Bidden voor het leven van de koning

Ezra 6:6-12

6 ‘Wat uw vraag betreft, Tattenai, gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai en uw ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie: laat de bouw ongemoeid. 7 Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats. 8 En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist, uit de belastingopbrengst van de provincie Trans-Eufraat, zolang als nodig is. 9 Alles wat de priesters in Jeruzalem nodig hebben, moet hun dagelijks, zonder enige terughoudendheid, gegeven worden: jonge stieren en rammen en lammeren om te offeren aan de God van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie, 10 zodat zij offergaven aan de God van de hemel kunnen brengen, en zullen bidden voor het leven van de koning en zijn zonen. 11 Ook heb ik het bevel gegeven dat er bij iedereen die dit besluit overtreedt een balk uit zijn huis moet worden gesloopt, waaraan hij vervolgens rechtop zal worden vastgenageld. Zijn huis moet worden verwoest. 12 Moge de God die zijn naam laat wonen in deze tempel, de tempel van God in Jeruzalem, alle koningen en volken neerslaan die een poging doen om dit besluit te overtreden door de tempel te verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’ (NBV)

Mooi hè zo’n oude brief die eer bewijst aan de God van Israël. Je leest in zo’n tekstgedeelte niet alleen wat er staat, wat je er ook van verwacht maar ook vanuit hetgeen je weet. Natuurlijk het decreet van Koning Cyrus is gevonden en dat wat de bouwende ballingen hadden verteld aan Tattenai klopt. Tattenai moet zich verder niet bemoeien met de herbouw van de Tempel, integendeel, hij moet de kosten op zich nemen en zorgen dat er voldoende vee, graan, wijn en olie is om de dagelijkse offers en de bijzondere offers te brengen. Dan kan ook de God van de hemel zorgen voor de koning en zijn zonen, hoe meer Goden daarvoor worden ingeschakeld hoe beter.

Aan wie wordt er dus geofferd? Aan de God van de hemel. De Heidenen hadden overal goden voor. Goden voor de vruchtbaarheid, goden voor de aarde en het gewas, goden voor de rivieren, goden voor het weer, met een aparte god voor het onweer die in Babel de oppergod was en kennelijk was er ook een God van de hemel die in Jeruzalem werd aanbeden. Hier zullen de Judeeërs iets anders verstaan hebben als de Meden en de Perzen. In de Psalmen wordt gesproken over de God van Israël als de baas over de raad van de goden. Uiteindelijk waren het de profeten die er de nadruk op legden dat er maar één God was, de God van Israël wiens Naam nooit werd genoemd uit eerbied maar die door een ieder als Heer werd aangesproken.

Die God was niet alleen de God van de Hemel maar de God van alles. Die God had immers de hemel en de aarde geschapen. Is dit nu een brief van Koning Darius? Daar wordt door geleerden aan getwijfeld. De Koning schrijft over een God die zijn Naam laat wonen in de Tempel. Dat is een uitdrukking uit Deuteronomium. In de Tempel stond immers geen beeld van de God van Israël. Dat was voor Heidenen toch redelijk onvoorstelbaar, En natuurlijk krijgt iedereen die zich niet aan het bevel van de Koning houdt straf. Daar zijn wij een beetje van afgestapt. Ook al zijn er regels om elkaar te beschermen tegen een dodelijk virus, als je je er niet aan houdt krijg je nog geen straf. Hooguit loop je wat meer kans op besmetting maar dat is geen straf van God, het is je eigen stommiteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *