Hij veranderde de zee in droog land.

Exodus 14:15-31
15 De HEER zei tegen Mozes: ‘Waarom roep je mij te hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken. 16 Jij moet je staf geheven houden boven de zee en zo het water splijten, zodat de Israëlieten dwars door de zee kunnen gaan, over droog land. 17 Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen. 18  De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik in mijn majesteit de farao, met al zijn wagens en ruiters, ten val heb gebracht.’ 19  De engel van God, die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op. Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op, 20 zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten kwam te staan. Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht. Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen. 21  Toen hield Mozes zijn arm boven de zee, en de HEER liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien. Hij veranderde de zee in droog land. Het water spleet, 22 en zo konden de Israëlieten dwars door de zee gaan, over droog land; rechts en links van hen rees het water op als een muur. 23 De Egyptenaren achtervolgden hen, alle paarden en wagens van de farao en al zijn ruiters gingen achter hen aan de zee in. 24 Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. 25 Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. ‘Laten we vluchten!’ riepen ze. ‘De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!’ 26 De HEER zei tegen Mozes: ‘Strek je arm uit boven de zee; dan stroomt het water terug, over de Egyptenaren en over al hun wagens en ruiters.’ 27 Mozes gehoorzaamde, en toen de dageraad aanbrak, stroomde de zee terug naar haar gewone plaats. De Egyptenaren vluchtten het water tegemoet, de HEER dreef hen regelrecht de golven in. 28 Het terugstromende water overspoelde het hele leger van de farao, al zijn wagens en ruiters, die achter de Israëlieten aan de zee in gereden waren; niet een van hen bleef in leven. 29 Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land, terwijl rechts en links van hen het water als een muur omhoogrees.  30-31 Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren. Toen ze de Egyptenaren dood langs de zee zagen liggen en het tot hen doordrong hoe krachtig de HEER tegen Egypte was opgetreden, kregen ze ontzag voor de HEER en stelden ze hun vertrouwen in hem en in zijn dienaar Mozes.  (NBV)
Paniek is erger dan brand. Dat zinnetje stond in een groot warenhuis op de brandvoorschriften die her en der voor het personeel waren opgehangen. En dat had het leger van de farao goed kunnen gebruiken toen ze de bevrijde Hebreeuwse slaven achtervolgden om hen weer onder de slavernij te brengen. We lezen vandaag het beroemde verhaal over de doortocht door de Rietzee, een moerassige omgeving waar wagens gemakkelijk in vastlopen en waar de wind zo af en toe een droge doortocht mogelijk maakt. Maar het gaat in de verhalen van de Bijbel niet zozeer over de feitelijke gegevens die worden verteld, van kennis van natuurkunde en meteorologie of geologie was nog lang geen sprake toen de verhalen werden opgeschreven, maar het gaat om de boodschap over hoe God met mensen omgaat en hoe mensen met elkaar omgaan. Veel mensen hebben zich het hoofd gebroken over de vraag wat de plaats van het kwaad was in de schepping van God. Voor Israël was de zee, was het water, bij uitstek de plaats van de dood. Dit van oorsprong woestijn volk wist geen raad met grote oppervlakten water waar het soms danig kon spoken, waar je geen vaste grond onder de voeten had en waar je gegrepen kon worden om nooit meer boven te komen.
Hoe gaat de God van Israël dan met dit dodende water om? Die God maakt scheiding tussen droog land en water zodat zijn mensen daarover veilig kunnen doortrekken. Die scheiding werd al gemaakt in het verhaal over de wording van de wereld, het scheppingsverhaal, die scheiding wordt in dit verhaal opnieuw, of ook, gemaakt in het verhaal over de bevrijding van de slaven en de wording van het volk Israël als het volk van God. In het mensenland dat de God van Israël zijn mensen schept is geen plaats voor het kwaad. Daarom vloeien farao, zijn wagens en ruiters, zijn hele dodelijke leger, samen met het dodende water van de zee. Dat is niet zozeer een wreed en dramatisch verhaal waarin we medelijden moeten krijgen met de arme farao en de nog armere soldaten en officieren die door een Goddelijk ingrijpen van de dood gered hadden kunnen worden, maar het is een verhaal van hoop en verwachting voor alle slaven en onderdrukten in de wereld en in de geschiedenis.
Hoe tastbaar en hoe wreed het kwaad ook is dat hen overkomt, tot in de gaskamers en concentratiekampen toe, voor dat kwaad is in de wereld van de God van Israël geen plaats. Je moet daarvoor wel durven, je moet durven meegaan met het volk dat door het water heentrekt, ook al is dat over droog land. Want je wordt door het water omringt, het kwade is rondom en loert als het ware op de kans je te bespringen, elke vorm van twijfel kan fataal zijn. Als je dit verhaal zo leest komt ongetwijfeld het verhaal in je op over Jezus van Nazareth die over het water liep en Petrus die naar hem toe wilde lopen. Toen Petrus twijfelde zonk hij weg. Jezus van Nazareth liet zien dat de Liefde van God, schepper van het mensenland, door de dood heen, door het water heen, volgehouden kon worden. Daarom mogen wij ons bij dat volk aansluiten en door het goede te doen en niet dan het goede laten zien dat in dat Godsland, het Koninkrijk van God, geen plaats is voor het kwaad, ook vandaag niet.

Wees niet bang, wacht rustig af.

Exodus 13:17-14:14
17 Toen de farao het volk had laten vertrekken, leidde God hen niet langs de weg die door het gebied van de Filistijnen loopt, ook al was dat de kortste route. God dacht namelijk: Als ze strijd zouden moeten leveren, konden ze weleens spijt krijgen en teruggaan naar Egypte. 18  Daarom liet hij het volk een omweg maken en door de woestijn naar de Rietzee trekken. De Israëlieten waren als een geordend leger uit Egypte weggetrokken. 19  Mozes had het lichaam van Jozef meegenomen, omdat Jozef de Israëlieten plechtig had laten zweren dat te zullen doen. ‘God zal zich jullie lot aantrekken, ‘had hij gezegd, ‘en dan moeten jullie mijn lichaam van hier met je meenemen.’ 20  Nadat ze Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. 21 De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, ‘s nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken. 22  Overdag ging de wolkkolom het volk voortdurend voor, en ‘s nachts de vuurzuil. 1 De HEER zei tegen Mozes: 2  ‘Zeg tegen de Israëlieten dat ze omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; jullie moeten je kamp recht tegenover Baäl-Sefon opslaan, vlak bij de zee. 3 De farao zal denken dat jullie de weg kwijt zijn geraakt en de woestijn niet meer uit kunnen komen.4  Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben.’ De Israëlieten gehoorzaamden. 5 Toen aan de farao, de koning van Egypte, bericht werd dat het volk gevlucht was, kregen hij en zijn hovelingen spijt. ‘Hoe konden we Israël zomaar laten vertrekken!’ zeiden ze. ‘Nu zijn we onze slaven kwijt.’ 6 De farao liet zijn strijdwagen inspannen en verzamelde zijn krijgsvolk. 7 Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere, stuk voor stuk bemand met officieren. 8  De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren. 9 10 De Egyptenaren achtervolgden hen, en haalden hen in bij Pi-Hachirot, waar het volk van Israël zijn kamp had opgeslagen, dicht bij de zee, tegenover Baäl-Sefon. Toen de Israëlieten de farao zagen naderen, met al zijn paarden, wagens en ruiters en al zijn voetvolk, werden ze doodsbang en riepen ze de HEER luidkeels om hulp. 11 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? 12 Hebben we niet al in Egypte gezegd: “Laat ons toch met rust, laat ons maar als slaven voor de Egyptenaren werken, want dat is altijd nog beter dan om te komen in de woestijn”?’ 13  Maar Mozes antwoordde het volk: ‘Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de HEER vandaag voor u de overwinning behaalt. De Egyptenaren die u daar nu ziet, zult u hierna nooit meer terugzien. 14 De HEER zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen.’ (NBV)
Daar gaan ze dan, op weg als een geordend leger, in slagorde zouden we tegenwoordig zeggen. Niet dat je zo’n troep slaven al een gevecht moet toevertrouwen. Ze zijn wel sterk die mannen van Israël maar voor samen vechten moet je toch eerst de nodige training ondergaan en dat hadden ze niet. De sarcofaag van Jozef ging met ze mee. Ooit, 400 jaar geleden, had Jozef beloofd dat God zich hun lot zou aantrekken. Door die sarcofaag mee te nemen toonden ze dat ze weer een vrij en onafhankelijk volk waren. Omdat ze geen oorlog wilden voeren gingen ze niet door het land van de Filistijnen, de kortste weg naar Kanaän maar in de richting van de Rietzee. Het moet een hele kolonne geweest zijn. In een woestijnomgeving werpt zo’n kolonne de nodige stof op en zo’n wolk van stof hoef je alleen maar te volgen om te weten waar de weg heenleidt. In de nacht stookt iedereen een vuur en van een afstand lijkt het dan wel of er zich een vuurkolom tegen de hemel afsteekt. Iedereen die meetrekt wil wel horen bij de bevrijding door die vreemde God die met een slavenvolk wil meetrekken. Als de mensen samen bleven en samen optrokken dan zou die God ze naar een nieuw land brengen.
Het zijn in dit verhaal niet de Egyptenaren die spijt krijgen van het verlies van hun slaven, maar het is God die hun hart verhard waardoor ze de Israëlieten achterna gaan. Het gaat in dit verhaal dan ook niet over de Egyptenaren maar over de Israëlieten zelf. Die zullen moeten leren dat als ze als volk samen blijven en er op vertrouwen dat een volk dat onvoorwaardelijk op elkaar bouwt niet te verslaan is. Want dat is wat de God van Israël vraagt van zijn volk. Ik ga met jullie mee, die Egyptenaren zijn afhankelijk van goden die van steen zijn, die ze met eigen handen gemaakt hebben en die nooit voor hun mensen zorgen. Van de God van Israël bestaat geen beeld, die is niet aan één plaats gebonden maar die heeft zich verbonden met een volk. Dat volk zal dus volk moeten blijven, al moeten ze in het begin natuurlijk ook nog wel een echt volk worden. En daar staan ze dan, aan de oever van de zee bij de kanaalmond, die Pi-Hachirot genoemd werd met achter hen de toren Migdol, een van de torens die de grens moest bewaken, tegenover de toren van de Heer van het noorden, Baäl-Zefon. Ze waren dus maar net buiten Egypte, op de grens eigenlijk nog.
En daar kwam de farao aan met zeshonderd van zijn beste wagens, strijdwagens moet je maar denken, en alle andere wagens die het Egyptische leger had met officieren bemand en dat hele leger stormde op het volk van Israël af. Geen wonder dat het volk bang werd en er stemmen opgingen om zich maar over te geven en weer terug te gaan in slavendienst in Egypte, alles beter dan afgeslacht te worden in de woestijn aan de oever van de Rietzee. Maar dan is het Mozes die het volk gaat aanvoeren. Nu spreekt hij niet meer tot de farao maar tot het volk. Dat “Wees niet bang” klinkt hier tot een heel volk in benauwdheid. “Wacht rustig af” is wat zwak vertaald, in de Statenvertaling stond nog “staat vast” en Huub Oosterhuis vertaalde hier met “Sta recht”, niks rustig afwachten dus maar de rug rechten en met beide benen op de grond blijven staan want je zult moeten leren om op God te vertrouwen die de overwinning zal behalen. Je zult maar moeten geloven dat het hele grote leger dat op je af komt stormen verslagen zal worden en dat je al die soldaten en krijgers nooit meer terug zult zien. Wij kunnen binnenkort kiezen welke kant we op willen gaan. Willen we in volgzame slavernij blijven van de rijken, gehoorzaam aan Poetin en de Russische oligarchen of willen we vertrouwen op de bevrijding door en met de God van Israël. Vandaag al kunnen we ons voorbereiden op de uittocht.

Je koning is in aantocht

Matteüs 21:1-17

1 Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus er twee leerlingen op uit. 2 Zijn opdracht luidde: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Vrijwel direct zullen jullie er een ezelin zien, die daar vastgebonden staat met haar veulen. Maak de dieren los en breng ze bij me. 3 En als iemand jullie iets vraagt, antwoord dan: “De Heer heeft ze nodig.” Dan zal men ze meteen meegeven.’ 4 Dit is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat gezegd is door de profeet: 5 ‘Zeg tegen Sion: “Kijk, je koning is in aantocht, hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.”’ 6 De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7 Ze brachten de ezelin en het veulen mee, legden er mantels op en lieten Jezus daarop plaatsnemen. 8 Vanuit de menigte spreidden velen hun mantels op de weg uit, anderen braken twijgen van de bomen en spreidden die uit op de weg. 9 De talloze mensen die voor hem uit liepen en achter hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hemel!’ 10  Toen hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten. 11 Uit de menigte werd geantwoord: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.’ 12  Jezus ging de tempel binnen, hij joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht, gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver 13 en riep hun toe: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, ”maar jullie maken er een rovershol van!’ 14 Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar hem toe, en hij genas hen. 15 De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen hij verrichtte en hoorden de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ roepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. 16 Ze gingen hem vragen: ‘Hoort u wat ze zeggen?’ En Jezus antwoordde hun: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen”?’ 17  Zo liet hij hen staan, en hij ging de stad uit, naar Betanië, waar hij de nacht doorbracht. (NBV.)
De vraag is of Jezus van Nazareth de Koning is waarover de profeet heeft geschreven of niet? Eigenlijk blijft het antwoord verborgen. Hoe dat Koningschap van Jezus van Nazareth er uit zou komen te zien zouden ze merken als ze in Jeruzalem kwamen. Hier is dus niet een Koning die een mooi pak aantrekt. Een gebedsgenezer op een groot podium met een koor en orkest achter zich om de genezingen met passende muziek te begeleiden. Als we Jezus van Nazareth willen volgen dan hoort onze aandacht dus niet bij de grote podia, de glitter en het klatergoud, maar naar de kant van de weg waar de mensen zitten die alleen nog irritant kunnen schreeuwen. En die mensen zijn er ook vandaag nog volop. Geen populistisch christendom waar het aantal telt en de pret die het geeft. Niet de rode loper gaat uit, waar geen mens over mag lopen voordat de koning is gepasseerd, maar de mantels en de takken van de bomen. Dat krijg je pas als je luistert naar het geroep van de mensen die aan de kant van de weg leven.
En op weg naar Jeruzalem maakten de mensen de twijgen van de bomen los en legden ze hun mantels op de grond als een rode loper voor een nieuwe koning. Hosanna riepen ze en je mag je best afvragen wat dat betekent. Oorspronkelijk was het een roep om hulp, maar in de loop van de tijd was het ook een uitroep van vreugde geworden. Mischien is de beste vertaling wel iets als “Hiep, Hiep, help”. Al die mensen waren op weg naar Jeruzalem om het feest van Pesach te vieren. Dan moest je offeren, dan moest je een maaltijd houden met de familie, de priesters, de armen en de vreemdelingen uit je dorp. Je kan toch moeilijk met een grote kudde offerdieren de reis maken en daarom mocht je je offerdieren thuis verkopen en van de opbrengst in Jeruzalem weer nieuwe offerdieren kopen. Iedereen kan zich voorstellen wat een industrie zich daaruit kan ontwikkelen. De vraag is groot, het aanbod beperkt en dus stijgt de prijs. Jezus ramt die profiteurs de voorhof van de Tempel uit.
Kinderen kunnen zo spontaan zijn. Ze twijfelen nog niet. Voor hen is hun wereld ook de wereld en alles wat daar buiten ligt is onbekend en bestaat daarom ook eigenlijk niet. Pas in de loop van hun ontwikkeling gaan ze de wereld ontdekken en leren ze dat er mensen leven die ze nooit zullen ontmoeten en plaatsen bestaan waar ze nooit zullen komen. Uiteindelijk komen ze op een punt in hun leven waar ze met Paulus kunnen roepen dat al de kennis die ze opdeden eigenlijk een last is. Gewoon kijken naar een dode boom en dan niet verbaasd zijn dat ook de bladeren er af vallen hebben ze dan verleerd. Gewoon beginnen aan het verwijderen van ook de zwaarste obstakels als dat nodig is durven ze dan niet meer. Daar heeft Jezus van Nazareth het over. Hij had uit Psalm 8 geleerd dat die manier waarop kinderen naar hun wereld kijken je het dichtst bij God kan brengen. En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Die mogen we vandaag op Palmzondag mee zingen, als kinderen van God.

Wijd alle eerstgeborenen aan mij

Exodus 13:1-16

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.’ 3  Mozes zei tegen het volk: ‘Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, dat slavenland, want met krachtige hand heeft de HEER u daaruit bevrijd. Er mag dan niets gegeten worden dat zuurdesem bevat. 4  Deze dag, de dag van uw uittocht, valt in de maand abib. 5  Als de HEER u eenmaal in het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten gebracht heeft, in het land dat hij onder ede aan uw voorouders beloofd heeft, een land dat overvloeit van melk en honing, neem dan steeds in deze maand het volgende gebruik in acht: 6 Eet zeven dagen lang ongedesemd brood, en vier op de zevende dag feest ter ere van de HEER. 7  Niet alleen moet u die zeven dagen ongedesemd brood eten, ook mag er in het hele land geen gedesemd brood of zuurdesem bij u te vinden zijn. 8  En vertel uw kinderen die dag: “Zo gedenk ik wat de HEER voor mij heeft gedaan toen ik wegtrok uit Egypte.” 9 Laat dit gebruik zijn als een herinneringsteken om uw arm en op uw voorhoofd, zodat de wetten van de HEER voortdurend op uw lippen zijn. De HEER heeft u immers met sterke hand uit Egypte bevrijd. 10  Ieder jaar opnieuw moet u dit gebruik op de vastgestelde tijd in acht nemen. 11  Als de HEER u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals hij u en uw voorouders onder ede heeft beloofd, en als hij u dat land in bezit heeft gegeven, 12  dan moet u alles wat als eerste de moederschoot verlaat aan de HEER afstaan. Alle eerstgeboren mannelijke dieren die uw vee werpt, moeten aan de HEER gegeven worden. 13 Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet u vrijkopen met een lam. Koopt u het niet vrij, dan moet u het de nek breken. Ook elke eerstgeboren zoon moet u vrijkopen. 14 En als een van uw kinderen u later vraagt: “Waarom doen wij dit?” dan moet u dit antwoord geven: “Met krachtige hand heeft de HEER ons bevrijd uit Egypte, uit de slavernij. 15 Toen de farao weigerde ons te laten gaan, heeft de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de mensen en van het vee, gedood. Daarom offer ik de HEER alle mannelijke dieren die als eerste de moederschoot verlaten en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij.” 16 Laat dit gebruik zijn als een teken om uw arm en een band op uw voorhoofd, om u eraan te herinneren dat de HEER ons met krachtige hand uit Egypte heeft bevrijd.’ (NBV)
Vandaag lezen we over een van de eerste geboden die het nieuwe volk van Israël krijgt als het eenmaal verlost is van de slavernij van Egypte. Een voor hen zeer bijzonder gebod maar waarom? Want voor ons is dat niet zo bijzonder. Wij kennen dat ook wel dat kinderen aan God gewijd worden, dopen noemen we dat. Maar wij doen dat met alle kinderen, waarom dan in Israël alleen de eerstgeborenen. Het was als tegenstelling met alle andere volken die ze kenden. Daar werden de eerstgeboren geofferd aan de goden, gedood dus, zoals Abraham ooit met Izaäk er op uit trok om die naar de gewoonte van volkeren en godsdiensten te offeren. Maar Abraham kwam er al achter dat de God van Abraham, nu de God van Israël, dat niet wilde, die wil niet dat eerstgeborenen voor hem sterven maar dat alle mensen en dieren voor hem leven. Dit gebod staat dan ook in schril contrast met het lot van de eerstgeborenen van Egypte die de dood hadden gevonden en het offer waren dat het volk Israël uiteindelijk had verlost uit de slavernij, de slavernij van de dood ook.  Ze trokken uit in de maand Abib staat er, dat is de arenmaand, de maand waarin het graan voor het brood geoogst kan worden. In het nieuwe land waar ze heentrekken zal dan ook niet het eten van dode dieren het teken van bevrijding zijn maar het eten van de matzes, de ongezuurde broden, het brood dat bijna niet kan bederven.
Dat feest van de ongezuurde broden is ons Paasfeest geworden, ons feest van het leven, want op de eerste dag van de week ontdekten de vrouwen die Jezus van Nazareth gevolgd waren uit Galilea dat zijn graf leeg was zoals hij zelf al had gezegd. Als wij leven zoals hij geleefd heeft, in absolute liefde voor onze naaste, dan mogen wij er op rekenen dat in hem ook door de dood heen vol te kunnen houden. Wij hebben niet zo veel van die religieuze gebruiken meer die ons dagelijks leven regeren. Zo af en toe zie je nog eens iemand uit bijgeloof niet onder een ladder door lopen of zout over een schouder werpen als er geknoeid is, maar daar blijft het dan ook wel bij. Bij de religieuze gebruiken in een kerk wordt het verhaal er direct bij vertelt, alsof het verhaal belangrijker is dan het gebaar. In het gebruik om eerstgeborenen aan de Heer te wijden is allereerst het gebaar belangrijk. En van dat gebaar moet je de betekenis over brengen aan je kinderen. Soms lijkt het er op of het overbrengen van de bedoeling van de Bijbel aan kinderen in de samenleving nog wel eens hapert.
Waarom wij dingen doen of dingen laten dat vergeten we te vertellen. Misschien dat we het ons ook niet meer bewust zijn als het ons niet gevraagd wordt. We kunnen niet van alle normen en waarden doosjes maken die we op ons voorhoofd binden of aan een riem om de arm op onze pols vastbinden. Maar we kunnen kinderen wel leren vaker te vragen. Dat begint door ons zelf bewust te worden wanneer we ons irriteren aan het voortdurend gevraag van kleine kinderen die de antwoorden toch niet zullen kunnen begrijpen. Maar van het Bijbelgedeelte van vandaag mogen we misschien leren dat de antwoorden die gegeven worden misschien niet zozeer door kinderen begrepen moeten worden als wel door onszelf ons weer herinnert en dat in de jaren van de opvoeding kinderen de vragen steeds opnieuw zullen stellen als we van begin af aan het serieuze voor hen niet helemaal te begrijpen antwoord geven. Want dat is de opdracht die hier ook aan het volk van Israël wordt gegeven. En als we die opdracht vieren dan mogen we elke dag dat Paasfeest vieren door op te staan tegen alles wat mensen dood en monddood maakt. Ook vandaag weer.

De botten mag je niet breken.

Exodus 12:43-51
43 De HEER zei tegen Mozes en Aäron: ‘Voor het pesachmaal gelden deze voorschriften: Er mag geen enkele vreemdeling aan deelnemen. 44 Een slaaf die door iemand gekocht is, mag er echter aan deelnemen zodra hij besneden is. 45 Een vreemdeling die tijdelijk bij je verblijft of een dagloner mag er niet aan deelnemen. 46 Het maal moet worden gebruikt in het huis waarin het is klaargemaakt, je mag niets van het vlees buitenshuis brengen; de botten mag je niet breken. 47  Ieder die tot de gemeenschap van Israël behoort, is verplicht dit maal te bereiden. 48 Wil een vreemdeling die bij jullie woont het pesachmaal ter ere van de HEER bereiden, dan mag dat pas nadat hij en al zijn mannelijke familieleden besneden zijn, want alleen dan kan hij op één lijn worden gesteld met een geboren Israëliet. Maar een onbesnedene mag er niet aan deelnemen. 49 Voor geboren Israëlieten en voor vreemdelingen geldt een en dezelfde regel.’ 50 De Israëlieten deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. 51 Op diezelfde dag leidde de HEER de Israëlieten, in groepen geordend, uit Egypte. (NBV)
Midden in het verhaal over de Uittocht neemt de Bijbel de ruimte om goed duidelijk te maken wat het belang is van de herinnering aan Pesach. Die nacht waarin een scheiding werd gemaakt tussen het Egypte van de dood en het Israël van het leven was niet zo maar een nacht. In die nacht ontstond het volk van Israël en werd de God van Abraham, Izaäk en Jakob ook echt de God van Israël, de God van het volk van bevrijde slaven. Aan de maaltijd, waarop die bevrijding niet alleen herdacht wordt maar ook opnieuw gebeurt in het antwoord op de vraag waarom die avond anders is als alle andere, mogen dus alleen zij deelnemen die tot het volk van bevrijde slaven horen. Voor mannen is het teken daarvoor dat zij besneden zijn. Toevallige voorbijgangers, als vreemdelingen die met je handel komen drijven of op bezoek zijn, horen er niet bij, net als slaven die er voor kiezen niet bij jouw huishouding te horen maar hun tijd uitdienen tot ze weer naar hun eigen huis kunnen terugkeren.
Maar iedereen die tot het volk van bevrijde slaven wil horen is verplicht mee te doen, verplicht om mee te vieren dat de slaven bevrijd zijn, dat het volk op weg is gegaan naar het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing, naar de wereld waarop uiteindelijk alle tranen gedroogd zullen zijn. Want je kunt niet onverschillig blijven bij zo’n machtige daad die van geslacht op geslacht doorwerkt in de wereldgeschiedenis. Het ongezuurde brood staat weer op tafel, een beker wijn is het teken van de vreugde en wordt gezegend zodat het goede er vanuit kan gaan. Volgende week vieren ook de Christelijke kerken weer die Pesach maaltijd. Niet alle voorschriften worden dan nageleefd. Als teken dat werkelijk iedereen op de hele wereld mee mag gaan met die God van Israël is het voorschrift van de besnijdenis vervallen. Joden worden nog besneden en dat is goed, Heidenen hoeven zich niet te laten besnijden. Ook het karakter van die Pesach maaltijd is veranderd. De bevrijding is nu niet alleen van slavernij, niet van het kwaad van Egypte alleen, maar van alle kwaad, van onrecht en geweld in de wereld.
Daarvoor was Jezus van Nazareth consequent de weg gegaan van Gij zult niet doden, doe een ander niet wat gij niet wilt dat U geschiedt, heb Uw naaste lief als Uzelf. Tegen de dood in ging hij die weg en zoals de matzes gebroken worden met Pesach werd zijn lichaam gebroken en zoals de wijn wordt geschonken bij die maaltijd werd zijn bloed vergoten. Sinds die Pesach maaltijd, waarop Jezus van Nazareth zijn volgelingen vroeg de bevrijding door de God van Israël te verbinden met de Weg die hij te gaan had om de Liefde van die God door de dood heen vol te houden, vieren Christenen over de hele wereld zondag aan zondag die maaltijd, de maaltijd van bevrijding. De Pesach maaltijd was een maaltijd die op een avond werd gevierd en daarom noemen Christenen hun maaltijd het Avondmaal. In Protestantse kerken niet overal elke zondag gevierd maar komende week op Donderdagavond zeker wel. De voorschriften die we vandaag lezen in het verhaal over de Uittocht waren het begin, wij mogen er ook deze week in meegaan, door ons brood te delen en mee te doen in de bevrijding van de armen, de slaven, de ontrechten, de onderdrukten, ook vandaag weer.

Ga onmiddellijk bij mijn volk weg

Exodus 12:29-42
29 Midden in de nacht doodde de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de gevangene, en ook al het eerstgeboren vee. 30  De farao, zijn hovelingen en alle andere Egyptenaren schrokken die nacht wakker, en in heel Egypte klonk een luid gejammer, want er was geen huis waarin geen dode was. 31  Die nacht nog ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Ga onmiddellijk bij mijn volk weg, ‘zei hij, ‘u en alle Israëlieten! Ga de HEER maar vereren, zoals u hebt gevraagd. 32 Neem uw schapen, geiten en runderen mee, zoals u gevraagd hebt, en verdwijn! Maar bid dan ook voor mij om zegen.’ 33 De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo snel mogelijk uit hun land weg te gaan. ‘Anders sterven we allemaal nog!’ zeiden ze. 34 Toen pakten de Israëlieten hun baktroggen, met daarin het nog ongedesemde deeg, wikkelden die in kleren en namen ze op de schouders. 35 Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. 36  En de HEER had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren. 37  De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend, 38 terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee. 39 Van het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen. 40  Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; 41  na precies vierhonderddertig jaar-geen dag eerder of later-trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg. 42 Die nacht waakte de HEER om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de HEER, elke generatie opnieuw.(NBV)
Dan is de maat vol, dan is het geduld op. Drie maal drie keer heeft de farao de kans gehad zich te onderwerpen aan de God van Israël, maar drie maal drie keer leek hij in het licht van de God van Israël steeds harder te worden, zich steeds vaster te klampen aan zijn eigen godsdienst, de godsdienst van de dood. Nu in het midden van de nacht komt die dood in elk huis van Egypte, tot in de gevangenis toe. Een volk dat zo bezig is zich voor te bereiden op een leven na de dood, daar eigenlijk alles aan opoffert zou toch niet moeten schrikken als de eerstgeborenen die reis alvast beginnen, maar het tegendeel is het geval. Ondanks het duister van de nacht schrikt iedereen wakker van de dood en klinkt in heel Egypte een luid gejammer. Nog dezelfde nacht is het de farao zelf die Mozes en Aäron ontbiedt en de Hebreeën beveelt weg te gaan zoals zij gevraagd hebben. Hij kan ook niet meer tegen de druk van zijn eigen volk op dat bang is allemaal te moeten sterven voor de hardnekkigheid van de farao. Eindelijk kiezen ook de Egyptenaren voor het leven, maar daarvoor moeten ze eerst oog in oog komen te staan met de dood. De Israëlieten stonden al gepakt en gezakt klaar. Ze hadden van de Egyptenaren goud en zilver gevraagd en kleren, loon voor vele eeuwen slavernij.
Ooit waren er 70 naar Egypte getrokken met Jakob de aartsvader nu trokken er zeshonderdduizend strijdbare mannen het land weer uit, vrouwen en kinderen telden nog steeds niet. De belofte aan Abraham, Izaaäk en Jakob was ondanks alle slavernij, ondanks de pogingen van de farao het volk uit te roeien uitgekomen. Het was een groot volk dat rijk beladen uittrok uit Egypte, bevrijd van de slavernij. Van de voorraadstad die ze hadden gebouwd voor de farao naar de grens met de woestijn trokken ze. Niet alleen de nakomelingen van de zonen van Jakob maar alle slaven en zelfs Egyptenaren trokken met ze mee, een grote groep van allerlei herkomst. Van het deeg bakten ze de ongezuurde broden, de matzes, leeftocht voor de tocht door de woestijn. Dertig jaar had Jozef in Egypte voor zijn vader, zijn broers en hun familie gezorgd en er voor gezorgd dat de Egyptenaren de magere jaren konden doorkomen waarin de oogst mislukte en het vee vermagerde.
Na de dood van Jozef hadden de Hebreeën nog vierhonderd jaar in Egypte gewoond. Het was een nacht om nooit te vergeten, een nacht waarin de God van Israël niet alleen scheiding maakte tussen licht en duister, tussen dag en nacht, tussen zon en maan, tussen land en water, maar eindelijk ook tussen dood en leven. Een nacht om elk jaar opnieuw te doorwaken. Een feest ook voor ons om bij stil te staan en te vieren. Want van begin af aan zijn het niet alleen de nakomelingen van Jakob en zijn zonen die profiteren van het ingrijpen van de God van Israël, van de bevrijding uit de slavernij. Tot de grote groep van allerlei herkomst mogen ook wij behoren. Zolang de Joden het verhaal vertellen in tegenwoordige tijd roepen zij eigenlijk ook tegen ieder die het horen wil om mee te gaan. Uittrekken uit de wereld van de dood en te kiezen voor de wereld van het leven, voor het land waar alle tranen gedroogd zijn, waar iedereen mag bij horen en waar alles met iedereen wordt gedeeld. Vandaag mogen ook wij ons klaarmaken voor die reis om mee te gaan op de weg van Jezus van Nazareth, de weg van breken en delen.

“Wat betekent dit gebruik?”

Exodus 12:14-28
14  Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de HEER. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren. 15  Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden. 16 De eerste en zevende dag zijn heilige dagen die jullie samen moeten vieren. Die beide dagen mag er geen enkele bezigheid verricht worden, jullie mogen alleen het voedsel bereiden dat ieder nodig heeft. 17  Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht. Generatie na generatie moeten jullie het feest van het Ongedesemde brood vieren, omdat ik jullie die dag, in groepen geordend, uit Egypte heb geleid. 18  Van de avond van de veertiende dag van de eerste maand tot de avond van de eenentwintigste dag van die maand moeten jullie ongedesemd brood eten. 19  Gedurende die zeven dagen mag er geen zuurdesem in jullie huizen te vinden zijn; iedereen die iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden, of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet. 20 Eet niets dat met zuurdesem bereid is; eet uitsluitend ongedesemd brood, waar jullie ook wonen.”’ 21  Toen riep Mozes de oudsten van Israël bij elkaar. ‘Elke familie moet een lam of een bokje kiezen, ‘zei hij, ‘en dat moet worden geslacht als pesachoffer. 22 Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit, 23 want de HEER zal door Egypte heen gaan om het te straffen. Maar ziet hij bij een deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij die deur voorbijgaan, hij zal de doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te gaan en u te treffen. 24 Dit voorschrift blijft voor u en uw kinderen voor altijd van kracht. 25 Ook als u eenmaal in het land bent dat de HEER u zal geven, zoals hij heeft beloofd, moet u dit gebruik in ere houden. 26  En als uw kinderen dan vragen: “Wat betekent dit gebruik?” 27 antwoord dan: “Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard.”’ Toen knielden de Israëlieten en bogen ze zich diep neer, 28  en ze deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen. (NBV)
De Bijbel houdt niet van zinloze gebruiken, die je doet omdat ze nu eenmaal altijd al gedaan worden. Dat geldt zeker niet voor het hoogtepunt van de jaarlijkse feesten, het Pesachfeest. Dat is het feest van de keuze tussen leven en dood. Die dood vergeten we vaak gemakshalve en misschien wel terecht want het gaat nu eenmaal om het leven. De slaven werden bevrijdt van de Egyptische doodscultuur. Het bloed, in Israël de drager van het leven, aan de deuren bevestigde de keuze. Daar woonden de mensen van het leven. Die bevrijding moest gevierd worden, jaar in jaar uit. Tot drie keer toe wordt die dag als “deze” dag genoemd om te onderstrepen hoe belangrijk, hoe Goddelijk, die bevrijding uit de slavernij in Egypte wel niet geweest was. Ongezuurde broden, de matzes worden er gegeten, zeven dagen lang zodat je zeker weet dat niemand nog oud zuurdesem gebruikt dat bedorven kan zijn, nee er moet gegarandeerd opnieuw worden begonnen. Wie zich daaraan niet houdt hoort niet bij het volk Israël, net als mannen die zich niet laten besnijden. Vreemdelingen worden van die regel overigens uitgezonderd.
Die matzes laten zich overigens gemakkelijk bewaren want door het ontbreken van het zuurdesem bederven ze lang zo snel niet en het was dus ideaal brood om mee te nemen op reis. Het is nog steeds het brood van de armen, in India heten ze chapati maar het recept van meel, olie, water en een snufje zout is nog steeds hetzelfde. Je rolt het deeg dun uit en bakt het op een hete steen of een hete bakplaat. Samen met geroosterd vlees levert het ook nog een smakelijke en voedzame maaltijd op. Nauwkeurig staan de gebruiken van de Pesach beschreven en hun betekenis. Al ontgaan ons soms betekenissen die voor de Hebreeuwse lezers uit de tijd van de ballingschap nog zeer vanzelfsprekend waren. Dat hysopbladeren verkoelend werken zal ons onbekend zijn en dat bloed aan de deur ook het onheil kan weren is een betekenis die ons ook zal ontgaan. Die deur markeert volgens sommige rabbijnse uitleggers de grens tussen dood en leven.
Wij spreken overigens over een gebruik, maar in het Hebreeuws staat er letterlijk “dienst”, het je houden aan een dergelijk gebruik is ook een dienst aan de traditie, maar voor de Israëlieten uit het beloofde land ook een herinnering aan de richtlijn van eerlijk delen die ze in de woestijn hadden ontvangen. Door opnieuw te beginnen met de uittocht uit Egypte, beginnen ze ook opnieuw de reis met de God die met je meetrekt en met het houden van een Wet die de aarde tot het beloofde land zal maken. Daarom is het ook dat kinderen vragen waarom de Pesachmaaltijd zo anders is als anders en daarom wordt tot op de dag van vandaag het verhaal van de Uittocht uit Egypte vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof het hier en nu gebeurt. Want het mag altijd weer opnieuw beginnen. We mogen elke dag weer opnieuw bevrijd worden van de slavernij van de dood, van de machten van de goden van goud en belofte, van de macht van de dood. Elke dag opnieuw mogen we kiezen voor het leven en delen van wat we hebben met hen die niets hebben opdat ook zij blijven leven en de hele aarde een mensenland wordt waar alle tranen gedroogd zijn. Elke dag, ook vandaag weer.

Ik zal die nacht rondgaan

Exodus 12:1-13

1 De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: 2 ‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. 3 Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. 4 Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. 5 Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. 6  Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. 7 Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. 8 Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. 9 Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. 10 Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. 11  Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het pesachmaal. 12 Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. 13  Maar jullie zal ik voorbijgaan: aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen. (NBV)
Wie blijft staren op wat vroeger was versteent, verstart, vroeger was het echt niet beter. In de Bijbel zullen we nog genoeg verhalen over het volk Israël tegenkomen als ze terugkijken op vroeger, op hun verblijf in Egypte. Maar in Egypte loopt alles uit op de dood. Alleen niet voor de volgelingen van de God van Israël, daar gaat iets nieuws beginnen. Een nieuwe jaartelling, de eerste maand valt op het bevrijdingsfeest dat voortaan Pesach zal heten. Het nieuwe jaar niet, dat valt pas in de zevende maand, we moeten een eind op streek zijn als we nieuw jaar kunnen vieren, maar het begint met de bevrijding van de slavernij. Het is een wreed stukje dat we vandaag lezen. Alle eerstgeborenen zullen worden gedood, alleen niet die uit het land Gosen die herkenbaar zijn aan de met bloed bestreken dorpels van de deuren. En dat omdat God het hart van de farao heeft verhard. Want al die Egyptenaren waren toch zo aardig om hun kostbaarheden te delen met de Hebreeën. Als we dit een wreed stukje vinden dan lezen we dat als een geschiedenisverhaal waar alleen mensen in voorkomen. Maar het gaat om de geschiedenis van God met de mensen. Daar wordt een scheiding gemaakt tussen dood en leven en worden de mensen opgeroepen te kiezen voor het leven.
Egypte staat daarbij voor het land van de dood. Niet zo vreemd want de godsdienst van Egypte draaide om de dood, de pyramiden van Egypte leggen daarvan tot op de dag van vandaag getuigenis van af en in het Egyptische dodenboek kun je lezen hoe die dodencultus in elkaar stak. Als je de God van Israël kent, de God van het leven, van het opkomen voor de zwakken, van de bevrijding van de slaven dan steekt die dodencultus wreed af tegen die God. Daarom gaat die God rond om alle Egyptische goden van hun voetstuk te stoten. De cultus van de dood loopt alleen maar uit op de dood, alles en iedereen die die cultus belijdt en aanhangt zal met de dood geconfronteerd worden, zal moeten huilen en rouwen om het dode dat gebleven is. Alleen wie het durft te wagen met de God die met je meegaat, die er zal zijn zoals die er zal zijn, de God van Israël, zal leven. Die is herkenbaar aan de uitnodiging het offer te komen delen. Want waarom dat bloed aan de deurpost? Het lijkt op iets van tovenarij, maar als je na alle rampen die Egypte getroffen heeft nog durft te slachten en te roosteren, een dier in haar geheel, en het ook nog aandurft om iedereen en alles te laten zien dat je dat hebt gedaan, dan dwing je jezelf om je open te stellen om te delen.
Dan trek je uit uit het land van de dood, naar het land van het leven. Dan moet je leeftocht meenemen dat niet bederft, het zuurdesem verwijderen en ongezuurd brood eten. Wie trouwens regelmatig zuurdesembrood bakt weet dat het verstandig is na een jaar nieuw zuurdesem aan te maken, dat duurt een paar dagen en in die dagen is eten van ongezuurd brood zeer gezond. Het zijn richtlijnen die het leven markeren, Pesach is daarom een feest van het leven dat zich afzet tegen de dood. We weten daarom dat pas in het licht van de God van Israël het hart van mensen verhard kan worden, alsof die God dat zelf doet, want temidden van de doodsaanbidding kiezen voor het leven en is zo radicaal anders kiezen dat mensen zich daartegen verzetten. Of het nu gaat om delen met de hongerenden in Afrika, devluchtelingen op de Middellandse zee of kiezen voor klimaatmaatregelen waarvoor je je gewoonten en dagelijks leven moet aanpassen, we weten dat het verzet leidt tot de dood. Maar voor sommigen lijkt het of er eerst doodgegaan moet worden voor gekozen kan worden voor leven. Wacht daar dus niet op, kies nog vandaag voor het leven. De bevrijding uit Egypte laat zien dat het kan.

Israël, hoop op de HEER

Psalm 130
1  Een pelgrimslied. Uit de diepte roep ik tot u, HEER,  2  Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade. 3  Als u de zonden blijft gedenken, HEER, Heer, wie houdt dan stand? 4  Maar bij u is vergeving, daarom eert men u met ontzag. 5  Ik zie uit naar de HEER, mijn ziel ziet uit naar hem en verlangt naar zijn woord, 6  mijn ziel verlangt naar de Heer, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen. 7  Israël, hoop op de HEER   Bij de HEER is genade, bij hem is bevrijding, altijd weer. 8 Hij zal Israël bevrijden uit al zijn zonden. (NBV)
In het Latijn staat boven deze Psalm “De Profundis” en voor vele begrafenissen hebben componisten naar aanleiding van deze Psalm de mooiste muziek gecomponeerd. De psalm staat bekend als een inktzwarte psalm. De Latijns Amerikaanse dichter Ernesto Cardenal heeft eens een eigen versie van deze psalm gemaakt. Die begint “Uit de diepten, o Heer, roep ik tot U, ‘s nachts roep ik mijn cel- in het concentratiekamp, in de folterkamer- in het uur van de duisternis- het uur der ondervraging, hoor mijn stem, mijn S.O.S.”Zo zingt de psalm ook mee met de lijdenden van onze dagen. Zo zou deze psalm te horen kunnen zijn op Lesbos, in Iran en al die landen waarvoor Amnesty International aandacht vraagt. Maar de Psalm heeft ook een refrein en Ernesto Cardenal heeft dat zo gedicht: “Maar de Heer is de bevrijding, Hij is de vrijheid van Israel”
En dan geeft ook deze psalm, net als de psalm uit de Bijbel, hoop. De Psalm verkondigt bevrijding ook aan de mensen die het meest te lijden hebben van onderdrukking. Het is overigens ook een pelgrimslied. Elk jaar moesten de Israelieten een paar keer naar Jeruzalem om daar maaltijd te houden met de dienaren van de Tempel, de vreemdelingen, de armen en hun famillie. Dat was een offermaaltijd die de hoop op de bevrijding levend kon houden. Want wie het land ook had bezet, hoeveel er ook geroofd was, hoe groot ook de kans dat je tot armoede verviel en in slavernij moest gaan, altijd was er de belofte dat aan de ellende een eind zou komen. Van die hoop kon je dag en nacht leven. Als wachters op de muren van de stad die dag en nacht uitkijken en de hele donkere nacht uitkijken naar het morgenrood dat weer het daglicht brengt.
Ook als je zelf fouten hebt gemaakt die je in de ellendige situatie hebben gebracht dan nog weet je dat als je oprecht berouw hebt van die fouten en je zo verandert hebt dat je die fouten eenvoudigweg niet opnieuw zou kunnen maken dan weet je dat God genadig is en dat je opnieuw mag beginnen. Daarom klinkt in ons land gelukkig dezer dagen ook opnieuw het verzet tegen een echt levenslange gevangenisstraf. Overal in Europa kijken rechters na een groot aantal jaren of de rest van een levenslange gevangenisstraf nog wel nodig is. Wat voor zin heeft het immers om iemand van 80 of 90 nog in een cel opgesloten te houden vanwege het misdrijf dat die deed op een leeftijd van 20 of 30. Soms blijft iemand gevaarlijk maar elk mens heeft het uitzicht nodig op de dag dat een nieuw leven kan beginnen. Juist voor die gevangenen zou het zingen van deze Psalm mogelijk gemaakt moeten worden. Dan heeft het zin je te veranderen, dan heeft het zin weer mens te worden, dan kan je op het eind van het leven weer mee doen met de mensen. Het zingen van deze Psalm is nooit vrijblijvend, maar altijd bedoeld als bevrijding.

Dan komt er duisternis over Egypte

Exodus 10:21-11:10
21 De HEER zei tegen Mozes: ‘Strek je arm uit naar de hemel, dan komt er duisternis over Egypte, een duisternis zo dicht dat ze tastbaar is.’ 22  Mozes strekte zijn arm uit naar de hemel, en toen was heel Egypte in diepe duisternis gehuld, drie dagen lang. 23  Drie dagen lang konden de mensen elkaar niet zien en kon niemand een stap verzetten. Maar waar de Israëlieten woonden was het licht. 24 Toen ontbood de farao Mozes en zei: ‘Ga de HEER dan maar vereren. Jullie kinderen mogen mee, maar jullie schapen, geiten en runderen moeten jullie hier laten.’ 25-26 Mozes antwoordde: ‘Zelfs al zou u ons offerdieren ter beschikking stellen, dan nog moet ons eigen vee mee-geen enkel dier mag er achterblijven-want we moeten de HEER, onze God, een offer brengen van dieren uit onze eigen kudden, en pas als we op de plaats van bestemming zijn, weten we waarmee we hem moeten vereren.’27 Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan. 28 ‘Uit mijn ogen!’ beval hij. ‘En waag het niet u nog eens te laten zien. Als u hier nog eens verschijnt, wordt dat uw dood.’ 29 ‘Zoals u wilt, ‘antwoordde Mozes, ‘ik zal u niet nog eens onder ogen komen.’ 1 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik zal de farao en Egypte met nog één plaag treffen, daarna zal hij jullie laten gaan. Hij zal jullie zelfs het land uit jagen, niemand uitgezonderd. 2  Zeg tegen het volk dat iedereen zilveren en gouden sieraden aan zijn buren moet vragen, de mannen aan hun buurman, de vrouwen aan hun buurvrouw.’ 3 De HEER zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren. Mozes stond zelfs in hoog aanzien bij de hovelingen en bij het Egyptische volk. 4 Toen zei Mozes tegen de farao: ‘Dit zegt de HEER: Tegen middernacht zal ik rondgaan door Egypte, 5  en dan zullen alle eerstgeborenen in het land sterven, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen bedient, en ook al het eerstgeboren vee. 6 Overal in Egypte zal luid gejammerd worden, zo luid als men nog nooit heeft gehoord en ook nooit meer horen zal. 7 Maar van de Israëlieten zal niemand een haar gekrenkt worden, en ook hun vee zal niets overkomen. Dat zal u doen beseffen dat de HEER onderscheid maakt tussen Egypte en Israël. 8  Al deze hovelingen hier zullen naar mij toe komen en mij op hun knieën smeken om dit land te verlaten en mijn hele volk mee te nemen. En dat zal ik doen ook.’ Hierop verliet Mozes woedend het paleis. 9 De HEER had tegen Mozes gezegd: ‘De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.’ 10 Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de HEER had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan. (NBV)
De Bijbel begint met het verhaal over de aarde en hoe die woest en ledig was. De Geest van God zweefde over de wateren en God besluit die woeste en lege aarde te vullen en tot mensenland te maken. Het begint met het maken van de scheiding tussen duisternis en licht. En nu de bevrijding van de slaven uit Egypte naderbij komt wordt er opnieuw scheiding gemaakt tussen het duister en het licht. Het is alsof de God van Israël opnieuw de aarde tot mensenland gaat maken. Dat het een Godsdaad is wordt in dit verhaal tot uitdrukking gebracht door het drie dagen te laten duren. Dat is het getal van de volheid, het goddelijk getal. Christenen zullen direct denken aan de drie dagen dat Jezus van Nazareth in het graf was afgedaald. Vroeger werd wel verteld dat hier al vooruitgelopen werd op die begrafenis. Maar het omgekeerde is het geval, ook Jezus van Nazareth maakte de drie duistere dagen van Egypte door. Voor de Egyptenaren is het duidelijk, prima mensen die Hebreeuwse slaven maar ze zijn ons volk niet. En als het gaat om de bevrijding van slaven dan gaat het niet aan om net te doen of ze er bij horen.
In de literatuur over de slavernij in Amerika lees je dat telkens terug. Natuurlijk waren er aardige en menselijk blanken die hun slaven menselijk behandelden. Maar het onderscheid tussen blanken en zwarten bleef, slaven bleven slaven en zelfs nadat de slavernij was afgeschaft, na een bloedige burgeroorlog, bleef het verschil bestaan. Tot ver in de tweede helft van de vorige eeuw bestonden er zelfs verschillen in wettelijk vastgelegde rechten van burgers tussen blanke en zwarte burgers. Een burgerrechtenbeweging en een democratische president, die zijn toekomst op het spel durfde zetten, waren nodig om die verschillen uit de wetten te krijgen. En het duurde tot deze eeuw voordat de eerste gedeeltelijk zwarte president werd gekozen en in tal van Amerikaanse media wordt nog het verschil gemaakt tussen blanken en zwarten en worden zwarten als voormalige slaven als minderen bestempeld. Veel mensen vragen zich af hoe het nu zit met de God van Israël, waarom toch zo wreed tegen de Egyptenaren die toch de slaven in hoog aanzien hadden. De God van Israël wilde scheiding maken tussen goed en kwaad, tussen mensenland en chaos. De vraag was niet wie er aardig was en wie niet maar de vraag was wie er bij wilde horen of niet.
In ons land komen mensen op voor kinderen die hier geboren zijn en die uitgewezen dreigen te worden. Die kinderen horen bij ons volk is dan de opvatting, ook al ligt dat niet vast in onze wetten, wie in ons midden is geboren en getogen hoort bij ons, een scheiding tussen hen en ons is niet te maken. Zo maakte de God van Israël een scheiding tussen het volk van Egypte en het volk van Israël. Waar willen wij bij horen? Horen wij bij de armen in de wereld, bij de kinderen die in ons midden zijn geboren, bij de hongerenden met wie wij niet kunnen delen, met de gevangenen om gewetens wil die op komen voor de mensenrechten die wij met hen samen hadden vastgesteld in de Verenigde Naties. bij de vluchtelingen die gedwongen door armoede, geweld of onderdrukking hier een veilig thuis zoeken. Of horen wij bij de rijken in de wereld, die hun rijkdom ophopen en elke poging om hen te laten delen met geweld en vertoon van macht verijdelen. Alle wonderen die Mozes en Aäron in het bijzijn van de farao hadden verricht waren er op gericht te laten zien dat er ook een land kan zijn waar mensen in vrede en veiligheid kunnen wonen. Voor ons Heidenen heeft die God van Israël uiteindelijk zelfs zijn zoon gegeven om ons voor te doen hoe wij moeten handelen om te laten zien dat wij bij die God willen horen, in het land van die God willen wonen.