Een dag van feestmalen en feestvreugde

Ester 9:16-23

16-17 Ook de andere Joden, elders in de provincies van het koninkrijk, hadden zich aaneengesloten en hun leven verdedigd. Op de dertiende dag van de maand adar verzekerden zij zich van rust door vijfenzeventigduizend van hun belagers te doden; hun bezittingen echter raakten ze met geen vinger aan. Op de veertiende van die maand hadden ze rust, en ze maakten van die dag een dag van feestmalen en feestvreugde. 18 (De Joden in Susa daarentegen, die zich op zowel de dertiende als de veertiende van die maand aaneengesloten hadden, hadden rust op de vijftiende en maakten van die dag een feestdag.) 19 Zo komt het dat de Joden van het platteland, die in niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand adar vieren met feestvreugde en feestmalen en elkaar op die dag lekkernijen sturen. 20 Mordechai stelde al deze gebeurtenissen op schrift en hij stuurde brieven naar de Joden in alle provincies van koning Ahasveros’ rijk, of ze nu dichtbij woonden of ver weg. 21 Daarin verplichtte hij hen ertoe om elk jaar opnieuw zowel de veertiende als de vijftiende dag van de maand adar te vieren, 22 omdat dit de dagen waren waarop de Joden rust gekregen hadden en niet meer door hun vijanden werden bedreigd, en omdat dit de maand was waarin droefheid was veranderd in vreugde en waarin rouw was veranderd in feest. Ze moesten er dagen van feestmalen en feestvreugde van maken, dagen waarop ze elkaar lekkernijen stuurden en geschenken gaven aan de armen. 23 De Joden gaven gevolg aan wat Mordechai hun schreef, en maakten zo een vast gebruik van iets waarmee ze zelf al een begin hadden gemaakt. (NBV)

Je moet niet denken dat als je je een dagje tegen je vijanden hebt mogen verzetten je rustig bij de pakken neer kunt gaan zitten. Ja, in de provincie, waar die rare wetten niet vandaan komen, maar in de hoofdstad lopen altijd meer intriganten rond dan je verwacht. Daarom vraagt Ester om haar volk in de hoofdstad nog een dagje extra te geven. En terwijl de rest van het volk feest kan vieren ruimen de Joden in de hoofdstad de laatste haarden van haat uit. Ester heeft de koning onder de indruk weten te brengen. Dat Joodse volk was kennelijk vrij van angst. Ze durfden op te treden tegen de machtigste families uit het land. De familie van Haman was immers ook een heel machtige familie. Die Joden hoorden er zelfs niet bij. Ze waren ooit in ballingschap gevoerd uit hun eigen land. Ze hadden eigenaardige gewoonten, ze aten anders, ze kleedden zich anders en ze hadden een dag vrij in de week. En toch trokken die Joden op tegen degenen die hen zo hadden gehaat.

Daarom kreeg Ester die dag extra. En reken maar dat ook de Joden van Susan de dag er op zijn gaan feestvieren. Zo komen we tot drie dagen carnaval. Moeten wij hiervan leren? Natuurlijk. Ook onder ons lijkt de haat tegen vreemdelingen die anders geloven toe te nemen. Ook onder ons zijn hoge bestuurders die willen dat die vreemdelingen met hun vreemde voedingsgewoonten, hun andere kledij, hun gebedsgewoonten en hun vrije vrijdag uit onze samenleving verdwijnen. En we moeten kennelijk oppassen dat er op een kwade dag niet een wet wordt uitgevaardigd die hen het recht geeft zich tegen het geweld van de haters te verdedigen. Maar het is en blijft een carnavalsverhaal. Het gedeelte dat we vandaag lezen eindigt met het purim feest, het feest van het lot, het lot dat werd geworpen en dat viel in het voordeel van het volk van Israël. Het feest waarop duidelijk werd dat aan de minderheden recht werd gedaan.

Dat feest is een verkleedfeest, de deftige kleren van Haman gaan over op de Jood Mordechai, daarom hullen de kinderen zich in kleurige lappen. En als in de synagoge uit de feestrol Ester wordt gelezen dan ratelen de kinderen met hun ratels iedere keer als de naam Haman wordt gelezen zodat niemand meer die gevaarlijke naam hoeft te horen. Wordt ook bij ons een naam uitgewist? Het is niet te hopen. Voor ons is een naam als Haman ook een waarschuwing. Een waarschuwing dat wij onze minderheden recht moeten doen. Een waarschuwing dat in de Joods- Christelijke traditie staat dat we maaltijd moeten houden met de vreemdelingen die bij ons willen horen. Misschien moeten we dan wel de Hamansoren eten die ook op het Purimfeest worden gegeten. En heel misschien moeten we elke zondag wel tot een Purimfeest maken waarop we allemaal vrij zijn en de zwaksten in het middelpunt van onze samenleving zetten, samen met de vreemdelingen onder ons.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *