En hij gaf hem de naam Jezus.

Matteüs 1:18-25
18 De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. 19  Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. 20  Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. 21  Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’ 22  Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: 23  ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven, ‘wat in onze taal betekent ‘God met ons’. 24  Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar bij zich als zijn vrouw, 25  maar hij had geen gemeenschap met haar voordat ze haar zoon gebaard had. En hij gaf hem de naam Jezus. (NBV)
Vandaag lezen we het kerstverhaal van Matteüs. Geen volkstelling, geen reis naar Bethlehem, geen stal, geen herders en engeltjes. Het verhaal over de afkomst, de wording, van Jezus de bevrijder, de Messias, de Christus. Nu wordt er vertaald met “afkomst” in vorige vertalingen wordt vertaald met “geboorte” Eigenlijk staat er “genesis”, wording, het antwoord op de vraag hoe het allemaal zo gekomen is dat die Jezus van Nazareth de Messias, de Christus werd. Dat begin is niet vanzelfsprekend, daar was al wat mee, niet iets om blij over te worden misschien. Maar het verhaal over een dubieuze zwangerschap. Over een jonge vrouw die al verloofd is maar dan zwanger blijkt van een ander. Dat kind moet echter in liefde verwekt zijn anders kan het toch niet. Dat is de boodschap waarvan Jozef droomt en die hem doet besluiten Maria toch tot vrouw te nemen.
En die liefde gaat verder dan de liefde tussen twee mensen. In zijn droom hoort Jozef weer de woorden van de profeet Jesaja. In het diepste duister van een belegering van Jeruzalem had die tegen de koning gezegd dat zijn favoriete bijvrouw een kind zou krijgen dat “God met ons” zou heten. Dat moet je maar durven, kinderen krijgen als demonstratie van vrede en gerechtigheid. Jezus betekent “God bevrijdt”, en die naam krijgt een bijzondere lading door de manier waarop Jozef de zwangerschap van zijn vrouw benadert. Dat Jezus van Nazareth dan ook nog de Messias, Christus, wordt genoemd gebeurt pas door de lezers van het verhaal, de gemeente die het evangelie van Matteüs leest. In dat verhaal moet het bevrijdende dus al opgesloten zijn. En dat komt doordat Jozef een droom heeft. Een droom die gaat over een wereld die wij ons allemaal wel zouden wensen. Hoeveel sympathie krijgen alleenstaande moeders wel niet rond de kerstdagen.
Ze moeten opgevangen worden, er worden kerstpakketten voor ingezameld er worden voorlichtingsprogramma’s opgestart om te voorkomen dat er nog meer alleenstaande moeders komen. Jozef droomt van een wereld waar dat niet meer nodig is. Een wereld waar elke vrouw zelf de beslissing kan nemen om een kind op de wereld te zetten zonder bang te zijn voor de gevolgen of de toekomst. Een wereld waar mensen handen en voeten van God zijn geworden en voor elkaar zorgen, elkaar lief hebben en elkaar niet veroordelen of etiketten van goed en kwaad opplakken. Die droom wordt hier door Matteüs aan ons verteld en op die droom mogen wij antwoord geven. Een antwoord dat kan zijn dat ook wij die Jezus, God met ons, als bevrijder, als Messias, Christus gaan erkennen, die ons bevrijd heeft van angst voor andere mensen, die ons geleerd heeft in liefde voor elkaar te leven. Dat is de nieuwe aarde waarvan Jesaja droomde, waarvan Jozef droomde en waar wij elke dag weer aan mogen werken, ook vandaag weer.

Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte

Micha 7:14-20
14 Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer. 15  Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat ik dit volk wonderbaarlijke daden zien. 16  De volken zullen het zien en beschaamd staan, beroofd van hun kracht, doof en met de hand op de mond. 17  Ze zullen stof likken als een slang, als dieren die kronkelen over de grond. Sidderend zullen ze uit hun burchten komen, vol ontzag voor de HEER, onze God. Ze zullen u vrezen! 18  Wie is een God als u, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont u hun uw trouw. 19  Opnieuw zult u zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt u in de diepten van de zee. 20  U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals u gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer. (NBV)
Vandaag sluiten we de lezing van het boek Micha af. Een hoopvol einde wordt het, zoals komende week het einde van dit jaar voor iedereen hoopvol mag zijn. Want Micha houdt ons voor dat wat er ook verkeerd is gedaan we altijd opnieuw mogen beginnen. De bevrijding van angst en onderdrukking door het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving begint elke dag opnieuw. Elke dag gaat de zon op en elke dag is de eerste dag van de rest van ons leven. Elke dag dus kunnen we beginnen met het opbouwen van een nieuwe samenleving. Elke dag opnieuw gaat het licht op waarin we onze naaste kunnen zien, de armen in onze eigen omgeving mogen herkennen, de armen in Afrika en andere arme landen mogen zien. Elke dag ook kunnen we hen opnieuw de hand reiken.
Die bevrijding, dat eerlijk delen in een rechtvaardige samenleving, brengt ons pas echte voorspoed en welvaart. Zoals een herder zorgt voor de schapen, en Micha laat nog een keer horen dat hij een boer is, zo zorgt het spoor van Liefde en Recht voor ons. We sluiten overigens de lezingen en de beschouwingen daarover niet af. Op de sites van de PKN en van het Nederlands Bijbelgenootschap is het dagelijks leesrooster voor 2020 al weer te downloaden. Dat leesrooster is voorbereiding en uitwerking van het rooster van de Eerste Dag, het rooster van lezingen dat in de kerken in Nederland overwegend wordt gebruikt. Wie wil weten wat er zoal in de kerken zich afspeelt en waar men zich mee bezig houdt doet er dus goed aan om elke dag de aangegeven passage te lezen.
We zullen hier blijven proberen die lezingen te betrekken op wat er zich zoal in de wereld en in onze samenleving afspeelt. De week tussen kerst en nieuwjaar is een week van rust en bezinning. Maar dan verbaasd het des te meer dat die mogelijkheid om elke dag opnieuw met de nieuwe manier van samenleven in de wereld te beginnen alle volken schrik aan zal jagen. Micha belooft dat iedereen, iedere machthebber, elke regeerder, op de hele wereld er uiteindelijk aan mee zal doen. Wij leren dat dat zal moeten beginnen met eenvoudige lieden als Maria, Jozef en de Herders, eenvoudige lieden als wijzelf wellicht zijn. Beginnen kan dus vandaag al, we hoeven niet te wachten op het vuurwerk van de komende week.

Maak je niet vrolijk over mij

Micha 7:8-13
8  Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij. Al ben ik gevallen, ik sta op, al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht. 9  De toorn van de HEER zal ik dragen- ik weet, ik heb tegen hem gezondigd-tot hij voor mij heeft gepleit, mij recht heeft verschaft. Hij zal me naar het licht voeren en ik zal zijn gerechtigheid aanschouwen. 10  Zij die me haat zal het zien en beschaamd zijn, zij die me vroeg: ‘Waar is hij dan, de HEER, je God?’ Ik zal toekijken en genieten wanneer ze als straatvuil vertrapt wordt. 11  Dat is de dag om je muren op te bouwen, de dag dat je grenzen worden verlegd. 12  Die dag zal men bij je komen, van Assyrië tot de steden van Egypte, van Egypte tot aan de Eufraat, en vanaf de zee in het westen tot aan de hoogste berg. 13  En de aarde zal worden verwoest, om haar bewoners, vanwege hun daden. (NBV)
Terwijl een groot deel van Nederland een paar dagen vrij heeft genomen zo tussen kerst en oud en nieuw lezen wij na de advent en zo vlak voor de kerst het boek van Micha uit. In de Nieuwe Bijbelvertaling is degene die zich niet vrolijk moet maken weggevallen, in andere vertalingen is het een vijandin. Daarom laat het zich vandaag wellicht wat gemakkelijker lezen. In de advent hebben we gezien dat hoe donkerder het wordt hoe meer licht we ontsteken aan de Paaskaars. Maar er is altijd een keizer die denkt dat hij de baas is, ja zelfs de God, over de hele wereld was. Mis dus. Liefde regeert heel de wereld. Rijken en machtigen kunnen proberen zich ertegen te wapenen, extra muren op te bouwen, en als je dat nodig vindt moet je dat nu doen roept Micha, maar het zal niet helpen, de wereld zoals wij die kennen zal vergaan.
En is dat ook werkelijk zo gebeurt? Het is maar hoe je het bekijkt. Kleine landjes, zoals dat van Micha, worden nog steeds bedreigd. Israël is niet veilig en Israël en Palestina lijken verstrikt te zijn in een oneindige spiraal van geweld en tegengeweld. Hoe die spiraal te doorbreken heeft nog niemand bedacht. Ja liefde en respect voor elkaar zullen ook daar de oplossing zijn. De gedachte dat je met elkaar moet delen en moet zorgen dat je allemaal zult mogen meedoen zal er vrede kunnen brengen. Maar hoe krijg je de mensen in Israel en Palestina zo ver dat ze dat aandurven? Als we onze tijd vergelijken met die van Micha dan zien we dat veel goden verdwenen zijn, dan zien we dat machthebbers zich onaantastbaar wanen maar zich niet meer tot goden durven verheffen.
Goden hebben nauwelijks betekenis meer zelfs de God van Abraham, Izaäk en Jacob dwingt geen respect meer af. Maar die laatste God heeft altijd al laten weten geen naam te willen hebben en geen gouden of zilveren beelden, alleen liefde voor de armsten en de verdrukten. En die droom, ook de droom van Micha leeft nog steeds. Vrede op aarde en in mensen een welbehagen wordt met de beide kerstdagen in alle talen en door miljoenen mensen meegezongen. Die droom zet machtigen en heersers ook na de kerst onder druk om een einde te maken aan geweld en oorlog in de wereld. Ook zonder kerst lopen we te hoop tegen onrecht en onderdrukking, in eigen land en in verre vreemde landen. Die droom maakt dat disc jockeys in een lange tocht ondernemen en veel geld bijeenbrengen voor slachtoffers van geweld en onderdrukking. En om die droom was het God te doen.

Niemand is nog rechtschapen.

Micha 7:1-7
1 Ongelukkige die ik ben, het is als bij de late oogst, als bij de laatste pluk: geen volle druiventros meer om te eten, geen vroege vijg meer, waarnaar ik smacht. 2  Zij die trouw waren zijn verdwenen uit het land, niemand is nog rechtschapen. Allen zijn op bloed belust, iedereen belaagt zijn naaste. 3  Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand. 4  De deugdzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf, door uw wachters aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! 5  Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt. 6  De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden. 7 Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER, ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God. (NBV)
Het is misschien bij ons nog niet zo slecht als de maatschappelijke situatie die Micha ons schetst maar er zijn toch een paar herkenbare aanknopingspunten. Micha vergelijkt de situatie in zijn samenleving met de laatste oogst. Alle volle en rijpe vruchten zijn binnengehaald. Bij het plukken zijn de onvoldragen nog niet gerijpte vruchten blijven hangen en zo vlak voor de winter begint moeten ook die er worden afgehaald. Ze brengen niets meer op, je hebt er ook niks aan. Zo gaat het ook in de samenleving van Micha, verstandige mensen die nog opkomen voor recht en gerechtigheid zijn uit het land verdwenen. Er lijkt alleen nog ruzie te zijn en als je dan naar een rechter stapt blijkt er klasse justitie en corruptie. Als er dan een vorm van bescherming wordt geboden dan doet die alleen maar pijn, als een doornhaag.
Is het bij ons anders? Soms lijkt het er op. De angstige schreeuwers lijken de overhand te krijgen. De hooligans zien hun kans schoon om weer eens met de mobiele eenheden van de politie in oorlog te gaan. We hebben nog net geen corrupte rechters, maar klasse justitie is niet ver meer. De toegang tot het recht wordt zo duur gemaakt dat mensen met een eenvoudig inkomen geen kans meer hebben op een eerlijk en rechtvaardig vonnis van een onafhankelijke rechter. En het ministerie van justitie lijkt een onneembaar gesloten bolwerk geworden te zijn waar zich schimmige zaken lijken af te spelen die de criminaliteit in de kaart spelen, misdaden verdoezelen en waar de waarheid voortdurend het slachtoffer wordt.
Micha waarschuwt ons tegen een samenleving van angst en wantrouwen. Iedereen kan uit zijn op jouw geluk en jouw verworvenheden. Je baan staat op het spel, de zorg voor je bejaarde ouders, je huisvesting is niet meer zeker, je kinderen kunnen worden misbruikt of tot drugsverslaafden gemaakt. Als je tieners een avond uitgaan loop je de kans ze in het ziekenhuis in coma terug te vinden. Een dergelijke samenleving wordt eigenlijk steeds meer onleefbaar. Geen wonder dat de angst tegen die negatieve tendensen in onze samenleving tot geschreeuw en gewelddadig verzet leiden. Micha wijst echter een andere weg. Hij blijft uitzien naar de God van Israël en als je naar die God kijkt dan hoor je de roep om je naaste lief te hebben als jezelf. Dan hoor je roep om misstanden aan de kaak te stellen maar niet met geweld maar door ze te vergelijken met wat de God van Israël van ons vraagt. De weg die Micha ons wijst zullen wij ook moeten gaan. Blijven pogen met de angstige schreeuwers van verzet in gesprek te komen, wijzen op de vruchtbare weg van liefde en respect, van zorg voor de naaste. Ook wij zullen die weg moeten gaan.

Mij ontbreekt niets

Filippenzen 4:10-23
10 De Heer heeft mij veel vreugde gegeven nu u eindelijk uw zorg voor mij hebt kunnen tonen. U dacht altijd al aan mij, maar vond niet de gelegenheid het te laten zien. 11  Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; ik heb geleerd om in alle omstandigheden voor mezelf te zorgen. 12  Ik weet wat het is om gebrek te lijden, maar ook wat het is om in rijkdom te leven. Ik heb alles aan den lijve ondervonden: overvloed en honger, rijkdom en gebrek. 13  Ik ben tegen alles bestand door hem die mij kracht geeft. 14  Toch hebt u er goed aan gedaan in mijn moeilijkheden te delen. 15  U weet zelf, Filippenzen, dat toen ik na mijn vertrek uit Macedonië met de verkondiging begon, uw gemeente de enige is geweest die gedeeld heeft in mijn tegoeden en tekorten. 16  Al in Tessalonica hebt u mij meer dan eens iets gestuurd om mijn tekorten aan te vullen. 17  Niet dat het mij om uw gaven te doen is, ik ben er juist op uit dat het tegoed op uw rekening oploopt. 18  Nu is alles mij vergoed, en heb ik zelfs veel meer ontvangen. Mij ontbreekt niets dankzij de gaven die Epafroditus namens u heeft gebracht; ze zijn een geurig en aangenaam offer, dat God behaagt. 19  Mijn God zal uit de overvloed van zijn majesteit elk tekort van u aanvullen, door Christus Jezus. 20 Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen. 21  Groet alle heiligen in Christus Jezus. De broeders en zusters die bij mij zijn, laten u groeten. 22  Alle heiligen laten u groeten, vooral zij die in dienst van de keizer staan. 23  De genade van de Heer Jezus Christus zij met u. (NBV)
Onze riemensnijdende tentenbouwer Paulus van Tarzus had het niet altijd even gemakkelijk op zijn zogenaamde zendingsreizen. Hij had dan wel vaak het geluk ontvangen te worden door rijke nieuw geworven Christenen, vooral vrouwen worden daarbij in de Bijbel genoemd, maar als de gemeente eenmaal vaste grond had dan waren er weduwen, armen, slaven en zieken die de aandacht vroegen en het geld van de jonge gemeente nodig hadden. Paulus moest dan met werk zelf de kost verdienen en omdat ook het onderwijzen en steunen van de jonge gemeente tijd kostte was dat niet eenvoudig. Toch blijkt uit veel brieven dat Paulus er een eer in stelde zelf in zijn eigen onderhoud te voorzien. Een gemeente van Jezus van Nazareth is er niet om voorgangers rijk te maken of zelfs maar een gemakkelijk leventje te bezorgen, ook vandaag de dag niet.
Gemeenten die eenmaal op orde waren en Paulus niet meer nodig hadden kwamen als hij vertrokken was pas tot de ontdekking hoeveel hij eigenlijk waard was geweest. Verschillende keren lees je in de brieven van Paulus dan ook bedankjes voor de gaven die de gemeenten Paulus achterna hadden gestuurd. Dat lees je hier ook. Later zou Paulus zelfs een inzameling beginnen onder de door hem gestichte gemeenten om de gemeente in Jeruzalem te steunen. Die had het erg moeilijk door de door Paulus begonnen vervolgingen en Paulus roept de gemeenten dan ook herhaaldelijk op geld voor hen bijeen te brengen. In het allerlaatste zinnetje van de brief, net voor de zegenbede, steekt Paulus de gemeente in Filippi nog even een hart onder de riem. Hij reisde niet alleen rond dus is het niet zo vreemd dat hij besluit met de groeten te doen van iedereen die met hem meer reisde.
Maar dat het vooral degenen zijn die in dienst van de keizer staan is vreemder. Wie dat geweest zijn weten we niet, maar als het geloof in Jezus van Nazareth al doorgedrongen is in het huis van de Keizer van Rome dan kan een omwenteling in de Romeinse Rijk niet ver meer zijn. En in de dagen van Paulus leefde men in de veronderstelling dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde onder handbereik waren. Dat geloof mogen we vandaag ook delen. Als we willen dat onze samenleving hoort bij een wereld waarin iedereen mee mag doen, waar gedeeld wordt met de minsten en gezorgd wordt met de zwaksten hoeven we er alleen maar mee te beginnen, gewoon de naaste liefhebben als jezelf. Daar mag je iedereen in meenemen en elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag. Dat is de genade van Jezus van Nazareth, de echte Heer van de wereld.

Ik dring er bij u op aan eensgezind te zijn

Filippenzen 4:1-9
1 Daarom, broeders en zusters, die ik liefheb en naar wie ik verlang, die mijn vreugde en erekrans zijn, blijf standvastig in de Heer. 2  Euodia en Syntyche, ik dring er bij u op aan eensgezind te zijn, want u bent één met de Heer. 3  En u, trouwe vriend, vraag ik hen te helpen. Ze hebben samen met mij voor het evangelie gestreden, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, van wie de namen in het boek van het leven staan. 4  Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. 5  Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. 6  Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden. 7  Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren. 8  Ten slotte, broeders en zusters, schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient. 9  Doe alles wat ik u heb geleerd en overgedragen, wat ik u heb verteld en laten zien. Doe het, en de God van de vrede zal met u zijn. (NBV)
Eendracht maakt macht. Het is in onze geschiedenis een spreuk uit de ontstaansgeschiedenis van ons land. In de negentiende eeuw kwam de spreuk weer tevoorschijn toen de arbeiders ontdekten dat uitvoering geven aan de spreuk hun beweging een enorme kracht gaf. We lezen vandaag echter dat oorspronkelijk de spreuk gericht was aan de gemeente in Filippi. Je zou dus verwachten dat de kerken met alles wat in hen is de spreuk tot gelding zouden brengen. Nu is het nog te begrijpen dat als je in elkaar niet meer herkent tot één kerk te behoren dat de wegen uit elkaar gaan maar dat kerken zelf een interne verdeeldheid preken als horende bij de Bijbel is totaal onbegrijpelijk. De oproep tot eenheid wordt door Paulus gedaan aan twee vrouwelijke leidinggevenden van de gemeente.
En onderscheid maken tussen mannen en vrouwen in de kerkelijke gemeente is dus in flagrante strijd met de boodschap van de Bijbel, met name met het Nieuwe Testament. Daar waar dat onderscheid nog wordt gepraktiseerd en vrouwelijke ambtsdragers niet worden toegelaten is dus geen sprake van een Christelijke Kerk. We worden zelfs uitdrukkelijk opgeroepen om de vrouwelijke voorgangers te helpen. Ook zij strijden voor het Evangelie, de bevrijding van de armen, in de dagen van Paulus het opheffen van het onderscheid tussen slaven en vrijen, tussen Heidenen en Joden, tussen mannen en vrouwen. Paulus roept dit niet voor niets.
Een Christelijke gemeente moet nu eenmaal herkenbaar zijn en in zijn dagen was het verlies van dat onderscheid moeilijk genoeg uit te dragen. Maar uit het Oude Testament leerde de gemeente dat de God van Israël een God was die met je meetrok. Jezus van Nazareth had zelfs beloofd daar waar de gemeente bijeen kwam aanwezig te zijn. Daar mag je blij om zijn, dat geeft je kracht, zeker als jouw gemeente ook echt te herkennen is als een gemeente van God, aandacht schenkt aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is. Breng gerust alles onder woorden wat daarvoor nodig is, vragen aan God noemt Paulus dat. Dat is het verbond dat God met de zijnen gesloten heeft, tot op de dag van vandaag mogen we daaruit leven, in vrede en in vreugde, maar vooral in eenheid met elkaar.

Pas op voor die honden

Filippenzen 3:1-11
1 Voor het overige, broeders en zusters, laat de Heer uw vreugde blijven. Ik heb er geen moeite mee te herhalen wat ik u al geschreven heb; het is voor uw eigen bestwil. 2  Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze! 3  Wij zijn het die besneden zijn, wij verrichten onze dienst door de Geest van God en laten ons voorstaan op Christus Jezus, niet op onszelf, 4  hoewel ik redenen genoeg zou hebben om op mezelf te vertrouwen. Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker. 5  Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een Farizeeër 6  en heb de gemeente fanatiek vervolgd. Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig. 7  Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 8  Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen 9 en één met hem zijn-niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus. 10  Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11  in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan. (NBV)
Die Paulus kon hele ingewikkelde brieven schrijven. In een taal die het midden hield tussen de taal van de Hebreeuwse Bijbelgeleerden en Griekse Filosofen. In de loop van de eeuwen zijn allerlei zogenaamde geleerden aan de haal gegaan met de woorden van Paulus. Ze hebben er puzzeltjes van gemaakt en ze omgebogen naar hun eigen belang. Dat terwijl Paulus eigenlijk een heel praktisch ingesteld man moet zijn geweest die adviezen gaf aan gemeenten van de volgelingen van Jezus van Nazareth die moesten zien te overleven in een vijandige omgeving tussen de Romeinse staat, de Griekse filosofen en de Joodse minderheden. Van die laatste waren er die de nieuwgevormde Christelijke gemeenten probeerden in te lijven. Als ze er toe gebracht konden worden zich alleen nog met al die wetjes en regeltjes uit de Joodse cultuur bezig te houden dan vormden die Christenen niet meer zo’n bedreiging. Één van die regeltjes was de besnijdenis van mannen en daar begint Paulus dan ook tegen uit te varen, hij noemt die verplichte besnijdenis van Heidenen een versnijdenis.
Lees hier dan niet in dat Paulus zich tegen de Joden afzet. Hij is zelf voluit een Jood en is daar trots op. Joden moeten dan ook vooral Jood blijven en hun kinderen laten besnijden. Maar het al of niet Jood zijn wil nog niet zeggen dat je de Weg van Jezus van Nazareth , de weg van de God van Israël, volgt. Paulus was een vrome Jood, besneden, zich bewust van de Joodse stam waartoe hij behoorde, gestudeerd bij de Farizeeën. Maar als vrome Jood heeft hij de gemeente van de Christenen fanatiek vervolgd. Ondanks dat Jood zijn, ondanks die kennis van Wet en Profeten, maakte hij de verkeerde keuze, het werkte uiteindelijk zelfs tegen hem. Pas door de ontmoeting met de Christus op de weg naar Damascus, waar hij blind werd geslagen, gingen hem de ogen open. De liefde voor de naaste, desnoods dwars door de dood heen, was veel en veel belangrijker dan al die wetjes en regeltjes die zonder zin en inhoud geworden waren.
Die liefde voor de naaste als voor jezelf die komt niet omdat je zo goed bent, omdat je je zo netjes gedraagd of zo Christelijk weet te spreken maar die komt ondanks jezelf. Dat is genade en als je bedacht bent op je naaste, zelfs al zou je daaraan dood moeten gaan, dan leer je pas wat leven is, dan mag je hopen met Christus op te staan uit de doden. Al die doden die alleen op zichzelf bedacht zijn en geen oog meer hebben voor het leven dat ze zouden kunnen leiden. Een leven zonder angst voor verlies van bezit, zonder angst voor verlies van een baan, zonder angst voor verlies van wat dan ook omdat de gift van liefde voor de naaste een gift is die je voortdurend wordt aangeboden en die je ondanks jezelf mag gebruiken om te ontdekken waar het leven echt geleefd kan worden. En als je dat gaat doen dan ontdek je dat die woorden van Paulus helemaal niet zo ingewikkeld zijn maar van groot praktisch belang. En het mooie is dat je er elke dag weer opnieuw mee mag beginnen, ook vandaag weer.

De rijken van de stad zijn een en al geweld(17-12)

Micha 6:9-16
9 Hoor, de HEER roept tot de stad-wie wijs is heeft ontzag voor uw naam. Hoor het striemen van de roede: wie zou er dan nog voor haar getuigen? 10  Zou ik geen aandacht schenken aan de schatten in het huis van een gewetenloos mens, schatten door onrecht verkregen, of aan die ondermaatse efa, die om vergelding schreeuwt? 11  Zou ik een onzuivere weegschaal, een buidel met valse gewichten door de vingers zien? 12  De rijken van de stad zijn een en al geweld, haar inwoners zijn bedriegers, ze hebben een leugenachtige tong. 13  Daarom ook ben ik begonnen je te slaan, je te treffen vanwege je zonden. 14  Nu zul je eten maar niet verzadigd worden, en je darmen raken verstopt. Wat je opbergt kun je niet behouden, en wat je wel behoudt laat ik ten prooi vallen aan het zwaard. 15  Je zult wel zaaien maar niets oogsten, je zult olijven persen maar je niet met olie inwrijven, je zult druiven treden maar geen wijn drinken. 16  Jullie houden je graag aan de bepalingen van Omri en aan de besluiten van het huis van Achab, jullie volgen hun raad. Daarom maak ik van jullie, inwoners van de stad, een afschrikwekkend voorbeeld en een voorwerp van spot, en je zult de schande van mijn volk dragen. (NBV)
Het hoort er bij, rijken moet je nooit vertrouwen. Wie eerlijk en rechtvaardig is wordt niet rijk. Die deelt op tijd. Armoede is geen ideaal maar rijkdom terwijl er nog armen zijn is verwerpelijk. Dat was in de tijd van Micha niet anders als nu. Ook nu moeten we veel belasting bijeen brengen voor het ijkwezen, anders gaan de ondernemers op de loop met valse maten en gewichten, ook nu moet er toezicht zijn op arbeidsomstandigheden, op concurrentieverhoudingen op veiligheidsvoorschriften en noem maar op. En natuurlijk klagen de rijken over de vele regels die nodig zijn om hen in toom te houden, over de vele regels om de armen recht te verschaffen. Ze wijzen dan op koningen en regeerders die die regels niet kennen en waar het in hun landen met de rijken beter gaat. Dat de armen dan nog armer worden ontgaat ze, ze zien ze niet en ze horen ze niet.
Dat er wat gedaan zou moeten worden aan de exorbitante zelfverrijking in de top van het bedrijfsleven zodat er een rechtvaardiger inkomensverdeling kan ontstaan wordt voortdurend afgewezen. Dat we niet de behoefte aan energie van vandaag moeten afwentelen op onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen en hen moeten opzadelen met een giftig afval waarbij het polonium uit Rusland een onschuldig medicijn lijkt  dringt nog maar nauwelijks door. Het blijven wijzen op oneerlijke en onrechtvaardige inkomens en bezitsverhoudingen is niet iets van de filosoof Marx uit de negentiende eeuw, maar eeuwen voor de geboorte van Jezus van Nazareth en het begin van onze jaartelling hadden woestijnbewoners hetzelfde al opgeschreven en vervolgens werd dat verhaal wakker gehouden door een eindeloze stroom profeten en gelovigen. Tot de dag van vandaag, en dat zal doorgaan tot de dag dat het onrecht verdwijnt.
Wat voor Micha duidelijk is dat verdwijnt bij ons in het gebrek aan kennis. Wie kent nog de regels van Omri en het geslacht van Achab? Ze zijn in deze dagen hoogst actueel. Omri was de Koning die de rijkdom van Israël graag toeschreef aan de goden van vruchtbaarheid die in prachtige religieuze feesten werden aanbeden. Het kon niet mooi genoeg en houtsnijders en goudsmeden werden rijk door de prachtige beelden die voor deze goden gesmeed. Achab was de Koning die de wijngaard van Nabod inpikte onder het motto dat een Koning altijd recht had op het bezit van een ander. In onze dagen doen we niet anders. Dat we rijk kunnen worden wordt ons voorgehouden door organisatoren van loterijen waarbij de kans op winnen vrijwel nihil is maar die ook nog de illusie wekken dat je met meespelen zogenaamde goede doelen steunt. De werkelijke rijkdom gaat nog steeds naar de top van het bedrijfsleven met bonussen en al en naar de top van banken die buiten schot blijven als de armen de bank weer eens overeind moeten houden. Als afschrikwekkend voorbeeld van de absoluut foute verdeling van onze rijkdom kennen wij de voedselbanken. De armen in ons land steunen ze in ruime mate, de rijken weigeren om ze overbodig te maken.

Niets anders dan recht te doen

Micha 6:1-8
1 Hoor toch wat de HEER zegt! Sta op, laat de bergen uw rechtsgeding horen, laat de heuvels getuige zijn. 2  Luister, bergen, naar het pleidooi van de HEER, hoor toe, onwrikbare fundamenten van de aarde. De HEER heeft een geschil met zijn volk, hij klaagt Israël aan: 3  Mijn volk, wat heb ik je misdaan? Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij! 4  Ik heb je weggeleid, bevrijd uit de slavernij in Egypte. Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam om jullie voor te gaan. 5  Ben je dan vergeten, mijn volk, wat Balak besloot, de koning van Moab, wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde? Ben je vergeten wat er gebeurde tussen Sittim en Gilgal? Ken je de gerechtigheid van de HEER niet meer? 6 Wat kan ik de HEER aanbieden, waarmee hulde brengen aan de verheven God? Moet ik hem tegemoet treden met brandoffers, zou hij eenjarige stieren aanvaarden? 7  Kan ik hem gunstig stemmen met duizenden rammen, met olie, stromend in tienduizend beken? Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan, de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven? 8  Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God. (NBV)
Vandaag lezen we verder in het boek van de profeet Micha en ook die zingt een lied. Een beurtzang, eerst wordt herinnert aan de geschiedenis en dan vraagt de zanger wat er nog gedaan kan worden om God gunstig te stemmen. Als we de bevrijding door God vergeten en onze zelfgemaakte goden aanbidden dan gaat het met de samenleving een verkeerde kant op. Wat moeten we doen om weer op het rechte spoor te komen. Niet anders dan recht doen is het antwoord. Daarmee krijgt voor Christenen ook de lofzang van Maria een bijzondere klank. Mijn ziel zingt lof aan de Heer begint het, want hij heeft omgezien naar de kleinen. Dat is ook wat Micha ons voorhoud. Recht doen en de weg te gaan van Recht en Vrede.
Micha verpakt zijn boodschap in de beschrijving van een rechtszaak. Een rechtszaak aangespannen door de God van Israël tegen het volk. Die God en dat volk waren immers partijen in een verbond. En de vrees bestaat dat het volk het verbond heeft verbroken. In de boeken van de profeten komen wel vaker passages voor die geschreven zijn in de vorm van rechtszaken over het verbond tussen God en zijn volk. We spreken zo gemakkelijk van een almachtig God maar uit de beschrijving van een rechtsgeding op grond van een verbond tussen twee partijen spreekt ook iets van een gelijkwaardigheid. Dat volk heeft de keus om de bepalingen uit het verbond na te volgen of naast zich neer te leggen. Niet dat het volk niet godsdienstig zou zijn. Duizenden dieren worden aan God geofferd.  Gelovigen zijn zelfs bereid hun kinderen te offeren.
De profeet beschrijft de wanhopige vraag van het volk naar wat het moet doen om God gunstig  te stemmen. Maar al die godsdienstigheid maakt de God van Israël eigenlijk alleen nog maar kwader. Dat verbond was een eenvoudig verbond. Het was samen te vatten in een paar regels, heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. De rechtszaak die Micha beschrijft loopt dan ook niet uit op een vonnis, op een schuldig verklaren aan de schending van het verbond. De rechtszaak loopt uit op het zoeken naar een uitweg. En die uitweg ligt in het doen wat van je in het verbond verwacht wordt. Recht doen, je daaraan houden en blijven letten op de minsten in je samenleving omdat je God nu eenmaal de God van de zwakken is. Ook in onze dagen klinkt de roep om religiositeit, wie ben ik en wat kan ik doen om een beter ik te worden. Het antwoord van de God van Israël is nog steeds hetzelfde als in de dagen van Micha: heb je naaste lief als jezelf

Vertrouw niet op mensen met macht

Psalm 146
1 Halleluja! Loof de HEER, mijn ziel. 2  De HEER wil ik loven, zolang ik leef, mijn God bezingen zolang ik besta. 3  Vertrouw niet op mensen met macht,  op een sterveling bij wie geen redding is. 4  Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde, op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder. 5  Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft, wie zijn hoop vestigt op de HEER, zijn God, 6  die hemel en aarde heeft gemaakt, de zee en alles wat daar leeft, hij die trouw is tot in eeuwigheid, 7  recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan de hongerigen. De HEER bevrijdt de gevangenen, 8  de HEER opent de ogen van blinden, de HEER richt de gebogenen op, de HEER heeft de rechtvaardigen lief, 9  de HEER beschermt de vreemdelingen, wezen en weduwen steunt hij, maar wie kwaad doen, richt hij te gronde. 10  De HEER is koning tot in eeuwigheid, je God, Sion, van geslacht op geslacht. Halleluja! (NBV)
Elk jaar aan het einde van het jaar hebben we de verkiezing van de politicus van het jaar. Daarbij wordt steeds duidelijker  hoe verdeeld het volk eigenlijk is. Ook de journalisten van de parlementaire pers zijn zeer verdeeld. Echte winnaars zijn er dan ook eigenlijk niet. Al zal meneer Wilders het hier niet mee eens zijn, hij immers werd de laatste jaren vaak tot winnaar uitgeroepen. Hij roept het hardst tegen de gevestigde macht en veel mensen die ook onvrede hebben met de gevestigde macht roepen met hem mee en vinden eigenlijk dat hij nog te zacht roept. Maar hem laten roepen tegen de machthebbers in ons land, is dat ook vertrouwen op stervelingen waar geen redding is, zoals in deze Psalm gezongen wordt? Moeten we ons niet geheel en al naar een andere kant wenden? De Psalm prijst gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft. Jakob was de man die zijn vader en zijn broer bedroog en daarom moest vluchten naar zijn oom Laban.
Door Laban werd hij op zijn beurt bedrogen maar uiteindelijk keerde hij met vier vrouwen, 12 zonen en een dochter terug, om een hele nacht met een vreemdeling te vechten die hem mank sloeg. Ondanks het verdwijnen van zijn lievelingszoon bleef Jakob echter geloven dat hij zou uitgroeien tot een groot volk, hij hield de rest van zijn zonen bijeen en schroomde niet ze te laten bedelen om voedsel in Egypte. Dat werd hun redding en uiteindelijk zouden de nakomelingen van Jakob uit Egypte vluchten als slaven de woestijn in. Naar die God moeten we ons wenden, want die God is volgens deze Psalm trouw tot in eeuwigheid, die doet recht aan verdrukten, geeft brood aan hongerigen, bevrijdt de gevangenen, opent de ogen van de blinden, richt de gebogenen op, heeft de rechtvaardigen lief, beschermt de vreemdelingen en steunt de wezen en de weduwen.
Van het rechtdoen aan de verdrukten tot de steun aan de weduwen komt ons dat toch wel heel bekend voor. Dat zijn de zaken die we zelf, die we samen moeten doen, waar we ook onze politici op moeten afrekenen. Je kunt van Wilders veel zeggen maar toch niet dat hij de vreemdelingen beschermt en die staan toch echt in het rijtje van de godsdienst. Want al die dingen doen is het beoefenen van onze godsdienst. Dienst aan mensen is immers dienst aan God. Het zijn de woorden van de God van Israël die ons in die richting voortdrijven. Dat was de ontdekking die de nakomelingen van Jakob in de woestijn deden. Niet het oprichten van beelden, niet het kiezen van idols, of van politici van het jaar, maar het houden van je naaste als van jezelf, dat brengt uiteindelijk een einde aan ellende. Daarom sluit de Psalm met het noemen van Sion, daar werd de Wet van Liefde, van eerlijk delen, bewaard. Dat is de enige machthebber die het over ons te zeggen mag hebben. En dat mogen we elke dag weer opnieuw ervaren, ook vandaag weer.