Daar zaten wij treurend

Psalm 137

1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij treurend en dachten aan Sion. 2 In de wilgen op de oever hingen wij onze lieren. 3 Daar durfden onze bewakers te vragen om een lied, daar vroegen onze beulen: ‘Zing voor ons een vrolijk lied uit Sion.’ 4 Hoe kunnen wij zingen een lied van de HEER op vreemde grond? 5 Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn hand de snaren vergeten. 6 Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven als ik niet meer denk aan jou, als ik Jeruzalem niet stel boven alles wat mij verheugt. 7 Gedenk, HEER, de dag van Jeruzalems val, toen het volk van Edom zei: ‘Neer met die stad, neer, maak haar met de grond gelijk.’ 8 Babel, weldra word je verwoest. Gelukkig hij die wraak zal nemen en jou doet wat jij ons hebt gedaan. 9 Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert. (NBV)

Nog ruim 40 dagen en we zijn weer op stille zaterdag, al zal het vandaag ook wel stil blijven. Het is een dag dat we met Boney M zingen van de rivieren van Babel,” the rivers of Babilon”, waar we treurend terneer zaten en onze lieren in de wilgen hingen.
Het lijkt er op dat je niet erg veel verder brengt. Maar zo is het natuurlijk niet. We lezen hier met grote regelmaat het verhaal van Jezus van Nazareth en het goede nieuws over zijn Koninkrijk van recht en vrede. Een Koninkrijk waar geen grenzen aan zijn en waar uiteindelijk iedereen op de hele wereld aan mee mag doen. We hebben gelezen over de gevluchte slaven in de Woestijn die een volk werden en een heel nieuw soort godsdienst kregen aangereikt. Een godsdienst waar niet het beeld van God centraal staat maar een verdrag. Een verdrag met richtlijnen voor een menselijke samenleving. Richtlijnen die zeggen dat je niet zomaar andere goden na mag lopen.

Richtlijnen die zeggen dat je ook niet zomaar mag zeggen dat God wil wat jij wilt, dat je daarom ook nooit vergeten mag dat je van slaven afstamt en dus je vader en moeder niet mag ontkennen, Richtlijnen die zeggen dat je de waarheid moet spreken in een proces, dat rechtspraak en gerechtigheid toegankelijk moeten zijn voor iedereen, zeker ook voor de armen. Richtlijnen die zeggen dat je niet alles moet willen hebben wat ook een ander heeft, dat je respect moet hebben voor mensen en dieren, kortom dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en dat dat het hart van je Godsdienst is. We hebben gelezen van de Heilige Tent in de Woestijn waar die richtlijnen werden bewaard en brood stond om aan het delen te herinneren.

We hebben van de rechters gelezen die het volk steeds weer bij die richtlijnen betrokken en van de profeet die het volk die godsdienst steeds voorhield. En vandaag zingt de kerk dat ze Jeruzalem toch niet moeten vergeten. Daar stond immers die tempel en daar werd die leer van Mozes bewaard. Daar zullen we dus van blijven spreken en blijven zingen. Niks de lieren in de Wilgen, opstaan zullen we moeten, net als veel jongeren, tegen dictaturen en onderdrukking. Binnenkort naar de Dam in Amsterdam voor een klimaatbeleid dat de aarde leefbaar houdt voor onze kinderen en kleinkinderen. Dit jaar stemmen we ook voor een samenleving waar ook vreemdelingen mee mogen doen, waar eerlijk delen voorop staat en eerlijke handel ook met de armste landen in de wereld. Dan zal er vreugde zijn.

Ik trof schurken aan onder mijn volk

Jeremia 5:15-31

15 Israël, ik stuur een volk uit verre streken op je af- spreekt de HEER. Dat volk is taai, dat volk is eeuwenoud, het spreekt een taal die je niet kent, je kunt hun woorden niet verstaan. 16 De pijlkokers van de soldaten, allen onverschrokken strijders, zijn een open graf. 17 Dat volk verslindt je oogst en je voedsel, je zonen en je dochters, je geiten, schapen, koeien, je wijnstokken en vijgenbomen. Het verwoest je vestingsteden, de burchten waarop je vertrouwt. 18 Maar als het zover is, zal ik ze toch niet vernietigen-spreekt de HEER. 19 En als ze vragen: “Waarom heeft de HEER, onze God, ons dit alles aangedaan?” antwoord hun dan: “Jullie hebben mij toch verlaten en zijn vreemde goden gaan dienen in je eigen land? Jullie zullen vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.” 20 Zeg het volk van Jakob en roep Juda toe: 21 Luister toch, dwaas en onverstandig volk, dat ogen heeft, maar niet ziet, en oren heeft, maar niet hoort. 22 Hebben jullie geen ontzag voor mij? -spreekt de HEER. Beven jullie niet voor mij? Ik heb met zand de zee aan banden gelegd, haar een vaste grens gesteld. Haar golven donderen, maar tevergeefs, ze bruisen onstuimig, maar worden gestuit. 23 Maar dit volk is koppig en opstandig, het is zijn eigen weg gegaan. 24 Zij zeiden niet: “Wij moeten ontzag hebben voor de HEER, onze God, die ons tijdig regen geeft, in het najaar en het voorjaar, die een vaste oogsttijd geeft.” 25 Jullie zonden hebben deze orde verstoord, welvaart bleef door jullie wandaden uit. 26 Ik trof schurken aan onder mijn volk, ineengedoken als vogelvangers loeren ze rond. Ze zetten een val, ze jagen op mensen. 27 Zoals een korf vol vogels is, zo zijn hun huizen vol gestolen goed. Daardoor zijn ze machtig en rijk. 28 Ze zijn vadsig en vet en slechter dan slecht. Ze staan het recht in de weg, wat wezen toekomt laat hun koud, de belangen van de armen dienen ze niet. 29 Zou ik zo’n volk niet straffen? -spreekt de HEER. Zou ik mij niet wreken op een volk dat zoiets doet? 30 Verschrikkelijke dingen, ongehoord, gebeuren in dit land: 31 de profeten profeteren leugens, de priesters treden eigenmachtig op. En dat bevalt mijn volk! Wat zullen jullie doen als je einde nadert? (NBV)

Jeremia richt zich niet tot vreemde volken, tot volken waar andere goden als de God van Israël wordt gediend. Jeremia richt zich tot Israël. Die vreemde volken, waarvan je de taal niet kunt verstaan, worden gebruikt om het volk weer tot de orde te roepen. Als wij het hebben over vreemdelingen die wij niet kunnen verstaan en voor wie wij bang worden gemaakt moeten we ons realiseren dat die volken door onze God gebruikt zouden kunnen worden om ons tot de orde te roepen, de orde die God voor zijn gelovigen wil hebben. Het leed dat er uit kan voortkomen is dus niet door die vreemdelingen ons aangedaan maar dat hebben we over ons afgeroepen door niet te luisteren naar wat de God van Israël van plan is. Jeremia roept het volk op weer terug te keren naar de dienst aan de God van Israël.

Waarom we vandaag dit gedeelte lezen weet ik niet maar Jeremia spreekt over het klimaat waarvan de orde door het volk Israël werd verstoord. De God van Israël heeft de aarde zo geschapen dat er in het voor en in het najaar regen valt en er een vaste oogsttijd is. Die orde is er voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen en voor die orde mogen we dankbaar zijn. Elke zeven dagen hoort daar dan ook een dag van rust bij want we zijn geen slaven van de arbeid die de orde van God vraagt maar we zijn door die God van de slavernij bevrijd. Het volk Israël was koppig en heeft niet geluisterd. Ook wij kennen de mensen die koppig zijn en die van het verstoren van de orde van God niet willen horen.

Jeremia noemt die klimaatsceptici schurken, ze stelen van de armen en hun rijkdom komt niet door hard werken of een grote verantwoordelijkheid maar door diefstal. Ze zijn vadsig en vet, slechter dan slecht. Ze zorgen dat arme mensen geen recht meer kunnen halen. In onze dagen zorgen deze schurken er voor dat de toegang tot de recht, de gang naar de rechter, zo duur wordt dat het voor armen niet meer te betalen is. Luisteren naar advocaten is er dus niet bij want het gaat om grote belangen voor de rijken. Men probeert ons wijs te maken dat de diefstal door de rijken, de bonussen en de onverklaarbare inkomensverschillen nodig zijn om te kunnen blijven werken. Maar daarmee wordt ons werk, zonder wekelijkse vrije dag, wel weer slavenarbeid. De zorg voor de zwaksten en de toegang tot het recht zullen ook onder ons weer hersteld moeten worden.

Kijk om je heen

Jeremia 5:1-14

1 ‘Zwerf door de straten van Jeruzalem, vraag na, kijk om je heen, zoek op de pleinen of er iemand is die rechtvaardig handelt, die naar eerlijkheid streeft, dan zal ik Jeruzalem vergeven. 2 Als zij zweren: “Zo waar de HEER leeft, ”plegen zij niets dan meineed.’ 3 ‘HEER, u wilt toch dat ze eerlijk zijn? U sloeg hen, maar het raakte hen niet. U bracht hen aan de rand van de afgrond, zij weigerden van die straf te leren. Zij gingen onverdroten voort en weigerden terug te keren. 4 Ik dacht: Het zijn maar eenvoudige mensen, veel kennis hebben ze niet. Zij weten niet wat de HEER van hen vraagt, zijn niet bekend met het recht van hun God. 5 Ik zal me tot hun leiders richten, zij weten beslist wat de HEER van hen vraagt, zij zijn bekend met het recht van hun God. Maar ook zij hebben het juk gebroken, hoog en laag heeft zijn riemen losgerukt. 6 Daarom werden ze gedood door leeuwen uit het bos, verscheurd door wolven uit de steppe, daarom loerden panters op hun steden. Ieder die zich buiten waagde, werd verscheurd. Niet te tellen zijn hun misdaden, hun ontrouw bleek talloze malen.’ 7 ‘Waarom zou ik jullie vergeven? Jullie kinderen hebben mij verlaten, zij zwoeren bij wat geen goden zijn. Ik schonk hun overvloed, maar zij pleegden overspel, bij hoeren zijn ze kind aan huis. 8 Het zijn bronstige, hitsige hengsten, ze hinniken allen naar andermans vrouw. 9 Zou ik zo’n volk niet straffen? -spreekt de HEER. Zou ik mij niet wreken op een volk dat zoiets doet? 10 Bestorm de wijnterrassen, vertrap ze, maar vernietig ze niet helemaal. Ruk de ranken af, ze behoren de HEER niet toe. 11 Want Israël en Juda hebben mij bedrogen-spreekt de HEER. 12 Ze hebben de HEER niet ernstig genomen, ze zeiden: “Zo doet hij niet, ons zal geen onheil treffen, zwaard en honger blijven ons bespaard. 13 De profeten? Wind zijn ze, ze spreken niet de woorden van de HEER. Laat dat onheil hén maar treffen.” 14 Daarom-dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten: Omdat zij dit durven te zeggen, maak ik dit volk tot brandhout, maak ik mijn woorden in jouw mond tot een vlam die hen verslindt. (NBV)

Niemand wil graag horen dat er een ramp op komst is. We doen liever alsof we ons gemakkelijke leven nooit hoeven op te geven. Voor de Tweede wereldoorlog stuurde de regering uit Duitsland gevluchte Joden weer terug. In onze dagen hebben we daar ook een voorbeeld van. Dat we ons klimaat aan het verknoeien zijn door onze overmatige consumptie en verkeerde productie wordt door een aantal klimaatdrammers ontkent. Alleen de grote meerderheid van wetenschappers weten steeds weer uit te leggen en voor te rekenen dat ijskappen niet zo maar smelten, dat gletsjers niet zo maar kleiner worden en dat die veranderingen ook op de lange termijn gevolgen zullen hebben.

Het lijkt soms op de dialoog die Jeremia aangaat met zijn God. Die God heeft gewezen op de gevolgen van het leven in Jeruzalem. De armen worden arm gehouden de vreemdelingen mogen slavenarbeid verrichten en op elke straathoek staat een beeld van een afgod. Toch roepen ze plechtig dat de God van Israël hun heer is. Ze huichelen, Baäl betekent ook Heer en die roepen ze net zo vaak, of nog vaker aan. Die Baäl vraagt alleen offers, prachtig opgemaakt, broden, wijn, vruchten, het staat mooi en kost weinig. Echt zorgen voor de armen, de vreemdelingen recht verschaffen is veel duurder, kost bovendien nog een heleboek tijd die je dan niet in genot kan doorbrengen.

De inwoners van Juda, van Jeruzalem zouden een zeer harde les te verduren krijgen. Ze worden in ballingschap gevoerd. Wij hebben geen vijanden zoals zij, geen wereldmachten zoals dat kleine Israël had. Wij maken van Europa een wereldmacht. Ze zullen wel uitkijken ons land te veroveren. Maar dat hoeven ze ook niet. Als wij gewoon doorgaan met alleen maar genot te vragen, als we de armen armer maken en de rijken buiten beschouwing laten dan zal het water ons de rijkdom ontnemen. Dan ligt het strand bij Amersfoort. Dan kunnen we nog zo comfortabel bij een wereldrijk horen helpen doet het niet. Het kan anders. Door anders te produceren is de zure regen verdwenen, door de drijfgassen te verbieden is de ozonlaag weer hersteld. Als stoppen met de uitstoot van CO2 zal de opwarming van de aarde ophouden. Laat de woorden van de klimaatprofeten een vlam worden die de genotzoekers verslindt.

Vernietigen zal ik het niet

Jeremia 4:19-31

19 O bonzend hart! O razend hart! Ik krimp ineen van pijn! Ik kan niet zwijgen, tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal, hoor ik het krijgsgeschreeuw. 20 Ramp op ramp wordt gemeld, heel het land gaat te gronde. Plotseling zijn mijn tenten vernield, onverwacht mijn tentdoeken gescheurd. 21 Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien, de ramshoorn horen schallen? 22 De HEER zegt: ‘Dwaas is mijn volk, het is met mij niet vertrouwd. Het zijn kinderen zonder verstand, inzicht hebben ze niet. Zij zijn wel wijs, maar in het kwaad; tot het goede zijn ze niet in staat.’ 23 Ik zag de aarde, ze was woest en doods. Ik keek op naar de hemel, er was geen licht. 24 Ik zag de bergen, ze beefden, de heuvels, ze huiverden. 25 Ik keek, er waren geen mensen, alle vogels waren uit de lucht verdwenen. 26 Ik keek, elke boomgaard was een woestijn, alle steden waren verwoest-door toedoen van de HEER, door zijn brandende toorn. 27 Want dit zegt de HEER: ‘Heel het land wordt een woestenij, maar vernietigen zal ik het niet. 28 Hierom zal de aarde rouwen, de hemel boven zal in zwart gedompeld zijn, omdat ik gesproken heb en dit besloten heb. Ik volhard in mijn besluit, ik kom er niet op terug.’ 29 Voor de kreten van schutters en menners slaat heel de stad op de vlucht. Ze rennen de bossen in, beklimmen de rotsen. Heel de stad is verlaten, niemand woont er nog. 30 Jij, Juda, bent tot ondergang gedoemd, wat wil je nu nog doen? Al ga je gekleed in scharlaken, al ben je met goud getooid, al maak je je ogen op, tevergeefs maak je je mooi. Je wordt door je minnaars verworpen, ze staan je naar het leven. 31 Ik hoor een kreet van pijn, als van een vrouw die de eerste keer baart. Vrouwe Sion kreunt, zij heft haar handen ten hemel: ‘Wee mij! Ik bezwijk in handen van moordenaars.’ (NBV)

Volgens Jeremia moet er ergens een uitweg zijn blijven bestaan. Hij hoort zijn God praten over “mijn” volk als onderscheid met alle andere volken. Dat volk blijft dus van de God van Israël en daarmee blijft die God ook hun God. Maar als dat volk andere goden blijft nalopen, blijft doen wat in de wereld gebruikelijk is dan helpt er geen bidden en smeken aan. Ook in de zwartste dagen voor het volk van Juda laat de profeet Jeremia nog een enkel sprankje hoop bestaan, het land zal niet vernietigd worden. Het moet het soort hoop zijn dat Nelson Mandela het deed uithouden in de gevangenschap op Robbeneiland. Tientallen jaren duurde die gevangenschap maar als een ongebroken man kwam hij er uit. Juist omdat de strijd al die jaren was doorgegaan, juist omdat zijn gevangenschap een teken voor de hele bewoonde wereld was geworden. Maar zover is het nog lang niet voor Juda. Ze zal door een diep dal moeten gaan om te ervaren dat al die valse goden waar ze achteraan gelopen is niets waard zijn en geen mens kunnen helpen. Alleen de Weg van de God van Israël kan mensen helpen.

Als je die weg gaat zet je je onophoudelijk en zonder aarzelen voortdurend in voor de naaste, voor de minsten in de samenleving. Als een heel volk dat doet hoef je niet te roepen wanneer je zelf in nood zit, hulp is er dan in overvloed, want immers de God van Israël gaat zelf mee op die weg van heb uw naaste lief als uzelf. In het visioen van Jesaja is de aarde weer teruggekeerd naar de dagen voor de schepping, de aarde was woest en ledig, er was geen licht. Alles wat God had geschapen om de aarde tot een mensenland te maken was verdwenen, de aarde was weer woestijn. Want alleen de Weg van de God van Israël kan de aarde blijvend tot mensenland maken. Daarbij gaat het niet om het uiterlijk, verfraaien van mensen, verfraaien van gebouwen, verfraaien van steden, dat maakt van van de aarde nog geen mensenland. De bondgenoten die onder de indruk zouden kunnen zijn van al dat moois zijn de verkeerde bondgenoten die storten je eerder in het ongeluk. Ook in onze dagen kennen we de leiders van het volk die met de ogen dicht achter bondgenoten aanlopen en zich niet afvragen wat de gevolgen voor eenvoudige en weerloze mensen kunnen zijn, wat ook de gevolgen zijn voor het recht dat tussen volken behoort te heersen.

Niet de macht moet ons verleiden tot daden, niet de welvaart of de rijkdom moet ons onze vrienden laten uitkiezen. Niet het geweld en de smaak van overwinning moet ons in beweging zetten. Uit de manier waarop Jesaja hier de geschiedenis van de staatjes Israël en Juda schetst moet ons duidelijk worden dat wij onze geschiedenis anders moeten laten verlopen. In plaats van op de machtigen moeten we ons richten op de zwaksten op aarde. In plaats van op rijkdom en welvaart moeten we ons richten op honger en armoede. In plaats van op oorlog en geweld moeten we ons richten op vrede en gerechtigheid. Daarvoor moeten we geen aalmoezen geven als er weer eens een ramp gebeurd, verkeerd is het niet maar het bepaald niet onze richting van leven. Daarvoor moeten we eerlijke handelsverhoudingen scheppen. Daarvoor moeten we kennis overdragen die we konden verwerven omdat we zo goedkoop de grondstoffen uit arme landen konden laten komen. De voorsprong die het rijke westen op de armste landen heeft heeft ze te danken aan de oneerlijke verhoudingen tussen rijken en armen. Willen wij rampen, als door Jeremia geschetst ontlopen, dan zullen we een andere weg moeten gaan, de weg van gerechtigheid, de Weg van de God van Israël.

Wij zouden in vrede leven

Jeremia 4:3-18

3 Want dit zegt de HEER tegen Juda en Jeruzalem: Ontgin nieuw land, en zaai niet tussen de dorens. 4 Laat je besnijden voor de HEER, ontdoe je van de voorhuid van je hart, inwoners van Juda en Jeruzalem. Anders slaat zijn toorn uit als een vuur, een brand die niet te blussen is, vanwege jullie kwalijke praktijken. 5 Maak bekend in Juda, laat horen in Jeruzalem, beveel: “Blaas de ramshoorn in het land!” Roep luid: “Verzamelen! Verschans je in je vestingsteden. 6 Wijs met de strijdvaan naar Sion! Vlucht, blijf niet staan!” Want ik breng onheil uit het noorden, een grote ramp! 7 Zoals een leeuw uit het struikgewas springt, zo doemt een vernietiger van volken op, rukt de vijand op uit zijn gebied. Hij maakt je land tot een woestenij. Je steden vallen in puin, worden ontvolkt. 8 Hul je daarom in het zwart, weeklaag, barst uit in jammerklachten. Onstuitbaar is de brandende toorn van de HEER. 9 Op die dag-spreekt de HEER ontzinkt de koning en de leiders alle moed. De priesters zijn ontzet, de profeten verbijsterd.’ 10 Ik zei: ‘HEER, mijn God, u hebt Jeruzalem en dit volk misleid: wij zouden in vrede leven, toch staat het zwaard ons op de keel!’ 11 ‘Dan zeg ik Juda en Jeruzalem: Vanuit de kale heuvels in de woestijn waait een verzengende wind naar mijn volk. Geen wind om het koren te wannen, 12 ik stuur een woeste wind. Nu, ja nú vel ik mijn oordeel over hen. 13 Daar doemt de vijand op, als een jagende wolk, zijn wagens razen als een wervelwind, zijn paarden gaan sneller dan adelaars. “Wee ons! Het is met ons gedaan.” 14 Jeruzalem, zuiver je hart van het kwaad, dan alleen word je gered. Hoe lang blijf je broeden op je kwalijke plannen! 15 Een bode uit Dan brengt slechte tijding, uit het bergland van Efraïm komt een onheilsbericht. 16 Meld het de volken, maak Jeruzalem bekend: Uit verre landen naderen belegeraars, schreeuwend slaan ze het beleg voor Juda’s steden. 17 Ze omsingelen Jeruzalem als wachters een akker, omdat het tegen mij in opstand kwam- spreekt de HEER. 18 Je wangedrag heeft dit teweeggebracht. Het bittere kwaad dat je deed, zette zich vast in je hart.’ (NBV)

Jeremia leefde in een woelige tijd. Aanvankelijk hadden zijn oproepen tot bekering wel een beetje succes. De dreiging van Assyrië was immers groot, het noordelijk koninkrijk Israël was ten gronde gegaan. Maar de dreiging van Assyrië verdween en tijdens de regering van Jojakim leek alles veilig. Dus ging men weer over tot het leven van alledag, wat moet je anders. Maar dat betekende ook dat de oude gewoonten weer de kop opstaken. Heel lang had men op de hoeken van de velden de Asjerapalen opgericht, gewijd aan de godin Asjera die de vruchtbaarheid zou verzekeren en er voor zou zorgen dat de aarde de oogst voort zou brengen. Ook waren er zo her en der weer beelden te vinden. En de God van Israël? Dat was een zaak voor Jeruzalem, als je er kwam voor handel of familiebezoek, dan kon je vast en zeker ook een offer brengen in die Tempel. Dat voor de veiligheid van een volk ook saamhorigheid nodig is, dat je dan juist onvoorwaardelijk op elkaar moet kunnen bouwen, dat iedereen mee moet kunnen doen, werd vergeten en verwaarloosd. Maar juist daarom was het dat die God van Israël geen vreemde goden naast zich duldde.

Ook in onze dagen lijkt met het verdwijnen van de acute verschijnselen van de crisis het oude leven weer hervat te worden. De industrie en de handel groeien weer, op energie kunnen we verder bezuinigen en de banken vallen niet meer om maar overleven. Maar ook bij ons steken de oude slechte gewoonten de kop weer op. Bankiers krijgen weer bonussen in het vooruitzicht als er snel winst gemaakt wordt en krijgen riante afvloeiingsregelingen als ze falen. Verscherpt toezicht is te ingewikkeld en dezelfde mensen van voor de crisis zitten op dezelfde stoelen en doen hetzelfde als voor de crisis ook al was de crisis mede door hun handelen of nalaten ontstaan. In de dagen van Jeremia werd de dreiging van gevaar alleen maar groter. Er kwam een geweldige dreiging uit het Noorden. Een dreiging die eerst de Assyriërs onder de voet zou lopen en daarna niet alleen het al verwoeste koninkrijk Israël maar ook het koninkrijk Juda. Opsluiten in versterkte steden of vluchten naar de Tempel in Jeruzalem had allemaal geen zin meer. Nood leert weliswaar bidden maar dat bidden weert geen bedreiging af.

Daarom wordt het volk opgeroepen om zich in zak en as te hullen alsof men in de rouw is. Als het gevaar niet afgewenteld kan worden dan zal dat de dood van velen betekenen en dan kun je maar beter vast gaan rouwen. Wij hebben nog de gelegenheid onze volksvertegenwoordigers te wijzen op de noodzaak van een grondige verandering. Een verandering waarbij de banken niet meer in de eerste plaats op hun winst letten maar in de eerste plaats op de gevolgen voor de armen in de samenleving. Onverantwoorde hypotheken verlenen, onverantwoorde leningen verstrekken, woekerpolissen afsluiten, het zijn zaken die strafbaar gesteld zouden moeten worden. En als toezichthouders overtreders van de regels met naam en faam bekend zouden maken dan worden banken wel zo bang voor een bankrun dat ze het wel uit hun hoofd zullen laten om regels te overtreden. We moeten er mee aan het werk want we kunnen het niet aan laten komen op een nieuwe dreiging, dat kunnen we de armsten in onze samenleving niet aandoen.

Kom terug, afvallige kinderen

Jeremia 3:22-4:2

22 Kom terug, afvallige kinderen, ik zal jullie genezen van je ontrouw. Dan zullen jullie zeggen: “Hier zijn we, wij komen bij u terug, want u bent de HEER, onze God. 23 Het is waar, de heuvels zijn een leugen, de bergen een holle klank. Het is alleen de HEER, onze God, die Israël de overwinning geeft. 24 Zolang ons volk bestaat, heeft de god van de schande het bezit van onze voorouders verslonden, hun schapen, geiten en runderen, hun zonen en dochters. 25 Laten we ons neerwerpen in schande, laat schaamte ons bedekken. Tegen de HEER, onze God, hebben wij en onze voorouders gezondigd, vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag. Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.” 1 Israël, wanneer je op je schreden terugkeert, keer dan terug naar mij-spreekt de HEER. Heb je die afgodsbeelden weggedaan, zwerf dan niet langer rond, 2 maar zweer waarachtig, eerlijk en oprecht: “Zo waar de HEER leeft.” Dan willen alle volken worden gezegend als Israël, ze zullen zich met Israël gelukkig prijzen. (NBV)

Wat is dat nu? Kan God iets denken dat vervolgens niet gebeurd? Is God niet almachtig of moeten we de profeet Jeremia niet zo letterlijk nemen? Het antwoord op beide vragen is dat je dat inderdaad niet moet geloven of doen. God als almachtige benoemen betekent niet dat God niet kan veranderen in zijn denken. Zo wordt de God van Israël tenminste ervaren in de Bijbel, zo heeft Jeremia die God ook ervaren en daarover schrijft hij hier. Hij schrijft hier niet over historische feiten die hij van God heeft gehoord over het verloop van Gods denken, maar over de “goddelijke” betekenis van de geschiedenis van het volk zoals hij die heeft gekend en ervaren. Dat het volk God ontrouw is geworden staat inmiddels wel vast. Vanaf de dagen in de Woestijn was het volk duidelijk dat er één God van Israël was die geen andere goden naast zich duldde. Er konden best heel veel mensen in die andere goden geloven, voor het volk zou het zo moeten zijn dat ze niet bestonden. Dat houden de profeten het volk ook steeds voor, gouden en houten beelden, door mensen gemaakt, stellen niks voor, die werken niet.

En daarmee zijn we ook in onze tijd aangeland. Want ook in onze dagen zijn er stoere stemmen die beweren dat ze alles weten en alles onderzocht hebben. Niemand kan bewijzen dat God bestaat. Dat is waar, als we dat konden bewijzen hoefden we ook niet meer te geloven. Niemand kan echter ook bewijzen dat God niet bestaat, daarom blijft er niet anders over dan te geloven dat er een God is zoals beschreven is in de verhalen van het Oude en Nieuwe Testament. De “Wetenschap”, de “Zuivere Rede” als goden aanhangen, daarin geloven is dus net zo stom als geloven in die gouden en houten beelden uit de tijd van Jeremia. In de wetenschap hoef je immers niet te geloven, wat er in de wetenschap te weten is kun je dus weten, geloven hoeft daarin niet meer. Blijft de vraag wat we nu moeten met die God van Israël. Tegen Juda en Jeruzalem werd door Jeremia gezegd dat ze nieuw land moeten ontginnen, onkruid wieden en opnieuw aan de gang gaan. Maar wat moet je nu met je voorhuid van je hart? In oude tijden waren de voorhuiden van je vijanden het teken van je macht en van je overwinning.

Het volk van Abraham werd onoverwinnelijk toen ze zichzelf van hun voorhuid lieten ontdoen. Dat was de eerste betekenis van de besnijdenis. Later werd het het teken van het verbond met de God van Israël. Het volk zou zorgen voor het heb-uw-naaste-lief-als-uzelf door volgens die regel te gaan leven en de God van Israël zou zorgen voor vrede en een land waar mensen konden leven. Dat afzweren van oorlog door je onoverwinnelijk te maken, door het onmogelijk te maken dat je vijand nog aan jou zijn macht en overwinning kan afmeten is het begin van de vrede. Dat doe je niet alleen door de feitelijke besnijdenis zegt Jeremia, maar dat doe je door je manier van leven, uit al je daden en handelen moet het spreken dat je het goede wil doen en niet dan het goede. Daarom moeten we beseffen dat wetten tegen exorbitante zelfverrijking niet op zichzelf mogen staan, ze moeten gepaard gaan met een houding van een heel volk dat rechtvaardig delen stelt boven hebben en nog meer hebben. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Niet eeuwig duurt mijn toorn

Jeremia 3:12-21

12 Roep tegen het noorden: Kom terug, ontrouw Israël-spreekt de HEER -,dan zal ik mijn woede laten varen, want ik ben vol genade, niet eeuwig duurt mijn toorn- spreekt de HEER. 13 Erken alleen dat je schuldig bent, tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen, dat je overal op zoek ging naar andere goden, onder elke bladerrijke boom, dat je niet naar mij geluisterd hebt- spreekt de HEER. 14 Kom terug, ontrouwe kinderen-spreekt de HEER -,want jullie behoren mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. 15 Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16 En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17 In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18 In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat ik hun voorouders in bezit heb gegeven. 19 Ik dacht: Hoe kan ik je een plaats tussen mijn kinderen geven en je een begeerlijk land schenken, een sieraad voor de hele wereld? En ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen, jullie keren je niet van mij af. 20 Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt, zo heb jij mij bedrogen, volk van Israël! -spreekt de HEER. 21 Een stem klinkt over de kale heuvels: Israël smeekt en weent. Het is een verdorven weg gegaan, is de HEER, zijn God, vergeten. (NBV)

Een prachtig optimistisch stuk uit het boek van de profeet Jeremia vandaag. Juda wordt belegerd en de bevolking van het kleine koninkrijk Israël is voor een groot deel gedeporteerd. In beide koninkrijken worden andere goden aanbeden en de God van Israël heeft zijn volk in de steek gelaten. Maar dat hoeft niet te blijven duren. Als het volk nu maar zou snappen hoezeer ze op de verkeerde weg zijn. Hoe fout het is om die stenen en houten goden die niks doen te aanbidden met al die rare riten die daar van hen worden gevraagd. Hoe nodig het is om een heel andere manier van God dienen te gaan beoefenen. Godsdienst in de Bijbel is dienst aan de naaste, aan de minste, aan de zwakste. Het eren van de God van Israël is het liefhebben van de naaste als jezelf. Als heel het volk zich daartoe zou bekeren en zou bekennen dat het nalopen van die andere goden, de goden van winst en profijt, van goud en valse beloften, fout is en met wortel en tak moet worden uitgeroeid, dan kunnen de ballingen weer terugkomen, hoe weinig er ook overgebleven zijn.

Dan zullen de koninkrijken Juda en Israël weer verenigd worden, dan komen er weer leiders van het volk die oog hebben voor de minsten in het volk, die er voor kunnen zorgen dat er ook echt eerlijk en rechtvaardig wordt gedeeld en dat alle mensen tot hun recht komen. Dan zal het volk weer groeien in aantal. Dan zal er ook niet meer over die oude kist uit de woestijn gesproken hoeven te worden omdat iedereen weet heeft van de leer van Mozes die daarop gegrift was, die richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf is als het ware in de harten van de mensen gebeiteld. Dan zal heel de wereld weten dat in Jeruzalem een geheim wordt bewaard waar iedereen van de hele wereld in mag delen: dat als we met elkaar werkelijk en waarachtig delen, als iedereen tot zijn of haar recht komt, als we helemaal niemand vergeten, dat dan de hemel op aarde zal komen. Een geweldig visioen. In de zwartste dagen van zijn volk weet de profeet dit perspectief voor zijn volk te schilderen. En als hij daarin weet te geloven dan wordt ons gezegd dat we in vergelijkbare visioenen mogen gaan geloven. Want die God van Israël is vandaag nog steeds dezelfde als de God van Israël uit de dagen van Jeremia.

Door Jezus van Nazareth is ons dat geheim van Jeruzalem ook bekend geworden. Die heeft het ons voorgeleefd zelfs door de dood heen. Dat leven mogen wij navolgen. Elke dag opnieuw, hoe vaak het ons ook mislukt telkens weer mogen we doen als wat hier gevraagd wordt van het volk Israël in Juda en Israël, erken wat je verkeerd gedaan hebt, erken hoe vaak je de valse idols en de leer van idol en prestatie bent nagevolgd, erken hoe daardoor de schade is toegebracht aan de armsten en de minsten op aarde. Wees je bewust dat we geen eerlijke handelsakkoorden hebben, erken dat over sommige grondstoffen in arme landen oorlogen worden gevoerd omdat wij zo graag de producten hebben die daarvan gemaakt worden. Weet dat we mensen recht moeten doen, dat we moeten kiezen voor het leven, maar erken ook dat als de hongerigen gevoed zijn, de oorlogen beëindigd, als aan alle mensen recht wordt gedaan, dat dan ook voor ons de hemel op aarde komt. Erken ook dat we er nog vandaag mee kunnen beginnen.

Daarom bleven de regens uit

Jeremia 3:1-11

1 De HEER sprak: ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? spreekt de HEER. 2 Kijk naar de kale heuvels, waar ben je níet beslapen? Je wachtte je minnaars op langs de weg, zoals een rover wacht in de woestijn. Je hebt dit land besmeurd met je overspel, je schandelijk gedrag. 3 Daarom bleven de regens uit, is de lenteregen niet gekomen. Toch hield je de brutale blik van een hoer, je toonde geen enkele schaamte. 4 Maar nú roep je mij aan. Je zegt “vader” tegen mij, en zegt: “U bent de geliefde van mijn jeugd, 5 uw woede gaat voorbij, niet eeuwig duurt uw toorn.” Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort, je blijft je schanddaden begaan.’ 6 Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7 Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag 8 dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9 En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10 Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden-spreekt de HEER.’ 11 De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda. (NBV)

Het gaat hier niet om een willekeurige straf voor de zonden die het volk begaan zou hebben. Nee het gaat hier om de tegenstelling tussen de God van Israël en de vruchtbaarheidsgoden die door dat volk werden nagelopen. Die afgoden werden vereerd met de meest absurde riten. Seksuele uitspattingen, tempelprostitutie, maar ook zelfverminking tot bloedens toe. Dat alles om vruchtbaarheid af te smeken. En voor vruchtbaarheid was lenteregen nodig. Hoe meer men die vreemde goden bad om lenteregen, hoe intensiever de riten werden beoefend voor die vreemde goden hoe minder lenteregen er kwam. En zo af en toe werd ook de God van Israël aangeroepen, met die was het volk immers begonnen en je kon nooit weten, maar de profeet wijst er fijntjes op dat de godsdienst van de vreemde goden nooit helemaal werd uitgeroeid in het volk. Zelfs in Juda, waar toch de Tempel van de God van Israël stond in hun hoofdstad Jeruzalem, werden vreemde goden meer vereerd dan de God van Israël.

Daar werd dan wel weer de eredienst van de God van Israël opnieuw ingevoerd maar ook in Juda bleef de afgodendienst bestaan. In het Noordelijk koninkrijk Israël werden de twee godsdiensten tenminste nog als gelijkwaardig naast elkaar gezet. In Juda bleef het oude bestaan en werd de godsdienst van de God van Israël als nieuwe mode ingevoerd. De twee koninkrijken worden hier afgeschilderd als twee zusters, Afvallig Juda en Ontrouw Israël, in de vertaling gaat dat beeld gedeeltelijk verloren. Ook in onze dagen merken we dat soms de godsdienst van het Christendom als een nieuw ontdekte mode wordt gepresenteerd. Vroeger waren we immers allemaal Christelijk en zou het ook nu niet ons van een groot aantal problemen verlossen als we weer een beetje meer Christelijk zouden worden heet het dan. Niet dat we het najagen van carrières en rijkdom moeten opgeven. Het superidool geloof zit immers vast gebakken in onze cultuur. Maar meditatie, gymnastiek met een goddelijk tintje en vooral het fatsoen en het zich afzetten tegen andere godsdiensten dan het christendom maken dat we weer netjes en te waarderen worden.

De werkelijke Christelijke principes, die van de God van Israël en van Jezus van Nazareth komen niet meer ter sprake. Natuurlijk leeft er bij een groot deel van het volk nog de notie dat je een ander moet helpen als die in nood zit. Bij een aardbeving als wordt het chequeboek getrokken en ruimhartig ingevuld. Maar is er al een debat geweest over de oorzaak van de armoede in de zogenaamde arme landen? Zijn er al handelsbepalingen veranderd die de arme landen kunnen helpen om straks zoveel geld te verdienen dat ze op eigen benen kunnen staan? En het is niet één volk dat smeekt om gerechtigheid, om een rechtvaardige behandeling in plaats van hulp en aalmoezen. Onze economie bloeit weer op omdat er op nieuwe afzetmarkten in India en China weer te verdienen valt. Stel je nu eens voor dat ook de miljoenen hongerenden in Afrika zoveel zouden verdienen dat ze een afzetmarkt voor ons zouden vormen. Pas eerlijk delen kan ons echt rijk maken. Het klatergoud van de race om de best presterende te zijn kan daar nooit tegenop. Laten we ons dus ook vandaag richten op de Fair Trade en zorgen voor eerlijk delen in de wereld.

Geen besef van schuld

Psalm 36

1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. 2 De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart- angst voor God kent hij niet. 3 De zonde sust zijn geweten in slaap-geen besef van schuld, geen afkeer van het kwaad.4 Hij spreekt woorden van onheil en bedrog en blijft ver van wat wijs en goed is, 5 op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen, hij betreedt een verkeerde weg en het kwade verwerpt hij niet. 6 HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw, 7 uw gerechtigheid is als de machtige bergen, uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan: u, HEER, bent de redder van mens en dier. 8 Hoe kostbaar is uw liefde, God! In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen, 9 zij laven zich aan de overvloed van uw huis, u lest hun dorst met een stroom van vreugden, 10 want bij u is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht. 11 Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde, aan de oprechten van hart uw gerechtigheid. 12 Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen, de hand van goddelozen mij niet verjagen. 13 Daar liggen zij die verderf zaaiden-gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. (NBV)

Soms zijn de lezingen uit de Bijbel volgens het rooster van het Nederlands Bijbelgenootschap wel heel erg actueel. Vandaag gaat het over iemand die alles en iedereen de schuld geeft voor hetgeen fout gegaan bleek maar erbij blijft dat hem zelf geen enkele blaam treft, hoewel hij verantwoordelijk was. Het rooster is begin vorig jaar al opgesteld en wie kon bevroeden dat we ooit weer te maken zouden krijgen met een politicus die een fout heeft gemaakt om zijn bedrijf te redden en als de fout uitkomt iedereen daarvan de schuld geeft en zelf buiten schot wil blijven, al moet hij als politicus verdwijnen. Het is de karakteristieke houding van de zondaar zegt dit lied uit de Bijbel. Daarom wordt er gewezen op David als dienaar van de Eeuwige. Die David nam de schuld voor gemaakte fouten altijd direct op zich, ook al kun je je soms afvragen of hij de fouten wel echt zelf heeft gemaakt. Dat is dus een figuur die het tegendeel doet. En we hebben maar een paar regels nodig om zelf ook te snappen wat er van ons verwacht wordt. Ruiterlijk toegeven wat je zelf fout hebt gedaan schept ruimte om het voortaan toch echt anders te gaan doen.

De dichter van de Psalm barst dan ook los in een loflied. Een loflied op de liefde van God, op zijn trouw op zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid. De beelden die in dit loflied worden gebruikt zijn ontleend aan de Tempel. Boven de Ark van het Verbond waken gouden cherubs met hun vleugels over de inhoud van de Ark. Die goddelijke vleugels beschermen dus ook de mensen. En wat is de inhoud van de Ark ook weer? Er liggen in stenen platen geschreven de richtlijnen voor de menselijke samenleving die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Die richtlijnen worden in de Bijbel ook vaak vertaald als je moet de mensen tot hun recht laten komen, zeker de armen en de zwakken in je samenleving moet je kansen geven om mee te kunnen doen als gewone burgers. Bij de maaltijd die je bij de Tempel moet houden als offer, met de priesters en je familie, moet je uitdrukkelijk ook de armen en de vreemdelingen betrekken. Daar kan dus gelaafd worden aan de overvloed die er in de Tempel, het huis van God, te vinden is.

De fraaie woorden waarmee mensen die fouten hebben gemaakt die fouten op anderen af weten te wentelen benemen je soms het zich op wat er werkelijk aan de hand is. De Psalmist vraagt daarom aan zijn God de waarde van de liefde van God te blijven tonen aan hen die zijn Weg willen bewandelen. Ook de geboden van de God van Israël, de richtlijnen voor de menselijke samenleving worden een licht op ons pad genoemd. Het scheppingswoord uit Genesis “Er zij licht” wordt dan ook uitgelegd als een licht dat ons is opgegaan als inzicht in het kwade dat mensen kunnen doen. Zonder de richtlijnen van de menselijke samenleving, zonder het licht van de God van Israël, hadden we nooit ontdekt dat het afschuiven van fouten op anderen een kenmerk is van de zondaar die geen verantwoordelijkheid neemt voor eigen falen. In de brief aan de Romeinen citeert Paulus deze Psalm nog eens om te laten zien hoe hardnekkig dit kwaad kan zijn. Bij ruiterlijk toegeven en werkelijk veranderen hoort vergeving, maar zij die blijven volharden in het afschuiven op anderen dienen aangepakt te worden. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

Hij richtte een groot feestmaal aan.

Lucas 5:27-39

27 Daarna ging hij naar buiten en zag hij bij het tolhuis een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’ 28 Levi stond op, liet alles achter en volgde hem. 29 Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor hem aan, waarop een groot aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren. 30 De Farizeeën en hun schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’ 31 Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel; 32 ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’ 33 Ze zeiden tegen hem: ‘De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën doen, maar die van u eten en drinken maar.’ 34 Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is? 35 Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’ 36 Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. 37 En niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. 38 Jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan. 39 Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge; hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’ (NBV)

We vallen vandaag met onze neus in de boter want het gaat vandaag in onze dagelijkse lezing uit de Bijbel om een feestmaal. Of daar in elke gemeente in ons land evenveel aanleiding voor is blijft natuurlijk een vraag. Maar maaltijden zijn voor Joden en Christenen de belangrijkste religieuze gebeurtenissen. En omdat het belangrijke godsdienstige handelingen zijn moet je er voorzichtig mee omgaan. Je kunt dat wat je eet en drinkt vergoddelijken en dus dat wat je eet en drinkt gaan aanbidden. Dat is afgoderij en dat verwijt klinkt dan soms ook tussen kerken vandaag de dag vooral als kerken willen gaan uitmaken wie wel en wie niet aan de maaltijd in de kerk kan deelnemen op andere gronden dan dat men wel of niet lid is van de betreffende kerk. In de tijd van Jezus van Nazareth klonk de waarschuwing dat je moet uitkijken met wie je de maaltijd nuttigt. Dat kan niet met iedereen. Vandaag klinkt die waarschuwing ook aan advocaten bijvoorbeeld. Ze kunnen niet voor hun plezier gaan eten met zware criminelen die van ernstige misdrijven worden verdacht en voor wie ze in processen als verdediger moeten optreden. Ze krijgen dan het etiket maffiamaatje opgeplakt en dat schaadt hun optreden en geloofwaardigheid als advocaat.

We moeten dus voorzichtig zijn. Jezus van Nazareth at met Jan en alleman. In dit verhaal wordt de maaltijd hem aangeboden door een belastinginner. Langs de kant van de weg stonden tolhuisjes en iedereen die daar langs kwam moest belasting betalen. Tollenaars betaalden aan de Romeinse bezetter een pachtsom voor het mogen heffen van de tol en moesten om te leven winst maken op het heffen van die belasting. Ze werden er meestal niet arm van en waren daarom ook niet geliefd. Zo’n belasting, die voor iedereen gelijk was, drukte ook nog het zwaarst op de armsten. Bovendien werkten ze voor de bezetter en dat maakte hen nog minder geliefd. Jezus van Nazareth ging echter niet voor niks bij hen eten. Hij had al eens zo’n tollenaar zover gekregen de helft van diens bezit onder de armen te laten verdelen en terug te geven aan hen van wie te veel was afgeperst. Liefde voor mensen betekent dus mensen die niet geliefd zijn weer op het rechte pad te krijgen en te zorgen dat ze in plaats van een gehaat medemens weer een geliefd medemens worden. Als dat lukt is het feest, pas als je verdriet hebt ga je vasten.

Niet eten en drinken, of heel sober eten en drinken. Bij de volgende feestmaaltijd waardeer je die maaltijd des te meer en kan je er dubbel van genieten. Ter voorbereiding op het grootste feest van de Christelijke Kerk, Pasen, zijn mensen in de veertig dagen voor Pasen daarom ook gaan vasten, alleen de zondagen slaan ze over, dan wordt al vast een beetje Pasen gevierd. Maar op de andere dagen even terug in overvloed en wat je bespaart opzij leggen voor de armen in de wereld, om er met Pasen en na Pasen weer tegenaan te kunnen en weten welke rijkdom je eigenlijk hebt. Binnenkort begint die periode van onthouding. Ondanks alle feestgedruis die daar aan vooraf gaat weten we heel goed dat er in de wereld nog lang niet genoeg wordt gedeeld, weten we dat er in de wereld nog lang geen vrede is. Maar als je weet met minder toe te kunnen wordt het ook wat makkelijker om te delen en als je weet hoe vervelend het is helemaal niets te hebben gun je dat een ander ook helemaal niet en deel je vanzelf met die ander. Dan heb je samen feest. En vandaag kunnen we dus een feest bouwen, zorgen dat er voor anderen genoeg is.