Beeld van God, de onzichtbare

Kolossenzen 1:15-23

15 Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping: 16 in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen. 17 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem. 18 Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Oorsprong is hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn: 19 in hem heeft heel de volheid willen wonen 20 en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.21 Eerst was u van hem vervreemd en was u hem in al het kwaad dat u deed vijandig gezind, 22 maar nu heeft hij u door de dood van zijn aardse lichaam met zich verzoend om u heilig, zuiver en onberispelijk bij zich te brengen. 23 Maar dan moet u blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest zijn in de hoop die het evangelie brengt, het evangelie dat u gehoord hebt en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden. (NBV)

In de Bijbel spelen liederen een belangrijke rol. Er is zelfs een heel Bijbelboek vol liederen en gedichten, het boek van de Psalmen, maar ook in bijna elk ander boek van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament zijn liederen te vinden. In liederen zijn nu eenmaal andere dingen tot uiting te brengen dat logische redeneringen of feitelijke verhalen. In liederen kun je het gevoel tot uiting brengen dat de wereld om je heen oproept. Ook in onze dagen spelen liederen een grote rol. Er is een overvloed aan kerstmuziek dat gevoel van warmte en plezier oproept in een jaargetijde waarin het koud is en mensen op elkaar zijn aangewezen. In onze voetbalstadions is het samen zingen langzamerhand een belangrijk onderdeel van de wedstrijden geworden, het geeft de supporters het gevoel deel te krijgen aan het resultaat van het door hen bewonderde voetbalteam. Vandaag lezen we het lied dat aan de mensen in Kolosse in herinnering wordt gebracht. Het is een lied waarvan geleerden aannemen dat het gezongen werd in Joodse kringen waar het Grieks de belangrijkste voertaal was geworden. Voor ons is zo’n lied dan ook niet vanzelfsprekend mee te zingen.

Over wie gaat dit lied bijvoorbeeld? Het eerste deel, van de verzen 15 tot en met 20 zou over God gaan, maar vanaf vers 21 gaat het duidelijk over Jezus van Nazareth. Nu heeft de kerk pas na een paar honderd jaar uitgesproken dat de God van Israël en Jezus van Nazareth één in wezen waren, samen met de Heilige Geest overigens. Dat Goddelijke van Jezus van Nazareth is echter een beeld dat van begin af leefde bij de Christelijke gemeente. In de Evangeliën kun je dat terugvinden als daar verteld wordt dat Jezus zei dat niemand de Vader kon zien dan door hem. Dat voor de Schepping van hemel en aarde God al zijn Wijsheid had lezen we in het boek Spreuken waar de Wijsheid als apart persoon, een vrouw, wordt gepresenteerd. Dat Jezus als, goddelijke mens, al voor de schepping bij God bestond is dan ook niet zo vreemd. Het lijkt heel erg op het begin van het Evangelie naar Johannes waar het Woord, denk maar aan de scheppingswoorden, vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Zo wordt Jezus van Nazareth bezongen. Maar wat is dan de betekenis van een lied als dit. Het zingt over bloed en over verzoening, begrippen waar we tegenwoordig niet zo veel meer mee kunnen. Maar het zingt ook over de machten en de krachten, de heersers en de machthebbers in de wereld.

Volgens dit lied zijn al die machten en krachten onderworpen aan de macht van God, aan de kracht van Jezus die zich aan het kruis liet hangen. De gedachte er achter is dat de liefde van God, de liefde die we allemaal met onze naaste mogen delen, niet dood te krijgen is, door niks en niemand. Toen het volk Israël in slavernij in Egypte was moesten ze op een dag allemaal een lam slachten, het vlees roosteren en het bloed aan de deurposten smeren. Dat bloed zorgde er voor dat de dood aan hun deur voorbij ging en ze werden bevrijdt van slavernij. Zo zorgt het bloed van Christus aan het kruis dat de dood voorbijgaat aan zijn boodschap van liefde. In zijn Woord blijft hij leven en wij blijven in hem leven als we zijn Woord volgen, als wij ons leven inrichten zoals hij dat heeft aangegeven. De armen mogen we voorhouden dat hun onderdrukkers niet de macht in deze wereld hebben, hoeveel machtsvertoon ze ook ten toon spreiden. De liefde voor elkaar, het vormen van gemeenschappen waar iedereen zonder onderscheid aan mag meedoen, bevrijdt ons van de angst voor die machthebbers en daarmee bevrijdt het ons van armoede en onderdrukking. Zo mogen we ook vandaag dit lied meezingen.

U zult vrucht dragen

Kolossenzen 1:1-14

1 Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. 2 Aan de heiligen in Kolosse, gelovige broeders en zusters die één zijn in Christus. Genade zij u en vrede van God, onze Vader. 3 In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor u, 4 want we hebben gehoord dat u in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt, 5 omdat u hoopt op wat in de hemel voor u gereedligt. Daarover hebt u gehoord toen aan u de waarheid verkondigd werd en het evangelie 6 u bereikte. Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u, vanaf de dag dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. 7 Onze geliefde medewerker Epafras, die zich als trouw dienaar van Christus voor u inzet, heeft u daarin onderwezen. 8 En hij heeft ons verteld over de liefde die de Geest in u opwekt. 9 Daarom bidden wij onophoudelijk voor u, vanaf de dag dat we dat gehoord hebben. We vragen dat u Gods wil ten volle mag leren kennen door de wijsheid en het inzicht die zijn Geest u schenkt. 10 Dan zult u leven zoals het past tegenover de Heer, hem volkomen welgevallig. U zult vrucht dragen door al het goede dat u doet, uw kennis van God zal groeien 11 en u zult door zijn luisterrijke macht de kracht ontvangen om alles vol te houden en alles te verdragen. 12 Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de erfenis die alle heiligen wacht in het licht. 13 Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, 14 die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief aan de gemeente van Kolosse. Dat was een klein stadje dat lag in wat nu Turkije is. De stad bestaat niet meer want ze is voorzover bekend verwoest door een aardbeving. Aardbevingen, ook zware, komen vaak voor in Turkije weten we tegenwoordig. Maar in de dagen van Paulus lag hier een klein stadje waar ook een kleine Christelijke gemeente was ontstaan. Die gemeente kwam bij elkaar in het huis van Filemon en was gesticht door een bekende van Paulus, Epafras. Paulus had nogal wat ophef veroorzaakt in de gemeente van Kolosse. Hij zat zelf gevangen in Efeze dat niet zo heel ver van Kolosse vandaag lag. Op een dag kwam daar een weggelopen slaaf bij hem op bezoek. Een weggelopen slaaf was zijn leven niet zeker. Om het weglopen te ontmoedigen moesten weggelopen slaven gedood worden. Paulus schreef echter een briefje aan Filemon waarin hij vroeg om de slaaf, Onesimus heette die, weer op te nemen en wel als broeder in Christus. Dit briefje aan Filemon staat ook in de Bijbel. Het kan niet anders of het verzoek van Paulus heeft grote opzien gebaard. In de Christelijke gemeente waren slaven en vrijen elkaars gelijken maar buiten die gemeenten zeer zeker niet.

Het bevrijden van alle slaven zou een ernstige aanslag op de economie van het Romeinse Rijk betekenen. Vrijlating van slaven gebeurde dan ook bij uitzondering en de vrijgelaten slaaf bleef dan ook heel vaak in dienst van de eigenaar die hem had vrijgelaten. Maar duidelijk is geworden dat Filemon zijn broeder Onesimus hartelijk heeft ontvangen. Dat betekende ook een briefwisseling met de gemeente in Kolosse. Nu nemen zeer veel Bijbelgeleerden op goede gronden aan dat Paulus deze brief niet helemaal zelf heeft geschreven uit de gevangenis. De brief wordt toegeschreven aan een nauwe medewerker van Paulus, de jonge Timoteüs. In de aanhef van de brief lijkt het er al op of Timoteüs de brief heeft meegeschreven en ongetwijfeld zal er nauw contact geweest zijn over de inhoud en de onderwerpen die in de brief ter sprake komen. De brief begint, zoals gebruikelijk, met een dankzegging over het goede dat er over Kolosse te melden valt. Dat je weggelopen slaven moet ontvangen en gewoon weer voor je laten werken, zelfs als je broeder behandelen, moest je in het Romeinse Rijk niet al te luid verkondigen.

Maar de brief dankt de gemeente wel dat ze zo goed begrepen heeft wat de genade van God betekent. Het betekende in dit geval dat je een slaaf als je gelijke behandelde. Zijn fouten vergeeft zoals je mag geloven dat de God van Israël jouw fouten vergeeft. Kennelijk heeft het idee van Paulus dat in de Christelijke gemeente Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen gelijken zijn en als het ware samen één huis bewonen overal in het Romeinse Rijk ingang gevonden. Voor de Judeeërs soms een moeilijke zaak. Hun heilige boek werd elke week aan de Heidenen voorgelezen. Als dat verschil weg viel zonder dat die Heidenen de spijswetten hoeven te houden, zich hoefden te laten besnijden en ook nog het verschil tussen slaven en vrijen wegviel dan was de unieke positie van Judeeërs in gevaar. Wij moeten dat kunnen navoelen. In onze dagen wordt ons gevraagd om samen te leven met Moslims die zeggen in dezelfde God als Christenen en Joden te geloven. Dat is lastig, het tast de overheersing van de cultuur door het Christelijk erfgoed aan. Maar zoals de Christenen in Kolosse zullen ook wij de liefde voor de naaste voorop moeten zetten, elke dag opnieuw.

Hun kinderen zullen het land bezitten

Psalm 25

1 Van David. Naar u, HEER, gaat mijn verlangen uit, 2 mijn God, op u vertrouw ik, maak mij niet te schande, laat mijn vijanden niet triomferen. 3 Zij die op u hopen worden niet beschaamd, beschaamd worden zij die u achteloos verraden. 4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. 5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want u bent de God die mij redt, op u blijf ik hopen, elke dag weer. 6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen. 7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd, maar denk met liefde aan mij en laat uw goedheid spreken, HEER. 8 Goed en rechtvaardig is de HEER: hij wijst zondaars de weg, 9 wie nederig zijn leidt hij in het rechte spoor, hij leert hun zijn paden te gaan. 10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden. 11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld, omwille van uw naam. 12 Aan wie in ontzag voor hem leven, leert de HEER de rechte weg te kiezen. 13 Hun leven verloopt in voorspoed en hun kinderen zullen het land bezitten. 14 De HEER is een vriend van wie hem vrezen, hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond. 15 Ik houd mijn oog gericht op de HEER, hij bevrijdt mijn voeten uit het net. 16 Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. 17 Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis. 18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende, vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie met hoe velen mijn vijanden zijn, hoe ze mij dodelijk haten. 20 Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij u. 21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren, op u is mijn hoop gevestigd. 22 God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. (NBV)

Voor wie het Hebreeuws kan lezen is dit een leuke Psalm. Elk vers begint met de volgende letter uit het Hebreeuwse alfabet. Net zoiets als de coupletten van het Wilhelmus de naam Willem van Nassov vormen met hun eerste letters, maar dan in deze Psalm met het Hebreeuwse ABC. Het volgen van de wil van God is volgens de dichter van deze Psalm kennelijk een abc’tje. Maar vertalingen doen veel van de schoonheid van de Psalm verdwijnen. Sinds de vertaling uit 1951 begint de Psalm redelijk neutraal met de opmerking dat naar U Heer mijn verlangen uitgaat. De Statenvertaling had het nog over het opheffen van de ziel tot God, een beeld waar we ons nu wat minder bij kunnen voorstellen. Er is zelfs een vertaling die spreekt van het opheffen van mijn nietige leven. Maar de mooiste is waarschijnlijk de vertaling van de Naardense Bijbel die spreekt van het geven van je hele ziel en zaligheid aan de Ene.

En dat enthousiasme kan aanspreken zeker als je leest over het vertrouwen dat die hoop op de Ene niet beschaamd zal worden. Daarvoor moet je zoals deze Psalm zegt de wegen van God leren, met name de armen moeten die wegen leren. Het is de weg van alvast gaan beginnen te leven alsof het licht is gekomen, alsof dat Koninkrijk van recht en vrede er al is. Dat klinkt een beetje belachelijk en daarom de wens van de dichter om niet uitgelachen te worden. Delen met elkaar, zorgen voor de zwakke, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdeling in ons midden. In het verhaal van God mag iedereen meedoen en iedereen die echt meedoet roept op om je aan te sluiten. De Psalm spreekt in dit verband van goedheid en rechtvaardigheid. Natuurlijk, ook de dichter is wel eens van die weg afgeweken. Daar blijf je niet onverschillig bij omdat God het je wel zal vergeven. Je hoopt op vergeving omdat je elk moment opnieuw de Weg mag gaan waartoe de Bijbel oproept.

De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Maar juist omdat je op de Weg van het goede mag terugkeren wordt die pijn geheeld en gaat de vreugde overheersen. Want dan weet je dat mensen toch recht zal worden gedaan, als jij het niet doet doet God het wel. De dichter van deze Psalm zinspeelt weer op de oude belofte uit het boek Jozua, aan iedere famillie die het land kwijt raakt zal het land na 50 jaar weer worden teruggegeven. Daarom mag je er op vertrouwen dat de kinderen van de armen weer het land zullen bezitten. De armoede is geen natuurverschijnsel, je hoeft niet te wachten op een volgend leven om het te bestrijden. De opheffing uit de armoede, de bevrijding van de armen, kan vandaag nog beginnen, daar mag je met heel je ziel en zaligheid aan werken.

Dat zal haar niet worden ontnomen.

Lucas 10:38-42

38 Toen ze verder trokken ging hij een dorp in, waar hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die Marta heette.39 Haar zuster, Maria, ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. 40 Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar Jezus toe en zei: ‘Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ 41 De Heer zei tegen haar: ‘Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. 42 Er is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.’ (NBV)

Als je het Bijbelgedeelte van vandaag leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in sommige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria gaf. Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd, maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden kunnen helpen. Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed. Horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is. Martha moet ook leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander vervelend. Maria kiest voor zichzelf en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen.

Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van kunnen leren. Dat is nu anders. We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden, vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben daar dus net zo veel recht op als mannen.

Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie minder dan mannen. In de wereld mogen de vrouwen de koffie schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met topinkomens en extra bonussen, in een echte christelijke kerk wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt opgedrongen. Er is maar één ding noodzakelijk en dat is dat je jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen helemaal op om nooit meer terug te keren.

‘Wie is mijn naaste?’

Lucas 10:25-37

25 Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 26 Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’ 27 De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ 28 ‘U hebt juist geantwoord, ‘zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’ 29 Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’ 30 Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. 31 Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. 32 Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. 33 Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. 34 Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. 35 De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” 36 Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ 37 De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’ (NBV)

Vandaag lezen we met de kerk het overbekende verhaal over de Barmhartige Samaritaan mee. De man met zijn ezel en zijn denariën maakten zoveel indruk dat je je afvraagt wat daar nu meer aan toe te voegen is dan weer een hartstochtelijk verhaal met oproep om je naaste lief te hebben als jezelf. Toch kan de Nieuwe Vertaling een aanleiding zijn om het verhaal ook weer eens als nieuw te lezen. Want wat gebeurd er. Natuurlijk er is een geleerde die de wet goed kent. En er is Jezus van Nazareth die zegt dat je je niet alleen aan de wet moet houden maar in dit geval deze bijzondere richtlijn ook gewoon elke dag in de praktijk moet brengen. Maar wie is dan die naaste die je lief moet hebben als jezelf? De Samararitaan zijn we gewend te zeggen, die stopt, neemt het slachtoffer op zijn ezel en betaalt de verzorging in het hotel.

Maar Jezus vraagt wie de naaste is van het slachtoffer. Is dat een wedervraag op de vraag wie mijn naaste is? Is die geleerde dan soms het slachtoffer? Moeten we ons leren te verplaatsen in de positie van slachtoffers om te begrijpen wat het is om je naaste lief te hebben als jezelf? De bekende antiapartheidsstrijder Ds. Alan Boesak heeft in de jaren 70 in Kampen theologie gestudeerd. Toen hij met zijn gezin terugkeerde naar Zuid-Afrika hield iedereen z’n hart vast, zou dat goed gaan?. Hij heeft inderdaad zijn portie ellende gehad. Maar in Nederland was hij al met de strijd tegen apartheid begonnen. Nederlanders die Zuid-Afrikaanse sinasappels kochten hield hij voor dat zij Zuid-Afrikanen uitpersten. Niet in droge artikelen, nee Boesak kon onverwacht op een markt opduiken en dan rechtstreeks de kopers van de sinasappels aanspreken en hen confronteren met wat ze deden. Hun koopgedrag hield de blanke rijken rijk en daardoor de armen arm.

De boycot die ontstond hielp uiteindelijk mee het apartheidsregiem af te schaffen. Maar vragen wij ons vandaag nog af wie heeft geleden voor de goedkope producten die wij kopen? Welke kinderen onze sportschoenen hebben gemaakt en welke vingers tot bloedens toe werden geprikt om onze T-shirts te maken? Of zijn wij als de leviet en de priester op weg om onze taak goed te vervullen zonder op of omkijken naar de slachtoffers langs de weg? Zolang we onze stem niet verheffen tegen de onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn we nog niet in de positie van het slachtoffer en kunnen we ons nog steeds afvragen wie onze naaste is. Pas als we weet hebben van de slachtoffers weten we ook van onze naaste. We zullen moeten gaan doen als de man die medelijden toonde met de naaste, want die zouden we zelf ook willen ontmoeten als het nodig is. Elke dag opnieuw mogen we dat doen, want elke dag zouden we hem zelf nodig kunnen hebben, ook vandaag.

Aan eenvoudige mensen onthuld

Lucas 10:17-24

17 De tweeënzeventig keerden vol vreugde terug en zeiden: ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam.’ 18 Hij zei tegen hen: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen! 19 Bedenk wel: ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden. 20 Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is.’ 21 Op dat moment begon hij vervuld van de heilige Geest te juichen en zei: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. 22 Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is weet alleen de Zoon en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.’ 23 Jezus richtte zich apart tot de leerlingen en zei tegen hen: ‘Gelukkig de ogen die zien wat jullie zien! 24 Want ik zeg jullie dat vele profeten en koningen hebben willen zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en hebben willen horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.’ (NBV)

Een geweldige ervaring moet het geweest zijn voor de zeventig volgelingen van Jezus van Nazareth die de armen de boodschap van bevrijding gingen brengen. Zelfs het meest enge kwaad onderwierp zich aan hen. Natuurlijk kennen we die vreugde. Mensen die als vrijwilliger werken in een Wereldwinkel of een Fair Trade winkel staan vol trots de kassa op te maken aan het eind van een drukke zaterdag. Een dag die ze misschien zelf zouden hebben doorgebracht al winkelend in een binnenstad, maar omdat ze nu eenmaal gegrepen waren door de ellende van de armen, door het onrecht hen aangedaan, en door de wil er iets aan te veranderen, offeren ze hun vrije tijd om in een winkel te staan. Eer of beloning hoeven ze er zelf niet voor te hebben maar de vreugde die een volle kassa aan het eind van de dag geeft is hen genoeg.

Want daardoor weten ze dat veel mensen zich hebben bekommerd om de armen en hun aankopen in het teken van de bevrijding hebben gesteld en ze weten dat tenminste een aantal armen die dag iets minder arm geworden zijn. En wat ze ook weten is dat hoe meer mensen bewust kopen en ook met hun eigen koopgedrag anderen willen helpen hoe meer druk er is op de regeringen om de onrechtvaardige tolmuren af te schaffen en de armen in de wereld met hun producten een eerlijke toegang tot onze markten te geven. Niet omgekeerd zoals in Europa is voorgesteld. Daar riep iemand dat het openstellen van markten door arme landen, voor onze producten, ze in de gelegenheid zou stellen goedkope producten in Europa te kopen en daarmee zouden ze beter af zijn. Die goedkope producten zouden dan met name landbouwproducten zijn.

Vele tientallen jaren is de landbouw in Europa fors gesubsidieerd. Wat verdiend werd met handel en industrie is geïnvesteerd in de Landbouw. De extra heffingen op landbouwproducten uit arme landen verdwenen ook in de Europese landbouw. Daarom zijn die producten zo goedkoop, daarom ook betekent het openstellen van markten voor die producten het einde van de lokale landbouw in de arme landen. We zullen eerst de landbouw in arme landen net zo moeten ondersteunen als we al die jaren de landbouw in Europa hebben gedaan. Het bevrijdingsverhaal uit het Evangelie van Lucas laat zich dus gemakkelijk vertalen naar onze huidige samenleving. Het is alsof we zelf op pad worden gestuurd om de armen de boodschap van bevrijding te verkondigen. Laten we daarom ook vandaag op pad gaan, als vrijwilliger of als bewuste consument, die, zeker vandaag, ook nog om het klimaat denkt.

Aan eenvoudige mensen onthuld

Lucas 10:1-16

1 Daarna stelde de Heer tweeënzeventig anderen aan, die hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar hij van plan was heen te gaan. 2 Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. 3 Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. 4 Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. 5 Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” 6 Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. 7 Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere. 8 En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, 9 genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.” 10 Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: 11 “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” 12 Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag draaglijker zijn dan het lot van die stad. 13 Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn. 14 Wanneer het oordeel komt, zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 15 En jij, Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! 16 Wie naar jullie luistert, luistert naar mij, en wie jullie afwijst, wijst mij af. En wie mij afwijst, wijst hem af die mij gezonden heeft.’ (NBV)

In het Evangelie van Lucas wordt herhaaldelijk geciteerd uit de Hebreeuwse Bijbel, in de Christenheid bekend als het Oude Testament. Nu kent ook de schrijver van dit Evangelie kennelijk niet de oorspronkelijk tekst, of hij maakt het de lezers gemakkelijk om zijn bedoeling te herkennen, want hij citeert voortdurend uit een Griekse vertaling, de zogenaamde Septuagint. Volgens de overlevering was deze vertaling gemaakt door 72 geleerden in 72 dagen. Dat getal vinden we in dit verhaal terug. De 72 volgelingen van Jezus van Nazareth gingen er niet met het Nieuwe Testament op uit. Dat moest nog geschreven worden en het eind van de vier Evangeliën, de opstanding van Jezus uit de doden, had nog niet plaats gevonden. Voor Jezus van Nazareth zelf ging zijn Evangelie over de bevrijding van de armen, de genezing van de zieken, het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten en het bevrijden van gevangenen.

Met die boodschap, die je op bijna elke bladzijde van dat Oude Testament tegen kunt komen, gingen de 72 de wereld in. En niet met een waarschuwing voor individuele mensen die zich zouden moeten bekeren, maar voor steden en dorpen. Kennelijk moesten hele samenlevingen ingericht worden volgens het Evangelie van Jezus van Nazareth. Nu sluit het getal dat in dit verhaal wordt genoemd nog bij een ander verhaal uit het Oude Testament aan. In het verhaal over de uittocht uit Egypte, in het elfde hoofdstuk van het boek Numeri, wordt ook gesproken over 70 oudsten. Mozes besluit om zijn leiderschap gedeeltelijk te delen met deze oudsten. Het klagende volk, met onverzadigbare vreemdelingen bovendien, zou op die manier beter in de hand te houden zijn. Jezus van Nazareth deelt op bijna dezelfde manier zijn gezag met de volgelingen die hij er op uitstuurt.

Ze krijgen dan ook de verzekering dat ze net zo mogen optreden als hij, en dat wie naar hen luistert eigenlijk naar hem luistert. Daarmee is ook onze opdracht om te verkondigen bepaald. Het gaat niet om hogere tovenarij maar om bevrijding van de armen. De boodschap is niet dat je op de knieën moet om Jezus binnen te laten, maar dat je de handen uit de mouwen moet steken om de armen te bevrijden. En wie het niet wil horen die moet het zelf maar uitzoeken, daar schudden we de stof van onze voeten, we oordelen er niet over, we worden niet boos, wellicht is er een ander op een andere tijd die ze wel binnen laten maar we laten ons leiden door hen die ons willen horen. Want ook onze samenleving zal ingericht moeten worden op bescherming van de armsten in de wereld. Laten we daarom de onrechtvaardige tolmuren afbreken en het Koninkrijk binnen laten. Elke dag kunnen we er mee op pad, ook vandaag weer.

Waar is dan je God?’

Psalm 42

1Voor de koorleider. Een kunstig lied van de Korachieten. 2 Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God. 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen? 4 Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht, want heel de dag hoor ik zeggen: ‘Waar is dan je God?’ 5 Weemoed vervult mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God-een feestende menigte, juichend en lovend. 6 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. 7 Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan u, hier in het land van de Jordaan, bij de Hermon, op de top van de Misar. 8 De roep van vloed naar vloed, de stem van uw waterstromen-al uw golven slaan zwaar over mij heen. 9 Overdag bewijst de HEER mij zijn liefde, ‘s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven. 10 Tot God, mijn rots, wil ik zeggen: ‘Waarom vergeet u mij, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?’ 11 Mij gaat door merg en been de hoon van mijn belagers, want ze zeggen heel de dag: ‘Waar is dan je God?’ 12 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. (NBV)

Hoeveel Nederlanders zullen deze Psalm in hun jeugd gezongen hebben? “t Hijgend hert, der jacht ontkomen…. ” zoals de berijming uit 1773 luidde heeft tot veel spot en lol geleid. Het “Evenals een moede hinde” zoals de berijming tegenwoordig luidt is misschien wat onbekender maar de Psalm is een van de meest populaire psalmen uit het Protestants psalmenboek gebleven. Maar waar kun je nu zo moe van worden? Waar zo droevig van? “Mijn ziel dorst naar God”, vertaalt de Naardense Bijbel. Die jacht uit die bekende psalmberijming komt in de Bijbel niet voor, maar wie wel eens een marathon heeft gezien, die zal gezien hebben hoe een atleet kan smachten naar een slok water. Zo kan het je ook te moede zijn als je de hele dag maar hoort vragen “Waar is je God? “, “we zien die God van jou niet!”, “die God is niet in de hemel en niet op de aarde!”.

En dat terwijl je het bestaan van die God toch had ervaren toen je samen met een heleboel anderen feest ging vieren in een kerk, of een bijeenkomst waar die God werd vereerd, of bij een feest voor bevrijding van de armen. Maar Jeruzalem is ver, de dichter loopt bij de rivier de Jordaan en bij de drie toppen van de berg Hermon in het Misargebergte. Daar waren heiligdommen voor afgoden, daar werd geofferd aan die afgoden. En ja, de afgodendienaars spotten graag met de God zonder beeld, de God zonder land, de God die met mensen meegaat, de God waarvan je zelfs moet zeggen dat die God niet bestaat. Die God is immers niet te vinden in de hemel noch op de aarde. Die God gebeurt tussen mensen. Die God is Liefde. De afgoden, aan wie veel wordt geofferd, hebben niets te bieden. De meest glanzende carrière kan geen liefde brengen. De goden van winst en profijt zoals wij die kennen brengen alleen afgunst en jaloezie voort. De God van de Liefde brengt vreugde.

Maar dan moet je je wel met de minsten willen bezighouden. Niet met de na strevers van succes, niet met de maatpakken en cocktailjurken, maar met de zwervers, de gebroken gezinnen met schulden, de vreemdelingen met hun vreemde geloof, de jongeren uit onze kolonies, de zieken en gehandicapten. En kun je dan nog zeggen dat je smacht naar het werk voor die minsten? Dat je net zo graag wil instaan voor je naaste als de atleet dorst heeft na de wedstrijd? Of als een hert dorst naar stromend fris water? Wat ziel is weten we weer dankzij de onderdrukten uit Amerika. “Soul” noemen ze het daar, het levensgevoel dat vreugde en verdriet weet uit te drukken in taal en muziek. Bij dat levensgevoel kan de honger en dorst naar gerechtigheid horen, de dorst naar God. Gelukkig kunnen we elk moment beginnen met het verlangen naar God, door ons te wenden tot de minsten binnen ons bereik.

Laat hen begaan

Handelingen 5:27-42

27 Ze namen de apostelen mee en leidden hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon het verhoor met de vraag: 28 ‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden de naam van Jezus nog te gebruiken en onderricht over hem te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van deze man.’ 29 Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. 30 De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u hem had vermoord door hem aan een kruishout te hangen. 31 God heeft hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven. 32 Daarvan getuigen wij, en daarvan getuigt ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie hem gehoorzamen.’ 33 Toen de leden van het Sanhedrin dit hoorden, ontstaken ze in woede en wilden ze de apostelen ter dood brengen. 34 Maar toen stond een van hen op, een Farizeeër die Gamaliël heette en die als wetsleraar bij het hele volk in aanzien stond. Hij gaf opdracht de apostelen een ogenblik naar buiten te brengen 35 en zei vervolgens: Israëlieten, overweeg nog eens goed wat u van plan bent met deze mensen te doen. 36 Immers, enige tijd geleden wierp Teudas zich op als een man die het volk zou leiden, en ongeveer vierhonderd mensen sloten zich bij hem aan; hij werd gedood, zijn aanhang viel uiteen en verdween in het niets. 37 Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam; ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven. 38 Daarom zeg ik u: houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, 39 maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou weleens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’ De leden van het Sanhedrin stemden met hem in 40 en riepen de apostelen weer binnen. Ze lieten hen geselen, bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij. 41 De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus. 42 Ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de messias is. (NBV)

Zo kort na het begin van onze jaartelling wemelde het in Israel van mensen die het volk beloofden te bevrijden van de heerschappij van de Romeinen. Uiteindelijk zou dat uitlopen op een massale gewapende opstand in het jaar 70 en de verwoesting van de Tempel. Schijnbaar was het verhaal van het volk Israel en die rare God zonder beeld daarmee uit en over. Het volk werd verspreid over de toen bekende wereld en de Tempel zou nooit meer opgebouwd worden. Christenen geloofden echter dat door Jezus van Nazareth het hele verhaal een totaal andere wending had gekregen. Door de dood heen bleef het hart van de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving: ” heb uw naaste lief als uzelf”, en daarmee het hart van de aanbidding van die God, bestaan. Heb je naaste lief als je zelf werd de centrale richtlijn voor Joden en Heidenen. En Joden en Heidenen samen vormden een nieuwe gemeenschap.

Onder de religieuze leiders van het volk Israel waren wijze mensen. Zij hadden het voortbestaan van hun geloof verzekerd door de stichting van de synagogen. Al die opstootjes, al die volksbewegingen deden het volk echter geen goed. Steeds weer opnieuw werden Romeinse soldaten naar opstandige provincies gestuurd en steeds weer moesten daar belastingen voor worden opgebracht. Daar werden de armen, net als nu, het eerst het slachtoffer van. Dat men daar een rem op wilde zetten was begrijpelijk. Maar als de beweging van die Jezusmensen nu eens een echte waarachtige nieuwe stroming van het oude geloof betekende? Dan zou het vergeefse moeite zijn die beweging uit te roeien. Gewapende opstand werd er in elk geval niet gepreekt. Alleen dat delen met elkaar en dat je van elkaar kon houden door de dood heen. Dat die Jezus van Nazareth dat had voorgedaan en dat iedereen voortdurend mee kon gaan doen.

Het zou de toekomst zijn of vanzelf verdwijnen. Als je dat achteraf leest is dat natuurlijk heel mooi. Wij weten, net als de eerste lezers van het boek Handelingen, dat het nooit is overgegaan. Daarmee wordt het bijna propaganda. Ook de tegenstanders van de beweging wilden het een kans geven. Vergeten wordt dat het niet de beweging is die uiteindelijk belangrijk bleek, maar het handelen van mensen. De Kerken zijn verdeeld in ontelbare splinters. Samen delen doet men symbolisch met brood en wijn. Maar telkens blijven er ook mensen opstaan die zich gaan inzetten voor medemensen in verdrukking. Hongerigen worden gevoed, zieken verzorgd, gevangenen bezocht. En overal klinkt en blijft klinken de roep om recht en gerechtigheid, de roep om vrede. Dat is de beweging van Jezus van Nazareth en wat men er van vindt is niet belangrijk, alleen dat je er aan mee mag doen, ook vandaag.

De zuilengang van Salomo

Handelingen 5:12-26

12 De apostelen verrichtten vele tekenen en wonderen onder het volk. De gelovigen kwamen eensgezind bijeen in de zuilengang van Salomo, 13 en ofschoon niemand zich daar bij hen durfde te voegen, sprak het volk vol lof over hen. 14 Steeds meer mensen gingen in de Heer geloven, een groot aantal mannen zowel als vrouwen, 15 en ze legden zelfs zieken op draagbedden of matrassen buiten op straat, in de hoop dat toch ten minste de schaduw van Petrus, wanneer hij voorbijkwam, op een van hen zou vallen. 16 Ook vanuit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe; ze brachten zieken mee en mensen die door onreine geesten gekweld werden, en allen werden genezen. 17 Daarop besloten de hogepriester en zijn medestanders, de Sadduceeën, in te grijpen. Vervuld van jaloezie als ze waren, 18 lieten ze de apostelen gevangennemen en opsluiten. 19 ‘s Nachts opende een engel van de Heer echter de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei: 20 ‘Ga naar de tempel en spreek daar tot het volk over alles wat dit nieuwe leven aangaat.’ 21 De apostelen gaven hieraan gehoor en gingen bij het aanbreken van de dag naar de tempel, waar ze hun onderricht voortzetten. Toen de hogepriester en de Sadduceeën gearriveerd waren, riepen ze het Sanhedrin bijeen, de hele raad van oudsten van de Israëlieten, en zonden ze tempelwachters naar de gevangenis om de apostelen te halen. 22 Maar toen de wachters daar kwamen, troffen ze hen er niet aan. Ze keerden terug om verslag uit te brengen 23 en zeiden: ‘De gevangenis was zorgvuldig afgesloten en de bewakers stonden bij de deuren, maar nadat we die geopend hadden, troffen we er niemand aan.’ 24 Toen het hoofd van de tempelwacht en de priesters dit hoorden, vroegen ze zich vertwijfeld af wat de gevolgen hiervan zouden zijn. 25 Kort daarop kwam iemand zeggen: ‘De mannen die u gevangen hebt gezet, zijn in de tempel en onderrichten het volk.’ 26 Daarop ging het hoofd van de tempelwacht hen met zijn wachters halen, maar zonder geweld te gebruiken, omdat ze bang waren dat het volk hen zou stenigen. (NBV)

Na koning David kwam Koning Salomo en die bouwde de Tempel en verving de Heilige Tent uit de woestijn door een stenen gebouw. Na Jezus van Nazareth kwam Petrus en kwamen de leerlingen, de zendelingen en de volgelingen van Jezus van Nazareth en het is daarom geen wonder dat de gelovigen uit Jeruzalem zich verzamelden in de zuilengang van Salomo, een belangrijk studiecentrum in het tempelcomplex. Het Koninkrijk van God was echt begonnen. Petrus en Johannes hadden ruzie gekregen met de leiders van de Tempel omdat ze de mensen voorhielden dat dat verhaal van Jezus van Nazareth doorging door de dood heen. Als iedereen dat zou gaan geloven kon het een ramp worden. De Romeinen bezetten nog steeds het land en eisten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Een gewapende opstand tegen de Romeinen zou niet veel later dan ook op een ramp voor het land uitlopen en een definitieve verwoesting van de Tempel tot gevolg hebben.

De lezers van het boek Handelingen waren hier al wel van op de hoogte. De eerste gemeente leefde echter niet op de manier waarop men dat in de wereld gewoon is. Wapens kwamen er niet aan te pas. Ruzie over eigendom ook niet, ze deelden alles wat ze hadden zonder te letten op persoonlijk eigendom. Wie daaraan niet eerlijk wilde meedoen kon doodvallen. Gevangenis was ook niet beangstigend. Volgens het verhaal van vandaag liepen Petrus en Johannes er net zo hard weer uit als ze er waren ingestopt. Daar zou het overigens niet bij blijven want de eerste martelaar van de nieuwe beweging diende zich al vrij snel aan. Toch blijft de beweging van Christenen heel lang geweldloos. En geweldloosheid spreekt ons dezer dagen misschien wel extra aan door het geweld van eenzame mensen die zich willen wreken op mensen die hen eenzaam lieten worden. Of de eenlingen die door geweld de wereld naar hun hand willen zetten.

Wij vragen ons af waarom je zo vaak zo snel kunt beschikken over vuurwapens. In ons land is het bezit verboden en dat is misschien een rem, maar veel te vaak mag het bezit toch. En ook als het niet mag zijn die wapens er toch. Het geweld mag hier nergens. Samen zullen we moeten zoeken naar wegen om het geweld uit te bannen. Uitbannen van wapens is dan slechts een klein begin. Houden van mensen en zorgen dat iedereen ook echt mee doet en niemand wordt uitgesloten is het volgende. Dat waren de wonderen van Jezus van Nazareth en dat waren kennelijk ook de wonderen van zijn volgelingen. Laat dat ook onze wonderen zijn. Jongeren echt mee laten doen, ze hoop en toekomst geven, ook als ze vreemdelingen onder ons zijn, moet een opgave zijn die we met vreugde op ons kunnen nemen. Elke dag kunnen we er weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.