Schande en smaad.

Jesaja 30:1-8

1 Wee jullie, opstandige kinderen-spreekt de HEER -, die plannen uitvoeren buiten Mij om, verdragen sluiten tegen mijn zin en zo zonde op zonde stapelen; 2 die zonder Mij te raadplegen op weg gaan naar Egypte, om te schuilen in de vesting van de farao en bescherming te zoeken in de schaduw van Egypte. 3 De vesting van de farao zal jullie schande brengen, de bescherming van Egyptes schaduw smaad. 4 Al komen zijn leiders naar Soan, al bereiken zijn gezanten Chanes, 5 toch zullen allen beschaamd staan, want dat volk heeft niets te bieden. Het brengt geen hulp of voordeel, maar slechts schande en smaad. 6 Profetie over de dieren van het Zuiden. Door een land van ellende en ontbering -het domein van leeuwin en leeuw, van adder en vliegende gifslang- vervoeren zij hun schatten op ezelsruggen, hun rijkdommen op kamelenbulten, naar een volk dat niets te bieden heeft. 7 De hulp van Egypte is loos en leeg; dus noem Ik het Rahab, Tandeloos monster. 8 Neem een stenen plaat en schrijf dit op, leg het voor hen vast in een boek, zodat het voor altijd en eeuwig bewaard blijft.(NBV21)

Profeten hebben het nergens op met de bondgenootschappen die de Koningen van Israël en Juda sluiten met andere volken. Dat komt omdat ze vinden dat het volk Israël allereerst haar steun moet zoeken bij de God van Israël. Ze dromen van een volk dat weigert iemand ter dood te brengen omdat het verbond met hun God zegt “Gij zult niet doden”. Ze dromen van een volk waarin iedereen voor iedereen zorgt. Waar de bedreiging van een enkeling een bedreiging voor allen is, maar waar verlies van goederen, land en inkomen direct door gezamenlijke inspanning wordt goedgemaakt. Zo’n volk, een volk dus dat de weg van de God van Israël volgt is volgens de profeten onoverwinnelijk. Zeker in het boek van de Profeet Jesaja vindt je voortdurend de waarschuwingen tegen al die bondgenootschappen. En een bondgenootschap met Egypte, het land van de dood en de doodscultus is al helemaal het einde, dat betekent dat het volk haar slavernij en de bevrijding daarvan helemaal vergeten is.

We lezen om te beginnen een uitspraak over de dieren van het Zuiden. Dat zegt ons niet zoveel, maar als we naar de kaart van Israël kijken dan ligt het voor de hand te denken dat het zal gaan over de woestijn en vooral over de roofdieren die zich in de wildernis schuilhouden. Nu is het Hebreeuws een aardige taal, de schrijftaal kent geen klinkers. En als je in een woord de klinkers vervangt door andere klinkers dan betekent het woord ineens iets anders. Het gaat het om Juda dat een verbond gaat sluiten met Egypte. Gezanten zijn naar Soan en Chanes gereisd om daar te onderhandelen over de verdragsbepalingen. De namen van die steden zeggen ons niks maar geleerden hebben uitgemaakt dat het Hebreeuwse verbasteringen zijn van Egyptische namen voor hun steden, zoals wij Parijs zeggen tegen het Franse Paris, en Berlijn tegen het Duitse Berlin. Het gaat dan om de hoofdstad van Egypte Dat beide steden werden bezocht geeft aan dat het sluiten van het verdrag met Egypte ook een religieuze kant had. Geen vreemde zaak, als buitenlanders steun bij jou kwamen zoeken dan zochten dus ook steun bij de God die aan jouw kant stond. Die God werd door een verdrag alleen maar groter en sterker.

Juda kon het dus niet af met de God van Israël, de God die het volk had bevrijd uit de slavernij in Egypte. Het steun zoeken bij vreemde goden zou ze wel eens duur kunnen komen te staan. Volgens de profeet zou slechts schande, spot en hoon hun deel zijn. Ook in onze dagen willen mensen nog wel eens bondgenootschappen met vreemde volken langs de maat van de Bijbel leggen. Staat het “Gij zult niet doden” voorop? Met andere woorden ,worden we verleid tot een vechtmissie of een hulpmissie? Laten we de armsten in een conflict tot hun recht komen? Is er sprake van humanitaire hulp? Is er sprake van bevrijding van onderdrukten of vervangen we de ene onderdrukker door de andere? Als je “Gij zult niet doden” voorop zet betekent niet dat je afziet van het gebruik van wapens en volstrekt je geweldloos gedraagt. Wie de verhalen van de profeten leest hoort daar wel anders vertellen. En de profeten gaven die boodschap aan het “uitverkoren volk”. Maar het betekent dat ook wij geweld willen overwinnen door het goede te doen en niet dan het goede. Dat kunnen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Gelijkenissen

Marcus 4:24-34

24 Hij zei ook tegen hen: ‘Let goed op wat je hoort: met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden, en er zal je zelfs meer worden toebedeeld. 25 Want wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen.’ 26 En Hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: 27 hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. 28 De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. 29 Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’ 30 En Hij zei: ‘Waarmee kunnen we het koninkrijk van God vergelijken en door welke gelijkenis kunnen we het voorstellen? 31 Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het gezaaid wordt. 32 Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.’ 33 Met zulke en andere gelijkenissen verkondigde Hij hun Gods boodschap, voor zover ze die konden begrijpen; 34 Hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer Hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde Hij hun alles. (NBV21)

Wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen. Soms lijkt er in de Bijbel toch iets anders te staan dan je altijd al gedacht had. Is het dan bijbels dat de rijken rijker worden en de armen armer? Je zou het bijna denken. Maar deze uitspraken gaan over een serie vergelijkingen met het Koninkrijk van God. Wat is dat Koninkrijk nou eigenlijk? Het is in elk geval niet zo als we normaal gewend zijn. Met een regering, met belangrijke figuren, met opinieleiders en zo. Ook de achterkamertjes en de compromissen ontbreken. Alles wat verborgen is moet immers openbaar worden, en alles wat in het geheim is ontstaan moet aan het licht komen. Dat Koninkrijk van God steekt overal bovenuit, daar is niks geheimzinnigs aan, integendeel iedereen mag meedoen, iedereen heeft er deel aan. Wie oren heeft om te horen moet goed luisteren. Dit is wat er over verteld wordt. En dan komt het stuk over de maat waarmee je meet. Die maat kennen we bijna niet meer, ja in museumwinkels kom je ze nog wel tegen. Er staan dan van die grote bakken vol met suiker, koffiebonen, gort of andere granen, soms havermout ook. Bij die bakken ligt een grote schep en op de toonbank staat een weegschaal. Als het om de melk gaat staat er een kan naast met streepjes. Die weegschaal en die kan zijn de maten waarmee de koopwaar wordt afgemeten.

In het Bijbelboek Leviticus staat dat je een zuivere maat moet hebben omdat je anders de armen besteelt. Wij kennen vanouds het IJkwezen dat de meetlatten, de maatbekers en de weegschalen controleert. Zelfs de benzinepompen langs de weg ontkomen niet aan een regelmatige controle. En als we dat tot ons door laten dringen snappen we ineens wat er met die rare uitspraken bedoeld wordt. In een winkel met een betrouwbare weegschaal en een zuivere maat ga je graag kopen. Die gaat dus meer verdienen. Een winkel die de klanten besteelt met een onzuivere maat zal ook bestolen worden, daartegen komen klanten in opstand die hun geld terug willen hebben en daar blijven de mensen uiteindelijk weg, die winkel gaat ten onder. Eerlijkheid, rechtvaardigheid en zorg voor de ander leveren je economisch dus een directe winst op, voor de winkelier en voor de klant. De gelijkenissen die Jezus van Nazareth uitgesproken heeft zijn beroemd geworden. Onder bijbeluitleggers soms ook wel een beetje berucht. Want wat moet je nou met een gelijkenis als die van het mosterdzaadje. Zo klein is dat zaadje helemaal niet. En van een boom kun je al helemaal niet spreken als je over de mosterdstruik spreekt. De heggemus zou er in kunnen nestelen maar dat er vogels onder het bladerdak kunnen schuilen zou eerder van onkunde dan van een prachtig beeld getuigen.

Maar de bijbelstudie bewandelt soms vreemde wegen. Een tijd geleden vonden ze in Israël het zaad van een dadelpalm. Genetisch niet echt te onderscheiden van de dadelpalmen die we tegenwoordig kennen. Wonder boven wonder bleek het zaad na eeuwen ook nog kiemkracht te bezitten. Het zaad werd gezaaid en opgekweekt en wat bleek, in Bijbelse tijden zag de dadelpalm er toch wat anders uit als tegenwoordig, je zou zonder genetisch onderzoek niet denken dat het dezelfde planten zijn. Waarom zou het niet zo gegaan zijn met de mosterdplant? We kennen twee mosterdsoorten, de gele die hier veel voorkomt, waardoor we denken dat de gelijkenis niet klopt, en de bruine. Het zaad van de bruine mosterd is de helft van het zaad van de gele mosterd, wel klein dus. Van die bruine mosterd zijn hele hoge struiken, tot drie meter hoog bekend,. En dan klopt die gelijkenis dus wel. Of de biologie van de verhalen nu precies wel of niet klopt is niet zo belangrijk, het gaat in de Bijbel om de boodschap. Een klein zaadje heeft een enorme potentie. In Nederland zou je misschien beter kunnen denken aan de beuk. Wie een oude beuk met haar geweldige omtrek en een hoogte van misschien wel 25 meter heeft gezien kan zich nauwelijks voorstellen dat dat ooit is begonnen met een simpel beukennootje, zo’n pitje waar je een handvol makkelijk kan meenemen. Wij hebben dus de kracht van een beukennootje ter beschikking.. Je naaste liefhebben als je zelf kan dus geweldige gevolgen hebben en elke keer dat je iemand je onbaatzuchtige liefde toont zaai je weer zo’n zaadje. Geweldig toch dat je een heel beukenbos vol liefde vandaag kunt planten.

 

Goed luisteren!

Marcus 4:13-23

13 Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen? 14 De zaaier zaait het woord.15 Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. 16 Anderen zijn als het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid: wanneer zij het woord gehoord hebben, nemen ze het meteen met vreugde aan. 17 Maar doordat het geen wortel schiet in hen, is dat van korte duur. Worden ze vanwege het woord verdrukt of vervolgd, dan komen ze meteen ten val.18 Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het woord wel gehoord, 19 maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft. 20 Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertig-, anderen zestig- en weer anderen honderdvoudig.’ 21 En Hij zei: ‘Je pakt toch geen lamp om hem onder een korenmaat te zetten of onder een bed weg te bergen? Nee, je zet hem op een standaard. 22 Alles wat verborgen is, moet openbaar worden gemaakt, en alles wat geheim is, moet aan het licht komen. 23 Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ (NBV21)

De gelijkenissen van Jezus van Nazareth zijn naast zijn wonderen wel het meest bekend, ook onder mensen die verder niet zoveel weten van het zogenaamde Christelijk geloof en de Evangeliën waarin ze opgeschreven staan. Gelijkenissen zijn verhalen uit het leven van alledag die dat leven zin geven en af en toe boven zich uit tillen. Wie zo af en toe de tuinprogramma’s op de televisie ziet begrijpt wellicht de gelijkenis van de zaaier. Als je een mooie tuin wil dat moet je zorgen dat je vruchtbare grond hebt. Planten neerzetten op een stuk asfalt werkt niet, net als planten op droog zand of op granieten rotsen. In het gedeelte dat we vandaag lezen staat de uitleg van de gelijkenis er bij. Het gaat om het zaaien van het Woord. Nu weten we best dat ook Jezus van Nazareth nog zoiets gezegd heeft als “heb uw naaste lief als uzelf” Maar is dat wat bedoeld wordt met dit woord?

Het lijkt er wel op. Nu komt dat Woord over het liefhebben van je naaste uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, de Tora heten die boeken samen. Toen de Romeinen die boeken gingen lezen dachten ze dat de inhoud van die boeken wel erg veel leken op de Romeinse Wetten. Er staan straffen in als je niet doet wat er staat, er worden strafprocessen beschreven en vrijplaatsen benoemd. Er staat in waar rechters vandaan komen en noem maar op. Geen wonder dat de Romeinen over die boeken gingen spreken als over de Wetten van Mozes. Die zou die Wetten van de God van Israël hebben gekregen. Maar de schrijvers van de Hebreeuwse Bijbel zelf schreven niet over de Wetten van Mozes maar om het onderricht van Mozes, of de leer van Mozes. Die zou hij inderdaad van God hebben gekregen. Dat is dus een heel andere benadering. Het volk Israël kreeg dat onderricht toen ze in de woestijn waren. Daar waren ze op weg naar een nieuw land. En waar kregen ze onderricht in? In het inrichten van de nieuwe samenleving als een bij uitstek menselijke samenleving, niet langer zou macht de dienst uitmaken maar Liefde.

In de dagen van Jezus van Nazareth is duidelijk geworden dat die inrichting toch niet helemaal gegaan is zoals het in de leer van Mozes beschreven staat. Er zijn armen en rijken en de rijken buiten de armen uit. Dat is vandaag de dag nog net zo. Jezus van Nazareth geeft daarvoor een verklaring. Als je dat onderwijs geeft zijn er altijd leerlingen die niet opletten. Er zijn er die de leer vertrappen, als je kans ziet dan is zelf rijker worden toch altijd leuker dan te moeten delen met een ander, vluchtelingen moet je niet helpen maar terugsturen. Er zijn ook mensen die het horen maar het niet tot zich laten doordringen, het klinkt mooi maar het heeft geen gevolg. Anderen nemen het in zich op om zich vervolgens met andere dingen bezig te gaan houden, voetballen kan ook leuk zijn, en uit gaan en er mooi uitzien en naar concerten gaan. Dat kost allemaal geld en dat kan je moeilijk delen met de armen. Er zijn maar weinig mensen die hun leven echt in dienst stellen van de armen, de vertrapten, de verdrukten, de mensen zonder recht en gerechtigheid. En die mensen zwijgen er meestal over. Die anderen maken zoveel lawaai dat er in stilte gewerkt wordt aan een menselijke samenleving. Jezus van Nazareth roept op om het niet stilletjes, niet geheim te houden maar je licht er over laten gaan, daar licht de waarheid, de zin van het leven, de toekomst met vrede, waar alle tranen gedroogd zullen zijn.

 

Opdat ze scherp zien,

Marcus 4:1-12

1 Weer ging Hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om Hem heen staan. Daarom ging Hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2 Hij onderwees hen en sprak hen toe in allerlei gelijkenissen. Hij zei: 3 ‘Luister. Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het, en doordat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vruchten voort. 8 Maar er was ook zaad dat in goede grond viel en wel vruchten voortbracht: het schoot op en groeide en droeg vrucht, dertig-, zestig- en honderdvoudig.’ 9 En Hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ 10 Toen Hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de twaalf leerlingen, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen. 11 Hij zei tegen hen: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, 12 “opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze tot inkeer komen en vergeving krijgen.”’ (NBV21)

We lezen vandaag de gelijkenis van Jezus over zaadjes die in de akker vallen en vrucht dragen. Het meest vruchtbaar zijn natuurlijk de vrouwen onder ons. In de Bijbel vindt je veel verhalen over bevrijding die beginnen met verhalen over de vrouwen die daarin een rol spelen. Mozes zou het volk Israël uit de slavernij in Egypte leiden en aan het begin van het verhaal over Mozes gaat het over zijn moeder, zijn zuster en een Egyptische prinses. De zuster van Mozes speelde ook later nog een belangrijke rol. Het verhaal van vandaag is eigenlijk een verhaal over hoop en wanhoop. We hopen natuurlijk allemaal dat ons streven in het leven ook wat opbrengt. Veel mensen zeggen dan dat ze de wereld voor hun kinderen een beetje beter willen achterlaten als ze de wereld hebben aangetroffen.

In het voorjaar is er in een aantal kerken ook nog de biddag voor gewas en arbeid. Voor veel agrariërs breekt de tijd van zaaien en planten aan en de hoop op een goede oogst. Nu de meeste agrariërs verdwenen zijn heeft de kerk daar ook de arbeid bij betrokken. En natuurlijk is het goed om met elkaar af te spreken, en daarbij stil te staan, dat dat zaaien, oogsten en werken tot zegen zal zijn, ofwel ten goede komt aan de armsten in de samenleving. Al die mensen die de biddag voor gewas en arbeid vieren zouden in hun bedrijven en op hun boerderijen kunnen werven voor het leveren van voedsel en geld voor de voedselbanken, zodat de tekorten kunnen worden weggewerkt. Vrouwen weten dat over het algemeen al wel, maar vrouwen moeten vandaag weer eens stilstaan bij wat ze eigenlijk waard zijn. Veel vrouwen stellen zich nog te dienstbaar en onderdanig naar hun mannen op.

Omdat ze vaak zo weinig van zichzelf houden komt er van de liefde voor hun naaste ook maar weinig terecht. En omdat veel vrouwen zichzelf niet echt hoog achten vindt je ook weinig vrouwen op hoge posities. Ook in het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelde en dat wij vandaag lezen wordt er niet anders geoogst dan er is gezaaid. Alleen als er in goede grond is gezaaid dan levert het meer op. In het verhaal van het leven van Jezus van Nazareth is de goede grond de liefde. Pas als er veel liefde is, kan er groei zijn, kan er vrede zijn, kan er heling zijn. Het verhaal van vandaag werd verteld in een boot omdat er zoveel mensen kwamen luisteren. Maar het verhaal gaat eigenlijk over doen. Een vrouwen verhaal, want vrouwen offeren zich op voor hun kinderen, voor hun omgeving, soms voor hun partner. Natuurlijk hoef je er zelf niet beter van te worden van al die zorg, maar hoe meer je van jezelf houdt, hoe meer je laat zien hoeveel een mens waard kan zijn, hoe meer je ook voor een ander kunt betekenen. Dan pas gaat liefde 30, 60 of 100 voud opbrengen, en van zoveel liefde gaat de wereld veranderen.

Ze knarsetandden

Handelingen 7:44–8:1a

44 Onze voorouders hadden in de woestijn de verbondstent bij zich, gemaakt in opdracht van de engel die met Mozes sprak, naar het ontwerp dat Mozes had gezien. 45 Onze voorouders hadden deze tent bij zich toen ze onder leiding van Jozua het land veroverden van de volken die God voor hen verdreef; dit duurde tot in de tijd van David. 46 David werd door God begunstigd en vroeg om een heiligdom voor het volk van Jakob. 47 Maar het was Salomo die voor God een tempel bouwde. 48 Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, zoals de profeet zegt: 49 “De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank. Hoe zouden jullie dan een huis voor Mij kunnen bouwen-zegt de Heer-,een plaats waar Ik kan rusten? 50 Heb Ik dit alles niet met eigen handen gemaakt?” 51 Maar u bent halsstarrig, onbesneden van hart en van oren; steeds weer verzet u zich tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. 52 Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de rechtvaardige verraden en vermoord, 53 u die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.’ 54 Toen ze dit hoorden, werden ze razend op hem, ze knarsetandden van woede. 55 Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, 56 en hij zei: ‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.’ 57 Maar ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. 58 Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. 59 Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ 60 Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan!’ En na deze woorden stierf hij. 1 Saulus keurde de moord op hem goed. (NBV21)

De politiek van de Hoge Raad van Israël, het Sanhedrin, beruste op zeer oude wetgeving in Israël. Van God mogen geen beelden gemaakt worden en dus horen er zeker in de Tempel in Jeruzalem geen beelden geplaatst. Ooit in de geschiedenis was dat wel gebeurd en het was dan slecht gegaan met het volk. Pas als de beelden verwijderd waren en de Tempel gereinigd, ging het weer beter met het volk. Stephanus wijst fijntjes op de oude traditie van de Tempel, ooit begonnen als een Tent en pas door Salomo tot een echte Tempel omgebouwd. Maar die traditie brengt ook met zich mee dat het volk geloofde dat God daar zelf niet woonde. God was immers hoog verheven, hoger dan enig mens ooit verheven zou kunnen worden. In de Psalmen wordt over de Tempel wel gezegd dat het de voetenbank van God is. Daar ontmoeten hemel en aarde elkaar. Daar, in het centrum van die ontmoeting, werd vanouds de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf bewaard. In de tijd van Stephanus was die ark al een paar eeuwen verdwenen maar de functie van de Tempel was nog steeds de ontmoeting met God mogelijk te maken en het verbond dat die Wet met zich bracht te vernieuwen.

Door een offermaaltijd te houden met de armen, de vreemdelingen, je familie en de dienaren van de Tempel vernieuwde je de belofte je aan de leer van Mozes samengevat in “heb Uw naaste lief als Uzelf” te houden. Maar de Priesters hadden in de loop van de geschiedenis de Tempel steeds belangrijker gemaakt en daarmee zichzelf. De Tempel was weliswaar zonder beelden maar God woonde er wel degelijk en de Tempel zelf was Heilig geworden. Niet de ontmoeting met God, de vernieuwing van het verbond, stond centraal, maar de pracht en praal van het Tempelcomplex en de macht van de Priesterkaste in Jeruzalem. Als Stephanus, met behulp van de oude verhalen van het volk Israel en het visioen dat je via Jezus van Nazareth direct contact kunt hebben met je God, de macht van de Priesters en de betekenis van de Tempel ter discussie stelt dan wekt dat de woede van iedereen die tot de machthebbers behoort. Zo iemand kun je wel vermoorden, en dat deden ze dan ook. Moeten we de machthebbers in Jeruzalem dan veroordelen? Wat ze deden was in onze ogen niet goed, maar onze ogen kijken achteraf, niet naar het hier en nu.

Het verhaal zelf waarschuwt ons te gemakkelijk te oordelen over mensen ook al doen ze kwaad. Bij de moord op Stephanus was ook Saulus aanwezig en hij keurde de moord goed. Diezelfde Saulus zou later als Paulus de belangrijkste verbreider van die leer van Jezus van Nazareth worden. Hij zou zich verzetten tegen religieuze machthebbers die de mensen wijsmaakten een Wet van God en de juiste leer in bezit te hebben. Hij zou de mensen voor houden dat de leer van heb Uw naaste lief als Uzelf in je verstand gebeiteld moet worden en in je hart moet wonen, dat je lichaam de Tempel moet zijn. Alleen dan kunnen we opkomen voor de weduwen en wees, voor de minsten der aarde, een hand uitsteken naar hen die een hand nodig hebben om op te staan. Daarom veroordelen we niet maar houden we ons bezig met het goede en niets dan het goede, ook vandaag weer.

Beelden die jullie zelf gemaakt hebben

Handelingen 7:35-43

35 Het was deze Mozes die door zijn volksgenoten werd afgewezen met de woorden: “Wie heeft jou als leider en rechter aangesteld?” Maar God zond hem als leider en bevrijder naar hen toe, door tussenkomst van de engel die in de doornstruik aan hem verschenen was. 36 Het was deze Mozes die het volk wegleidde uit Egypte onder het verrichten van tekenen en wonderen, niet alleen in Egypte, maar ook bij de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang. 37 Mozes was het die tegen de Israëlieten zei: “God zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan.” 38 Hij was het die, toen het volk in de woestijn bijeen was, als bemiddelaar optrad tussen onze voorouders en de engel die op de Sinai tegen hem sprak, hij was het die de levenbrengende woorden ontving om ze aan ons door te geven. 39 Maar onze voorouders wilden hem niet gehoorzamen: ze wezen hem af en verlangden terug naar Egypte. 40 Daarom zeiden ze tegen Aäron: “Maak goden voor ons die voor ons uit kunnen gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” 41 Toen maakten ze een beeld in de vorm van een stierkalf, brachten er offers aan en verheugden zich over hun eigen maaksel. 42 Maar God keerde zich van hen af en liet hen de sterren en hemelgoden aanbidden, zoals in het Boek van de profeten geschreven staat: “Hebben jullie Mij soms dierenoffers en brandoffers gebracht toen jullie veertig jaar door de woestijn trokken, volk van Israël? 43 Nee, jullie hebben de tent van Moloch meegedragen en de ster van jullie god Refan, beelden die jullie zelf gemaakt hebben om te aanbidden. Daarom zal Ik jullie wegvoeren, tot voorbij Babylon.” (NBV21)

De vraag die Stephanus in herinnering roept en die aan Mozes werd gesteld door het volk dat in slavernij werkte in Egypte werd natuurlijk ook gesteld door het Sanhedrin, de Hoge Raad van Israël, aan Jezus van Nazareth. Later werd aan de volgelingen van die Jezus van Nazareth de vraag gesteld op grond waarvan ze hem eigenlijk als leider en rechter hadden aanvaard. Stephanus benadrukt in de manier waarop hij het verhaal vertelt dat het volk Mozes, en daarmee de God van Mozes, steeds heeft afgewezen. Ja dat toen ze de richtlijnen kregen, de leer van Mozes waarop de leiders van Israël, de leden van het Sanhedrin, zich zo graag beriepen alsof het een Romeinse wet was, in plaats van de Heer, de God van Israël, te danken, ze een gouden beeld er van maakten en daar om heen gingen dansen. Stephanus besluit dit gedeelte van het verhaal met een citaat uit het boek van de profeet Amos waar die de afgodendienst uit zijn tijd direct verbond met de afgodendienst rond het gouden kalf.

Amos voorspelde dat het volk Israël verspreid zou worden tot achter Babylon toe. Christenen die dit verhaal lazen na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zullen gedacht hebben dat ook Stephanus de ondergang van Israël had voorspeld. Het Sanhedrin zal ondertussen tijdens deze rede hebben zitten koken van woede. Zonder dat Stephanus dat nu zo uitgesproken zegt beschuldigt hij ze van afgoderij, van het aanbidden van gouden beelden. Terwijl ze zo omzichtig en uitgebreid bezig waren geweest het plaatsen van gouden beelden in de Tempel van Jeruzalem te voorkomen. Ze waren zo bezig met de macht en het machtsevenwicht dat ze de armen en de slachtoffers van de Romeinse bezetting vergeten waren. In de eerste dagen van mei herdenken ook wij de dagen van vreemde bezetting. Toen mensen uit onze samenleving werden weggevoerd omdat ze een eigen geloof en een eigen cultuur hadden, een eigen afkomst die hen deed onderscheiden van anderen.

Ook tijdens die bezetting waren er leidende figuren in het volk die met de bezetter samenwerkten om het leed voor de onderdrukten zo klein mogelijk te houden, om zo veel mogelijk van het eigene te kunnen behouden. Achteraf werden die leiders voor “fout” aangemerkt, maar dat is achteraf. De keuzes onder een bezetting zijn nooit eenvoudig. Juist daarom is de herdenking in onze dagen van vrede en voorspoed zo belangrijk. Het onderscheid maken tussen mensen op grond van hun geloof en afkomst sluipt zo gemakkelijk een samenleving binnen, wij moeten dat toch ook merken. En zolang we ze niet vergassen lijkt het onschuldig, een politieke mening meer niet. Stephanus laat ons horen dat het geschipper met de grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf direct leidt tot afgoderij ook al zien we de gouden beelden nog niet in de Tempel. Onze samenleving is dus vergiftigd als wij niet in verzet komen tegen vreemdelingenhaat en angst voor het vreemde. Daar kunnen we vandaag om denken.

 

Hun jammerklachten

Handelingen 7:17-34

17 Naarmate de tijd naderde dat Gods belofte aan Abraham in vervulling zou gaan, nam het volk in Egypte in aantal toe en werd het steeds groter, 18 tot er een andere koning in Egypte aan de macht kwam, die Jozef niet had gekend. 19 Deze koning trof een sluwe maatregel om zich van ons volk te ontdoen: hij dwong onze voorouders hun pasgeboren kinderen te vondeling te leggen, zodat die zouden sterven. 20 In die tijd werd Mozes geboren. Hij was een uitzonderlijk mooi kind. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd, 21 maar toen hij te vondeling werd gelegd, ontfermde de dochter van de farao zich over hem en liet hem opvoeden als haar eigen zoon. 22 Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren en werd een machtig man in woord en daad. 23 Toen hij veertig jaar was, besloot hij zich te bekommeren om het lot van de Israëlieten, zijn eigen volk. 24 Op een dag zag hij dat een van hen werd mishandeld door een Egyptenaar, waarop hij de man wie dit onrecht werd aangedaan te hulp schoot en wraak nam door de Egyptenaar te doden. 25 Hij meende dat zijn volksgenoten zouden begrijpen dat God hen door zijn toedoen wilde bevrijden, maar ze begrepen het niet. 26 De volgende dag kwam hij tussenbeide toen twee Israëlieten aan het vechten waren, en hij probeerde hen met elkaar te verzoenen door te zeggen: “Jullie zijn toch broeders? Waarom doen jullie elkaar dan kwaad?” 27 Maar de man die zijn volksgenoot mishandelde, duwde hem weg en zei: “Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? 28 Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar gisteren?” 29 Toen Mozes dat hoorde, nam hij de vlucht en vestigde zich als vreemdeling in Midjan, waar hij twee zonen kreeg. 30 Nadat er veertig jaren waren verstreken, verscheen er in de woestijn bij de Sinai een engel aan hem in de vlammen van een brandende doornstruik. 31 Vol verwondering keek Mozes naar dit schouwspel, maar toen hij dichterbij kwam om het te onderzoeken, klonk de stem van de Heer: 32 “Ik ben de God van je voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.” Bevend van schrik wendde Mozes zijn blik af. 33 Maar de Heer zei tegen hem: “Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 34 Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is en Ik heb hun jammerklachten gehoord, zodat Ik ben afgedaald om hen te bevrijden. Daarom stuur Ik je nu naar Egypte.” (NBV21)

Het lijkt er op dat Stephanus de Hoge Raad van de Tempel uitvoerig de les leest door ze nog eens nauwkeurig en uitvoerig het verhaal van het volk Israël in Egypte en Mozes te vertellen. Maar zo nauwkeurig is het nu ook weer niet. In het verhaal zoals het in het boek Exodus wordt verteld werden niet alle jongetjes uit de generatie van Mozes te vondeling gelegd, ze werden ter dood gebracht. Als je slaven genoeg hebt dan verminder je de aanwas nietwaar. Alleen Mozes werd door zijn zuster in een biezen mandje in de Nijl te water gelaten in de hoop dat hij als vondeling zou worden beschouwd, hetgeen lukte. Ook de mededeling dat Mozes, toen hij 40 jaar was, iemand doodsloeg en moest vluchten staat niet in Exodus, daar wordt helemaal niet over de leeftijd van Mozes gesproken. En dat Mozes na 40 jaar in de woestijn bij de Berg Sinaï een engel in de brandende doornstruik zag, staat zo al helemaal niet in Exodus. Stephanus verdeelt hier het verhaal van Mozes in perioden van 40 jaar en een tijdsperiode van 40 jaar of 40 dagen is een periode van volheid in de Bijbel.

Toen het tijd was, toen de tijd daar was is vaak hetzelfde als na 40 dagen of na 40 jaren, zo ook hier. Stephanus, de Griek, vertelt hier dus op zijn eigen manier het verhaal van de redding van Israël en de ontmoeting van Mozes met God. Denk nu niet dat er tegenstrijdigheden staan in de Bijbel. Dat is dus onzin. Denk ook niet dat Stephanus het mis had, of dat Exodus het mis had. Het komt niet op de details aan maar op de boodschap. God heeft Mozes door de dood heen gehaald en als Prins van Egypte groot laten brengen om later het volk uit de slavernij te kunnen voeren. Dat was niet iets dat Mozes zelf had bedacht maar daar was een Goddelijke roeping voor nodig. Het was ook geen zaak van overhaaste beslissingen geweest of een opwelling maar het gebeurde toen de tijd er voor rijp was. Maar op deze manier Mozes, de grote profeet van het volk Israël, de wetgever in de woestijn, te vergelijken met Jezus van Nazareth, de volksprediker die werd gekruisigd, moet voor de leden van Hoge Raad een serie vloeken in de Tempel zijn geweest.

En nog wel in het Grieks ook. Voor ons Heidense volgelingen van Jezus van Nazareth valt te leren dat het navertellen van de oude verhalen ons ineens duidelijk kan maken hoe het zit met die bevrijding. Gewoon te vondeling leggen kan het begin zijn van een vruchtbaar leven dat mensen bevrijdt uit een slavenbestaan. Daarom zijn ook de minsten onder ons te eren en te respecteren. Voor we het weten rijken we de hand aan mensen die onmisbaar zullen blijken in de loop van onze geschiedenis of de geschiedenis van onze kinderen. Dat is een verhaal dat de Bijbel ons voortdurend voorhoud, als we niet houden van onze naaste als van onszelf zullen we geen van beiden overleven. Daarom weten we wat ons te doen staat. Ook vandaag weer.

 

Trek weg uit je land

Handelingen 7:1-16

1 De hogepriester vroeg: ‘Is dat waar?’ 2 Stefanus antwoordde: ‘Broeders, vaders van ons volk, luister naar wat ik u te zeggen heb. Toen onze voorvader Abraham nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde, verscheen God in al zijn luister aan hem 3 en zei: “Trek weg uit je land, verlaat je familie, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen.” 4 Toen trok Abraham weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Charan. Na de dood van zijn vader bracht God hem naar dit land, waar u nu woont. 5 Hij gaf hem hier zelfs niet het kleinste stuk grond in eigendom, maar beloofde wel dat hij en zijn nakomelingen het eens in bezit zouden krijgen, ook al had hij toen nog geen zoon. 6 God zei tegen Abraham dat zijn nakomelingen vierhonderd jaar in een vreemd land zouden wonen, waar ze in slavernij zouden leven en slecht behandeld zouden worden. 7 “Maar,” zo luidden Gods woorden, “het volk dat ze als slaaf zullen dienen, zal Ik straffen, en daarna zullen ze wegtrekken en Mij vereren op de heilige plaats.” 8 God sloot met Abraham het verbond van de besnijdenis, en daarom besneed Abraham zijn zoon Isaak, acht dagen na diens geboorte, en Isaak deed hetzelfde met Jakob, en Jakob met de twaalf stamvaders. 9 Omdat de stamvaders jaloers waren op Jozef, verkochten ze hem als slaaf aan de Egyptenaren. Maar God beschermde hem 10 en redde hem uit alle nood door hem in de gunst te laten komen bij de farao, de koning van Egypte, die hem wegens zijn wijsheid belastte met de leiding over Egypte en over zijn hele hofhouding. 12 Toen Jakob hoorde dat er graan was in Egypte, stuurde hij onze voorouders daar voor de eerste keer heen. 13 Tijdens hun tweede bezoek onthulde Jozef aan zijn broers wie hij was, waarna zijn afkomst ook aan de farao bekend werd. 14 Jozef liet zijn vader Jakob overkomen met zijn hele familie van vijfenzeventig mensen. 15 Jakob vertrok naar Egypte en stierf daar, evenals onze voorouders; 16 ze werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham van de zonen van Chamor uit Sichem had gekocht. (NBV21)

Het is om uit je vel te springen. Je bent lid van de Hoge Raad van Israël, het Sanhedrin. Je zorgt dat het volk in alle rust haar godsdienst kan belijden onder de heerschappij van de Romeinen. Je moet de Tempel verdedigen tegen het verlangen van de Romeinen daar hun eigen beelden neer te zetten, vooral het beeld van hun Keizer dat ze maar al te graag zouden willen laten aanbidden. Daarvoor is vrede nodig in het land. Daarvoor moet iedereen zonder mopperen belasting willen betalen aan de Romeinen. Daarvoor kun je geen onrust gebruiken en moet het volk als één man achter haar leiders gaan staan. En dan komt er zo’n rare sekte, zo’n clubje Gallileërs, uit het land van de Heidenen, waar ze maar weinig weten van de betekenis van de Tempel, waar ze zeker niet op de hoogte zijn van de gevoelige politiek die met de Romeinen gevoerd moeten worden en die gaan die hele Tempeldienst bekritiseren en nemen met hun preken en praatjes de Tempel over. Natuurlijk zou het afgelopen moeten zijn als je de leider weet uit te schakelen. Die Jezus van Nazareth keurig door de Romeinen gekruisigd als Koning der Joden.

Zo’n Koning hebben ze toch helemaal niet nodig. De Keizer beschouwt zich als Koning der Joden en in de Tempel wordt gezongen dat er één Heer is en dat dat de God van Israël is. Maar de kritiek op de Tempel verstomt niet. Dag in dag uit lopen die volgelingen van Jezus van Nazareth naar de Tempel om de orde te verstoren. Ze beweren zelfs dat die Jezus van Nazareth uit de doden is opgestaan. En nu komt er zelfs zo’n Griek die niet in de taal van de Tempel, het Hebreeuws, of de Taal van Jeruzalem, het Aramees, maar in de taal van de rest van de wereld, het Grieks over die Jezus van Nazareth verteld. Alles zouden ze moeten delen, de offermaaltijden weer gaan houden zoals het in Deuteronomium staat vermeld, met de armen van de stad, met de vreemdelingen, de familie en de Priesters en Levieten. Alsof de Hogepriester met de arme bedelaar aan één tafel kan gaan zitten. En als je dan vraagt of het waar is dat die club van Jezusvolgelingen de Tempel wil afbreken of veranderen gaat die snotneus je in het Grieks de geschiedenis van je eigen volk vertellen. Alsof je daar niet je hele leven in gestudeerd hebt. Alsof je niet het citaat uit Psalm 29 herkent waar die jongeman mee begint.

Alsof je geen aalmoezen gegeven hebt aan de lamme bedelaar bij de ingang van de Tempel, die weer ging lopen toen die Petrus en Johannes hun hand naar hem uitstaken. De kans dat Stefanus iets zal bereiken bij het Sanhedrin is dus klein. Toch is dat hand uitsteken het enige dat ons kan helpen. Dat verhaal van Stefanus gaat over de liefde van God voor zijn volk, over hoe God zijn hand steeds opnieuw naar dat volk uitstak en hoe dus dat volk hun hand steeds opnieuw naar de minsten van dat volk zou moeten uitsteken. Dat vraagt dus ook van ons om aandacht te hebben voor die aardige, stille teruggetrokken mensen, die geen toekomst lijken te hebben, zonder vrienden en familie zijn en die hun wanhoop lijken in te slikken. In onze samenleving eindigen ze hun leven door een opvallende daad te stellen. Schietpartijen op school, of op hun werk, of tijdens een picknick van geliefden die zich hebben afgewend, of een dodelijke autorit op Koninginnedag. We hoeven ons niet schuldig te voelen als het gebeurd maar soms kunnen we zulke gebeurtenissen voorkomen door echt interesse te tonen voor iemand die alleen staat, echt een hand uit steken, echt voor de weduwen en de wezen te gaan staan zoals Stephanus deed.

 

Het volk hitsten ze op

Handelingen 6:1-15

1 Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. 2 Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. 3 Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, 4 terwijl wij ons zullen wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord van God.’5 Alle leerlingen stemden met dit voorstel in. Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. 6 Ze lieten deze mannen plaatsnemen voor de apostelen, die een gebed uitspraken en hun daarna de handen oplegden. 7 Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof. 8 Stefanus verrichtte dankzij Gods genade en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk. 9 Enkele leden van de synagoge van de Vrijgelatenen, waartoe ook Joden uit Cyrene en Alexandrië behoorden, evenals Joden uit Cilicië en Asia, kwamen echter in verzet en begonnen met hem te redetwisten, 10 maar ze konden niet op tegen zijn wijsheid en tegen de Geest die hem bezielde. 11 Daarop zetten ze anderen ertoe aan te verklaren dat ze hadden gehoord dat Stefanus Mozes en God had gelasterd. 12 Ook het volk hitsten ze op, evenals de oudsten en de schriftgeleerden. Ten slotte namen ze Stefanus gevangen en brachten hem voor het Sanhedrin. 13 Ze lieten valse getuigen komen, die verklaarden: ‘Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet, 14 want we hebben hem horen zeggen dat Jezus van Nazaret de heilige plaats zal afbreken en de gebruiken die Mozes ons heeft overgeleverd zal veranderen.’ 15 Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op Stefanus en zagen dat zijn gezicht leek op dat van een engel.(NBV21)

Vreemdelingenangst is al heel oud. In het verhaal van de Handelingen der Apostelen vindt je de sporen terug uit de tijd van de allereerste Christengemeenschap. In de eerste plaats binnen die gemeenschap zelf. Daar hadden de Grieken het gevoel dat ze achtergesteld werden en dat hun weduwen slechter verzorgd werden dan de weduwen van de Arameeërs. Bedenk wel dat het in beide gevallen om Joden ging. Maar in Palestina werd Aramees gesproken en zij die dat spraken zou je nu de autochtonen kunnen noemen. Joden die in de rest van de wereld geboren waren spraken Grieks, de algemene voertaal naast het Latijn van de Romeinse bezetter. Het nieuwe Testament is dan ook in het Grieks geschreven en citeert het Oude Testament uit een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Die Griekssprekenden waren dus de allochtonen. Wat was nu de reactie van de leiding van die eerste Christengemeenschap? Dat die Grieken maar moesten inburgeren? Dat ze maar de taal moesten leren van het volk van Israël?

Niets er van, de Grieken werden in het bestuur van de gemeente opgenomen. Zeven van hen kregen de taak te waken over de verdeling van de goederen en de verzorging van de armen. De oorspronkelijke leiding kon zich daardoor bezig houden met de verkondiging in de Tempel. Maar die zeven hielden natuurlijk niet hun mond. Het verhaal zoomt in op Stephanus, want die zou een bijzondere rol gaan spelen. Zijn spreken wekte ongenoegen met de Joden die niks in die nieuwe Jezusbeweging zagen. En dan wordt gerageerd door de mensen die zich het meest moesten aanpassen, de mensen die in de meest kwetsbare positie verkeerden, de mensen die het meest te vrezen hadden van vreemdelingenhaat. Het waren de leden van de synagoge van de vrijgelatenen staat er. Wat zijn dat “vrijgelatenen”? Het is een Romeinse term die sloeg op vrijgelaten slaven.

Nu kenden de Joden twee soorten slaven. Joden die het land van hun familie waren verloren, in schulden zaten en zich hadden moeten verkopen als slaaf. En Joden die door de Romeinen als slaaf naar Rome waren gevoerd en wier nakomelingen vrijgelaten waren. Geleerden nemen over het algemeen aan dat het de laatste groep betreft. Die kwamen ook uit het buitenland net als de Joden uit Cicilië en Asia. Dat waren dus ook Joden die zich moeten aanpassen aan die bijzondere samenleving in Jeruzalem. Zij hoorden bij de Synagoge, trefpunt van de Farizeeën, waar het nakomen van de letter van de Wetten van Mozes tot een levenshouding was verheven. Voor hen was het zeer afstotelijk dat er Joden waren die zich alleen bezig zouden houden met het houden van je naaste als van jezelf. Zij zorgden er voor dat Stephanus gevangen genomen werd en terecht moest staan. Wij zullen moeten leren dat opnemen van vreemdelingen ook in je bestuur toch heel wat vruchtbaarder is en Christelijker lijkt dan het aanvallen en veroordelen van vreemdelingen.

Gods werk

Handelingen 5:33-42

33 Toen de leden van het Sanhedrin dit hoorden, ontstaken ze in hevige woede en besloten ze de apostelen ter dood te brengen. 34 Maar toen stond een van hen op, een farizeeër die Gamaliël heette en die als wetsleraar bij het hele volk in aanzien stond. Hij gaf opdracht de apostelen een ogenblik naar buiten te brengen 35 en zei vervolgens: ‘Israëlieten, overweeg nog eens goed wat u van plan bent met deze mensen te doen. 36 Immers, enige tijd geleden wierp Teudas zich op als een man die het volk zou leiden, en ongeveer vierhonderd mensen sloten zich bij hem aan; hij werd gedood, zijn aanhang viel uiteen en verdween in het niets. 37 Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam; ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven. 38 38 Daarom zeg ik u: houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, 39 maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou weleens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’ De leden van het Sanhedrin stemden met hem in 40 en riepen de apostelen weer binnen. Ze lieten hen geselen, bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij. 41 De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus. 42 Ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de messias is. (NBV21)

Rond het begin van onze jaartelling wemelde het in Israël van mensen die het volk beloofden te bevrijden van de heerschappij van de Romeinen. Uiteindelijk zou dat uitlopen op een massale gewapende opstand in het jaar 70 en de verwoesting van de Tempel. Schijnbaar was het verhaal van het volk Israël en die rare God zonder beeld daarmee uit en over. Het volk werd verspreid over de toen bekende wereld en de Tempel zou nooit meer opgebouwd worden. Christenen geloofden echter dat door Jezus van Nazareth het hele verhaal een totaal andere wending had gekregen. Door de dood heen bleef het hart van de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving: ” heb uw naaste lief als uzelf”, en daarmee het hart van de aanbidding van die God, bestaan. Heb je naaste lief als je zelf werd de centrale richtlijn voor Joden en Heidenen. En Joden en Heidenen samen vormden een nieuwe gemeenschap.

Onder de religieuze leiders van het volk Israëlwaren wijze mensen. Zij hadden het voortbestaan van hun geloof verzekerd door de stichting van de synagogen. Al die opstootjes, al die volksbewegingen deden het volk echter geen goed. Steeds weer opnieuw werden Romeinse soldaten naar opstandige provincies gestuurd en steeds weer moesten daar belastingen voor worden opgebracht. Daar werden de armen, net als in onze dagen, het eerst het slachtoffer van. Dat men daar een rem op wilde zetten was begrijpelijk. Maar als de beweging van die Jezusmensen nu eens een echte waarachtige nieuwe stroming van het oude geloof betekende? Dan zou het vergeefse moeite zijn die beweging uit te roeien. Gewapende opstand werd er in elk geval niet gepreekt. Alleen dat delen met elkaar en dat je van elkaar kon houden door de dood heen. Dat die Jezus van Nazareth dat had voorgedaan en dat iedereen voortdurend mee kon gaan doen.

Het zou de toekomst zijn of vanzelf verdwijnen. Als je dat achteraf leest is dat natuurlijk heel mooi. Wij weten, net als de eerste lezers van het boek Handelingen, dat het nooit is overgegaan. Daarmee wordt het bijna propaganda. Ook de tegenstanders van de beweging wilden het een kans geven. Vergeten wordt dat het niet de beweging is die uiteindelijk belangrijk bleek, maar het handelen van mensen. De Kerken zijn verdeeld in ontelbare splinters. Samen delen doet men symbolisch met brood en wijn. Maar telkens blijven er ook mensen opstaan die zich gaan inzetten voor medemensen in verdrukking. Hongerigen worden gevoed, zieken verzorgd, gevangenen bezocht. En overal klinkt en blijft klinken de roep om recht en gerechtigheid, de roep om vrede. Dat is de beweging van Jezus van Nazareth en wat men er van vindt is niet belangrijk, alleen dat je er aan mee mag doen, ook vandaag.