Waar is die God van hen?

Psalm 115

1 Niet ons, HEER, niet ons, geef uw naam alle eer, om uw liefde, uw trouw. 2 Waarom zeggen de volken: ‘Waar is die God van hen?’ 3 Onze God is in de hemel, hij doet wat hem behaagt. 4 Hun goden zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. 5 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken, ze hebben ogen, maar kunnen niet zien, 6 ze hebben oren, maar kunnen niet horen, ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken. 7 Hun handen kunnen niet tasten, hun voeten kunnen niet lopen, geen geluid komt uit hun keel. 8 Zoals zij, zo worden ook hun makers, en ieder die op hen vertrouwt.  9 Israël, vertrouw op de HEER – hun hulp is hij, hun schild- 10 huis van Aäron, vertrouw op de HEER – hun hulp is hij, hun schild- 11 wie de HEER vrezen, vertrouw op de HEER – hun hulp is hij, hun schild. 12 De HEER gedenkt en zegent ons, zegenen zal hij het volk van Israël, zegenen het huis van Aäron, 13 zegenen wie de HEER vrezen, van klein tot groot. 14 Moge de HEER u talrijk maken, u en uw kinderen. 15 Moge de HEER u zegenen, hij die hemel en aarde gemaakt heeft. 16 De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven. 17 Niet de doden loven de HEER, niet wie zijn afgedaald in de stilte, 18 wij zijn het, wij zegenen de HEER, van nu tot in eeuwigheid. Halleluja!
(NBV)

Onze God is in de hemel antwoordt de psalmdichter op de vraag van de ongelovigen. Maar dan moet je wel weten wat de hemel is natuurlijk. Dat is niet zomaar de ruimte boven ons. De moderne wetenschap heeft ons geleerd dat de aarde rond is en door de ruimte om de zon heen draait. Om de aarde is een schil van elektromagnetische straling die ons beschermd tegen de kwade kanten van de zonnestraling. Het goede van de zonnestraling wordt doorgelaten en daardoor kan er leven zijn op aarde. Toen het lied van de Schepping werd geschreven in het boek Genesis hadden de mensen op de wereld nog een andere voorstelling van de aarde. Daar stroomde soms zomaar water overheen, daar regende het soms wel heel erg hard op. Dat water bracht de dood, of het nu het water van de zee was dat ineens steeg, of het water van de regen. De scheiding tussen land en water maakte het leven mogelijk en om het water van omhoog te matigen en mensen daartegen te beschermen werd er een hemel gemaakt. God woonde dus in de bescherming van de mensen.

De mensen hadden echter niks op met de bescherming door de God van Israël. Want die vroeg immers om elkaar te beschermen. Om te delen van wat er werd verbouwd, werd verhandeld, werd verdiend. Dan moest je zorgen dat de minsten verzorgd werden, dan moest je denken om de weduwe en de wees, om slachtoffers van ziekte en ongeval. Dan mocht je niet doden, dus ook niet veroveren, niet willen hebben wat een ander bezat. Dan mocht je vrouwen niet als bezit beschouwen maar als gelijke. Je kunt beter goden hebben die je voorspoed bezorgen, die je oogst vergroten, de je slaven en rijkdom in overvloed geven. Die rare God van Israël had bepaald dat je slaven na verloop van tijd of vrij moest laten of in je familie moest opnemen. Goden van goud en zilver beloofden alleen al door hun uiterlijk dan het beter met je zou gaan, zeker als je die goden ook nog wist te voeden, naar je hand wist te zetten.

Maar die goden van goud en beloften antwoorden je niet op je vragen. Als een ander rijker wordt dan ben jij kennelijk uit de gunst. De goden van goud en zilver zijn met je eigen handen gemaakt, ze kunnen niet meer dan jij kunt. De God van Israël is de God van de bescherming. We weten best wat hemels is, wat volmaakt is, wat oneindig goed is. Dat is het domein van die God. Als wij ons een voorstelling maken van het hemelse dan hebben we het over wat de God van Israël voortbrengt. Dan weten we ook dat er oneindig veel meer is. Het hemelse is het domein van de God van Israël, die maakt de hemel hemels. De aarde heeft hij aan de mensen gegeven zingt de psalmist. Daarom kunnen rabbijnen zeggen dat het aan de mensen is om de aarde hemels te maken. Daar hoeven we geen eigengemaakte goden voor in te schakelen. Die goden zijn van dood materiaal en doden loven de God van Israël niet. Loven van de God van Israël is je naaste liefhebben als jezelf, is zorgen dat de aarde hemels wordt, niet alleen voor jezelf maar voor elk mens dat de aarde bewoont, tot aan de einden der aarde zou Jezus zeggen. Elke dag mogen we daar opnieuw mee bezig gaan, ook vandaag weer.

Want hij is de levende God

Daniël 6:19-29

19 Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen. 20 Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. 21 Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’ 22 En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! 23 Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’ 24 De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd. 25 Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten. 26 Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn! 27 Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want hij is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn heerschappij is zonder einde. 28 Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet wonderen in de hemel en op aarde; hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’ 29 Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.(NBV)

Dat is toch prachtig. Dat een uiterst wrede Koning aan alle volken in alle talen gaat schrijven dat de God van Israël de levende God is omdat die redt en bevrijdt, tekenen geeft en wonderen doet in de hemel en op aarde. En dat alleen omdat hij Daniël redde uit de Leeuwenkuil. Nu is er van ene Koning Darius de Meder al helemaal niks meer terug te vinden in de geschiedenisboekjes laat staan een spoor van de hier genoemde brief. Maar de Bijbel is dus al helemaal geen geschiedenisboek. Dat niet alleen de samenspanners tegen Daniël in de leeuwenkuil worden geworpen maar ook hun vrouwen en kinderen is dan ook de gebruikelijke overdrijving die de wreedheid van de Koning wil onderstrepen en de ernst van het misdrijf iemand te vervolgen om wat hij gelooft. Vindt de Bijbel dat dan ernstig? Ja! Ook de volken die in Israël woonden na de intocht bleven hun eigen goden aanbidden.

De vreemdelingen die bij Israël kwamen wonen en werken konden hun eigen goden blijven aanbidden. Die vreemdelingen kwamen in aanraking met de God van Israël als de kinderen van Israël een van de jaarlijkse maaltijden aanrichtten ter ere van de God van Israël. Die maaltijd was dan met de dienaren van de Tempel, de familie, de armen en de vreemdelingen die bij hun werkten. Voor vreemdelingen moest dat telkens weer een vreemde gewaarwording zijn, een volk waar men eerst om de ander dacht en dan pas om zichzelf. Maar het volk van Israël bestond niet uit heiligen, het waren ook maar mensen en daarom vonden ze vaak de goden van de vreemdelingen, de goden van goud of zilver, veel mooier dan hun eigen God waar nergens een afbeelding van te vinden was. Maar de Heidenen mochten gerust hun godsdienst blijven belijden. Ook hier in het verhaal van Daniël klinkt geen enkel verwijt naar de Heidense Koning die dacht alle problemen van het volk zelf wel te kunnen oplossen en daarom had laten verbieden dat iemand nog een andere macht of andere God iets zou vragen.

Ook klaagt Daniël niet de sterrenwichelaars en astrologen aan die het plan hadden verzonnen om hem te treffen in zijn trouw aan de God van Israël. Het is de Heidense Koning zelf die inziet dat het Godsoordeel dat Daniël vrijpleit ook betekent dat zij die het plan hadden beraamd daarmee kwaad in de zin hadden, het uitschakelen van een concurrent. Die Koning legt dan ook de straf op. Ook voor ons moet dat betekenen dat we iedereen vrij laten in het uitoefenen van zijn of haar godsdienst. Dat onze God de levende God is zal moeten blijken uit onze daden. Zij die misdaden begaan, zoals het misbruiken van kinderen, lasteren daarom tegen de God waarvan ze de getuigen zouden hebben moeten zijn, zij die de misdaden verzwegen belasteren daarmee de God van Israël. Alleen door het goede te doen is het kwade te verdrijven, daar mogen we elke dag weer opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Ze kan niet worden herroepen.

Daniël 6: 11-18

11 Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenvertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was. 12 Maar toen drongen de mannen zijn huis binnen en troffen Daniël aan terwijl hij tot zijn God bad en hem prees. 13 Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit: ‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’ De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’ 14 Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’ 15 De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen. 16 Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de Meden en de Perzen.’ 17 Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’
18 Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen.

Jaloezie en wetten waarop geen uitzonderingen kunnen worden gemaakt, het zijn twee onderwerpen die in dit verhaal tegelijk worden behandeld. Koning Darius wilde Daniël aanstellen als opzichter over al die mensen die namens hem de Koninklijke macht uitoefenden. Voor veel van die satrapen was dat een hard gelag. Kun je dan nog extra belasting heffen die jou tot een rijk man maken? Kun je dan nog vriendjes bevoordelen zodat je positie wordt versterkt? Ze gaan eerst maar eens op zoek naar de fouten die aan Daniël zelf kleven. Maar die zijn niet te vinden. Daniël is een groente etende en water drinkende wijze die antwoord geeft op vragen maar voor zichzelf eigenlijk nooit wat vraagt. Hij vertelde Koningen zelfs wat die eigenlijk niet wilden horen.

Wegwerken is dus het parool. Uitingen van geloof zijn in onze dagen net zo omstreden als in dit verhaal over Daniël. Nu is het in onze dagen zogenaamd niet de grootste machthebber naar wie je moet luisteren en aan wie je alle verzoeken moet voorleggen. Maar we hebben de menselijke rede tot grootste machthebber gemaakt. En de menselijke rede lijkt alleen rekening te houden met eigenbelang. Als het voor mij goed is dan is het voor iedereen goed is de slagzin van de huidige vorm van menselijke rede. Een Bijbels gegeven als “van delen wordt je rijker” of “zorg voor de armsten en de minsten bezorgt je vrede” wordt merkwaardiger wijze als onredelijk afgewezen. Gevaarlijk wordt dit pas als er wetten worden gemaakt waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn.

Sluit misdadigers op wat ze ook gedaan hebben en laat ze nooit meer vrij. Ondanks het verhaal over Daniël en zijn aanbidding van de God van Israël hoor je dat toch regelmatig. Het ligt nog lang niet vast in de wet, integendeel iedereen heeft recht op een tweede kans, maar je hoort het steeds vaker, De straf voor Daniël is ook dat hij wordt weggewerkt. Letterlijk, een deksel op de put met zegel en al afgesloten maakt dat niemand meer voor Daniël zal opkomen. Het is alsof hij de klokkenluider is die de misstanden in zijn Rijk of zijn organisatie naar buiten heeft gebracht. In onze samenleving wordt zo’n klokkenluider zorgvuldig de grond ingeboord ook al heeft de hele samenleving geweldig veel baat gehad bij het bericht dat de klokkenluider heeft verspreid. Daniël blijft vertrouwen op de God van Israël en als hij dat kan moeten wij dat ook maar kunnen. Het kwade bestrijden door het goede te doen blijft onze opdracht, elke dag weer, ondanks de tegenstand, maar ook vandaag weer.

Het verbod op schrift.

Daniël 6:2-10

2 Darius ging ertoe over honderdtwintig satrapen over het gehele koninkrijk aan te stellen. 3 Boven hen stelde hij drie rijksbestuurders aan, van wie Daniël er een was; aan hen moesten de satrapen rekenschap afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden. 4 Daniël nu onderscheidde zich van de rijksbestuurders en satrapen door zijn buitengewone begaafdheid. De koning overwoog zelfs hem over het hele koninkrijk aan te stellen. 5 Daarom probeerden de rijksbestuurders en satrapen in Daniëls bewind iets te vinden om hem voor aan te klagen, maar zij konden geen grond voor een aanklacht vinden of hem op een misstap betrappen, want hij was betrouwbaar en hij had nooit zijn plicht verzuimd of een misstap begaan. 6 Toen zeiden die mannen: ‘Met geen mogelijkheid zullen wij deze Daniël kunnen aanklagen, tenzij we iets zoeken dat verband houdt met de wet van zijn God.’ 7 Daarop richtten de rijksbestuurders en satrapen zich tot de koning met een dringend verzoek: ‘Koning Darius, leef in eeuwigheid! 8 Alle rijksbestuurders van het koninkrijk, stadhouders en satrapen, raadsheren en gouverneurs, zijn van mening dat er een koninklijk besluit moet worden uitgevaardigd waarin wordt vastgelegd dat eenieder die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. 9 Welnu, majesteit, vaardig dat verbod uit en stel het op schrift, zodat het niet veranderd kan worden, zoals geen enkele wet van de Meden en de Perzen kan worden herroepen.’ 10 Hierop stelde koning Darius het verbod op schrift. (NBV)

Vandaag lezen we weer zo’n spannend verhaal over Daniël dat tot doel heeft onderdrukte gelovigen een riem onder het hart te steken. In de geschiedenisboekjes zul je vergeefs zoeken naar die Koning Darius de Mediër. Sommige geleerden denken dat hier koning Cyrus mee bedoeld wordt, de koning die later het bevel zou geven om terug te keren naar Jeruzalem om de Tempel en de stad te herbouwen. Maar de Bijbel is geen geschiedenisboek, het gaat over de verhouding tussen God en mensen en hoe die verhouding op de proef gesteld kan worden. En voor die beproeving ben je zelfs niet gevrijwaard als je een hoge positie bekleedt, de een na hoogste positie in de Koninkrijk.

Het verhaal over Darius en Daniël gaat over godsdienstvrijheid. Waarom is die vrijheid zo belangrijk? Waarom moeten we geloofsorganisatie niet verwarren met de staat en omgekeerd ook niet. Beiden hebben hun eigen behoeften en horen hun eigen regels en gewoonten te hebben. Maar als een God macht over je heeft dan heeft de wereldse overheid dan niet. Er zijn dan wel godsdienstige leiders met wie je als wereldse machthebber kan onderhandelen maar als het er op aan komt dan beroepen ze zich op hun God en die zit nooit aan de onderhandelingstafel. Vrijheid van godsdienst is daarmee het begin van alle vrijheid, het is geen voorrecht voor leden van een geloofsorganisatie maar op grond van godsdienstvrijheid kan iedereen een beroep doen op vrijheid voor de eigen levensovertuiging.

Koningen van een groot rijk en de machtigen op aarde zijn echter altijd gevoelig voor eer en complimenten. Tegenspraak is vaak gevaarlijk en de Koning naar de mond praten levert nog wel eens een beloning op. Dat geldt voor echte Koningen maar ook voor politieke leiders, voor directeuren van grote bedrijven, bestuurders van ondernemingen, presidenten van banken en internationale organisaties, kortom voor iedereen aan wie macht en gezag wordt toegedicht. En mensen die steeds maar vasthouden aan de Wet van eerlijk delen, de Wet van heb-uw-naaste-lief-als-uzelf, lopen maar in de weg. Die brengen de winsten in gevaar en doen afbreuk aan het aanzien en de macht van de organisatie. Overal op aarde wordt de vrijheid van godsdienst daarom bedreigd. Soms wordt godsdienst in elke vorm verboden, soms ook wordt één vorm van godsdienst als de ware geproclameerd, wie anders gelooft loopt de kans op straf. Strijd voor onbeperkte vrijheid van geloofsovertuiging van welke aard ook is daarom een Bijbelse opdracht.

Gewogen en te licht bevonden

Daniël 5:13-6:1

13 Vervolgens werd Daniël voor de koning geleid. De koning zei tegen hem: ‘Dus u bent Daniël, een van de Judese ballingen die de koning, mijn vader, uit Juda heeft gevoerd? 14 Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont, en dat u over veel verstand, inzicht en wijsheid beschikt. 15 De wijzen en bezweerders zijn bij mij gebracht om deze tekens te lezen en mij te vertellen wat er staat. Maar zij kunnen mij niet zeggen wat de woorden betekenen. 16 Ik heb over u gehoord dat u duidingen kunt geven en knopen ontwarren. Welnu, als u de tekens kunt lezen en mij kunt zeggen wat er staat, zult u in purper gekleed worden, een gouden keten om uw hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’
17 Daniël antwoordde de koning: ‘U mag uw kostbare geschenken houden, of ze aan een ander geven. Maar ik zal de tekens voor de koning lezen en hem zeggen wat er staat. 18 Majesteit-God, de Hoogste, heeft uw vader Nebukadnessar koninklijke macht, aanzien, eer en majesteit geschonken, 19 en door zijn van God gegeven grootheid beefden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, van ontzag voor hem. Hij doodde wie hij wilde en liet leven wie hij wilde. Hij verhief wie hij wilde en vernederde wie hij wilde. 20 Maar toen hij hooghartig en overmoedig werd, is hij van zijn koningstroon gestoten en is zijn eer hem ontnomen. 21 Hij werd door de mensen verstoten, hij kreeg het hart van een dier en hij leefde onder de wilde ezels. Hij at gras als de runderen en zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, totdat hij erkende dat God, de Hoogste, boven het koningschap van de mensen staat en dat hij alleen bepaalt aan wie hij dat verleent. 22 En hoewel u dit alles wist, bent u, zijn zoon Belsassar, niet nederig gebleven. 23 U bent tegen de heer van de hemel opgestaan. U hebt de bekers laten halen die uit zijn tempel afkomstig zijn, en u en uw machthebbers, uw hoofdvrouwen en bijvrouwen, hebben er wijn uit gedronken. U hebt uw goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen geprezen, goden die niets zien of horen of weten. Maar de God die beschikt over uw levensadem en die al uw doen en laten bepaalt, hebt u niet verheerlijkt. 24 Daarom heeft hij die hand gezonden en de tekens laten opschrijven. 25 Dit is wat er geschreven staat: Mene, mene, tekel ufarsin. 26 En dit is wat het betekent: mene God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; 27 tekel u bent gewogen en te licht bevonden; 28 peres uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven.’ 29 Toen gaf Belsassar bevel Daniël in purper te kleden en hem een gouden keten om de hals te hangen, en hij liet afkondigen dat Daniël als derde in rang zou regeren over het koninkrijk 30 Diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood. 31 1 Darius de Mediër verkreeg het koningschap; hij was toen tweeënzestig jaar.(NBV)

Het was in de dagen van de Makabeën, lang nadat het volk Israël uit ballingschap was teruggekeerd, dat de Griekse koning Anthiochus Epiphanes besloot om gouden beelden in de Tempel in Jeruzalem te plaatsen. Een lege Tempel, zoals de Joden hadden spotte met elke religie die hij op aarde had aangetroffen. Voor de Joden was het een gruwel, het vereren, nog erger het aanbidden van zelfgemaakte goden. Het was altijd vervloekt door de God van Israël. Ze dachten terug aan de dagen van Daniël, toen ze niet eens meer hun eigen land hadden, maar in een vreemd ver land onder een vreemde vorst moesten zuchten. Een Koning die de gouden bekers uit de Tempel gebruikte voor een feest met al zijn vrouwen en vorsten moest wel ten onder gaan. Die Koning kende toch het verhaal van zijn stamvader Nebukadsessar die gras moest eten omdat hij niet rechtvaardig wilde zijn, wilde zorgen als Koning voor de armen in zijn Rijk en daarmee de God van Israël eren.

Dat is de vraag die Daniël deze Koning voorlegt. Niks geen fraaie geschenken om een mooi verhaal te vertellen, maar de harde waarheid die gezegd moet worden bij zoveel spot met de God van Israël. Want wat staat er nu op de muur geschreven. Een zin die ook door die Griekse Koning niet werd begrepen. De zin is in het Aramees geschreven. Een taal die verwant was aan het Hebreeuws. Een taal die net als het Hebreeuws alleen werd geschreven in medeklinkers. Onze vertalers hebben de woorden zo laten staan als Daniël ze heeft uitgelegd. Maar wie Aramees leest zit voor een puzzel. Er staat toch zoiets als sjekel, sjekel, en een halve sjekel? Dat is de eerste Hebreeuwse vertaling die bij je opkomt. Er zijn kennelijk twee koningen die tellen en dan komt er één die maar voor de helft meetelt. Een sjekel is een Hebreeuwse munteenheid. Maar dat is de meest voor de hand liggende manier van lezen. Dan zou het niet meer dan een kinderversje zijn. En schrijft de God van Israël kinderversjes op de muur? De Joden hebben altijd, ondanks hun lijden in de wereld, hun humor behouden.

In de zwartste tijden werd humor ook hun wapen en tot die zwartste tijden behoorde in elk geval de tijd onder Anthiochus Epiphanes. Dat versje was dus lachen, een halve sjekel, wie verzint zoiets. Maar een kleine verandering van klinker en er staat wat Daniël vertelde. Gewogen, gewogen en te licht bevonden. De Koning verdwijnt en de Joden onder Griekse Heerschappij herinnerden zich dat juist deze feestvierende Koning van Babel werd verdreven door Cyrus, die de Joden uit ballingschap zou laten terugkeren. Een verhaal van hoop dus. Ook wij hoeven niet te wanhopen als we aandacht vragen voor de mensenrechten met Amnesty, als wij roepen tegen een vreemdelingenbewaring die de mensenrechten schendt, als we vragen om rechtvaardige handelsverhoudingen, als we een hand uitsteken naar de vreemdelingen onder ons die uitgestoten en verguisd worden. Juist als wij het heb uw naaste lief als uzelf volgen dan eren wij de God van Israël en mogen wij er op vertrouwen dat de bevrijding nabij is. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

Beneveld door de wijn

Daniël 5:1-12

1 Op zekere dag richtte koning Belsassar voor zijn duizend machthebbers een groot feestmaal aan, en in gezelschap van deze machthebbers dronk hij wijn. 2 Beneveld door de wijn gaf Belsassar opdracht de gouden en zilveren bekers te voorschijn te halen die zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had meegenomen, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen daaruit konden drinken. 3 Men haalde de gouden bekers die uit de tempel van Jeruzalem, het huis van God, waren meegenomen en de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen dronken eruit. 4 Ze dronken wijn en prezen hun goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. 5 Terwijl ze dat deden verschenen er vingers van een mensenhand die iets op het pleisterwerk van de wand van het koninklijk paleis schreven, precies tegenover de luchter, zodat de schrijvende hand goed zichtbaar was voor de koning. 6 De koning trok bleek weg, in verwarring gebracht door zijn gedachten. Hij stond te trillen op zijn benen en zijn knieën knikten. 7 Luidkeels riep hij om de bezweerders, de Chaldeeën en de waarzeggers. De koning richtte zich tot de wijzen van Babylonië: ‘Wie deze tekens kan lezen en mij kan zeggen wat er staat, zal in purper gekleed worden, een gouden keten om zijn hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’ 8 Alle wijzen van de koning traden naar voren, maar zij konden de tekens niet lezen en de koning niet zeggen wat er stond. 9 Koning Belsassar was daarover zeer ontdaan, zijn gezicht werd nog bleker, en ook zijn machthebbers waren onthutst. 10 Het rumoer van de koning en zijn machthebbers had de koningin naar de feestzaal gebracht. Zij zei: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Laten uw gedachten u niet in verwarring brengen, het is niet nodig zo bleek te worden van schrik. 11 Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden woont. In de dagen van uw vader bewees hij al evenveel verstand, inzicht en wijsheid te bezitten als de goden. Koning Nebukadnessar, uw vader, heeft hem benoemd tot hoofd van de magiërs, bezweerders, Chaldeeën en waarzeggers-uw vader, majesteit! 12 Deze Daniël, die door de koning Beltesassar werd genoemd, beschikt over een buitengewone begaafdheid, en over kennis en verstand, waardoor hij dromen kan uitleggen, raadsels kan oplossen en knopen ontwarren. Ontbied daarom Daniël, hij zal u vertellen wat er staat.’ (NBV)

Er zit een gat in het verhaal van Daniël. Net hadden we gelezen dat de gras etende koning Nebukadnessar de macht van de God van Israël had erkent en daardoor weer de Koning werd van Babel of we lezen over een koning Belsassar. Dat was zijn zoon maar die nam wel de macht als koning over maar niet de overtuigingen van zijn vader. Hij hield een maaltijd, een koninklijke maaltijd waarin alle pronk en sier die de koning kon laten zien tevoorschijn werden gehaald. Deze koning had daarvoor zijn machthebbers uitgenodigd. En dat klatergoud was bedoeld om de macht van de koning uit te drukken. Ooit had Salomo met een dergelijke maaltijd de koningin van Sheba tot erkenning van zijn macht overgehaald. In het boek Ester komt een dergelijke maaltijd voor die volgens dat boek wel een jaar duurde. Alleen koningin Vasti had zich niet onderworpen aan de macht van de Koning.

Koning Belsassar gebruikte voor zijn machtsvoorstelling de gouden en zilveren bekers die zijn vader uit de Tempel in Jeruzalem had meegenomen. Die bekers waren bedoeld om de God van Israël eer te bewijzen. Ze werden ook gebruikt bij de drie maaltijden die de gelovigen uit Judea en Israël bij de Tempel moesten houden en waar de armen en de vreemdelingen, de meiden en de knechten en de slaven en slavinnen als gelijken aan mee mochten doen. Nu werden de goden van goud en zilver, hout en steen met de bekers geëerd. Het antwoord van de God van Israël op deze ontwijding van de Tempelschatten is wereldberoemd geworden. Iedereen kent de tekens aan de wand die naderend onheil voorspellen. In dit verhaal zijn we nog niet zo ver. Er verschijnt een hand, zonder lichaam, die op de wand van de feestzaal gaat schrijven. Maar wat er geschreven wordt is niet te begrijpen. Ook alle wijzen die aanwezig waren, de voorspellers, droomuitleggers, instralers, astrologen, wisten niet wat er stond.

Dan komt de Koningin op het rumoer af. Geleerden nemen aan dat het niet de vrouw van de Koning was maar zijn moeder. Zij weet nog van de ervaringen van haar man koning Nebukadnessar. Die had veel gehad aan de wijsheid van een Judese balling die hij uiteindelijk had benoemd tot hoofd van het wijsheidsgilde. Die man heette Daniël op z’n Hebreeuws maar werd door de vader van de Koning Beltesassar genoemd. Die zou het raadsel van de tekst op de wand moeten kunnen oplossen. Het verhaal vertelt ons dus dat we ons niet moeten laten leiden door waarzeggers of voorspellers. Zelfs de zogenaamde christelijke voorgangers die ons de eindtijd voorspellen plegen bedrog. Jezus van Nazareth heeft immers zelf gezegd dat iedereen de zegt te weten wanneer de jongste dag komt liegt. Zelfs de Zoon weet dat niet, alleen de Vader. Daniël valt dan ook niet terug op waarzeggerstrucs maar op de Tora, het verbond met God, als je dat houdt gaat het goed, als je dat verbreekt gaat het fout. Ook vandaag geldt dat nog, als je je naaste lief hebt houd je je aan de coronaregels. Dan blijven we allemaal gezond, doen we dat niet dan worden we ernstig ziek en sterven geliefden. Een teken dat vandaag aan onze wand verschijnt.

U zult gras eten

Daniël 4:25-34

26 Twaalf maanden later, toen de koning op het dak van het koninklijk paleis van Babel liep te wandelen, 27 zei hij: ‘Is Babel niet indrukwekkend, de koningsstad die ik door mijn grote macht heb gebouwd tot eer van mijn majesteit?’28 De koning had deze woorden nog niet gesproken, of er klonk een stem uit de hemel: ‘Dit wordt u aangekondigd, koning Nebukadnessar: Het koningschap is u ontnomen. 29 U wordt verstoten door de mensen; u zult leven onder de dieren van het veld en u zult gras eten als de runderen. Zo zullen zeven jaren voorbijgaan, totdat u erkent dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat en dat hij bepaalt aan wie hij het verleent.’ 30 En op hetzelfde ogenblik werd het vonnis over Nebukadnessar voltrokken. Hij werd door de mensen verstoten, hij at gras als de runderen, zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, en ten slotte was zijn haar even lang als de veren van een arend en waren zijn nagels uitgegroeid als de klauwen van een vogel. 31 Maar toen de zeven jaren verstreken waren, sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen naar de hemel op en keerde mijn verstand in mij terug. Ik prees de hoogste God, ik roemde en verheerlijkte de eeuwig Levende: zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en zijn koningschap duurt van generatie tot generatie voort. 32 De mensen op aarde zijn slechts nietige wezens; hij doet met de hemelse machten en met de mensen op aarde wat hij wil. Er is niemand die hem kan tegenhouden of tegen hem kan zeggen: ‘Wat hebt u gedaan?’ 33 Op hetzelfde moment dat ik mijn verstand terugkreeg herwon ik, tot eer van mijn koningschap, ook mijn majesteit en luister. Mijn raadsheren en machthebbers zochten mij weer op, mijn koningschap werd in ere hersteld en mijn macht nam zelfs nog toe. 34 Ik, Nebukadnessar, roem, verhef en verheerlijk nu de koning van de hemel. Al zijn daden zijn juist en zijn paden recht. Wie hoogmoedig zijn, kan hij vernederen. (NBV)

Het literair mooie van dit verhaal is dat het gedeelte waarin vertelt wordt over de vernedering van de Koning niet meer door de Koning verteld wordt maar namens de Koning. Hier is de Koning niet aan het woord maar wordt er over de Koning verteld dat hij op het dak van zijn paleis liep en opschepte over alles dat hij bereikt zou hebben. Maar ook deze Koning vergeet dat hij geen steen op de andere gezet heeft, hij vergeet dat het gewone arme mensen zijn geweest die zijn bouwwerken hebben gemaakt, die de grondstoffen hebben aangevoerd, die hongerden en dorsten in hitte en kou en opgejaagd werden door zijn opzichters.

Veel mensen vinden dit een raar verhaal. Een koning die maanziek wordt en zeven jaar verdwijnt dat kan toch niet. Toch gaat er in de Oud-Perzische literatuur een verhaal rond over een koning die de godsdienst wilde veranderen. Niet langer zou Mardoek de dondergod moeten worden aanbeden maar de maangodin Sin. Die koning trok zich terug in een oase ergens ver weg in de woestijn en werd inderdaad maanziek. Godsdienst speelt ook bij de machtigen een belangrijke rol. Je moet in jezelf geloven, of in een macht die jou gezonden heeft om de hele wereld te redden, of zoals Nebukandnessar geloofde dat hij de hele wereld moest verfraaien en daarvoor de wereld ook bepaalde.

Het zijn de CEO’s van vandaag die handelen en opscheppen als Nebukadnessar en zichzelf bonussen toekennen voor het werk dat hun ondergeschikten, hun loonslaven, hebben gedaan. Ook voor hen geldt de raad van Daniël, te zorgen voor de armen en rechtvaardig besturen met oog voor de gevolgen voor de samenleving. Het zou kunnen dat hen overkomt wat de Koning overkomt, dat ze struikelen en gras moeten eten tot ze snappen dat dienend besturen de enige manier is om echt macht uit te oefenen. Wij kunnen het ze net als Daniël elke dag weer voorhouden, ook vandaag weer.

U bent machtig en sterk geworden

Daniël 4: 15-25

15 Dit is de droom die ik, koning Nebukadnessar, heb gehad. En u, Beltesassar, moet hem voor mij duiden, want geen van de wijzen uit mijn koninkrijk heeft hem kunnen uitleggen. U kunt het, omdat de geest van de heilige goden in u woont.’ 16 Daniël, die ook Beltesassar wordt genoemd, stond een ogenblik verbijsterd, in verwarring gebracht door zijn gedachten. De koning sprak hem toe: ‘Beltesassar, laten de droom en zijn betekenis u niet in verwarring brengen.’ Beltesassar antwoordde: ‘Mijn heer, moge de droom uw vijanden gelden en zijn betekenis uw tegenstanders. 17 De boom die u hebt gezien, die groter en sterker werd, waarvan de kruin tot aan de hemel reikte en de kroon de hele aarde overspande, 18 waarvan de bladeren prachtig waren en de vruchten overvloedig, die voedsel bood aan allen, waaronder de dieren van het veld beschutting zochten en die takken had waarin de vogels van de hemel nestelden 19 dat bent u, majesteit! U bent machtig en sterk geworden, uw grootheid is zo toegenomen dat ze tot aan de hemel reikt, en uw heerschappij omspant de hele aarde. 20 De wachter of heilige engel die de koning uit de hemel heeft zien neerdalen en die uitriep: “Vel de boom en vernietig hem, maar laat zijn stronk in de aarde staan, in het jonge groen van het veld, aan een ketting van ijzer en brons, laat hem vochtig worden van de dauw van de hemel en zijn lot delen met de dieren van het veld, totdat er zeven jaren voorbij zijn gegaan” 21-22 dat alles, majesteit, is het vonnis dat de hoogste God over mijn heer en koning heeft geveld. Het betekent dat u zult worden verstoten door de mensen en zult leven onder de dieren van het veld. U zult gras eten als de runderen en vochtig worden van de dauw van de hemel. Zeven jaren zullen zo voorbijgaan, totdat u erkent dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat en dat hij bepaalt aan wie hij het verleent. 23 Dat de stronk van de boom mocht blijven staan, betekent dat uw koningschap bestendig zal zijn vanaf het moment dat u de macht van de hemel erkent. 24 Daarom, majesteit, laat mijn raad u welgevallig zijn: doe uw zonden teniet door vrijgevig te zijn en maak uw onrechtvaardigheid goed door u te ontfermen over de armen-misschien dat uw welzijn dan mag voortduren.’ 25 Dit alles overkwam koning Nebukadnessar.(NBV)

Het komt vaak voor dat waar je bang voor bent je ook zal overkomen. Mensen roepen soms het leed waar ze bang voor zijn over zichzelf af. Koning Nebukadnessar was in alle verhalen die we over hem hebben gelezen voortdurend bang dat hij zijn troon zou verliezen. Ook de droom van de prachtige vruchtbare en schaduwrijke boom die omgehakt werd en waarvan alleen de stronk zou blijven staan laat zien hoe bang hij is zijn troon te verliezen. Daniël biedt de bange Koning een uitweg. Staat er in de verhalen van de God van Israël niet om de haverklap de oproep: “Vreest niet!”. Ook voor ons is er geen enkele reden om bang te zijn. Wat we fout doen weten we zelf het eerste en als anderen onverwacht niet tevreden zijn met ons handelen zegt dat meer van hen dan van ons.

Daniël staat ondertussen wel voor een probleem. Hoe breng je zo’n machtige Koning het slechte nieuws? Bij de vorige dromen kon hij het onheil nog naar de toekomst verschuiven, maar deze derde droom leent zich daar niet voor. Na een zeer beleefde aanloop, hij wenst dat de vijanden van de Koning mag overkomen wat de de Koning gedroomd heeft, besluit hij toch de Koning de waarheid te vertellen. Het zal ophouden met die Koning. Als hij zich niet zal opstellen als een rechtvaardige Koning die in de eerste plaats let op het lot van de armen in zijn rijk en voor de armen de eerste zorg en aandacht heeft dan zal zijn Koningschap ten onder gaan. Het ligt voor de hand dat de Koning deze raad in de wind zal slaan.

Koning Nebukadnessar was een sterke Koning, hij had Babel uitgebouwd tot een stad waarover men sprak als een van de zeven wereldwonderen. Het deed het Joodse volk denken aan de toren die ooit gebouwd werd en die tot in de hemel zou reikte. God had toen zo veel verwarring gezaaid dat de mensen die aan de Toren hadden meegebouwd elkaar niet meer konden verstaan en de wereld introkken. De Babylonische spraakverwarring komt uit dat verhaal In Babel zagen ze bouwwerken die die oude legenden aannemelijk maakten. De hangende tuinen van Babel waren over de hele wereld bekend. Maar wie hoog staat kan dus diep vallen. Streven dat je machtiger zal zijn dan de God van Israël zal je gras doen eten. Oordeel dus niet over anderen maar steek je handen uit de mouwen om je naaste lief te hebben als jezelf.

Daden van de hoogste God

Daniël 3:31-4:14

31 Koning Nebukadnessar aan alle volken en naties, welke taal zij ook spreken en waar ter wereld zij ook wonen: moge uw voorspoed groot zijn! 32 Het heeft mij behaagd de tekenen die de hoogste God mij heeft gegeven en de wonderen die hij heeft gedaan, bekend te maken. 33 Hoe groots zijn zijn tekenen, hoe machtig zijn wonderen! Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en zijn heerschappij duurt van generatie tot generatie voort! 1 Ik, Nebukadnessar, leidde een zorgeloos bestaan in mijn huis, een weelderig leven in mijn paleis, 2 totdat ik een droom had die mij verontrustte. De beelden die ik in mijn slaap zag en de visioenen die door mijn hoofd gingen, brachten me in verwarring. 3 Ik gaf bevel alle wijzen van Babylonië bij me te brengen om me mijn droom uit te leggen. 4 De magiërs, bezweerders, Chaldeeën en waarzeggers kwamen, ik vertelde hun mijn droom, maar zij konden hem niet verklaren. 5 Ten slotte ontving ik Daniël, die de naam van mijn god Beltesassar draagt en in wie de geest van de heilige goden woont. En ik vertelde hem mijn droom: 6 ‘Beltesassar, eerste onder de magiërs, ik weet dat de geest van de heilige goden in u woont en dat u elk mysterie kunt ontraadselen. Zeg mij wat de visioenen betekenen die ik in mijn droom gezien heb. 7 Dit zijn de beelden die tijdens mijn slaap door mijn hoofd gingen: Ik zag een hoge boom in het midden van de aarde staan. 8 De boom werd groter en sterker, zijn kruin reikte tot aan de hemel en zijn kroon overspande de hele aarde. 9 Zijn bladeren waren prachtig, zijn vruchten overvloedig en hij bood voedsel aan allen. De dieren van het veld zochten zijn schaduw op, de vogels van de hemel nestelden in zijn takken, alles wat leeft werd door hem gevoed. 10 In de beelden die ik in mijn slaap voor me zag, daalde een wachter, een heilige engel, uit de hemel neer. 11 Hij riep met luide stem: “Vel de boom en kap zijn takken, stroop het gebladerte af en verstrooi zijn vruchten, opdat de dieren eronder vandaan vluchten en de vogels opvliegen van zijn takken. 12 Maar laat zijn wortelstronk in de aarde staan, in het jonge groen van het veld, aan een ketting van ijzer en brons. Laat hem vochtig worden van de dauw van de hemel, en laat hem het gras van de aarde delen met de dieren. 13 Zijn hart zal geen mensenhart meer zijn, een dierenhart zal hij krijgen; zeven jaren zullen zo voorbijgaan. 14 Dit vonnis is geveld door de wachters, dit oordeel is gesproken door de heilige engelen, opdat de levenden weten dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat: hij bepaalt wie het ambt krijgt toebedeeld, zelfs de laagste onder de mensen kan daartoe verheven worden.” (NBV)

We lezen vandaag een bijzonder verhaal. Nu eens niet van een Bijbelschrijver, een profeet of tenminste iemand die bij het volk Israël hoort maar een verhaal geschreven door een Heidense Koning. Die Koning was wel zeer onder de indruk van de God van Daniël maar had zich volgens dit verhaal zeker niet bekeerd tot de godsdienst die bij het aanhangen van die God behoorde. Hij bleef trouw aan zijn eigen goden en had de hoge bestuurder Daniël een nieuwe naam gegeven die de trouw aan zijn eigen god nog eens onderstreepte. Voor die Koning had die Daniël niet alleen twee namen maar ook contact met de twee goden wier geest kennelijk in hem woonde, voor de rest van het verhaal is dit niet onbelangrijk. De koning wil de daden van de hoogste God bekend maken. Maar wie in dit verhaal is die hoogste God? Voor Daniël de God van Israël, maar Daniël is ook genoemd naar Marduk de oppergod van Babel. Die Koning geloofd in vele goden en daarvan is er één de baas. In het boek van de Psalmen vindt je af en toe ook uitdrukkingen die doen vermoeden dat die opvatting over een veelgodendom ook binnen het volk Israël niet vreemd was.

Daar gaat het dan om de God van Israël als voorzitter van de raad van goden. Het bestaan van die andere goden wordt in de Bijbel ook vaak niet ontkend, maar het heeft geen zin ze te aanbidden of iets voor ze te doen want ze helpen de mensen niet, de mensen zijn er voor hen en zij zeker niet voor de mensen. Alleen de God van Israël komt voor mensen op, zeker als die mensen in verdrukking komen of onrecht wordt aangedaan. Dat mogen wij ons ook wel realiseren als we zien dat door economische belangen de zwaksten in onze eigen samenleving in de knel dreigen te komen. Wie aanbidden wij, het geld of de God van Israël? De Koning vertelt over een droom die hij had. En denk nu niet dat hij in de God van Israël geloofd omdat hij het over Engelen heeft die als wachters optreden. Dat was in de geschriften uit de tijd dat het boek Daniël werd samengesteld een heel gewoon beeld en past ook zeker wel bij het soort godsdienst dat de Koning zelf aanhing. Net als de boom een bekend symbool was voor een koninkrijk met alle vertakkingen die een groot rijk nu eenmaal kent.

Zelfs het Koninkrijk der Nederlanden strekt zich nog steeds uit tot de Caraïben. Maar het koninkrijk van deze Koning zal ten onder gaan en de Koning, nu eenmaal het hart van het Rijk, zal het gras met de dieren moeten delen. Het oordeel van de hoogste God, uitgevoerd door zijn dienaren. We hadden al eens eerder gelezen dat de Koning, hoe machtig hij ook was, zeer beducht was voor zijn positie. Die wankelde voortdurend. Daarom ging hij te rade bij Daniël die hem de droom zou kunnen uitleggen. Als de God van Israël inderdaad de enige is die opkomt voor de verdrukten en als je daar beducht voor moet zijn is het niet onverstandig daar ook bij te rade te gaan. Het verhaal van die God kennen we, dat staat in de Bijbel. Hoe die God wil dat we ons gedragen weten we ook, heb uw naaste lief als uzelf, wat we moeten doen wijst zich dan vanzelf, ook vandaag dus weer.

Geen haar op hun hoofd

Daniël 3:24-30

24 Toen sloeg de schrik koning Nebukadnessar om het hart. Hij stond haastig op en zei tegen zijn raadsheren: ‘Wij hebben toch drie geknevelde mannen in het vuur gegooid?’ Zij antwoordden: ‘Zeker, majesteit.’ 25 Hij vervolgde: ‘Maar ik zie vier mannen vrij rondlopen in het vuur. Ze zijn ongedeerd en de vierde lijkt op een godenzoon!’26 Nebukadnessar liep naar de deur van de brandende oven en riep: ‘Sadrach, Mesach en Abednego, dienaren van de hoogste God, kom naar buiten, kom hier!’ Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abednego uit de vlammen naar buiten.27 De satrapen, stadhouders, gouverneurs en raadsheren van de koning drongen naar voren. Ze bekeken de mannen en zagen dat het vuur geen vat had gekregen op hun lichaam. Geen haar op hun hoofd was verschroeid, hun jassen waren nog heel, er hing zelfs geen brandlucht om hen heen. 28 Nebukadnessar nam het woord. Hij zei: ‘Geprezen zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn engel heeft gezonden en zijn dienaren gered. Zij hebben zich op hem verlaten, zij hebben het bevel van de koning genegeerd en hun lichaam prijsgegeven, omdat zij voor geen andere dan hun eigen God willen neerknielen of buigen. 29 Daarom vaardig ik het bevel uit dat eenieder, van welk volk, welke natie of taal ook, die zich oneerbiedig uitlaat over de God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken wordt gehakt en dat zijn huis in puin wordt gelegd, want er is geen god die kan redden als deze.’ 30 Vervolgens gaf de koning Sadrach, Mesach en Abednego een hogere positie in de provincie Babel. (NBV)

Heel lang heeft dit verhaal gegolden als het bewijs dat de God van Israël door het vuur gaat voor zijn gelovigen. In de tijd dat dit boek tot stand kwam, de tijd van de bezetting van Israël door de zeer wrede Koning waarover je in het boek van de Makkabeeën kunt lezen zal dat het onderdrukte volk ook zeker hulp hebben gegeven. Maar na de holocaust gaat dat beeld niet meer op. In de vernietigingskampen was geen God die zijn gelovigen beschermde tegen gas en vuur. Dat verhaal gaat over iets anders dan over een goedkope vorm van brandverzekering. Dat hadden we uit het boek van de Makkabeeën al kunnen leren want de zeven broers en hun moeder waarover dat boek gaat ontkwamen ook niet aan wrede martelingen, ondanks hun geloof. Dit verhaal gaat dan ook niet over de drie jongens in het vuur. In een apocrief bij gedeelte bij dit verhaal zingen ze ook nog uit volle borst, maar het verhaal gaat over de bekering van Koning driftkikker. Zo’n bekering heb je nodig als slachtoffer van onderdrukking.

Dan hoop je maar dat je beulen op een goede dag inzien hoe slecht ze bezig zijn en hoe humaniteit hen kan redden van de bestialiteit die ze ten toon spreiden. Jezus van Nazareth zou ons later laten zien dat wraak, tegengeweld door het zwaard te trekken, ons op hetzelfde niveau zou brengen als de beulen en dat het zich verlagen tot dat niveau juist de bekering tot humaniteit zou verhinderen. En dat zit hier ook in het verhaa Die Koning is zo driftig dat hij niet de tijd neemt de drie topbestuurders, die niet willen knielen voor zijn gouden beeld, uit te kleden zoals in Babel de gewoonte was. Met kleren en al worden ze in de oven geworpen die zo heet is opgestookt dat de mannen die ze in het vuur moesten werpen de dood vonden door de hitte. En dan ziet hij wat hij gedaan heeft. Want die jongens tellen voor twee en ze lopen dus niet met drie maar met vier in het vuur.

En ook al verbranden ze dan nog heeft hij niet de eerbetuigingen ontvangen die hij van ze wilde hebben. De God van Israël, de God van die drie Joodse jongens is dus altijd sterker dan die Koning met zijn gouden beeld.Ook ons mag dat aan het denken zetten. Hoe vaak gebeurd het niet dat we dictators steunen omdat we aan ze kunnen verdienen. De haat die het bij zijn onderdanen oplevert nemen we dan voor lief. En als de dictator verdreven is en we moeizaam een nieuwe relatie met zijn volk moeten opbouwen hebben we spijt van de steun die we eerst gaven. Dat we door de zwaksten lief te hebben uiteindelijk de eersten mogen zijn om samen de winst te delen die een gezonde en rechtvaardige samenleving oplevert schijnt maar moeilijk voorstelbaar te zijn. Toch laat ook het verhaal van vandaag zien dat blijven bij de wet van heb uw naaste lief als uzelf meer leven brengt dan buigen voor een gouden beeld. Dat blijven bij die wet mag elke dag opnieuw. Ook vandaag weer.