Veroordeel niet

Lucas 6:39-49

39 Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? 40 Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester. 41 Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 42 Hoe kan je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen, ”terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen. 43 Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. 44 Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. 45 Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. 46 Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? 47 Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: 48 hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. 49 Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’ (NBV)

Het zijn overbekende woorden die we vandaag lezen. Over de splinter en de balk, over het niet oordelen en over de blinde die de blinde niet kan leiden zonder dat beiden in dezelfde kuil vallen. Het borduurt voort op het gegeven dat we het goede moeten doen omdat van het kwade nooit iets goeds kan komen. Op het uitgangspunt van de leer van Mozes dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Op de wetenschap dat ieder mens fouten maakt, jij net zo goed als je naaste. Dat het echter niet gaat om bij de fouten te blijven staan maar juist om het goede voor elkaar te krijgen. Het speelt bij ons soms bij de eindexamens. Elk jaar weer zijn er leerlingen die zakken of lagere punten halen dan nodig door het rode potlood. Ze zijn hun hele schoolloopbaan geconfronteerd met het rode potlood dat hen vanaf elk proefwerk toeschreeuwde wat ze allemaal wel niet fout hadden gedaan. Dat er ook opgaven waren die ze juist heel knap hadden opgelost en antwoorden die ze beter hadden gegeven dan was verwacht werd hen nooit verteld. Daar ging dat rode potlood niet over. Pas als die leerlingen geleerd wordt weer in zichzelf te geloven, als er in plaats van het rode potlood voor de fouten een groen potlood voor de goede antwoorden wordt gebruikt, kunnen ze slagen.

Dat is ook wat Jezus ons voor elk gedrag voorhoud. Niet bezig zijn met wat er slecht is, maar, zoals het verhaal van Mattheüs vertelt, de hongerigen eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. Uiteindelijk gaan dan de blinden zien en de lammen lopen. Uiteindelijk wordt dan zelfs de dood overwonnen en alle tranen gedroogd. En nou niet roepen dat niemand meedoet en dat iedereen bezig is zelf rijk te worden. Dat is nu de balk in het eigen oog en de splinter in die van de buurman. Zorg dat je zelf het goede doet en niets dan het goede, maak mensen om je heen enthousiast voor het goede en laat ze meedoen, dan verdwijnen zowel de balk als de splinter. Doe mee! Maar gaat het dan over fundamentalisme? Meestal zien we mensen die hun levensovertuiging tot het fundament van de hele wereld willen maken en uiteindelijk daarvoor alles willen uitroeien wat daarmee in strijd is.

Jezus van Nazareth roept op om een eenvoudig principe tot fundament van je eigen leven te maken. Namelijk de regel dat van kwaad niets goeds kan komen en van goeds niets kwaads. Of iets goed of kwaad is merken we dus aan de uitwerking op de mensen. Zijn onze daden gebouwd om de wil het goede te doen en niet dan het goede? Accepteren we anderen zoals ze zijn? Met hun goede en met hun kwade kanten, zoals we zelf geaccepteerd willen worden? De vruchten van tolerantie zijn vrede, verdraagzaamheid en culturele verrijking en de vruchten van intolerantie zijn oorlog, angst en niet alleen culturele verarming maar ook daadwerkelijke economische verarming. Ons soort fundamentalisme is dus niet iets dat we anderen opleggen maar dat we onszelf opleggen. Dat maakt dat ons huis op een rots staat, dat we nooit bang hoeven te zijn dat het weggespoeld zal worden door maatschappelijke veranderingen. Als het verbeteringen zijn zullen we die veranderingen verwelkomen, we letten immers alleen op het goede.

Heb je vijanden lief

Lucas 6:27-38

27 Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28 zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29 Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. 30 Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. 31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. 36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. 37 Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. 38 Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (NBV)

In heel veel commentaren wordt net gedaan of Jezus van Nazareth in deze toespraken iets geheel nieuws introduceert. We lezen een vergelijkbare toespraak immers ook in het Evangelie van Mattheüs. Bij Mattheüs staat Jezus op een berg terwijl de schrijver van het Lucas Evangelie er de nadruk op legt dat Jezus tussen de mensen, tussen zijn leerlingen, in staat. Nieuw is het echter niet wat Jezus hier onderwijst. In het boek van de profeet Jeremia staat ook zoiets. Daar gaat het om een brief van de profeet aan de ballingen in Babel. Die zitten met de vraag of ze mee moeten werken met het regiem dat hen heeft weggevoerd of zich juist moeten verzetten en de boel moeten saboteren. Het antwoord van de profeet is dan een oproep om zo veel mogelijk het goede te doen.

Ze moeten delen met de armen, zorgen voor gezondheid, voldoende voedsel en er voor zorgen dat de mensen je gaan waarderen vanwege de zorg die je voor ze hebt. Dan kunnen de machthebbers uiteindelijk niet meer om je heen schrijft Jeremia en als je dan vraagt om het volk terug te laten gaan kunnen ze dat niet meer weigeren. Jezus spreekt hier in een situatie van gewelddadige bezetting en onderdrukking van het volk. De strategie die hij hier voorschrijft is dan zo slecht nog niet. Die strategie is niet opgaan in de ideologie en afgoderij van de bezetter maar je eigen normen en waarden gebruiken om de nadruk te leggen op het goede. Delen van wat je hebt, wordt het genomen met geweld laat dan merken dat geweld niet nodig is, sta bekend als vrijgevig, behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Heb je naaste dus lief als jezelf. Een gewelddadige samenleving heeft daar namelijk geen antwoord op. Ook mensen die kwaad willen hebben namelijk hen lief die hen liefhebben. Uiteindelijk is dat altijd wederzijds.

“Doe goed” is daarom vanouds de centrale boodschap in de Bijbel. Want alleen uit het goede kan het goede voortkomen. Uit het kwade komt immers niets goeds voort. Veel mensen twijfelen bijvoorbeeld aan het nut van het bombarderen van IS in Irak en Syrië. Dat je door alle aanhangers van IS te doden het probleem uit de wereld helpt is een illusie. Op de een of andere manier zal duidelijk gemaakt worden dat het doden van iedereen die niet op dezelfde manier een geloof beleefd als men zelf doet is een voorwaarde voor een echte oplossing. Het geweld lijkt soms onvermijdelijk maar mag nooit een doel in zichzelf zijn. Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld, in vrede gaan mensen groeien en samenlevingen bloeien. Maar hoe we dat duidelijk maken is onduidelijk maken. Bestrijding van discriminatie in ons bedrijfsleven zou een klein begin kunnen zijn, ophouden elkaar verketteren en haatzaaien zou ook kunnen helpen. Daarom zullen we ook onze vijanden lief moeten hebben want pas in liefde kan vijandschap verdwijnen en pas als vijandschap is verdwenen kan het vrede worden.

Er ging een kracht van hem uit

Lucas 6:12-26

12 Op een van die dagen trok Jezus zich terug op de berg om te bidden. De hele nacht bleef hij tot God bidden. 13 Toen de dag aanbrak, riep hij de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij apostelen noemde: 14 Simon, aan wie hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, 15 Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de IJveraar genoemd wordt, 16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd. 17 Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. 18 Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, 19 en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas. 20 Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.21 Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. 22 Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23 Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld. 24 Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. (NBV)

De keus van de twaalf zoals die door de schrijver van het Lucas evangelie wordt geschetst roept weer nieuwe vragen op. We hebben het al eens over de beschrijving in het Evangelie van Marcus gehad en ook Mattheus heeft er zo zijn eigen verhaal over. Alle drie de evangelisten willen wellicht iets anders vertellen. Lucas heeft het heel nadrukkelijk over afgezanten, zendelingen, die werden gekozen uit meerdere volgelingen. Na de dood van Jezus moesten immers een aantal mensen in de nieuwe massabeweging gezag krijgen. Gezag ontleend aan een opdracht van Jezus zelf had natuurlijk de hoogste waarde. Die afgezanten staan bij Lucas echter niet boven de menigte maar er tussen. Heel nadrukkelijk wordt verteld dat Jezus de berg afkwam. Jezus bad nooit in het openbaar, maar trok zich altijd terug om te bidden. Dat gaat nu eenmaal beter in de stilte dan in de drukte vooraan in de kerk, op de TV of de hoek van de straat.

Gezanten die mooi bidden zodat iedereen het kan horen, ja die zelfs oproepen om met hen mee te bidden tot God, zijn dan ook geen afgezanten van Jezus van Nazareth. Het beeld van het genezen van mensen in een grote menigte en van een grote menigte van mensen is iets wat typisch voor het Evangelie van Lucas is. Die mensen verzamelden zich rond Jezus, zijn afgezanten, zijn leerlingen en iedereen die met die beweging mee wilde doen. Die nadruk op de Liefde maakte dat er kracht van Jezus uit ging. Nooit hoefde je je buitengesloten te voelen. Nooit had je het gevoel niet mee te kunnen komen, niet gezien of niet gehoord te worden. Nee lammen gingen lopen, blinden konden zien en doven konden horen werd er gezegd. Mee doen in een beweging die zich bekommerd om medemensen kunnen we nog steeds, zeker als je arm bent, dan heb je immers niets te verliezen. Gewoon vandaag je medemensen gaan helpen. Ogen open, oren open en in beweging komen. Daar gaat altijd kracht van uit.

Voor mensen die regelmatig collecteren voor een goed doel is het een bekend verschijnsel, je haalt meer op in een wijk met arme bewoners dan in een wijk met rijke medemensen. Arme mensen hebben nu eenmaal niets anders te verliezen dan de liefde voor elkaar en die liefde hebben ze hard nodig om te kunnen overleven. De armen weten hoe het is om door de woestijn te trekken, je hebt elkaar en de liefde voor elkaar, meer dan hard nodig. Jezus van Nazareth wist dat en spreekt hen in dit gedeelte moed in.
“Gelukkig zijn jullie” vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. “Zalig” heette dat in oudere vertalingen en trouwens ook nog in de Naardense Bijbel. “Makarios” staat er in de oorspronkelijk Griekse tekst en ouderen onder ons denken gelijk aan een Cypriotische Bisschop die zijn volk vrij maakte van Griekse en Turkse overheersing en naar onafhankelijkheid voerde. Tegenwoordig moeten we de mensen van zijn eiland helpen, ze dreigen anders zo arm te worden dat wij er last van krijgen. Maar ook zonder dat zouden we moeten willen dat er handen uitgestoken worden om de armen in Europa te helpen. Elke dag kunnen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?

Lucas 6:1-11

1 Toen Jezus op sabbat eens door de korenvelden liep, begonnen zijn leerlingen aren te plukken. Ze wreven die stuk tussen hun handen en aten ervan. 2 Enkele Farizeeën zeiden echter: ‘Waarom doet u iets dat op sabbat niet mag?’ 3 Jezus antwoordde: ‘Hebt u dan niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4 hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam, ervan at en ze uitdeelde aan zijn mannen, ook al mogen alleen de priesters van die broden eten?’ 5 En hij voegde eraan toe: ‘De Mensenzoon is heer en meester over de sabbat.’ 6 Op een andere sabbat ging hij naar de synagoge, waar hij onderricht gaf. Daar was ook iemand met een verschrompelde rechterhand. 7 De schriftgeleerden en de Farizeeën letten op hem om te zien of hij op sabbat iemand zou genezen, want dan zouden ze hem op grond daarvan kunnen aanklagen. 8 Maar hij wist wat ze van plan waren en zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en kom in het midden staan.’ Dat deed de man. 9 Jezus zei tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: ‘Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.’ 10 Nadat hij hen een voor een had aangekeken, zei hij tegen de man: ‘Strek uw hand uit.’ Dat deed hij en er kwam weer leven in zijn hand. 11 De schriftgeleerden en de Farizeeën raakten bijna buiten zinnen en begonnen onderling te overleggen wat ze met Jezus zouden doen. (NBV)

Het antwoord op de vraag die hier boven staat is dat je zelf de baas bent over wat mag en niet mag op de Sabbat. Dat vertelt ons de schrijver van het Lucas Evangelie tenminste. Wij hebben de Sabbat vervangen door de zondag omdat we op de eerste dag van de week de bevrijding van de dood gingen vieren. En vieren maakt vrij. Toch hebben christenen heel lang hun vinger opgestoken als er iets werd gedaan waarvan ze dachten dat het niet mocht. Dat eten van die zendelingen in opleiding die achter Jezus aanliepen, en dat genezen door Jezus waren uitzonderingen. Dat er in een ziekenhuis moet worden gewerkt op Zondag dat is ook nog te begrijpen al moet er dan wel zondagsdienst gedraaid worden. Het hoogst nodige moet worden gedaan en verder niet.

Jezus zet op een aantal plekken in de Bijbel de liefde voor de mens tegenover dit strafrechtelijk denken. Wat wel of niet mag hangt niet af van de regeltjes maar van de mens die schade lijdt of het nodig heeft. Dat betekent niet dat er geen waarde moet worden gehecht aan een vrije dag in de week. Juist die dag waarop we allemaal vrij zijn en alleen de hoogst nodige arbeid wordt verricht is van belang voor mensen. Wanneer anders kunnen we allemaal samen komen en maaltijd houden. Als we allemaal op een andere dag in de week vrij zijn komt daar nooit meer wat van terecht. Als er dan ook nog veel mensen zijn die ’s avonds moeten werken, of ’s nachts, dan zien we elkaar in de samenleving eigenlijk nooit meer. Samen Werken en Samen Leven kan dan misschien nog wel, we komen elkaar immers in de file nog wel tegen, maar Samen Delen is er helemaal niet meer bij.

Samen Delen van plezier, van een maaltijd, van een goede sportwedstrijd, van de schoonheid van de natuur, van kennis, inkomen en macht het is allemaal onmogelijk geworden als we op zeven dagen in de week en op alle 24 uren van de dag ergens aan het werk zijn en die zeven dagen en die 24 uren onder elkaar verdelen zonder een dag te reserveren voor allemaal samen. Van de regering mag verwacht worden dat de liefde voor mensen weer boven regels van winst en profijt gaan en dat aan koopzondagen en eindeloos werken grenzen worden gesteld. Maar vrijheid wordt verward met kerkdwang. Christenen die roepen dat verstoring van de vrijheid op zondag hun geloof aantast zijn daar mede schuldig aan. Het gaat niet om geloof maar om bevrijding van de verslaving, aan werken en consumeren, daar zijn we dus geen slaven van. Wordt daar niet naar geluisterd dan moeten we via koopstakingen op zondag en onze vakbonden maar in actie komen voor die vrijheid. Zodat we ook op de zondag het goede kunnen doen, in alle vrijheid.

Weduwen en vreemdelingen doden ze

Psalm 94

1 God van vergelding, HEER, God van vergelding, verschijn in luister. 2 Verhef u, rechter van de aarde, geef de hoogmoedigen hun loon. 3 Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER, hoe lang nog zullen de wettelozen juichen, 4 de onrechtvaardigen het hoogste woord voeren en trotse taal uitslaan? 5 Zij vertrappen uw volk, HEER, onderdrukken uw liefste bezit, 6 weduwen en vreemdelingen doden ze, kinderen zonder vader brengen ze om. 7 ‘De HEER ziet het niet, ‘zeggen ze, ‘de God van Jakob merkt toch niets.’8 Kom tot inzicht, onverstandigen. Dwazen, worden jullie ooit wijs? 9 Hij heeft het oor geplant-zou hij niet horen? het oog gevormd-zou hij niet zien? 10 Die de volken leidt, de mensen leert en vermaant-zou hij niet straffen? 11 De HEER kent de mensen, niet meer dan lucht zijn hun gedachten. 12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid en onderwezen in uw wet en uw leer. 13 Hij zal rust vinden in kwade dagen, terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven. 14 Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet verlaten. 15 De rechtspraak voegt zich weer naar het recht, de oprechten van hart sluiten zich aan. 16 Wie treedt voor mij op tegen die onrechtvaardigen, wie beschermt mij tegen die schurken? 17 Had de HEER mij niet geholpen, dan woonde ik al in de stilte van het graf. 18 Toen ik dacht: Mijn voet glijdt weg, hield uw trouw mij staande, HEER. 19 Toen ik door zorgen werd overstelpt, was uw troost de vreugde van mijn ziel. 20 Kiest u de kant van verdorven rechters, die onheil stichten in naam van de wet? 21 Ze spannen samen tegen de rechtvaardigen en veroordelen onschuldigen ter dood! 22 De HEER is mijn burcht geworden, mijn God de rots waarop ik schuil. 23 Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen, om hun onrecht brengt hij hen tot zwijgen, de HEER, onze God, brengt hen voorgoed tot zwijgen. (NBV)

We zingen vandaag een psalm mee waarin de God van Israël gesmeekt wordt de hoogmoedigen, de goddelozen, de uitbuiters en onderdrukkers eindelijk eens het loon te geven dat ze verdienen. Hun hebzucht zorgt er voor dat zwakken en de minsten in de samenleving sterven en geen deel van leven hebben. Let op dat in deze Psalm op een bijzondere manier ook over vreemdelingen wordt gesproken. Ze staan in dezelfde zin als de Weduwen, hun positie in de samenleving is even zwak als de weduwen, als kinderen zonder vader. Niemand die ze recht verschaft, niemand die hen verlost uit hun ellende, uit hun armoede. Ze kennen geen vertegenwoordigers in de Poort, daar waar recht wordt gesproken, daar zitten de mannen van de stad bijeen om recht te verschaffen aan een ieder die recht zoekt. Maar weduwen, kinderen zonder vader en dus ook de vreemdelingen hebben daar geen stem, geen vertegenwoordiger. Het is de psalmdichter die zich gedwongen ziet bij God voor hen te pleiten.

Soms roept de Bijbel God aan om de mens tot nadenken te stemmen. Want als God kan zien omdat die ogen geschapen heeft en kan horen omdat die oren geschapen heeft zou de mens die van die God die ogen en oren heeft gekregen dan zelf ook niet horen en zien? De ellende zien van de armen, van de vreemdelingen, de smeekbeden om recht horen van de weduwen en de vreemdelingen? Het is daarom dat de Psalmist ons er op wijst dat je als mens pas gelukkig wordt als je je naaste lief hebt als jezelf, als je een rechtvaardige bent, mensen tot hun recht weet te laten komen, kortom als je de richtlijnen en de leer van de God van Israël weet te volgen en je daardoor weet te laten leiden. Je hoeft niet bang te zijn dat je broeder of zuster voor zijn of haar tijd zal sterven. Je hoeft niet bang te zijn dat zij die willen korten op de inkomens van de armsten, die jacht willen maken op de vreemdelingen en hen alle rechten willen ontzeggen uiteindelijk zullen winnen. Ze zullen van binnenuit vergaan.

Deze Psalm is een lied van hoop en vertrouwen, hoop dat het toch ondanks alles goed zal komen en vertrouwen op de richtlijnen voor de menselijke samenleving als grondslag voor een rechtvaardige samenleving. Volgens die richtlijnen worden rechters gekozen, zij die de armen vertrappen en de vreemdelingen onrecht willen aandoen zullen daarvoor zelf gestraft worden. Natuurlijk gaat dat niet vanzelf. Het is niet zo dat we met de Psalmist een liedje mee moeten zingen, onze ogen moeten sluiten en de handen vouwen en dan amen roepen en het is voor elkaar. Als God gesproken heeft en ons zijn richtlijnen en zijn Leer heeft gegeven, als wij weten dat we mogen horen op zijn Woord en mogen zien op zijn machtige daden mogen we dan niet zelf in beweging komen om de naaste recht te doen, zelf de weduwe en de wees in bescherming nemen, zelf de gastvrijheid betrachten waar de vreemdelingen onder ons recht op hebben? Elke dag mogen we dat weer opnieuw doen, ook vandaag.

Een pleitbezorger voor het welzijn van allen

Ester 9:29-10:3

29 Koningin Ester, de dochter van Abichaïl, stelde samen met de Jood Mordechai een tweede schrijven op om Poerim nadrukkelijk verplicht te stellen. 30 Er werden brieven gestuurd naar alle Joden in alle honderdzevenentwintig provincies van Ahasveros’ koninkrijk, met betuigingen van vriendschap en trouw. 31 Daarin werd de viering van Poerim op de vastgestelde tijd verplicht gesteld: ze moesten zich houden aan wat de Jood Mordechai hun had opgelegd-ook koningin Ester legde hun dit nu op-en de verplichtingen nakomen die zij voor zichzelf en voor hun nakomelingen waren aangegaan wat betreft vasten en weeklagen. 32 Esters bevelschrift bevatte bindende voorschriften voor de poerimdagen, en de inhoud ervan werd te boek gesteld. 1 Koning Ahasveros legde zowel het vasteland als de eilanden voor de kust belasting op. 2 Al zijn machtige daden en krijgsverrichtingen zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Medië en Perzië, evenals alle bijzonderheden over de hoge positie die hij Mordechai had gegeven. 3 Mordechai, de Jood, volgde in rang immers onmiddellijk op koning Ahasveros. Hij stond bij de Joden in aanzien en was bij hen allen geliefd, want hij streefde het geluk van zijn volk na en was een pleitbezorger voor het welzijn van allen die tot dit volk behoorden. (NBV)

En zo komt ons Carnavalsverhaal uit de Bijbel ten einde. Koningin Ester en minister Mordechai stellen een feestdag in die voortaan door iedereen moet worden gehouden. Wie echt heeft meegelezen in het boek Ester blijft wellicht zitten met een paar vragen. Waar halen die Mordechai en Ester eigenlijk de moed vandaan om een feest voor heel hun volk in te stellen? Feesten werden toch voorgeschreven door God? In de Joodse Bijbel zijn de eerste vijf boeken vol van voorschriften over dit soort feesten en het Poerim of Carnavalsfeest staat daar niet in. Trouwens als je het boek Ester nauwkeurig leest komt die hele God waar ze het altijd over hebben in dat hele boek helemaal niet voor. Hoort dat boek dan wel in de Bijbel? Die laatste vraag is zo gek nog niet want daar hebben de geleerden eeuwen over getwijfeld. Maarten Luther bijvoorbeeld, de hervormer die de Bijbel in de landstaal vertaalde, stelde voor het boek Ester maar uit de Bijbel weg te laten.

Dat was wat moeilijk want dat boek stond niet alleen in de Christelijke Bijbel maar ook in de Joodse Bijbel en volgens de Christelijke Bijbel moet je niks uit de Joodse Bijbel weg laten. Het boek hoort dus bij het verhaal over Israël en de manier waarop we in de wereld met elkaar om moeten gaan. Dat de beschermers van het volk, de bevrijders van angst en haat in dit geval, de herinnering aan die bevrijding levend willen houden is een legitieme zaak. Voor ons is het verhaal hoogst actueel. Er wordt in ons land nog wel eens geageerd tegen politici met een zogenaamde dubbele nationaliteit. Zij zijn niet in Nederland geboren en bijvoorbeeld de Marokkaanse nationaliteit die ze nooit kunnen opgeven, Marokko verbiedt dat in de wet. Maar net als Mordechai werden zij wel dienaren van de Kroon. Onder ede verklaarden ze dat ze de Nederlandse wet zullen handhaven en de grondwet zullen respecteren, dat ze trouw zijn aan de kroon kortom.

Er is ooit wel eens gepleit voor het opnemen van de Joods-Christelijke-Humanistische traditie in onze grondwet. Die traditie laat dus volstrekt toe dat vreemdelingen die bij je eigen land zijn gaan horen daar ook hoge posten in vervullen. David had een vreemdeling als generaal in dienst, Mordechaï werd rechter als vreemdeling in ballingschap. Zo sluiten we het carnavalsverhaal over de omgekeerde wereld af. Een wereld waar de onze zich voortdurend tegen verzet maar waaraan een deel van het volk een paar dagen per jaar de herinnering levend houdt. Het moet ons inspireren om ook de rest van het jaar de bestaande wereld te blijven toetsten op het gevolg voor minderheden. Weten wij ze in vrede en vrijheid onder ons te laten leven? Of tolereren we Hamans in onze top om de minderheden te kunnen kwetsen en vervolgen?

…en geschenken gaven aan de armen.

Ester 9:24-28

24 Want zo was het gegaan: Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag en de vijand van alle Joden, had een plan beraamd om de Joden uit te roeien. Hij had het poer, dat wil zeggen het lot, laten werpen om paniek onder hen te zaaien en hen te kunnen uitroeien. 25 Maar nadat Ester zich tot de koning had gewend, gaf deze niet alleen toestemming om een brief te schrijven, maar besloot hij ook dat het onheil dat Haman met zijn verderfelijke plan tegen de Joden had beraamd, op diens eigen hoofd zou neerkomen. Hij en zijn zonen werden aan de paal gehangen. 26 Het is naar het woord poer dat deze dagen Poerim worden genoemd. Daarom-vanwege de inhoud van het schrijven van Mordechai, en vanwege alles wat ze hadden meegemaakt en wat hun was overkomen 27 namen de Joden de verplichting op zich om deze beide dagen nooit ongemerkt voorbij te laten gaan, maar ze elk jaar te vieren op de voorgeschreven wijze en op de vastgestelde tijd. Ze wilden dit tot een vast gebruik maken voor zichzelf en voor hun nakomelingen, en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten. 28 De herinnering aan deze dagen moest levend gehouden worden: ze moesten worden gevierd door elke generatie en door elke familie, in iedere provincie en in iedere stad. Nooit mocht de viering van deze poerimdagen bij de Joden in onbruik raken, en ook bij hun nakomelingen mochten ze niet in vergetelheid raken. (NBV)

“Het feest kan beginnen want wij zijn binnen”, de beroemde eerste regel van een carnavalsliedje dat tijdens de carnavalsdagen weer uit vele kelen in ons land heeft geklonken. In het weekeinde wordt het Carnaval al gevierd. Eigenlijk is het alleen zondag, maandag en dinsdag Carnaval, maar echte feestvierders moeten oefenen en zijn al op 11 november begonnen en nemen de kans waar om niet drie maar vijf dagen achtereen feest te vieren. De Joden kregen de opdracht hun Carnaval, het Poerimfeest, elk jaar te vieren. De dagen dat ze geen angst meer hoefden te hebben mochten ze nooit ofte nimmer vergeten. Altijd weer worden er mensen verdrukt en uitgebuit, altijd weer zijn er groepen in een samenleving die anderen haten en proberen geweld aan te doen. Ook in onze samenleving komen we dat tegen.

Daarom mogen mensen voor zichzelf opkomen. Daarom is er vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van drukpers, vrijheid van vereniging. Daarom staat er in onze grondwet dat niemand gediscrimineerd mag worden op grond van ras, godsdienst, sekse of leeftijd. Ras bestaat eigenlijk niet maar bedoeld wordt dat je niemand mag discrimineren op grond van het uiterlijk of afkomst. Die vrijheden en dat grondwetsartikel maken dat ook wij rustig Carnaval kunnen gaan vieren. De Bijbelse kenmerken van een goed feest gaan echter iets verder dan samen eten en drinken. Verder, want dat eten en drinken hoort er echt bij. Maar ook het geschenken geven aan de armen. Juist die schijnbare kleinigheid, het denken aan en delen met anderen, maakt een Bijbels feest zo uniek.

De vijand werpt het lot, het kwade treed altijd schijnbaar toevallig op, bedreiging komt altijd van een kant die je niet verwacht, dat zit in het woord Poerim, dat lot betekent, gevangen. Maar het feest betekent dat er geen enkele bedreiging ons af hoeft te houden van de keuze voor het leven. Het betekent dat iedereen altijd voor zichzelf kan opkomen en dat de basis voor onze samenleving is dat iedereen gelijkwaardig is en dat iedereen mee mag doen. Daar moeten we een heel jaar weer hard aan gaan werken, maar drie dagen lang zetten we een masker op en niemand die meer ziet wie je bent. Verborgen is je afkomst zoals Ester haar afkomst verborgen hield voor de Koning. En ook al wonen we in streken van ons land waar het Carnaval niet wordt gevierd we kunnen leren van het Carnavalsverhaal uit de Bijbel, vandaag, en de komende dagen.

Een dag van feestmalen en feestvreugde

Ester 9:16-23

16-17 Ook de andere Joden, elders in de provincies van het koninkrijk, hadden zich aaneengesloten en hun leven verdedigd. Op de dertiende dag van de maand adar verzekerden zij zich van rust door vijfenzeventigduizend van hun belagers te doden; hun bezittingen echter raakten ze met geen vinger aan. Op de veertiende van die maand hadden ze rust, en ze maakten van die dag een dag van feestmalen en feestvreugde. 18 (De Joden in Susa daarentegen, die zich op zowel de dertiende als de veertiende van die maand aaneengesloten hadden, hadden rust op de vijftiende en maakten van die dag een feestdag.) 19 Zo komt het dat de Joden van het platteland, die in niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand adar vieren met feestvreugde en feestmalen en elkaar op die dag lekkernijen sturen. 20 Mordechai stelde al deze gebeurtenissen op schrift en hij stuurde brieven naar de Joden in alle provincies van koning Ahasveros’ rijk, of ze nu dichtbij woonden of ver weg. 21 Daarin verplichtte hij hen ertoe om elk jaar opnieuw zowel de veertiende als de vijftiende dag van de maand adar te vieren, 22 omdat dit de dagen waren waarop de Joden rust gekregen hadden en niet meer door hun vijanden werden bedreigd, en omdat dit de maand was waarin droefheid was veranderd in vreugde en waarin rouw was veranderd in feest. Ze moesten er dagen van feestmalen en feestvreugde van maken, dagen waarop ze elkaar lekkernijen stuurden en geschenken gaven aan de armen. 23 De Joden gaven gevolg aan wat Mordechai hun schreef, en maakten zo een vast gebruik van iets waarmee ze zelf al een begin hadden gemaakt. (NBV)

Je moet niet denken dat als je je een dagje tegen je vijanden hebt mogen verzetten je rustig bij de pakken neer kunt gaan zitten. Ja, in de provincie, waar die rare wetten niet vandaan komen, maar in de hoofdstad lopen altijd meer intriganten rond dan je verwacht. Daarom vraagt Ester om haar volk in de hoofdstad nog een dagje extra te geven. En terwijl de rest van het volk feest kan vieren ruimen de Joden in de hoofdstad de laatste haarden van haat uit. Ester heeft de koning onder de indruk weten te brengen. Dat Joodse volk was kennelijk vrij van angst. Ze durfden op te treden tegen de machtigste families uit het land. De familie van Haman was immers ook een heel machtige familie. Die Joden hoorden er zelfs niet bij. Ze waren ooit in ballingschap gevoerd uit hun eigen land. Ze hadden eigenaardige gewoonten, ze aten anders, ze kleedden zich anders en ze hadden een dag vrij in de week. En toch trokken die Joden op tegen degenen die hen zo hadden gehaat.

Daarom kreeg Ester die dag extra. En reken maar dat ook de Joden van Susan de dag er op zijn gaan feestvieren. Zo komen we tot drie dagen carnaval. Moeten wij hiervan leren? Natuurlijk. Ook onder ons lijkt de haat tegen vreemdelingen die anders geloven toe te nemen. Ook onder ons zijn hoge bestuurders die willen dat die vreemdelingen met hun vreemde voedingsgewoonten, hun andere kledij, hun gebedsgewoonten en hun vrije vrijdag uit onze samenleving verdwijnen. En we moeten kennelijk oppassen dat er op een kwade dag niet een wet wordt uitgevaardigd die hen het recht geeft zich tegen het geweld van de haters te verdedigen. Maar het is en blijft een carnavalsverhaal. Het gedeelte dat we vandaag lezen eindigt met het purim feest, het feest van het lot, het lot dat werd geworpen en dat viel in het voordeel van het volk van Israël. Het feest waarop duidelijk werd dat aan de minderheden recht werd gedaan.

Dat feest is een verkleedfeest, de deftige kleren van Haman gaan over op de Jood Mordechai, daarom hullen de kinderen zich in kleurige lappen. En als in de synagoge uit de feestrol Ester wordt gelezen dan ratelen de kinderen met hun ratels iedere keer als de naam Haman wordt gelezen zodat niemand meer die gevaarlijke naam hoeft te horen. Wordt ook bij ons een naam uitgewist? Het is niet te hopen. Voor ons is een naam als Haman ook een waarschuwing. Een waarschuwing dat wij onze minderheden recht moeten doen. Een waarschuwing dat in de Joods- Christelijke traditie staat dat we maaltijd moeten houden met de vreemdelingen die bij ons willen horen. Misschien moeten we dan wel de Hamansoren eten die ook op het Purimfeest worden gegeten. En heel misschien moeten we elke zondag wel tot een Purimfeest maken waarop we allemaal vrij zijn en de zwaksten in het middelpunt van onze samenleving zetten, samen met de vreemdelingen onder ons.

Hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan

Ester 9:1-15

1 De dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, brak aan, de dag waarop het bevel en de wet van de koning zouden worden uitgevoerd, de dag waarop de vijanden van de Joden hen in hun macht hoopten te krijgen. Maar het omgekeerde gebeurde: het waren juist de Joden die hun belagers in hun macht kregen. 2 Die dag sloten de Joden zich in alle steden aaneen, in alle provincies van koning Ahasveros’ rijk, om hen die op hun ondergang uit waren om te brengen. Niemand hield stand tegen de Joden, want angst voor hen had zich van alle volken meester gemaakt. 3 De hoofden van alle provincies, de satrapen, de gouverneurs en de koninklijke ambtenaren steunden de Joden uit angst voor Mordechai. 4 Mordechai had immers een hoge positie in het paleis en zijn faam verbreidde zich over alle provincies; hij werd hoe langer hoe machtiger. 5 De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en zaaiden dood en verderf, ze deden met hun belagers wat ze wilden. 6 In de burcht van Susa doodden ze niet minder dan vijfhonderd man. 7 Ook doodden ze Parsandata, Dalfon en Aspata, 8 Porata, Adalja en Aridata, 9 Parmasta, Arisai en Aridai en Waizata, 10 de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Joden. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan. 11 Toen de koning die dag vernam hoeveel mensen er in de burcht van Susa gedood waren, 12 zei hij tegen koningin Ester: ‘Alleen al in de burcht van Susa hebben de Joden vijfhonderd man gedood, ook de tien zonen van Haman. Hoeveel tegenstanders zullen ze dan wel niet hebben gedood in de andere provincies van het rijk! Wat wilt u verder nog vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Hij zal vervuld worden.’ 13 Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij de Joden in Susa dan toestemming geven om ook morgen te handelen volgens de wet die voor vandaag geldt. En laat hij hun toestaan om de lijken van Hamans tien zonen aan een paal te hangen.’ 14 De koning gaf bevel dat het zo zou gebeuren. Er werd in Susa een wet uitgevaardigd, en ook werden de tien zonen van Haman opgehangen. 15 De Joden in Susa sloten zich dus ook op de veertiende dag van de maand adar aaneen en ze doodden in Susa nog eens driehonderd man. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan. (NBV)

Mensen die geweld willen gebruiken lijken het nooit te leren. Zelfs als de maatschappelijke wind zich tegen hen keert gaan ze met dichte ogen door. In het verhaal van Ester zijn het de Joden die zich aaneensluiten en zich weten te verdedigen. Het middenkader van de Staat had heel goed begrepen waar de juiste politieke wind vandaan kwam en steunde de Joden in hun verzet. De wet van de Koning die hen het recht gaf zich te verdedigen gaf hen ook het recht het bezit van hen die sneuvelden tot hun eigendom te maken. Maar heel uitdrukkelijk wordt gezegd dat ze die bezittingen niet aanraakten. Het geweld is een keuze voor het leven en tegen de dood. Het geweld is niet bedoeld om macht uit te oefenen of te krijgen, het is niet bedoeld om er zelf rijker van te worden.

Vandaag lijkt dat wat anders te gaan. Wie het geweld in het Missen Oosten vergelijkt met het geweld van de internationale gemeenschap in Afrika kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de belangen van de westerse naties in het Midden Oosten veel groter zijn dan de belangen in Afrika. In het Midden Oosten gaat het misschien ook wel meer om zelfverdediging dan om de bescherming van weerloze burgers tegen een dolgedraaide dictator. En cynisch opgemerkt kan misschien gezegd worden dat de vluchtelingen uit Afrika te ver van het Italiaanse Lampedusa en het Griekse Lesbos wonen. Maar een wereld waar tijdig wordt ingegrepen als onschuldige en ongewapende burgers worden bedreigd met geweld en er geen regering is om hen te beschermen is nog ver weg.

In het verhaal van Ester is het Mordechai die het recht vertegenwoordigd die de wet voor elkaar krijgt die zelfverdediging toestaat, dat in tegenstelling met Haman in die alleen uit is op eigen macht. Dat ons internationaal recht zich beweegt in de richting van Mordechai en de Hamans uit deze wereld niet langer in bescherming neemt gaat nog maar heel langzaam. Dictators in deze wereld die moorden en roven blijven maar al te vaak buiten schot. Er zijn er die voor het internationale strafhof zijn gedaagd. En het strafhof zelf is ook nog jong. Pas na de tweede wereldoorlog zijn er tribunalen ingesteld. Maar hoeveel daders van hoeveel genocides hebben het lot van Haman moeten delen? Dat zijn er nog maar heel weinig. Het verhaal van Ester is een verhaal van deze wereld omgekeerd. Niet alleen de wereld van enkele honderden jaren voor de geboorte van Christus, maar ook van de wereld van de eenentwintigste eeuw. Wij zijn nog lang niet klaar met het omkeren van onze wereld van een wereld vol geweld naar een wereld vol recht en gerechtigheid. Zolang wij de armen zichzelf laten verdedigen, valt er nog een heleboel werk te verzetten. Het is maar goed dat we er elke dag weer opnieuw aan mogen beginnen, ook vandaag weer.

Hun bezittingen mochten ze buitmaken.

Ester 8:3-17

3 Opnieuw wendde Ester zich tot de koning. Huilend viel ze aan zijn voeten en smeekte hem het verderfelijke plan te verijdelen dat Haman, de nakomeling van Agag, tegen de Joden had beraamd. 4 De koning stak Ester de gouden scepter toe, waarna ze opstond, voor de koning ging staan 5 en zei: ‘Als het de koning goeddunkt en hij mij goedgezind is, als het de koning juist lijkt en hij op mij gesteld is, laat er dan een schrijven uitgaan dat de brieven herroept die geschreven zijn door Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, waarin zijn plan staat om in alle provincies van het rijk de Joden uit te roeien. 6 Want hoe zou ik het onheil dat mijn volk treft kunnen aanzien? Hoe zou ik het uitroeien van mijn familie kunnen aanzien?’7 Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester en tegen de Jood Mordechai: ‘Hamans bezittingen heb ik al aan Ester gegeven en hijzelf is aan de paal gehangen omdat hij de Joden om het leven wilde brengen. 8 Stel nu zelf, in naam van de koning, een verordening op schrift die volgens u in het belang van de Joden is, en verzegel die met de koninklijke zegelring. Want wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning kan niet worden herroepen.’ 9 Meteen daarna, op de drieëntwintigste dag van de derde maand, de maand siwan, werden de schrijvers van de koning ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Mordechai het wilde en dat gericht was aan de Joden, aan de satrapen en de gouverneurs, en aan de hoofden van alle provincies, van India tot Nubië, honderdzevenentwintig provincies. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal, ook voor de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. 10 Mordechai liet dit bevel schrijven in naam van koning Ahasveros en verzegelde het met de zegelring van de koning. Door boden die snelle paarden bereden, gefokt in de koninklijke stoeterij, liet hij brieven verspreiden 11 waarin stond dat de koning de Joden in alle steden het recht gaf om zich aaneen te sluiten en hun leven te verdedigen; iedere groep gewapenden van welk volk of uit welke provincie ook die hen en hun vrouwen en kinderen zou willen aanvallen, mochten ze tot de laatste man doden, en hun bezittingen mochten ze buitmaken. 12 In alle provincies van koning Ahasveros zou dit recht gelden voor één bepaalde dag, en wel de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar. 13 In alle provincies moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt worden, zodat de Joden zich tegen de genoemde dag gereed konden houden om zich op hun vijanden te wreken. 14 Op bevel van de koning vertrokken de boden op hun snelle, koninklijke paarden met de grootste spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd. 15 Mordechai verliet de koning in een koninklijk gewaad van fijn linnen, blauwpurper en wit van kleur, en hij droeg een grote gouden kroon en een roodpurperen mantel van byssus. De stad Susa juichte en was opgetogen. 16 Voor de Joden brak er een tijd aan van licht en vreugde, blijdschap en eer. 17 In alle provincies en in alle steden heerste onder de Joden vreugde en blijdschap zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden; er werden maaltijden aangericht en er werd feest gevierd. En uit alle volken van het land sloten zich velen bij de Joden aan, want angst voor de Joden had zich van hen meester gemaakt.(NBV)

Voor even mocht Mordechai de Jood koning zijn over de halve wereld. Niet om zijn macht op te leggen aan anderen. Niet om zelf feest te kunnen vieren op kosten van anderen, nee, om een wet te verspreiden waarbij hij en zijn volk zich konden verdedigen tegen hun vijanden. Dat recht om je te verdedigen tegen je vijanden wordt maar weinig toegekend. Hoe groot de bedreiging ook is, meestal wordt gekozen voor overleg en acceptatie. Dan moet er maar een oplossing gezocht worden. Zoals die Armeniërs die in 1915 massaal de woestijn werden ingestuurd zonder dat de wereld een hand uitstak. Nu praten ze over volkerenmoord en de Turken die ze militair moesten begeleiden kunnen daar kwaad over worden maar alle verenigde volkeren keken toe en zwegen. Ook vandaag de dag zwijgen de volken soms als er geweld wordt gebruikt om eigen eer, macht en bezit te verdedigen ten koste van anderen.

De vluchtelingen die uit Syrië in Libanon verzeild zij geraakt werden niet bewapend, ze werden lang ook niet militair beschermd trouwens. Het geweld verhinderde hulporganisaties om voedsel en medicijnen te brengen naar Noord Syrië zodat met de mensen uit dit gebied hetzelfde gebeurd als met de Armeniërs een eeuw geleden. En weer zwegen de naties ondraaglijk lang. In ons land gaat het alleen om het tegenhouden van vluchtelingen, niet om hulp en bescherming, ga maar eens in Griekenland kijken. Zo lang het moorden uit de lucht niet te zien is mag het doorgaan, Isis heeft daardoor toch een probleem gekregen omdat zij de moorden op internet publiceerden. De zelfverdediging die Mordechai mogelijk maakte leidde tot feesten en maaltijden. En velen sluiten zich daarbij aan want je wilt wel horen bij een volk dat zichzelf mag verdedigen. Zeker als je de vijanden, die ondanks deze wet toch geweld willen gebruiken, mag doden en hun bezittingen mag inpikken. Het is de omgekeerde wereld.

Niet als slachtoffer blijven zitten met as op je hoofd, de eerdere rol van Mordechai, maar als Koning door de stad rijden omdat jij de wet mag uitvaardigen die jou en je volk het leven geeft. Het was een Heidense Wet, een onveranderlijke wet, een Wet onder het zegel van een Heidense Koning. Daarom ook niet een Wet van vergeving, een wet van geweldloosheid, een wet van meegaan met de vijand. Als de keuze er is tussen leven en dood dan gebied de oude wet van de woestijn te kiezen voor het leven. En als Joden elkaar toedrinken op het Joodse Carnaval, het Poerimfeest, als dit boek van Ester wordt gelezen, dan drinken ze “op het leven”. Zo mogen ook wij kiezen voor het leven, niet alleen het leven voor onszelf en ons eigen volk, maar ook voor het leven van hen die met geweld worden bedreigd. Hoewel we een klein land zijn, is dit land wel zo rijk en haar bondgenootschappen zo machtig dat we niet meer hoeven te zwijgen als andere volken worden uitgemoord. Nu niet en nooit niet.