaten zijn. 17 En voor u, uw volk en uw koningshuis zal de HEER een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’ (NBV21)

Donder en bliksem stuurt zo’n God, met de pest slaat hij zijn volk. Koning Achaz kijkt wel uit een teken aan zijn God te vragen zoals de profeet hem voorstelt. Gij zult de Heer Uw God immers niet verzoeken, slijmt de koning. Een tekst die veel en veel later ook door Jezus van Nazareth gebruikt zal worden als hij verleidingen om absolute macht te grijpen van zich weert. Maar Jezus van Nazareth wil zich in blind vertrouwen overgeven aan zijn God, zonder zich moedwillig in gevaar te brengen, het goede doen en niet dan het goede staat bij hem voorop. Koning Achaz wil de mogelijkheden voor een politieke keuze, zijn macht als koning, in eigen hand houden. Daarom krijgt hij toch een teken van zijn God. Zijn favoriete haremdame, een jonge vrouw, is zwanger en zal een zoon krijgen.

De vertalers van de Bijbel laten vanouds de positie van deze jonge ongehuwde dame onvertaald, jammer want sommige mannen menen hier een roep tot maagdelijkheid in te zien en die Immanuël wordt dan Jezus van Nazareth en de jonge vrouw is dan Maria. Daar gaat dit verhaal dus niet over. Het gaat over het vertrouwen dat je in de God van Israël hebt. Daarom noemt men de zoon “God met ons”. Dat is de God die zich noemt “Ik zal er zijn” en in de praktijk een God is die er is zoals hij er zal zijn. Die God ontvouwt zich in wat er zal gebeuren. De jongen zal opgroeien in weelde, boter en honing zal hij eten. En dan, als hij het goede zal kiezen, ofwel de wetten van de God van Israël kan volgen, na een jaar of 12 dus, zal men iets zien wat al die koninkjes wilden voorkomen, de heerschappij van Assyrië. Die overgave aan de God van Israël is ook in onze dagen een probleem. Als je zijn Weg volgt lijkt het er op dat je armer wordt.

Je moet de hongerenden in de wereld helpen, meer concurrentie tolereren door eerlijke handelsverhoudingen toe te staan, niet bezuinigen op de allerarmsten in het land, de mensen in een bijstandsuitkering, de Wajongers, de werknemers in de sociale werkvoorziening. Als je zelf de macht in eigen hand wil houden en de rijken wil beschermen dan is die Weg van de God van Israël een onbegaanbare weg. Tot je inziet dat je van delen rijker wordt. Dat krampachtig je eigen belang verdedigen eerder geweld oproept dan vrede en dat geweld leidt tot verlies en verwoesting. Daarom is een kind die je noemt “God met ons” als belijdenis ook in onze dagen welkom. Dat “God met ons” staat op de rand van de Nederlandse Euro, maar het dreigt er af te vallen omdat we niet meer op die God vertrouwen. De mensen van de Weg mogen er echter elke dag weer aan werken aan zijn Koninkrijk en elke dag er weer op vertrouwen dat dat Koninkrijk onder ons zal doorbreken, ook vandaag weer.

 

Als jullie geen vertrouwen hebben

Jesaja 7:1-9

1 In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2 Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram zich in Efraïm had gelegerd, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3 Toen zei de HEER tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4 Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5 Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6 ‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het met angst vervullen en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7 maar dit zegt God, de HEER: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8-9 Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin; het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Trouwens, nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. Maar als jullie geen vertrouwen hebben, houden jullie geen stand.”’ (NBV21)

Dat is natuurlijk wel even schrikken. Staten die zich aaneensluiten. Een staat als Assyrië die de hele wereld in zijn zak lijkt te kunnen stoppen. En een Juda dat maar klein en zwak is en tussen Egypte en Assyrië op een strategisch aantrekkelijke plaats ligt. Voor kleine volken zit er niks anders op dan samen te smeden. En zo gaat Efraïm, dat is het Noordelijke Rijk Israël, en Aram met als Koning Rezin, samen in een verbond. Ze willen dat ook Juda zich daarbij aansluit want dan wordt die statengemeenschap sterker, maar Juda aarzelt en voelt niet voor een dergelijk riskant verbond. Dat verbond was ook niet erg sterk want ze zagen geen kans Jeruzalem in te nemen. Maar schrikken was het wel en je wordt er angstig van als je buurlanden zich aaneensluiten en tegen je optrekken. Dat zou ook in onze dagen niet anders zijn. Maar de profeet Jesaja krijgt de opdracht om zijn licht, Gods licht, te laten schijnen over deze politieke situatie.

Jesaja heeft al een zoon die een teken is van hoop in uiterste nood. Die Sear-Jasub heeft een naam die vertaald zou betekenen “een rest zal terugkeren” Nooit zal het volk dus geheel verloren gaan. Ook de plaats waar Jesaja koning Achaz tegemoet moet gaan is een plaats van hoop. Bij het bovenste waterbekken. Als daar nog water uitkomt dan is een belegering nog lang vol te houden. En daar klinkt dan de boodschap dat het slecht zal aflopen met Efraïm en Aram, ze spannen wel samen maar succes zullen ze uiteindelijk niet hebben. Het is een boodschap die steeds bij Jesaja zal doorklinken. Gebruik geen geweld, speel geen spelletjes met grootmachten, maar blijf jezelf en volg de weg van de God van Israël. Recht en gerechtigheid zijn vele malen belangrijker dan aanzien en macht. Recht en gerechtigheid maken je bovendien sterker en eigenlijk onverslaanbaar. Dat laatste drukt hij ook uit in de naam van zijn zoon.

Wat men ook met je zal doen, het volk keert terug en zal opnieuw de godsdienst van de God van Israël beoefenen. Het zijn criteria die ook vandaag de dag nog in politieke situaties toegepast kunnen worden. Brengen we vrede en verminderen we geweld of lokken we juist geweld uit? In de Golfoorlog was dit een lastig te beantwoorden vraag, eigenlijk helemaal niet te beantwoorden. Jesaja pleit voor terughoudendheid in het aangaan van bondgenootschappen. Zijn die mogelijke bondgenoten zelf uit op recht en gerechtigheid. Volgen zij de God van Israël, de God van delen, of volgen ze de goden van winst en profijt? De goden die niet de kant van de armen maar de kant van de rijken kiezen. Als je zelf aan de kant blijft staan van de zwaksten en mensen tot hun recht laat komen, bereid bent te delen van wat je hebt en recht en gerechtigheid laat gelden, dan blijf je tot de sterksten behoren. Wie daaraan mee wil doen is welkom. Maar zelf mogen we er elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

 

Smeer hun ogen dicht

Jesaja 6:1-13

1 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2 Boven Hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3 Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 4 Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5 Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ 6 Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiend kooltje van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7 Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Dit heeft je lippen aangeraakt; je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ 8 Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal Ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ 9 Toen zei Hij: ‘Ga naar dit volk en profeteer het volgende tegen hen: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” 10 Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren en met hun hart niet begrijpen. Ze zullen niet naar Mij terugkeren en geen herstel vinden.’ 11 Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. 12 Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. 13 En als er nog een tiende deel achterblijft, dan zal ook dat vernietigd worden, zoals er van een eik of terebint na het vellen slechts een stronk overblijft. Maar wat uit die stronk voortkomt, is heilig.’ (NBV21)

Die Koning Uzzia had wel 52 jaar geregeerd. Dat is een hele lange tijd. Zeker als het niet goed gaat in een land, tenminste goed en niet goed in de ogen van profeet. Onder deze koning immers waren de rijken, die akker na akker samenvoegden, steeds machtiger geworden. Onder deze koning was het volk op zoek gegaan naar genot om het genot zonder om anderen te denken, zonder te willen delen. Een profeet die al een hele tijd het volk oproept om zich te keren naar de leer van Mozes zoals die in de Tempel wordt bewaard, een profeet die de Tempel in Jeruzalem nog wil laten functioneren zoals die Tempel is bedoeld, een plaats om samen te komen voor maaltijden met de armen en de vreemdelingen, zal vast dromen dat nu de Koning dood is er een nieuwe tijd zal aanbreken. In een wereld vol onrecht, waar de kloof tussen arm en rijk steeds groter werd, waar rijken de dienst uitmaken en de wet kunnen verzetten in eigen voordeel, een wereld waar onrecht en corruptie heersen, is het verschil tussen de prachtige Tempel en de wereld daar buiten wel erg groot. Het zijn de engelen die op de ark zijn geplaatst die Jesaja aan het spreken brengen. In die ark liggen immers de hoofdlijnen uit de leer van Mozes opgeborgen, je zult je naaste lief hebben als jezelf.

Er zullen vast mensen geweest zijn die naar die droom van de Profeet wilden luisteren. Maar tevergeefs. De boodschap is dat nu de Koning dood is er niks zal veranderen, omdat het niet alleen om de koning gaat. Je bent misschien aangestoken door de gloed van de Tempel en haar bedoeling, je snapt best hoe de Wet van delen en rechtvaardigheid in elkaar zit. Je kan er niet genoeg over praten maar vergeefs. Het volk zal je horen maar niet volgen. Dat is het visioen dat de Profeet krijgt. Ondanks die mooie tempel met die gouden cherubijnen, met al dat Goddelijke dat zo’n verheven ruimte vult, ondanks het feit dat je zwaar onder de indruk bent van de plechtige omgeving en het plechtige van je roeping, ondanks dat alles weet je dat het volk niet zal luisteren. De dood van de Koning brengt niet het beloofde land waarin iedereen meedoet met de samenleving van je naaste liefhebben als je zelf. Jesaja krijgt de boodschap dat pas als het volk net zo gaat lijden als de armen al doen, pas als ze zelf weer slaven zijn net als de mensen die door hen worden uitgebuit, pas dan gaan de mensen het begrijpen.

En als er nog een paar mensen blijven die geen last hebben van de armoede dan nog zal het volk zich niet omkeren en een ander leven beginnen. Alles moet eerst ten onder gaan wil een nieuwe samenleving kunnen ontkiemen. Dat is pas een zwarte visie. Het volk zou inderdaad in ballingschap gaan, en terugkeren. Wij moeten hopen dat we niet hoeven te leren door terreurdaden en oorlogen dat we onze houding in de wereld moeten veranderen. Wij moeten hopen dat geweld en lijden niet nodig zullen zijn om onze politici wakker te schudden. Maar we moeten ook leren dat niet de dood van een Koning, niet de verandering van regering, niet de val van een regering en nieuwe verkiezingen, het begin zijn van een nieuwe samenleving, maar onze eigen verandering, ons eigen beginnen met liefhebben van de naaste als ons zelf. Als vluchtelingen hier niet mogen komen dan moeten we ze zelf maar gaan halen. En vervolgens dat samen doen in ons land, waardoor we de hele wereld er op kunnen aanspreken en samen doen met al die mensen op de wereld die ook op die Weg gaan. Op pad dus vandaag kan het weer, vandaag is het misschien meer nodig dan ooit..

 

Mijn smeekbede

Psalm 28

1 Van David. U, HEER, roep ik aan, mijn rots, houd u niet doof. Als U blijft zwijgen, word ik een dode met de doden in het graf. 2 Hoor mijn smeekbede als ik U om hulp roep, als ik mijn handen ophef naar het hart van uw heiligdom. 3 Ruk mij niet weg met de kwaadwilligen, met hen die onrecht doen, die hun vrienden vrede wensen, maar in hun hart zinnen op kwaad. 4 Geef hun wat ze verdienen, vergeld hun naar hun daden, naar het werk van hun handen, laat hen voor hun misdrijven boeten. 5 Voor de daden van de HEER hebben ze geen oog, noch voor het werk van zijn handen. Daarom zal Hij hen afbreken en nooit meer opbouwen. 6 De HEER zij geprezen, Hij heeft mijn smeekbede gehoord. 7 De HEER is mijn kracht en mijn schild, op Hem vertrouwde mijn hart, ik werd geholpen en mijn hart jubelde, Hem wil ik loven in mijn lied. 8 De HEER is de kracht van zijn volk, een burcht van redding voor zijn gezalfde. 9 Red het volk dat U toebehoort, zegen het, wees zijn herder en draag het voor eeuwig. (NBV21)

We zoeken de Schriftgedeelten die we dagelijks hier lezen en bespreken niet zelf uit. We volgen het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat op de site van de PKN is te downloaden en dat in heel veel kerken dagelijks gelezen wordt. Toch valt het op hoe vaak de keuze van het Bijbelgedeelte aansluit bij de actualiteit van het leven. Vandaag zingen we van Psalm 28. In deze Psalm wordt God aangeroepen als een Rots, een rots waarop je kunt bouwen. In een tijd van financiële en economische crisis, als alles om je heen onzeker is kun je zo’n rots wel gebruiken. Want wat zal de toekomst brengen? Heb je nog wel werk na de zomer? Komt er wel pensioen als je uitgewerkt bent? Is er een uitkering als je door ziekte of ongeval ongeschikt wordt om te werken? Blijf je wel verzekerd tegen alle risico’s van ziekte ook voor degenen die van jou afhankelijk zijn? Wordt het vinden van een huis straks mogelijk of nog moeilijker?

Voor heel veel mensen is het leven heel wat onzekerder geworden en dan kan je zo’n rots wel gebruiken. Maar we moeten oppassen van het geloof in de God van Israël geen vluchtweg voor ellende te maken. Als je in die God geloofd ben je niet verzekerd tegen ellende. Het overkomt je even goed. Alleen die ellende is wat beter te dragen. Christenen wijzen graag op het kruis en het lijden van Jezus van Nazareth. Dat is bijna altijd erger dan wat ons kan overkomen. Maar daar had de dichter van deze Psalm geen weet van. Hij is bang weggerukt te worden met de kwaadwilligen, met hen die onrecht doen, die hun vrienden vrede wensen, maar in hun hart zinnen op kwaad. Je moet het dus zoeken bij het tegendeel van het kwaad, het tegendeel van onrecht. De liefde voor de naaste kan je door het diepste dal heen helpen. Niet eens zozeer de liefde die mensen voor jou hebben als je het moeilijk hebt. Dat kan een hele steun zijn, maar soms ook een last.

Mensen zijn soms oppervlakkig, denken dat een enkel woord al genoeg is om het lijden weg te nemen. Ze glimlachen je alvast toe maar jouw pijn blijft, ja het lijkt er soms op dat ze je verbieden je pijn te tonen. Die liefde kan helpen maar daar moet je niet te vast op rekenen. Wat echt helpt is zelf je naaste lief te hebben als jezelf. Dat begint met het liefhebben van jezelf. Ook al wordt je werkloos, ook al verlies je bezit en aanzien, je blijft evenveel waard als je waard was. Wie afhankelijk wordt van ambtelijke instanties loopt de kans diep vernederd te worden. Je laten vernederen door ambtelijke instanties is nog erger, dan doe je het jezelf ook nog een keer aan. Er tegen opstaan kan jou helpen maar ook anderen, niemand is immers door eigen schuld werkloos. En ook als je nog werk hebt dan kun je je bewust worden van het feit dat je zusters en broeders gemakkelijk vernederd worden en onrecht wordt aangedaan. Kleine foutjes hebben voor armen vaak grote gevolgen. Doe mensen recht en heb ze lief. Dat is de rots waarop een samenleving gebouwd kan worden, dat is het gebod van onze God, ook vandaag, ook in deze dagen.

 

Hun oren zijn doof

Handelingen 28:23-31

23 Ze maakten een afspraak en kwamen op de vastgestelde dag in groten getale naar hem toe. Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen. 24 Sommigen lieten zich overtuigen door zijn woorden, maar anderen niet. 25 Ze werden het niet met elkaar eens en gingen uiteen, maar niet voordat Paulus nog een laatste woord had gesproken: ‘Volkomen terecht heeft de heilige Geest bij monde van de profeet Jesaja tegen uw voorouders gezegd: 26 “Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 27 Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen.’” 28 U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de andere volken bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’ 29 30 Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam. 31 Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd. (NBV21)

Het gaat in Rome al net zo als in Jeruzalem. Paulus had een afspraak gemaakt met de Joden die in Rome wonen om hen te vertellen over die nieuwe beweging van de Weg. En de beweging had al zoveel tongen los gemaakt dat veel mensen nieuwsgierig waren naar wat dat nu weer was. Een hele dag is Paulus aan de gang geweest. De hele Hebreeuwse Bijbel werd doorgeploegd om te laten zien hoe er nu precies over die Messias gesproken werd, hoe het zit met lijden, dood en opstanding en hoe het verhaal van Israël en de God van Israël bestemd is voor alle volken. Aan het eind van de dag blijkt dan dat een aantal zich laat overtuigen en zich aansluit bij Paulus en anderen er nog steeds niks van willen geloven. Later is dit verhaal wel eens zo uitgelegd dat alle Joden de boodschap van Paulus zouden hebben afgewezen. Niets is minder waar volgens de Handelingen. Zelfs het feit dat er Joden zullen zijn die niks van Jezus van Nazareth willen weten staat al in de boeken van de profeten volgens Paulus. Daarmee kunnen zij, maar ook wij, het doen.

De boodschap van het Evangelie is op deze manier in het hart van het Romeinse Rijk aangekomen. Paulus heeft alle vrijheid om het woord te verkondigen. En hij heeft een hoop hulp want reken maar dat de Joden die hij heeft weten te overtuigen hem hebben weten te helpen. Zij immers waren ook geschoold in de Hebreeuwse Bijbel en konden alle bezoekers helpen hun weg te vinden in de nieuwe uitleg van de oude geschriften maar ook in de oude geschriften als die nog nieuw voor hen waren. Paulus is dus de eerste apostel van wie wordt verteld dat hij het Evangelie verkondigde in Rome. Van de anderen wordt dat in de Bijbel niet verteld. En meer dan dat Paulus er twee jaar bleef wordt er ook niet verteld. Alleen dat er hem niets in de weg wordt gelegd wordt er verteld. Ook de Joden die het niet met hem eens waren geworden respecteerden kennelijk zijn afwijkende visie. Dat er anderen waren die hij had weten te overtuigen heeft ook geen kwaad bloed gezet. Dat was anders in die twee jaren wel duidelijk geworden. Hoe liep het nu met Paulus af? We weten het niet. Later zijn er legenden en mythen gegroeid. De vraag hoe het met mensen afloopt houdt ons altijd bezig.

Wij zijn gewend aan verhalen met een begin en een eind, aan geschiedenissen. Maar de Bijbel vertelt geen geschiedenissen, die vertelt over een verhouding, de verhouding tussen God en de mensen en voor dat verhaal is het voldoende dat we weten dat de komst van Paulus betekende dat de Joden in twee wegen uiteen gingen, twee wegen die in vrede naast elkaar konden bestaan. Later ging de Weg van Jezus van Nazareth als Christendom zich nog wel eens beter voelen dan het Jodendom dat Jodendom was gebleven. Ook daar was geen aanleiding voor. Beiden hebben een zelfstandig bestaansrecht en de Heidenen kunnen de Joden alleen maar dankbaar zijn voor de Weg van Jezus van Nazareth, een Weg die hen tot de God van Israël bracht. . Wat belangrijk is is te weten dat met Paulus het Evangelie naar het hart van de wereld kwam en dat alle volken van de wereld mogen delen in de boodschap van heb uw naaste lief als uzelf. Tot op de dag van vandaag mogen we daar aan werken, ook vandaag weer.

 

Omwille van de hoop

Handelingen 28:11-22

11 Na drie maanden vertrokken we met een schip dat op het eiland had overwinterd. Het was een schip uit Alexandrië met de Dioscuren als boegbeeld. 12 We deden de haven van Syracuse aan, waar we drie dagen bleven liggen. 13 Daarna lichtten we de ankers weer en kwamen we aan in Regium. De volgende dag stak er een zuidenwind op, zodat we binnen twee dagen Puteoli bereikten. 14 Daar troffen we leerlingen aan, die ons uitnodigden om een week bij hen te blijven. Vervolgens gingen we op weg naar Rome. 15 De leerlingen, die van onze komst hadden gehoord, kwamen ons vanuit Rome tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae, en toen Paulus hen zag dankte hij God en vatte moed. 16 Bij onze aankomst in Rome kreeg Paulus toestemming om een eigen woning te betrekken, met een soldaat als bewaker. 17 Na drie dagen riep hij de Joodse leiders bij zich. Toen ze bijeengekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Broeders, ofschoon ik ons volk niets heb misdaan en de gebruiken van onze voorouders niet heb geschonden, ben ik door de Joden in Jeruzalem gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen, 18 die me na verhoor wilden vrijlaten omdat er geen enkele grond was om mij ter dood te veroordelen. 19 De Joden tekenden daar echter bezwaar tegen aan, zodat ik me gedwongen zag me op de keizer te beroepen,  overigens zonder mijn volk van iets te willen beschuldigen. 20 Dat is de reden waarom ik u verzocht heb hier met mij te komen spreken, want het is juist omwille van de hoop die Israël koestert dat ik deze boeien draag.’ 21 Ze zeiden tegen hem: ‘We hebben uit Judea geen brief over u ontvangen, en ook heeft niemand van onze broeders ons bezocht om iets slechts over u te berichten of kwaad van u te spreken. 22 Wel zouden we graag van u horen wat uw denkbeelden zijn, want het is ons bekend dat de groep waartoe u behoort overal op verzet stuit.’ (NBV21)

Van Caecarea naar Rome is tegenwoordig een kleine afstand. Die zou je met een beetje goede wil en een vliegverbinding toch in een dag moeten kunnen overbruggen. Wij kunnen ons niet voorstellen hoe dat in de dagen zonder motoren voor schepen, zonder vliegtuigen, zonder auto’s en andere gemotoriseerde vervoermiddelen is gegaan. Toen was de wereld nog groot. Mensen dachten over het Romeinse Rijk als over de hele bewoonde wereld. Paulus bleef drie maanden in Malta overwinteren. Maar een paar dagen hier en een week bij vriendelijke leerlingen van Jezus van Nazareth, het deed er allemaal niet toe. Ook de centurion en zijn soldaten, die toch gevangenbewaarders waren, gingen alle keren met Paulus mee en samen met zijn reisgezelschap moet het een hele optocht zijn geweest. Geen wonder dat, toen hij in Rome arriveerde, een menigte hem tegemoet kwam en Paulus eerst God dankte dat hij zijn reisdoel had bereikt.

Soms moet je een beetje verder studeren om te snappen wat er eigenlijk verteld wordt. Want Paulus reisde niet zomaar op een schip naar Rome. Van de schepen waarmee hij tot nu toe reisde wordt weinig verteld. Alleen hoeveel mensen er wel niet mee reisden. Maar van dit schip wordt nog een andere bijzonderheid verteld. En dat soort details staan er niet voor niks. Het schip draagt het beeld van de dioscuren. Alleen gymnasiasten weten nog wat dat betekent. En misschien marinemensen want ooit hadden we marineschepen die genoemd waren naar de dioscuren, de Castor en de Pollux. In de godsdienst van de Romeinen waren dat de zonen van oppergod Zeus. Ze beschermden de zeevarenden tegen rampen en werden vooral in Egypte vereerd. Die rampen hadden Paulus en zijn reisgezelschap in ruime mate gehad. Die Romeinse godjes hadden daar toch maar weinig tegen beschermd. Paulus zelf had moeten ingrijpen en vertrouwend op zijn God van Israël had hij de juiste Weg gevonden om iedereen behouden aan land te laten komen. Lucas houdt wel van dit soort subtiele grapjes, achteraf kun je alles aan een godje toeschrijven maar helpt het ook echt?

Paulus wordt behandeld als een gijzelaar, zoals de Joden in de ballingschap waren behandeld. Ze mogen wel zelfstandig wonen maar staan onder toezicht van de Keizer. Zo krijgt Paulus in Rome ook een eigen huis. Hij begint met de Joden uit te nodigen en zich opnieuw te verdedigen voor zijn geloof. Dat blijkt niet helemaal echt nodig te zijn. De beschuldigingen uit Jeruzalem zijn niet in Rome doorgedrongen. Wel de weerstand die Paulus in de Synagogen heeft ontmoet op zijn reizen door Turkije. En het loopt dus uit op de mogelijkheid voor Paulus om in Rome het Evangelie, de boodschap, van Jezus van Nazareth, te verkondigen en daar was het om begonnen. Om dat verkondigen van het Evangelie mag het ons ook begonnen zijn, ondanks het cynisme en de onverschilligheid in onze samenleving. Als woorden niet helpen dan moeten daden dat maar doen, de daden van liefde voor onze naaste, de hand die we uitsteken naar de minste, de maaltijd die we houden met de vreemdelingen onder ons. Gewortelde kinderen herbergen in een Kerk. Zo mogen wij elke dag opnieuw dat Evangelie verkondigen, ook vandaag weer.

 

Veilig en wel aan land

Handelingen 28:1-10

1 Pas toen we veilig en wel aan land waren gekomen, hoorden we dat het eiland Malta heette. 2 De plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk: ze verwelkomden ons en staken een vuur aan omdat het was gaan regenen en koud was. 3 Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur, maar door de hitte kwam er een gifslang uit kruipen, die zich in zijn hand vastbeet. 4 Toen de Maltezers het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Die man is vast een moordenaar. Hij is aan de zee ontsnapt, maar Dikè wil niet dat hij blijft leven.’ 5 Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd. 6 De Maltezers verwachtten dat zijn hand zou opzwellen of dat hij plotseling dood zou neervallen. Maar toen ze na geruime tijd zagen dat hem nog steeds niets mankeerde, veranderden ze van mening en zeiden dat hij een god was. 7 Niet ver daarvandaan lag een landgoed, dat het eigendom was van de gouverneur van het eiland, een zekere Publius. Hij liet ons bij zich komen en onthaalde ons drie dagen lang bijzonder gastvrij. 8 Het geval wilde dat de vader van Publius ernstig ziek op bed lag, gekweld door koorts en buikloop. Paulus ging naar hem toe, legde hem onder gebed de handen op en genas hem. 9 Daarna kwamen ook de andere zieken op het eiland naar hem toe en kregen hun gezondheid terug. 10 Ze overlaadden ons met eerbewijzen en voorzagen ons bij ons vertrek van alles wat we nodig hadden. (NBV21)

Dat proces van Paulus deed al een beetje aan het proces van Jezus van Nazareth denken. De redding van de storm op zee deed bijna aan het verhaal van de profeet Jona denken en nu lijkt Paulus op Mozes die zorgde dat het volk gered werd van de plaag van gifslangen. Paulus werd zelf eerst gered van het gif van de slang. Niet duidelijk wordt in het verhaal of het echt een gifslang was en niet een of andere niet giftige slang, of dat Paulus bij het afschudden van de slang in het vuur ook gelijk maar het gif uitbrandde uit de wond, een probaat middel om slangenbeten te overleven. Paulus wordt uiteindelijk als een God gezien. En daar moeten we dus voor uitkijken. Alles wat we niet kunnen verklaren maken we uit voor Goddelijk, of voor God zelf. In dit verhaal doet Paulus nergens een beroep op geloof, van niemand niet. Hij zorgt voor mensen en dat is het.

Paulus en zijn gezelschap zijn geland op Malta, een eiland onder Romeins bestuur. Maar daar wonen alleen maar vreemdelingen, in het Grieks, barbaren genoemd, mensen die je niet kunt verstaan. Het zijn wel de mensen die van nature handelen zoals Jezus van Nazareth gehandeld zou hebben. Ze verzorgen de schipbreukelingen, steken een vuur aan voor mensen die veertien dagen in de storm op zee rondgeslingerd zijn en zich hebben moeten redden door te zwemmen of door op planken daar het strand te peddelen. De meesten zullen verzwakt en uitgeput zijn, ze hadden in die veertien dagen per slot maar een maaltijd gehad. De Romeinse bestuurder van het eiland, de Publius, wat eerste betekent, neemt de schipbreukelingen op. In dit gedeelte blijven een paar zaken onduidelijk. Heet de man nu Publius of is hij de Publius?

Het maakt in ons verhaal niet uit, het is als de bakker die Bakker heet. Hetzelfde geldt voor de vraag wie hij nu als gast ontvangt, alle schipbreukelingen of alleen de Romeinse soldaten met hun officieren en gevangenen. Ook dat maakt niet uit, zijn bereidheid tot delen geeft Paulus de gelegenheid hem te genezen, niet door tovertrucs, niet door rare rituelen of medicijnen, ook niet door gebedsgenezing want die wordt hier zeker niet genoemd, maar door het eenvoudig opleggen van de handen.Bijna zoals een moeder een koele hand op het koortsige voorhoofd van een kind legt en daarmee de genezing inzet. Op die manier kunnen veel zieken op het eiland worden genezen. Malta zou veel later de oorsprong worden van de Maltezer ridders die in heel Europa zich met verzorging en verpleging van zieken zouden bezig houden. Zij zijn ons voorbeeld voor zorg, zorg die we elke dag mogen hebben voor de zwaksten onder ons, ook vandaag weer.

 

Naar recht en wet

Psalm 72

1 Van Salomo. Geef, o God, uw wetten aan de koning, uw gerechtigheid aan de koningszoon. 2 Moge hij uw volk rechtvaardig besturen, uw arme volk naar recht en wet. 3 Mogen de bergen vrede brengen aan het volk en de heuvels gerechtigheid. 4 Moge hij recht doen aan de zwakken, redding bieden aan de armen, maar de onderdrukker neerslaan. 5 Moge hij leven zolang de zon bestaat, zolang de maan zal schijnen, van geslacht op geslacht. 6 Moge hij zijn als regen die valt op kale akkers, als buien die de aarde doordrenken. 7 Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien, de vrede wereldwijd zijn tot de maan niet meer bestaat. 8 Moge hij heersen van zee tot zee, van de Grote Rivier tot aan de einden der aarde. 9 Laten de woestijnbewoners voor hem buigen, zijn vijanden het stof van zijn voeten likken. 10 De koningen van Tarsis en de kustlanden, laten zij hem geschenken brengen. De koningen van Seba en Saba, laten ook zij hem schatting afdragen. 11 Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, alle volken hem dienstbaar zijn. 12 Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. 13 Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. 14 Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen. 15 Leve de koning! Men zal hem goud van Seba schenken, zonder ophouden voor hem bidden, hem zegen toewensen, dag aan dag. 16 Er zal overvloed van koren zijn in het
land, zelfs op de toppen van de bergen. Rijpe aren zullen golven als de bossen van de Libanon. Vanuit zijn stad zal voorspoed ontluiken als jong groen op de aarde. 17 Zijn naam zal eeuwig bestaan, zijn naam zal voortleven zolang de zon zal schijnen. Dankzij hem zal men zich gezegend noemen, en alle volken prijzen hem gelukkig. 8 Geprezen zij God, de HEER, de God van Israël. Hij doet wonderen, Hij alleen. 19 Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig. Moge zijn luister heel de aarde vervullen. Amen, amen. 20 Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï. (NBV21)

We zingen vandaag een Koningspsalm met de kerk mee, met als boodschap dat die Koning voor kleine mensen bereikbaar is. Het gaat het vandaag over wijsheid. Daarom wordt deze Psalm aan Salomo toegeschreven. En wijsheid is het gerechtigheid te krijgen van de Koning, van je regering dus. Vooral voor het arme volk moeten recht en wet worden toegepast. In onze dagen mag je voor Koning Regering lezen. Hoe bang de rijken ook zijn voor aanslagen en terreur het gaat niet aan, ook straks bij een nieuwe regering niet, om zonder stevige verdenkingen bij arme mensen binnen te vallen en daar de boel te vernielen. Juist de mensen die hoog geplaatst zijn, de bergen, zouden er extra op gebrand moeten zijn om vrede te brengen. En haat, angst en geweld brengen alleen oorlog en onvrede. Het antwoord op de aanslagen in Israël is dus niet meer geweld, roepen dat het oorlog is, het antwoord op geweld is vrede stichten, dat is veel moeilijker.

Een goede regering biedt redding aan de armen volgens deze Psalm en daar mogen we een regering die 1 miljard heeft bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking aan afmeten. Een regering die recht en vrede brengt slaat de onderdrukkers van de armen neer, zorgt voor goede regels in arbeidsverhoudingen en bescherming tegen gevaren. Dan alleen mag een regering lang blijven leven, desnoods zolang de zon bestaat en de maan zal schijnen. Wij hebben regeringen die we op tijd moeten zien te vervangen. Maar een werkelijk rechtvaardige regering, die weet van delen tussen armen en rijken, geeft vruchtbaarheid, zoals regen die valt op kale akkers. Het is een streven dat we uitstrekken tot de hele bewoonde wereld. In deze Psalm wonen de bewoners van de woestijn in het oosten, Tarsis en de kustlanden zijn het westen, de koningen van Seba en Saba vormen het zuiden en in het noorden wonen de vijanden. Voor Israël waren dat Aram, Assyrië en Babel.

En echte vrede krijg je pas als je iedereen daarin mee krijgt. Als alle volken recht en gerechtigheid nastreven en weet hebben van delen met de zwaksten in de wereld. Een wereldregering die daar naar streeft zal vruchtbaarheid brengen voor iedereen in de wereld. Dan zal er eten genoeg zijn voor alle mensen. Dan is de armoede de wereld uit en blijft het niet bij afspraken tussen de volken waarop door rijke volken als de onze bezuinigd kan worden als het de rijken beter uitkomt. Van een regering die eerst oog heeft voor de armsten en de zwaksten gaat goedheid uit, gaat zegen uit zegt de Bijbel dan, die is gezegend. En vergeet niet: het is de God van Israël die ons die droom schenkt, die ons inspireert om in zijn geest aan die droom te werken, die ons de kans geeft ook in het nieuwe jaar elke dag daarmee opnieuw te beginnen. Die ons die kans dus ook vandaag weer schenkt.