Bidden voor het leven van de koning

Ezra 6:6-12

6 ‘Wat uw vraag betreft, Tattenai, gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai en uw ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie: laat de bouw ongemoeid. 7 Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats. 8 En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist, uit de belastingopbrengst van de provincie Trans-Eufraat, zolang als nodig is. 9 Alles wat de priesters in Jeruzalem nodig hebben, moet hun dagelijks, zonder enige terughoudendheid, gegeven worden: jonge stieren en rammen en lammeren om te offeren aan de God van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie, 10 zodat zij offergaven aan de God van de hemel kunnen brengen, en zullen bidden voor het leven van de koning en zijn zonen. 11 Ook heb ik het bevel gegeven dat er bij iedereen die dit besluit overtreedt een balk uit zijn huis moet worden gesloopt, waaraan hij vervolgens rechtop zal worden vastgenageld. Zijn huis moet worden verwoest. 12 Moge de God die zijn naam laat wonen in deze tempel, de tempel van God in Jeruzalem, alle koningen en volken neerslaan die een poging doen om dit besluit te overtreden door de tempel te verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’ (NBV)

Mooi hè zo’n oude brief die eer bewijst aan de God van Israël. Je leest in zo’n tekstgedeelte niet alleen wat er staat, wat je er ook van verwacht maar ook vanuit hetgeen je weet. Natuurlijk het decreet van Koning Cyrus is gevonden en dat wat de bouwende ballingen hadden verteld aan Tattenai klopt. Tattenai moet zich verder niet bemoeien met de herbouw van de Tempel, integendeel, hij moet de kosten op zich nemen en zorgen dat er voldoende vee, graan, wijn en olie is om de dagelijkse offers en de bijzondere offers te brengen. Dan kan ook de God van de hemel zorgen voor de koning en zijn zonen, hoe meer Goden daarvoor worden ingeschakeld hoe beter.

Aan wie wordt er dus geofferd? Aan de God van de hemel. De Heidenen hadden overal goden voor. Goden voor de vruchtbaarheid, goden voor de aarde en het gewas, goden voor de rivieren, goden voor het weer, met een aparte god voor het onweer die in Babel de oppergod was en kennelijk was er ook een God van de hemel die in Jeruzalem werd aanbeden. Hier zullen de Judeeërs iets anders verstaan hebben als de Meden en de Perzen. In de Psalmen wordt gesproken over de God van Israël als de baas over de raad van de goden. Uiteindelijk waren het de profeten die er de nadruk op legden dat er maar één God was, de God van Israël wiens Naam nooit werd genoemd uit eerbied maar die door een ieder als Heer werd aangesproken.

Die God was niet alleen de God van de Hemel maar de God van alles. Die God had immers de hemel en de aarde geschapen. Is dit nu een brief van Koning Darius? Daar wordt door geleerden aan getwijfeld. De Koning schrijft over een God die zijn Naam laat wonen in de Tempel. Dat is een uitdrukking uit Deuteronomium. In de Tempel stond immers geen beeld van de God van Israël. Dat was voor Heidenen toch redelijk onvoorstelbaar, En natuurlijk krijgt iedereen die zich niet aan het bevel van de Koning houdt straf. Daar zijn wij een beetje van afgestapt. Ook al zijn er regels om elkaar te beschermen tegen een dodelijk virus, als je je er niet aan houdt krijg je nog geen straf. Hooguit loop je wat meer kans op besmetting maar dat is geen straf van God, het is je eigen stommiteit.

De fundamenten moeten dezelfde blijven

Ezra 6:1-5

1 Toen gaf koning Darius bevel om een onderzoek in te stellen in de Babylonische archieven, waar de schatten worden bewaard.2 In de burcht van Ekbatana, in de provincie Medië, vond men een rol waarin de volgende gedenkwaardige gebeurtenis beschreven was: 3 ‘In zijn eerste regeringsjaar heeft koning Cyrus het volgende bevel gegeven aangaande de tempel van God in Jeruzalem: De tempel moet worden herbouwd, op de plaats waar geofferd wordt. De fundamenten moeten dezelfde blijven, en hij moet zestig el hoog worden en zestig el breed. 4 Hij moet bestaan uit drie lagen steenblokken en één laag hout, en de kosten moeten worden betaald uit de koninklijke schatkist. 5 Ook moeten de gouden en zilveren voorwerpen uit Gods tempel, die Nebukadnessar uit het heiligdom in Jeruzalem heeft gehaald en naar Babel heeft gebracht, worden teruggegeven en worden overgebracht naar het heiligdom in Jeruzalem, waar ze horen, en daar worden neergezet, in de tempel van God.’ (NBV)

Heeft een dergelijk klein stukje verhaal toch ook een boodschap voor ons. De Bijbel lijkt hier wel op een geschiedenisboek maar dat is het natuurlijk niet. Het is een boek over het geloof in de God van Israël en hoe mensen daar mee omgaan. Er staan een paar feiten in die geleerden na kunnen gaan. Dat archieven verbonden zijn aan schatkamers kwam wel eens meer voor. Dat Ekbatana zou het zomerverblijf kunnen zijn van de Pezische Koning. In de zomer kun je ook de beste feesten organiseren, zeker in een land waar het warm is. Maar de beschrijving van hoe de Tempel er uit zou moeten zien is merkwaardig. De nieuwe Tempel zou twee maal zo hoog worden als de Tempel van Salomo.

Het moet een Tempel worden waar geofferd kan worden. Nu hebben de offers in de Heidense samenleving een heel andere betekenis dan in de godsdienst van de God van Israël. In de Heidense opvatting stem je een God met je offers gunstig. De kans dat die God je gaat helpen wordt dan groter. Je houdt die God immers ook in leven. In de godsdienst van Israël is een offer het teken dat je je aan het verbond met die God wil houden. Dat wat je hebt heb je van die God gekregen hou je niet voor jezelf maar je deelt het. Door te offeren laat je dat delen zien. De heidense Cyrus zal er op gerekend hebben dat offers aan de God van Israël tot gevolg zouden hebben dat ook die God hem zou steunen, net als alle andere goden.

De terugkeer van de Tempelschatten naar Jeruzalem worden een aantal keren genoemd. Kennelijk was dat voor de Bijbelschrijvers heel belangrijk. Maar waarom is goud en zilver zo belangrijk voor het volk. De liefde tot God en de liefde tot de naaste zouden toch veel belangrijker moeten zijn? Goud en zilver zijn in de geschiedenis van Israël gevaarlijk. Ze hadden een gouden kalf gemaakt waarvoor ze knielden, ze hadden houten beelden met goud en zilver bekleed en als goden vereerd. Dat goud en zilver voor de Tempel was toch niet om te vereren. Geleerden nemen aan dat met de terugkerende vermelding van het goud en zilver van de Tempel betekent dat men de plaats van de godsdienst die het in Israël had onder Salomo weer wilde voortzetten. Men zette zich in een traditie waarin het verbond centraal staat. Ook wij kunnen deelhebben aan die traditie door onze naaste lief te hebben als ons zelf, door vluchtelingen gastvrij te ontvaangen bijvoorbeeld.

Alle goeds!

Ezra 5:6-17

6 Afschrift van de brief die Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai, en diens ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie, aan koning Darius hebben gezonden. 7 Het bericht aan hem luidde als volgt: ‘Aan Darius, de koning: alle goeds! 8 Het zij de koning bekend dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt opgetrokken van steenblokken, en in de muren worden balken gelegd. Het werk wordt zorgvuldig uitgevoerd en vordert gestaag. 9 Wij hebben de oudsten gevraagd wie hun het bevel had gegeven tot de bouw van de tempel en de voltooiing van het heiligdom. 10 Ook hebben wij hun namen gevraagd, zodat we, te uwer informatie, de namen van de leiders schriftelijk konden vastleggen. 11 Dit was hun antwoord: “Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde, en wij herstellen de tempel die reeds vele jaren geleden werd gebouwd; een groot koning van Israël heeft de bouw ervan destijds voltooid. 12 Maar omdat onze voorouders de God van de hemel hebben vertoornd, heeft hij hen aan de koning van Babylonië, de Chaldeeër Nebukadnessar, uitgeleverd. Hij heeft deze tempel verwoest en het volk in ballingschap naar Babylonië weggevoerd. 13 Koning Cyrus van Babylonië echter heeft in zijn eerste regeringsjaar bevel gegeven de tempel van God te herbouwen. 14 Ook de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit Gods heiligdom in Jeruzalem had weggenomen en naar het heiligdom in Babel had gebracht, zijn door koning Cyrus daar weer vandaan gehaald en aan een zekere Sesbassar gegeven, die door hem was aangesteld als gouverneur. 15 Hij zei hem: ‘Neem deze voorwerpen en zet ze terug in het heiligdom van Jeruzalem. Zorg ervoor dat Gods tempel op zijn vroegere plaats herbouwd wordt.’ 16 Genoemde Sesbassar is hier gekomen en heeft de fundamenten gelegd van Gods tempel in Jeruzalem, en van toen af aan tot nu toe is eraan gebouwd, maar hij is nog niet gereed.” 17 Welnu, als het de koning behaagt, laat hij dan in Babylonië een onderzoek instellen in de koninklijke archieven naar de vraag of het werkelijk zo is dat koning Cyrus bevel heeft gegeven om deze tempel van God in Jeruzalem op te bouwen. Laat hij ons vervolgens op de hoogte brengen van zijn wil in dezen.’ (NBV)

Bureaucratie kan ook mooi zijn. Alles wordt opgeschreven en alles wordt bewaard. Alle ongerechtigheid kan dan ook boven water komen. In onze dagen hebben we daar zelfs een wet voor. De wet openbaarheid van bestuur. Alle brieven, aantekeningen, nota’s en adviezen die geleid hebben tot een beslissing van de overheid kunnen worden opgevraagd en zo bekend gemaakt. Vaak vindt die overheid dat helemaal niet leuk, maar als een zogenaamd WOB verzoek wordt geweigerd, of gesaboteerd door stukken weg te laten of zwart te lakken, dat heeft die overheid iets te verbergen. Het verhaal over de bouw en de verwoesting van de Tempel, gevolgd door het bevel van Koning Cyrus klinkt kennelijk zo overtuigend dat de autoriteiten van Jeruzalem de Koning gingen vragen om eens in het archief te laten kijken om te zien of het verhaal ook waar was.

Het verloop van de bouw, de verwoesting en de ballingschap wordt beschreven als een reactie van de God van Israël op de afvalligheid van het volk van het verbond dat God ooit met het volk had gesloten. Toen het volk zich in de ballingschap weer ging richten op het verbond met hun God zorgde die God er voor dat Koning Cyrus het bevel gaf de stad en de Tempel weer te herbouwen. Die herbouw was dus ook op de eerste plaats voor de ballingen een Goddelijke opdracht. Koning Cyrus was daarvoor een instrument geweest. Zo’n verhaal was natuurlijk zeer indrukwekkend. Dat moet wel een heel machtige God geweest zijn die op die manier de geschiedenis kon beïnvloeden. Het is ook de redenering die Haggaï aan het volk had voorgehouden. Die had er ook nog aan toegevoegd dat de prioriteit leggen bij het bouwen van mooie huizen voor de mensen die van de terugkeer en het herstel het meeste profijt hadden gehad een verkeerde keuze was.

Opvallend in dit verhaal is de rol van Tattenai. Dat was een gouverneur van een groot gebied. Juda en Jeruzalem waren daarvan maar kleine onderdelen. Maar in plaats van het sturen van soldaten zoals bij het bevel tot stilleggen was gebeurd stelde hij nu een onderzoek in. Dat is des te vreemder omdat het stilleggen van de herbouw van de Tempel kwam na een beschuldiging van een mogelijk komende opstand. De gouverneur stelt nu echter eerst een onderzoek in naar het waarom van het negeren van het Koninklijke bevel tot stilleggen van de herbouw. Hij hoort de herbouwers, stelt vast wie de leiders zijn en vraagt dan de koning een onderzoek in te stellen naar de juistheid van het verhaal. Hij hoort dus beide partijen en daarvan zal het oordeel van de Koning afhangen. Veel mensen mogen aan deze manier van handelen een voorbeeld nemen. Het zal blijken dat het horen van beide conflicterende partijen en zorgvuldig onderzoek naar de feiten het Koninkrijk van God dichterbij zal brengen.

Met geweld dwongen zij hen

Ezra 4:17-5:5

17 De koning stuurde het volgende antwoord: ‘Aan Rechum, het hoofd van de kanselarij, en aan Simsai, de hofschrijver, en aan hun overige ambtgenoten die wonen in Samaria en de rest van de provincie Trans-Eufraat: wij wensen u vrede!18 Het schrijven dat u ons heeft doen toekomen, is mij woordelijk voorgelezen. 19 Ik heb bevel gegeven de zaak te onderzoeken, en er is aan het licht gekomen dat deze stad zich van oudsher tegen haar koningen verzet heeft en dat ze een bron is van opstand en oproer. 20 Er blijken in Jeruzalem zelfs sterke koningen geweest te zijn die hun macht hebben doen gelden in de hele provincie Trans-Eufraat, en aan wie belasting, cijns en tol werd betaald. 21 Geef daarom de mannen bevel het werk te staken, want deze stad mag niet worden herbouwd totdat ik daartoe opdracht geef. 22 Hoed u in dezen voor nalatigheid, opdat het koninkrijk geen grote schade zal lijden.’ 23 Toen het afschrift van het schrijven van koning Artaxerxes was voorgelezen aan Rechum, aan de hofschrijver Simsai en aan hun ambtgenoten, gingen zij zo snel mogelijk naar de Judeeërs in Jeruzalem, en met geweld dwongen zij hen de werkzaamheden te staken. 24 Het werk aan de tempel van God in Jeruzalem werd stilgelegd, en daarin kwam geen verandering tot het tweede regeringsjaar van koning Darius van Perzië. 1 Toen begonnen de profeten Haggai en Zacharia, de kleinzoon van Iddo, in opdracht van de God van Israël te profeteren tegen de Judeeërs die in Juda en in Jeruzalem woonden. 2 Daarop hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel van God in Jeruzalem. Ze kregen daarbij de steun van Gods profeten. 3 Kort daarna kwamen Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai met hun ambtgenoten naar hen toe, en vroegen: ‘Wie heeft u bevel gegeven deze tempel te herbouwen, dit heiligdom te voltooien?’ 4 Ook vroegen ze: ‘Hoe heten de mannen die hier aan het bouwen zijn?’ 5 Maar hun God waakte over de oudsten van de Judeeërs: ze werden niet gedwongen het werk stil te leggen voordat er aan Darius zou zijn gerapporteerd en er een schriftelijk antwoord zou zijn ontvangen. (NBV)

Voor een koning van een wereldrijk is het schrikken als die bericht krijgt dat er een opstand op uitbreken staat. In dit geval niet helemaal vreemd want die hele ballingschap was het gevolg van de manier waarop de Koningen van Israël en Juda omgegaan waren met de wereldmachten van hun tijd. Ze hadden de afgoderij en afperserij in hun landen getolereerd en zouden zelf wel even met behulp van bondgenootschappen met andere kleine landjes die wereldmachten wel even verslaan. De God van Israël had ze gelaten. Als ze God niet nodig hadden en het verbond verbraken dan was er voor de God van Israël geen enkele reden om ze nog langer te helpen. De Koning gaf dus het bevel de herbouw van de Tempel te stoppen en de autoriteiten stuurden soldaten om met geweld de herbouw stil te laten liggen.

Daar lag de droom van een nieuw Jeruzalem dus in duigen, die nieuwe Tempel zou er niet komen. Hoe langer het duurde, en het duurde toch minstens een jaar, hoe minder kans er was dat er een nieuwe stad zou kunnen ontstaan. Er werden wel huizen gebouwd voor de mensen die succes hadden met de handel. De landbouw was weer gaan bloeien en door het begin van de Tempelbouw waren er ook weer handelsbetrekkingen met omliggende landen ontstaan. Er ontstond dus een middenklasse die profiteerden van de verbeterde levensomstandigheden en het leek er op dat de herbouw van de Tempel wat minder noodzakelijk was. Daar kwam verzet tegen. Profeten, Haggaï en Zacharia traden op om het volk weer te bewegen aan het werk te gaan. Dat verhaal van Haggaï is in de Bijbel bewaard gebleven.

In het boek van de profeet Haggaï is zijn preek tot de bewoners van Jeruzalem terug te lezen. Hij herinnert er aan dat de opdracht tot de herbouw van de Tempel uiteindelijk van de God van Israël zelf afkomstig was. Die had daarvoor Koning Cyrus gebruikt en er was geen enkele reden om met die goddelijke opdracht op te houden. Dan gebeurt er iets vreemds. Het volk gaat weer aan de herbouw en nu komen er geen soldaten maar ambtenaren die vragen waar ze de moed vandaan haalden. Van God die er voor gezorgd had dat Koning Cyrus hen een uitdrukkelijke opdracht had gegeven. Dat was een passend antwoord op de brief van Koning Darius, ze waren gestopt maar dat stoppen was ook ongehoorzaam zijn aan de Koning. We mogen dus altijd blijven hopen dat het werk aan het Koninkrijk van God door mag gaan. Zelfs geweld, zoals we zien in Wit Rusland, kan ons niet afhouden van de plicht op te komen voor recht en gerechtigheid.

Het zij de koning bekend

Ezra 4:1-16

1 De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een heiligdom voor de HEER, de God van Israël, aan het bouwen waren. 2 Zij gingen naar Zerubbabel en de familiehoofden, en zeiden: ‘Wij willen meehelpen met de bouw, want ook wij vereren uw God, wij offeren al aan hem sinds de dag dat Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons hierheen heeft gebracht.’ 3 Zerubbabel en Jesua en de andere familiehoofden van Israël antwoordden hun: ‘Wij mogen niet samen met u een tempel bouwen voor onze God. Wij alleen zullen die bouwen voor de HEER, de God van Israël, want alleen aan ons heeft Cyrus, de koning van Perzië, deze opdracht verstrekt.’ 4-5 Vanaf de tijd dat Cyrus, de koning van Perzië, regeerde, tot onder de regering van koning Darius, probeerde de bevolking van het land het moreel van de Judeeërs te ondermijnen en hen bang te maken, om hen af te houden van de bouw. Ze kochten zelfs raadgevers om opdat die de plannen van de Judeeërs zouden verijdelen. 6 In het begin van het bewind van Xerxes werd een schriftelijke aanklacht ingediend tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem, 7 en later, tijdens het koningschap van Artaxerxes, schreven Bislam, Mitredat, Tabeël en hun ambtgenoten een brief aan de koning. Deze brief was in het Aramees geschreven, en was vertaald. 8 Rechum, het hoofd van de kanselarij, en Simsai, de hofschrijver, schreven de volgende brief aan koning Artaxerxes over Jeruzalem: 9 ‘Van Rechum, het hoofd van de kanselarij, en van Simsai, de hofschrijver, en van hun overige ambtgenoten: rechters, afgezanten, ambtenaren, mannen uit Sippar, Uruk, Babel en Susa (dat zijn Elamieten), 10 en van de andere volken die de grote en doorluchtige Asnappar in ballingschap heeft weggevoerd en heeft laten wonen in de steden van Samaria en het overige gebied van de provincie Trans-Eufraat. 11 (Dit is een afschrift van de door hen geschreven brief.) Aan koning Artaxerxes, van uw dienaren, inwoners van de genoemde provincie.
12 Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze herstellen de muren en repareren de fundamenten.
13 Het zij de koning bekend dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, er niet langer belasting, cijns of tol zal worden afgedragen, wat de belangen van het koninkrijk zeker zal schaden. 14 Welnu, omdat wij ons gebonden weten aan het paleis, en omdat het ons niet past lijdzaam toe te zien hoe de macht van de koning wordt uitgehold, stellen wij u hiervan op de hoogte, 15 zodat onderzoek kan worden gedaan in de boeken met de gedenkwaardige gebeurtenissen van uw voorgangers. Als u daarin leest, zult u ontdekken dat deze stad een opstandige en vanouds oproerige stad is, waar de belangen van koningen en provincies worden geschaad. Daarom ook werd deze stad verwoest. 16 Wij wijzen de koning erop dat wanneer deze stad zal zijn herbouwd en de muren zullen zijn hersteld, u de macht over de provincie Trans-Eufraat kwijt zult raken.’ (NBV)

Wie de geschiedenis niet kent is gedwongen die te herhalen. De herbouw van de Tempel in Jeruzalem en Jeruzalem zelf komen niet zomaar ergens vandaan. Maar koning Cyrus was gestorven en opgevolgd door koning Xerxes. En met het verdwijnen van Cyrus verdween ook de herinnering aan de politieke beslissing ballingen uit Babel terug te sturen naar het land van herkomst om daar onder Perzisch toezicht de verwoeste steden en tempels weer in gebruik te nemen. Nu was niet iedereen uit Israël in ballingschap gevoerd. En voor de ballingschap was het rijk van David en Salomo uiteen gevallen in een Noordrijk, Israël genoemd, en een Zuidrijk, Judea genoemd. Die landjes concurreerden met elkaar. Ze hadden allebei een godsdienstig centrum, Jeruzalem en Gizeh. Nu de Tempel in Jeruzalem weer werd herbouwd kreeg de Tempel in Gizeh er dus een geduchte concurrent er bij.

Als je je vijand niet kunt verslaan dan moet je je er bij aansluiten. Ook die regel wordt in dit gedeelte van het verhaal van Ezra toegepast. De tegenstanders van Juda en Benjamin, de bewoners van Samaria, het Noordrijk, willen dus wel meedoen met de bouw van de Tempel. De kans dat die Tempel dan een afdeling van het heiligdom in Gizeh zou worden werd dan een stuk groter. Maar er was ook nog een gerucht dat die bewoners van Samaria helemaal geen afstammelingen waren van Israël maar door Babel naar Samaria waren gebracht en dus eigenlijk ook ballingen waren. Ze hadden de godsdienst voor de God van Israël overgenomen, naast hun eigen goden. De samenwerking werd daarom door de teruggekeerde ballingen afgewezen. Er bleef niks anders over voor de tegenstanders dan te stoken in de goede relaties tussen de Perzische koningen, Xerxes en diens opvolger Artaxerxes.

Het is duidelijk uit het verhaal dat het de bestaande regeerders en hoge ambtenaren het verzet tegen de herbouw van de Tempel aanvoerden. Zij konden ook de gemene brieven schrijven die de Koningen op het besluit van Cyrus zouden doen terugkomen. Om maar even duidelijk te maken waar het over gaat is hier een vertaling opgenomen van de brief die aan Artaxerxes is gestuurd. Dit volk van Juda en Benjamin zou zelfs wel eens in opstand kunnen komen. Denk nu niet dat fake nieuws van onze sociale media zijn. Fake nieuws staat dus ook in de Bijbel, als voorbeeld van hoe het niet moet. Ook de Antisemitische propaganda van voor de tweede wereldoorlog en fake nieuws, dat je dus tegenwoordig herhaald ziet. We zullen altijd kritisch moeten staan tegenover de feiten die als feiten worden gebracht maar die we niet kunnen controleren. Geloven doen we in God en die God wijst altijd op het gevolg van beslissingen voor de minsten, de armen, de blinden, de lammen en de doven. Daar mogen ook wij ons handelen op afstemmen.

Op zijn oude fundamenten

Ezra 3:1-13

1 Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. 2 Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman. 3 Ondanks hun angst voor de bevolking van het land richtten ze het altaar op zijn oude fundamenten op en offerden aan de HEER. Ze droegen de brandoffers voor de morgen en de avond op, 4 en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zoveel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. 5 Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER. 6 Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al waren de fundamenten van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd. 7 De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren. 8 In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun broeders-priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd-met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. 9 Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten. 10 Terwijl de bouwers de fundamenten van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. (NBV)

Dat is een mooi begin, alle ballingen verzamelen zich in Jerusalem. De datum die daar bij staat, het begin van de zevende maand, ontgaat ons. Dat soort deftige mededelingen komen vaak in de Bijbel voor en je moet wel erg diep in de Bijbelse verhalen duiken om te snappen waar dat over gaat. Maar als gewoon bij onze Joodse buren vraagt wat dat betekent dan hoor je gelijk Rosj Hasjana, en Hasjana Tov Op de eerste dag van de zevende maand wordt het Rosj Hasjana, het nieuwjaar gevierd. Er breekt in dit verhaal van Ezra dus niet alleen een nieuw jaar aan maar ook een nieuwe toekomst voor Israël. De band met de God van Israël wordt weer hersteld, op de oude manier worden offers gebracht. En er is een feest.

Dat zogenaamde loofhuttenfeest zal een dubbele betekenis gehad hebben. Het is een oogstfeest want als in de herfst de noten en vruchten zijn geoogst dan is alles binnen wat nodig is om de winter door te komen. Reden voor een feest dus. In dat feest klinkt ook de herinnering aan de tocht door de woestijn toen het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. God zorgde elke dag dat er genoeg was om die reis door te komen. Elke morgen vond men het manna. Voor de teruggekeerde ballingen zal ook de herinnering aan de ballingschap hebben meegeklonken. Zo zaten zij nog aan de rivieren van Babylon en huilden als ze dachten aan Jeruzalem, lees dat maar na in Psalm 137, of ze zijn weer een volk dat bijeenkomt om hun eigen God te loven en te danken. Vanaf dat feest en dat nieuwe jaar werden weer elke dag de offers gebracht die ze met God hadden afgesproken.

Waar begint nu het feitelijke verhaal over de opbouw mee? Met de arbeiders. De steenhouwers en andere vaklieden werden betaald in zilver. Op de onderneming voor de God van Israël stonden de mensen, de arbeiders, het gewone volk met veel talent, voorop. We kunnen het niet genoeg benadrukken. Niet de winst, niet de voordelige inkoop, niet de plechtigheden maar de arbeiders staan voorop. En dan lezen we weer zo’n plechtige datumaanduiding. In het tweede jaar in de tweede maand. Dat staat er natuurlijk niet voor niets. In Numeri lezen we dat de God van Israël op de eerste dag van de tweede maand bij de tent der samenkomst spreekt met Mozes. Ook Salomo begon met de Tempelbouw in de tweede maand. De voorbereiding voor het starten van de bouw heeft dan een jaar geduurd. Wie denkt dat de geschenken van God vanzelf komen als je er in geloofd heeft het mis. Aan dat Koninkrijk van God moet elke dag hard worden gewerkt.

Dit zegt Cyrus

Ezra 1:1-11(-2:70)

1 In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken: 2 ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. 3 Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich met de hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de HEER weer op te bouwen, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. 4 Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar zij zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.’ 5 De familiehoofden van de stammen Juda en Benjamin, de priesters en de Levieten, allen die God daartoe aanzette, maakten zich gereed om naar Jeruzalem te vertrekken en te beginnen met de bouw van de tempel van de HEER. 6 Al hun buren ondersteunden hen met voorwerpen van zilver en goud, met goederen, vee en kostbare geschenken, nog afgezien van wat vrijwillig aangeboden werd. 7 Koning Cyrus van Perzië gaf de voorwerpen vrij die uit de tempel van de HEER afkomstig waren en die Nebukadnessar uit Jeruzalem had meegenomen en in de tempel van zijn eigen god had neergezet. 8 Hij vertrouwde de teruggave toe aan Mitredat, de schatmeester, die ze met een inventarislijst aan Sesbassar, de leider van Juda, overdroeg. 9 Het betrof dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10 dertig gouden bekers, vierhonderdtien zilveren bekers van verschillende soort en duizend andere voorwerpen, 11 bij elkaar vijfduizendvierhonderd voorwerpen van zilver of goud. Dit alles liet Sesbassar meevoeren toen hij de ballingen uit Babylonië terugbracht naar Jeruzalem. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ezra. Ooit waren de boeken Ezra en Nehemia één boek: het boek Ezra. Nehemia werd toen Ezra 2 en daarna zijn ze zo gesplitst als wij ze nu lezen. Er zijn ook nog een Ezra 3 en 4 maar zijn buiten de Bijbel gevallen zoals wij die nu in Protestantse Kerken kennen. Ezra en Nehemia gaat over de terugkeer van de ballingen uit Babel en het herstel van Jeruzalem en de herbouw van de Tempel wat de mogelijkheid gaf ook de godsdienst van Israël weer in ere te herstellen. Het verhaal van Ezra begint bij de profeet Jeremia. Die had ingezien dat er ooit een koning zou komen die zich zou afzetten tegen zijn voorgangers en in plaats van ballingen trouwe onderdanen zou willen die trots zouden zijn op hun eigen plaats en godsdienst en daarvoor de Koning dankbaar zouden zijn.

In het boek van de profeet Jesaja klinkt die dankbaarheid door. Jesaja noemt Koning Cyrus de beloofde bevrijder van Israël, de Messias. In het verhaal dat vandaag begint leren we in elk geval dat de God van Israël ook heidense koningen kan gebruiken om zijn doel te bereiken. Ook in onze dagen mogen we dus eerder naar het resultaat kijken, de gevolgen die maatregelen hebben voor de armen, dan dat we zouden moeten oordelen over het al dan niet gelovige karakter van de regeerder. Toen Israël uit Egypte trok kregen ze van Egyptenaren goud, zilver en diamanten mee. Ook nu krijgen de ballingen zilver en goud , goederen, vee en kostbare geschenken mee. Veel belangrijker is dan het besluit van Koning Cyrus om het de voorwerpen mee te geven die Koning Nebukadnessar waren gestolen uit de Tempel in Jeruzalem.

Wie gingen er nu mee. We houden het bij de opsomming van hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 worden de terugkerende ballingen met name genoemd. Het zijn familiehoofden, Priesters en Levieten en ballingen die verspreid over Perzië woonden maar die zich nog steeds rekenden tot het volk van Israël. Deze verschillende groepen staan in hoofdstuk 2 dan ook verschillend benoemd: Priesters bij elkaar, Levieten bij elkaar, familiehoofden bij elkaar en groepen ballingen per plaats waar ze in ballingschap waren. De terugkeer uit de ballingschap blijkt door Cyrus ook goed georganiseerd te zijn. De schatmeester van de Koning maakte een inventarislijst van de goederen afkomstig uit de Tempel in Jeruzalem en de gouverneur van Juda, Sesbassar, bracht de ballingen thuis. Voor wie mocht denken dat God wel even zou zorgen voor zijn gelovigen heeft het mis. Ze moeten zelf aan het werk om samen met de Koning te zorgen dat de herbouw en het herstel ook zal plaatsvinden. Zo zullen ook wij zelf hard moeten werken aan het Koninkrijk waarvoor we door Jezus zijn uitgenodigd.

Daar zetelt het gerecht

Psalm 122

1 Een pelgrimslied van David. Verheugd was ik toen ik hoorde: ‘Wij gaan naar het huis van de HEER, ‘ 2 verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten, Jeruzalem. 3 Jeruzalem, als een stad gebouwd, hecht en dicht opeen. 4 Daar komen de stammen samen, de stammen van de HEER, om Israëls plicht te vervullen, te prijzen de naam van de HEER. 5 Daar zetelt het gerecht, daar troont het huis van David. 6 Vraag om vrede voor Jeruzalem: ‘Dat rust hebben wie van je houden, 7 dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.’ 8 Om mijn verwanten en vrienden zeg ik: ‘Vrede zij in jou.’ 9 Om het huis van de HEER, onze God, wens ik je al het goede. (NBV)

Volgens de richtlijnen in de eerste vijf boeken van de Bijbel gegeven moest het volk Israel een paar maal per jaar optrekken naar de centrale heiligdommen om daar een maaltijd te houden met de familie, de priesters en levieten van die heiligdommen, met de armen en met de vreemdelingen die er onder hen woonden. Aanvankelijk waren er verschillende heiligdommen in Israel, maar na de ballingschap was de godsdienst van Israel uitdrukkelijk en exclusief gecentreerd rond de tempel in Jeruzalem. Daar werden de stenen tafels bewaard als symbool voor de richtlijnen voor een menselijke samenleving die ze op hun tocht door de woestijn uit Egypte naar het land van overvloed en vrijheid hadden gekregen. De wet die zei dat ze alles moesten delen met hun naasten. Je kunt je voorstellen dat het optrekken naar Jeruzalem voor dergelijke feestelijke maaltijden op zich ook al een feest was.

Een deel van de oogst werd meegenomen, de feesten vielen samen met de verschillende oogsten door het jaar, en in alle boerengemeenschappen wordt er na de oogst uitbundig feest gevierd. Als je van heel ver kwam mocht je dat deel van de oogst dat geofferd moest worden ook verkopen en in Jeruzalem nieuw kopen, het feest werd er niet minder om. Een Psalm als deze leende zich bij uitstek om samen gezongen te worden. Het is dan ook een Pelgrimslied. En in die Psalm worden heel subtiel de verhoudingen weergegeven die van belang zijn. De Psalm begint met het noemen van David, die maakte Jeruzalem tot de hoofdstad van Israel, maar David mocht wel koning zijn, hij was niet de Heer van Israel, dat was God zelf. En God verschaft recht aan de rechtelozen, daarom zijn de poorten van de stad belangrijk want daar werd recht gesproken. Daar zaten de oudsten van het volk die hun leven gestudeerd hadden in het recht zoals dat in de Bijbel gegeven was en gaven antwoord op de vele vragen die bij je kunnen opkomen. David, zijn opvolgers als het huis van David aangeduid, zijn dan een garantie voor vrede en rust.

David zelf had nog de nodige oorlogen gevoerd om Israel vrede te geven maar dat was uiteindelijk gelukt en onder Salomo zijn zoon was de tijd van vrede en welvaart inderdaad uiteindelijk aangebroken. Dan kun je inderdaad met je verwanten en je vrienden optrekken en maaltijd houden. Zoals de moslims in onze dagen tijdens de Ramadan zogenaamde Iftar maaltijden houden. Op die maaltijden delen ze wat ze hebben met hun familie, hun vrienden, de armen en de vreemdelingen onder hen. In ons land gaat dat zelfs vaak omgekeerd. In tal van steden gebruiken Moslims de Iftar om samen met hun Nederlandse buren, in hun buurt of wijk, een maaltijd te houden. Die Iftar maaltijden blijken uitstekende instrumenten om spanningen in buurten en wijken te verminderen en mogelijke problemen onderling bespreekbaar te maken. Het voorschrift samen maaltijd te houden is bekend in Jodendom, Christendom en Islam. En in alle drie de godsdiensten gaat het om hetzelfde, om elkaar al het goede te wensen, door het goede te doen, dan komen mensen tot hun recht.

Dat leiders hun macht misbruiken

Matteüs 20:17-34

17 Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18 ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die hem ter dood zullen veroordelen. 19 Ze zullen hem uitleveren aan de heidenen, die de spot met hem zullen drijven en hem zullen geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal hij worden opgewekt uit de dood.’ 20 Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar hem toe. Ze viel voor hem neer om hem een gunst te vragen. 21 Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’ Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast u mogen zitten, de een rechts van u en de ander links.’ 22 Maar Jezus zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik zal moeten drinken?’ ‘Ja, dat kunnen wij, ‘antwoordden ze. 23 Toen zei hij: ‘Uit mijn beker zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van mij zullen zitten kan ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’ 24 Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op de twee broers. 25 Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. 26 Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, 27 en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn 28 zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’ 29 Toen ze uit Jericho vertrokken, volgde hem een grote menigte. 30 Er zaten daar twee blinden langs de weg die, toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 31 Men snauwde hun toe dat ze hun mond moesten houden. Maar ze riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 32 Jezus bleef staan, hij riep hen en vroeg: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ 33 Ze antwoordden: ‘Heer, open onze ogen!’ 34 Jezus kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze weer zien en ze volgden hem. (NBV)

Het contrast tussen wat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling en wat we zagen op de derde dinsdag in september, had niet groter kunnen zijn. Niet de mensen waarvoor de machtigen in ons land zouden moeten zorgen staan op die dag centraal maar de machtigen zelf. Pracht en praal bepalen het beeld. Zwervers, verslaafden, patiënten uit verpleeghuizen, gehandicapten, vluchtelingen, jongeren met veel problemen, slachtoffers van geweld en misdrijven, zie je bij de presentatie van een nieuwe begroting niet. Zij paraderen niet op het Binnenhof, ze zaten er niet bij in de kerk, om te laten zien waar het om gaat. Ook het woord van Jezus dat heersers hun volk onderdrukken en leiders hun macht misbruiken klinkt niet terug in de troonrede. Er wordt nog wel eens gezeurd over de zogenaamde bede die wel of niet in de troonrede zou moeten. Het besef van volksvertegenwoordigers en regeerders dat het dienen van de zwaksten en de armsten in de samenleving op de allereerste plaats zou moeten staan zou vooraan in de troonrede moeten staan. En denk daarbij niet alleen aan de zwaksten in eigen land maar ook aan de hongerigen, de slachtoffers van geweld en uitbuiting in de rest van de wereld.

Het was immers dag van de verantwoording hoe het geld dat we met z’n allen verdienen in dit land wordt verdeeld over iedereen zodat iedereen ook werkelijk deel kan hebben aan de rijkdom van ons land. Duidelijk is dat het delen met de allerarmsten in de hele wereld en het eerlijk handeldrijven daar ook bij hoort. Een dag van democratie, wat Prinsjesdag toch eigenlijk is, zou toch niet moeten laten zien hoe mooi soldaten er uit kunnen zien, maar hoe goed we voor verpleegkundigen en onderwijskrachten willen zorgen. Wie echt de eersten onder ons zijn, de belangrijksten voor ieder van ons, zijn zij die willen dienen, dag en nacht en soms met gevaar voor eigen leven. Wat er op de derde dinsdag in september gebeurt in Den Haag is misschien mooi om naar te kijken, maar heeft geen enkele betekenis, het is klatergoud en leeg theater. Beter zou het zijn de bovenstaande passage uit de Bijbel voor te lezen, want daar gaat het over macht en de reactie van de machthebbers op hen die macht onderuit willen halen. Om te laten zien hoe dat kan was het beloofde land bedoeld. De eerste stad die van het volk Israel werd toen ze uit de woestijn het beloofde land introkken was Jericho. Het verhaal van de inname van die stad is overbekend. Het volk trok er zeven maal zwijgend om heen en toen het na de zevende maal de tromptetten liet klinken en een groot gejuich aanhief storten de muren van de stad ineen. Geweldloos werd de stad ingenomen.

Jeruzalem was de stad van Koning David, die had de vrede in Israel gebracht, Na hem had zijn zoon Salomo de Tempel gebouwd waar de Tora werd bewaard. Jezus van Nazareth nu gaat het verhaal dat we vandaag lezen van Jericho naar Jeruzalem. Dat staat er niet zomaar. Die weg is een Koninklijke weg. Zo ga je als je het gehele land Kanaän in bezit wilt nemen en daar je rijk wil vestigen. Dan zitten er twee blinden langs de kant van de weg. Bedelaars die niet kunnen zien wat er zich in de wereld afspeelt. Ze kunnen roepen naar de mensen die voorbij komen: “heb medelijden met ons” Maar deze blinden zien meer dan we denken. Deze blinden roepen niet alleen om medelijden, ze weten best dat Jezus van Nazareth er aan komt en ze roepen hem uit tot Koning van Israel. “Heer, Zoon van David”, zo spreken ze hem aan. Daarom vraagt Jezus van Nazareth wat ze daarmee willen. En blinden willen zien, willen de ogen geopend hebben. Voor veel gelovigen gaat het hier in dit verhaal niet om het letterlijke zien, maar om het zien zitten, snappen wat er aan de hand is. De vraag is dus of Jezus van Nazareth die Koning is of niet? Eigenlijk blijft het antwoord verborgen. Jezus van Nazareth kreeg medelijden met hen. Als ze zo graag een koning wilden dan krijgen ze er een en hij opende hen de ogen en terstond volgden ze hem. Hier is dus niet een Koning die een mooi pak aantrekt.. Gewoon langs de kant van de weg, op weg van Jericho naar Jeruzalem, reageren op geschreeuw dat de aandacht trekt. Terloops vindt er een genezing plaats. Als we Jezus van Nazareth willen volgen dan hoort onze aandacht dus niet bij de grote podia, de glitter en het klatergoud, maar naar de kant van de weg.

Wat je toekomt

Matteüs 20:1-16

1 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. 2 Nadat hij met de arbeiders een dagloon van een denarie overeengekomen was, stuurde hij hen naar zijn wijngaard. 3 Drie uur later trok hij er opnieuw op uit, en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, 4 zei hij ook tegen hen: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.” 5 En ze gingen erheen. Rond het middaguur ging hij er nogmaals op uit, en drie uur later weer, en handelde als tevoren. 6 Toen hij tegen het elfde uur van de dag nog eens op weg ging, trof hij een groepje dat er nog steeds stond. Hij vroeg hun: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” 7 “Niemand wilde ons in dienst nemen, ”antwoordden ze. Hij zei hun: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.” 8 Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: “Roep de arbeiders bij je en betaal hun het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.” 9 En zij die er vanaf het elfde uur waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. 10 En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die ene denarie. 11 Toen ze die in handen hadden, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: 12 “Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij het onder de brandende zon de hele dag hebben volgehouden.” 13 Hij gaf een van hen ten antwoord: “Beste man, ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? 14 Neem dan aan wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou. 15 Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?” 16 Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.’ (NBV)

Als we het verhaal van Jezus hier verder lezen leren we over rechtvaardige beloning. We weten natuurlijk wel dat de ketting net zo sterk is als de zwakste schakel. En als we goed nadenken weten we dat geen productie tot stand komt zonder de portier die de deur opendoet of de toiletjuffrouw die er voor zorgt dat de werkers niet ziek worden. Waarom dan de directeur het hoogste inkomen moet hebben en die toiletjuffrouw het laagste is niet echt duidelijk. Het heeft te maken met macht en het verkeerde geloof. Geloof in een god die succes heet maar tegelijkertijd een hoop schijn vertoont. De god van het klatergoud. Geen directeur heeft succes zonder de werkenden van het bedrijf. Ook op wereldschaal gaat dat op. Veel werk wordt nu verplaatst naar zogenaamde lage lonenlanden. De lonen zijn daar laag omdat er helemaal niets verdiend wordt en alle beetjes helpen. Alleen de producten die gemaakt worden in bedrijven die uit de rijke landen zijn verplaatst mogen ook goedkoop in die rijke landen worden ingevoerd. Producten die uit de arme landen zelf komen worden belast met hoge invoerrechten.

Als we dat om zouden draaien zou de wereld er heel anders uitzien. Jezus laat in het bovenstaande hoofdstuk zien hoe we het zouden kunnen omdraaien. We vragen bij de grens wie de producten hebben gemaakt en hoeveel ze er mee hebben verdiend. Dan heffen we een belasting die net zo hoog is als het verschil tussen het loon van onze arbeiders en wat er aan loon voor betaald is. Die heffing geven we dan aan de armen zodat het verschil in beloning weg valt. Iedereen zou zo een eerlijke beloning kunnen krijgen voor geleverde arbeid en arbeid die we hier hebben bedacht hoeft niet meer verplaatst te worden. Grondstoffen en landbouwproducten uit nu nog arme landen kunnen daar bewerkt worden en hier verkocht zonder problemen. Ook economen weten best dat iedereen er dan op vooruit zal gaan, maar de machtigen moeten dan wel het een en ander aan macht inleveren. En rijken, ja die komen in het verhaal van Jezus nu eenmaal niet echt meer voor.

Maar eerlijk delen is iets wat moeilijk te begrijpen blijft voor velen. In het verhaal van Jezus van Nazareth, een gelijkenis heet dat, zijn de mensen die de hele dag in de zon hebben staan wachten op een beetje werk net zo belangrijk als de mensen die in de ochtend al waren uitgekozen en de hele dag zeker waren van voedsel voor hun gezin. Maar mensen die het goed hebben vinden het al snel oneerlijk dat mensen die het minder hebben ook wat krijgen. Wat iedereen vergeet is dat al die dingen die we produceren ook gekocht moeten worden en dat hoe meer mensen geld hebben om iets te kopen hoe meer werkgelegenheid er is, hoe meer welvaart er dus is. Leven als in het Koninkrijk van God maakt ons allemaal dus rijk, zonder uitzondering. Dat zouden we eens moeten proberen.