Witgepleisterde graven

Matteüs 23:25-39

25 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid. 26 Blinde Farizeeër, spoel eerst de binnenkant van de beker om, dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon. 27 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. 28 Zo lijken ook jullie voor de mensen uiterlijk op rechtvaardigen, terwijl jullie innerlijk vol huichelarij en wetsverachting zijn. 29 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, 30 en jullie zeggen: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.” 31 Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. 32 Maak de maat van jullie voorouders dan maar vol! 33 Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna? 34 Dat is de reden waarom ik profeten en wijzen en schriftgeleerden naar jullie zal sturen. Jullie zullen sommigen van hen doden, kruisigen zelfs, en anderen in jullie synagogen geselen en van stad tot stad vervolgen. 35 Al het onschuldige bloed dat op aarde is vergoten zal jullie worden aangerekend, vanaf het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zecharja, de zoon van Berechja, die jullie vermoord hebben tussen het heiligdom en het brandofferaltaar. 36 Ik verzeker jullie: op deze generatie zal dit alles neerkomen. 37 Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild. 38 Jullie stad wordt eenzaam aan haar lot overgelaten. 39 Ik verzeker jullie: vanaf nu zullen jullie mij niet meer zien, tot de tijd dat je zult zeggen: “Gezegend hij die komt in de naam van de Heer!”’ (NBV)

Recht, barmhartigheid en trouw wegen in de richtlijnen van God zwaarder dan wat het opbrengt. Je kunt netjes aan veel goede doelen veel geld geven maar als je blijft gedogen dat mensen in de straten van je stad sterven van de honger dan heb je van de richtlijnen van God en van goed doen niets maar dan ook helemaal niets begrepen. En natuurlijk sterven er in onze straten geen mensen. Zoiets werd ooit verteld over Calcutta. Daar trok de Albanese non Moeder Theresa heen om de stervenden van de straten te halen en ze in hun stervensuur te verzorgen. Goed werk natuurlijk. Maar de verering van Moeder Theresa heeft een bedenkelijk kantje. Haar als voorbeeld stellen lijkt op een niet Christelijke persoonsverheerlijking. Het ging haar toch niet om haarzelf maar om die stervenden? Door die stervenden in de straten van Calcutta zichtbaar te maken voor de westerse wereld, voor de rijke wereld, zou de vraag moeten rijzen hoe we kunnen voorkomen dat er mensen sterven in de straten van steden in arme landen. Jezus van Nazareth rekent radicaal af met al die religieuze leiders die fraaie verhalen weten te vertellen, die mooie religieuze gewaden dragen en oproepen de kerken veel te geven, maar die niets doen aan de situatie van de armen.

Integendeel. Er zijn zelfs protestantse predikanten die waarschuwen voor de Islamisering van ons land. Ze horen in een christelijke kerk niet thuis. Daar zou juist in het licht van het verhaal dat we vandaag lezen de kritiek op de fraaie verhalen moeten klinken. Jezus van Nazareth beschuldigt de religieuze leiders van zijn tijd van roofzucht en onmatigheid. Witgepleisterde graven zijn het die aan de buitenkant keurig geschilderd zijn maar van binnen rotten en stinken. Heidenen die zichzelf beter vonden dan de Joden hebben in het verhaal dat we vandaag lezen vaak aanleiding gevonden zogenaamd te bewijzen dat alle Joden niet zouden deugen. Dat staat er niet en kan er ook niet bedoeld worden. Jezus van Nazareth was zelfs immers een Jood, een gelovige Jood en vervult van het Joodse ideaal van een voorbeeld volk dat alle volken zou brengen tot het eer bewijzen aan God door te zorgen voor de armen en voor de minsten. Jezus van Nazareth laat die geschiedenis door gaan tot het verhaal van Zacharia, Dat verhaal kun je teruglezen in 2 Kronieken, daar wordt hij overigens de zoon van Jojada genoemd en hij werd vermoord in de voorhof.

Vanaf die tijd was ook de voorhof van de Tempel niet meer de vrijplaats waar vervolgden een plek konden vinden om zich beschermd te weten. Juist die bescherming van de armen, juist de bescherming tegen geweld zou Jeruzalem en de Tempel een zo unieke plaats in de samenleving hebben moeten geven dat ook bezetters er respect voor zouden hebben. Kerken hebben soms nog steeds die functie van vluchtplaats. In België vluchten mensen die geen papieren hebben en bedreigd worden opgesloten en gedeporteerd te worden vaak kerken in. Vrijwilligers en advocaten krijgen daardoor de kans en de tijd op een eerlijke wijze hun zaak te onderzoeken en het recht te verkrijgen dat mensen verdienen. Een paar jaar geleden heeft ook in Den Haag een tijdlang dat Kerkasiel gefunctioneerd voor mensen die hier zonder toestemming van de overheid lang hadden gewerkt en die bedreigd werden met opsluiting en uitzetting. Kinderen waren hier opgegroeid, gingen hier naar school en studeerden hier aan een universiteit. Door dat kerkasiel mochten ze blijven. Die bescherming mogen kerken dus wel wat vaker bieden.

Wat is nu van meer waarde

Matteüs 23:13-24

13 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel. Jullie gaan er zelf niet binnen, maar laten ook degenen die er willen binnengaan niet toe. 14-15 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bereizen landen en zeeën om één enkele proseliet te winnen, en wanneer je hem eenmaal voor je gewonnen hebt, wordt hij dankzij jullie tot een hellekind in het kwadraat. 16 Wee jullie, blinde leiders, jullie zeggen: “Wanneer iemand zweert bij de tempel, is dat niet geldig. Alleen wie zweert bij het goud van de tempel, is aan die eed gebonden.” 17 Dwaas zijn jullie en blind, wat is nu van meer waarde: het goud of de tempel die het goud geheiligd heeft? 18 Zo zeggen jullie ook: “Wanneer iemand zweert bij het altaar, is dat niet geldig. Alleen wie zweert bij de offergave die daarop ligt, is aan die eed gebonden.” 19 Blind zijn jullie, wat is nu van meer waarde: de offergave of het altaar dat de offergave heiligt? 20 Wie dus zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt.21 En wie zweert bij de tempel, zweert daarbij en bij degene die hem bewoont. 22 En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God en bij hem die daarop gezeten is. 23 Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het een zou moeten doen zonder het andere te laten. 24 Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken. (NBV)

Soms is het verfrissend zo’n scheldkanonnade te lezen tegen de leiders van het volk. Huichelaars, blinde leiders, dwazen, slangen, addergebroed, het kan niet op. Alles wat de religieuze leiders hebben te melden komt neer op het uiterlijk vertoon en het belangrijkste wordt vergeten. In de Tweede Kamer barst er van tijd tot tijd een discussie los over fatsoenlijk taalgebruik. Ook in de campagne voor de verkiezingen is die discussie soms te horen. Vroeger zei men nog dat iemand zich parlementair uitdrukte als kritiek in keurige taal was verwoord. Tegenwoordig lijkt de Tweede Kamer zich soms meer van Jezus van Nazareth aan te trekken. Ook daar worden ministers blinde leiders genoemd. Maar is dat terecht? Moet je zo spreken om de waarheid te zeggen?

Het gaat hier in het verhaal van Matteüs om religieuze leiders die extra regels hebben gemaakt die je zou moeten volgen om God gehoorzaam te kunnen zijn. Leiders die sommige regels zo ingewikkeld hebben gemaakt dat niemand ze meer kan navolgen. En dan wordt het heil van God alleen nog bereikbaar voor een zeer klein exclusief clubje. Voor Jezus van Nazareth is dat soort gedrag een vloek. Wie mensen buitensluit van de samenleving deugt niet, nooit niet. Daarom klinkt het hard en medogenloos, slangen, addergebroed. Wat klinkt als bedoeld om mensen tot God te brengen brengt hen van God af. In de regels die veroordeeld worden klinken dan ook geen mensen mee. Het gaat in die regels om de onderstreping van de rijkdom en de macht van de priesterkaste. Het goud van de Tempel, de offergave op het altaar. Maar wie zweert bij God zelf doet het kennelijk verkeerd. Het is de mentaliteit waarbij bezit en aanzien belangrijker zijn dan de liefde voor de mensen.

Het is de marktwerking waarin op alle terreinen van het leven de winst en het profijt moet worden getoond. Dat er mensen sterven door gebrek aan steriele operatiekamers en personeel doet in de zorg dan niet ter zake. Dat in de geestelijke gezondheidszorg mensen soms jaren in isoleercellen worden opgesloten omdat er te kort aan zorg is telt niet mee. Als de boekhouding maar klopt, als we maar minder hoeven te betalen voor de noodzakelijke zorgverzekeringen. Hoe vaak is ons voorgehouden dat de bonusregelingen bij banken en bedrijven een noodzakelijk onderdeel waren bij beloningssystemen. Tot de bankwereld ten onder gaat aan onverantwoorde producten die slechts kort de winst leken te doen stijgen. Tot de bonussen zelf een molensteen werden die banken en instellingen de afgrond introkken. Dan wordt het tijd om addergebroed te roepen. Daarom is de vraag waarom de nationalisatie van de ene bank en de zeggenschap bij de andere bank maar van korte duur waren. Leren mensen vanzelf? Zijn de armen automatisch beveiligd tegen de hebzucht van de rijken? Of moeten we blijven schelden?

Dat de volken u loven

Psalm 67

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm, een lied. 2 God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, sela 3 dan zal men op aarde uw weg leren kennen, in heel de wereld uw reddende kracht. 4 Dat de volken u loven, God, dat alle volken u loven. 5 Laten de naties juichen van vreugde, want u bestuurt de volken rechtvaardig en regeert over de landen op aarde. sela 6 Dat de volken u loven, God, dat alle volken u loven. 7 De aarde heeft een rijke oogst gegeven, God, onze God, zegent ons.  Moge God ons blijven zegenen, zodat men ontzag voor hem heeft tot aan de einden der aarde. (NBV)

Vandaag zingen we volgende het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap met het lezen van een kleine psalm uit het boek van de Psalmen. Op de kerkelijke kalender staat de dankdag voor gewas en arbeid. We zingen een psalm die bij de harp werd gezongen, tegenwoordig zou je zo’n liedje bij een gitaar zingen, misschien wel in een café, in elk geval in een ruimte waar rust heerst en mensen bij elkaar komen voor plezier met elkaar en voor vrede en rust. Het lied begint met een gebed om genade en zegen. Al die dingen die tegen de weg van recht en gerechtigheid in gaan, die de vrede tussen mensen verstoren, moeten ons nu maar vergeven worden, ze waren niet zo bedoeld en we hebben er spijt van. Wat we willen is dat we gezegende mensen zijn, dat er goeds van ons uitgaat, dat we vredestichters zijn en oog hebben voor de minsten op onze weg.

Waarom een dergelijk gebed? Opdat we zelf behouden of gered zouden worden? De dichter van de psalm zou raar opkijken als hem dat gevraagd zou worden. Wat nu, het gaat niet om de dichter, of om de zanger, of om de speler op de snaren. Het gaat er om dat men op de aarde de weg van de God van Israël leert kennen, in heel de wereld de reddende kracht van de God van Israël, die volken redt van onderdrukking en geweld, die zijn volk uitgeleid heeft uit de slavernij, die vrede brengt en recht en gerechtigheid klaar heeft voor alle volken. Het gaat dus om de volken op de aarde, hoe die geregeerd worden, hoe die het bestuur van de God van Israël aanvaarden. Het gebedsliedje is een politiek manifest geworden. Want politiek is de manier waarop gemeenschappen van mensen bestuurd worden, om te beginnen de polis, de stad waarin je woont.

Wie deze kleine psalm durft te zingen neemt nogal wat op zich. De zegen die je voor jezelf vraagt is bedoeld om alle volken God te laten loven. Is daar reden toe? Als het lukt wel! De aarde heeft een rijke oogst gegeven, ook vandaag de dag hebben geleerden uitgerekend dat er meer dan genoeg voedsel verbouwd wordt om iedereen te behoeden voor honger en hongerdood. We verdelen dat voedsel alleen op een heel verkeerde manier. Willen we dat God ons blijft zegenen, dat men ontzag voor die God heeft tot aan de uiteinden der aarde dan zullen we dit jaar er voor moeten zorgen dat de verdeling van voedsel over de wereld zo wordt dat er niemand meer van honger sterft. Doen we dat niet, bidden we om eigen redding, om het heil voor ons persoonlijk, dan zijn we huichelaars en wacht vervloeking ons, maar als we de weg van de God van Israël zichtbaar weten te maken en als we dat samen doen met allen die er in durven geloven dan zal dit jaar zegen brengen voor alle mensen op de hele bewoonde wereld, aan de slag dus.

Op de stoel van Mozes

Matteüs 23:1-12

1 Daarna richtte Jezus zich tot de menigte en tot zijn leerlingen 2 en zei: ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. 3 Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden. 4 Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. 5 Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, 6 ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, 7 en hechten eraan op het marktplein eerbiedig te worden begroet en door de mensen rabbi te worden genoemd. 8 Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters. 9 En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel. 10 Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de messias. 11 De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn. 12 Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd. (NBV)

Het is al weer een aantal jaren geleden dat vakbondsvrouw en politica Karin Adelmund werd gecremeerd. Zij kwam in 2005 plotseling te overlijden. Een hartaanval. Dat overkomt ons. Mensen zoals Karin Adelmund werken te hard en leven te ongezond. Ze was kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Ze was staatssecretaris geweest en daarvoor ook vicevoorzitster van de FNV. Voor echt bewogen en betrokken mensen een uitermate ongezond leven. Want na een vergadering kunnen de brieven nog even getekend worden, en voordat vergaderingen beginnen kunnen de stukken nog even doorgenomen worden. En tijdens het eten kan er overlegd worden met de medewerkenden. En als je dan ’s avonds laat thuiskomt is er nog aandacht voor de andere gezinsleden. Van zo’n leven slijt je hart. Ontspannen, bewegen, lol, het schiet er allemaal te vaak en te veel bij in.

Karin Adelmund was een bewogen vrouw. Bewogen met de armsten in de samenleving, met mensen die door ziekte en handicap niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Voor die mensen stond ze op de bres. Bij het afscheid dat van haar genomen werd in de Amsterdamse Kerk de Duif sprak ook de toenmalige Minister President Balkenende. “Ze stond voor een goede zaak” was het thema van zijn toespraak. En bij het lezen van het bovenstaande Bijbelgedeelte kun je aan die toespraak denken. Dat wat Jezus van Nazareth over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt leek wel op maat gesneden voor Jan Peter de minister-president. Jan Peter had natuurlijk gelijk. Karin Adelmund stond zeker voor een goede zaak. De zorg voor zieken, gehandicapten, armen en zwakken. Een zorg die zo zorgvuldig door het eerste kabinet van Jan Peter werd afgebroken en wat voortgezet wordt door het huidige kabinet Rutte. Op de hoeken van de straten staan ze te pronken met hun goedheid de leiders als Rutte en Samsom.

In de wereld van de economie stonden de voorspellers op. De ene econoom na de andere had de financiële crisis aan zien komen. Alleen de domme spaarders wisten het niet. Die hadden niet moeten vertrouwen op de toezichthouders die namens hen in de boeken hadden mogen kijken of het goed was met de banken op IJsland. Want je kunt toch nagaan dat als die toezichthouders iets verkeerd zien ze het niet kunnen vertellen, ze zouden maar schade aan kunnen richten. Dat je als minister president of als toezichthouder op banken dienaar bent van de armsten in de samenleving komt niet bij hen op. Het was iemand als Karin Adelmund die zich niet bekommerde om haar imago, maar zich openlijk bekommerde om de armsten. In deze dagen waar de leiders en toezichthouders in de financiële wereld de verantwoordelijkheid op gewone mensen afschuiven mogen we wel weer eens haar denken. En aan Jezus van Nazareth die het ons al had voorgeleefd. In zijn geest mogen wij er aan werken.

Het tweede is daaraan gelijk

Matteüs 22:34-46

34 Nadat de Farizeeën hadden vernomen dat hij de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. 35 Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: 36 ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ 37 Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38 Dat is het grootste en eerste gebod. 39 Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 40 Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’ 41 Nu de Farizeeën om hem heen stonden, stelde Jezus hun deze vraag: 42 ‘Wat denkt u over de messias? Van wie is hij een zoon?’ ‘Van David, ‘antwoordden ze. 43 Jezus vroeg: ‘Hoe kan David hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt: 44 “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’ ” 45 Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ 46 En niemand was in staat hem een antwoord te geven, noch durfde iemand hem vanaf die dag nog een vraag te stellen. (NBV)

Zelfs voor de Kerken is het grote gebod vaak heel spannend. God liefhebben boven alles klinkt zo mooi. Het is abstract en je kunt er snel ja op zeggen. Als je dan vraagt hoe dat moet, klinken al gauw zaken als je keurig gedragen, geen misdrijven plegen en op zondag naar de Kerk om ook samen te zingen. Maar Jezus van Nazareth geeft er zelf een andere invulling aan. Hij sluit daarbij aan bij de oorspronkelijke samenvatting van de Tora die in de boeken Deuteronomium en Leviticus zijn verwoord. God liefhebben boven alles is je naaste liefhebben als jezelf. Hierop zijn alle andere wetten en voorschriften, alle uitspraken in de Bijbel gebaseerd. En dat maakt het spannend. Je naaste liefhebben dat gaat nog, dat klinkt sympathiek, maar als jezelf. Als je dus werkelijk je naaste flink wil liefhebben en daarmee God boven alles dan moet je dus jezelf ook wel zeer liefhebben. Helemaal aan het begin van de Bijbel staat het lied over de schepping. Daar worden licht, aarde, water, lucht, planten en dieren geschapen en als laatste de mens. En bij elk couplet staat in het refrein dat God zag dat het goed was. En bij de mens staat zelfs dat die geschapen werd naar Gods beeld en gelijkenis, man en vrouw, en God zag dat het goed was.

Als je dat goed tot je door laat dringen weet je dat het meest kostbare op aarde de mens is. Elk mens, ook jij, niet alleen de mensen die duur doen. De mensen die duur kunnen doen hebben hun deel al gehad zegt Jezus van Nazareth ergens, maar vooral de mensen die het niet breed hebben zijn de mensen die je liefde nodig hebben. De wegwerpmensen aan de onderkant van de samenleving. De armen, de zieken, de slachtoffers van natuurrampen, de slachtoffers van misdrijven, de mensen die misbruikt zijn. Als je naar hen kijkt zie je dat het niet goed is en daar moet wat aan gedaan worden. Vooral als het met jezelf wel goed gaat. En als het niet goed met je gaat mag je dus vragen om zorg, mag je je verzetten tegen hen die je de noodzakelijke hulp onthouden. Het grote gebod, je naaste liefhebben als jezelf, is er voor bedoeld om ons in gang te zeten, ons in beweging te zetten naar een aarde die goed is. Maar wie is die Jezus van Nazareth dan wel? Om uit te maken hoeveel je kunt houden van je naaste als je veel van jezelf houdt vraagt Jezus van Nazareth aan de deskundigen van wie de Messias, de verwachte bevrijder van Israël, afstamt. Van Koning David dus. Om maar even vast te stellen dat “bevrijder” of messias zijn niet even zomaar wat is. Jezus voelde wel mee met die Farizeeërs.

Eeuwenlang is ons voorgehouden dat die Farizeeërs maar een stelletje huichelaars waren maar zo eenvoudig lag ook dat niet. Het waren mensen die hartstochtelijk hun geloof zuiver wilden houden. Dat zuiver houden van geloof in God was iets wat ook Jezus van Nazareth wilde. Alleen Jezus van Nazareth stelde niet de wet maar de liefde centraal. Vandaar ook die discussies over de wet. Jezus wijst dan op de Bijbel die zegt dat liefhebben het belangrijkste gebod is, God liefhebben en dat is gelijk aan je naaste liefhebben. Die messias zou dat tot het uiterste doorvoeren was voorzegd en zou daarmee het volk bevrijden. Als koning zou die messias regeren. En daar draait Jezus de zaak weer om. Hoe kan een nieuwe koning nu meer zijn dan koning David, dat stond er wel in de Bijbel en op die vraag was dus geen antwoord. Het had te maken met dat liefhebben. Als het meer moest zijn ging het over de hele aarde, over ons dus ook, En ons gaat het daar vandaag de dag ook over, wij zijn eigenlijk van een Koninkrijk zonder grenzen, burgers van de hele aarde zoals die door God is geschapen. Met alle mensen als broeders en zusters, let er dus op en zorg er voor dat het met hen allen goed gaat, pas dan gaat het goed met de aarde zoals God die bedoeld heeft.

Een zuiver hart

Psalm 24

1 Van David, een psalm. Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen, 2 hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft hij haar verankerd. 3 Wie mag de berg van de HEER bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? 4 Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert. 5 Zegen zal hij ontvangen van de HEER en recht verkrijgen van God, zijn redder. 6 Dat valt hun ten deel die u zoeken, die zich tot u wenden-het volk van Jakob. sela 7 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 8  Wie is die koning vol majesteit? De HEER, machtig en heldhaftig, de HEER, heldhaftig in de strijd. 9 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 10  Wie is hij, die koning vol majesteit? De HEER van de hemelse machten, hij is de koning vol majesteit. sela (NBV)

Op 1 november viert de Kerk al heel lang dat er mensen zijn geweest waarvan je mag aannemen dat hun leven en hun gedrag iets vertelt over de bedoeling van Jezus van Nazareth met het Koninkrijk van God. Deze psalm hoort daarom eigenlijk bij die feestdag. De dag heet “Allerheiligen” maar de Roomse neiging tot afgoderij en mensverheerlijking heeft het begrip “Heiligen” in een verkeerd daglicht gesteld. Nog steeds hoor je in Roomse Kringen dat de zogenaamde Heiligen het gebed van de gelovigen tot God zouden kunnen versterken, dat zij voorspraak kunnen zijn voor de eenvoudige gelovigen. Zo is het niet, ze staan niet boven ons, niets staat er tussen ons en onze God. Maar er zijn altijd mensen in de geschiedenis die zich uitzonderlijk hebben gedragen. Moeder Theresa die in Calcutta de stervenden opnam in haar huis en hen verzorgde in hun laatste uren.

Martin Luther King die opstond tegen onrechtvaardige en gewelddadige discriminatie van zwarten en ondanks het geweld dat tegen hen werd gebruikt zijn volgelingen geweldloos verzet leerde bieden tot hij zelf door geweld om het leven kwam. Maar ook Nelson Mandela die ondanks een half leven in gevangenschap op Robbeneiland na zijn vrijlating vrede en verzoening bracht in een tot op het bot verscheurd en verdeeld Zuid Afrika. Jimmy Carter die zijn aanzien als ex president van de Verenigde Staten gebruikt om overal op de wereld democratische processen te begeleiden en helpt er voor te zorgen dat regeringen op vreedzame en democratische wijze aan de macht komen. Carter vraagt daarmee ook voortdurend aandacht voor de onrechtvaardige verdeling tussen arm en rijk. Het zijn de namen uit onze dagen van hen die we kennen en van hen aan wie we een voorbeeld kunnen nemen of die ons kunnen inspireren.

Majoor Boschardt was zo iemand die riep dat God dienen mensen dienen is en dat mensen dienen God dienen is. Zo zijn er nog ontelbaar veel meer van deze heiligen van wie wij de naam niet kennen. Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en geen valse eed aflegt hoort er bij. En dan weten we wie bedoeld wordt. Eigenlijk wij dus allemaal. Want zijn we niet allemaal bezig te proberen het goede te doen en niet dan het goede. Zoeken we niet de naaste lief te hebben als onszelf en hongeren en dorsten we niet naar gerechtigheid, bij dag en bij nacht? Roepen we niet tegen het onrecht en tegen de onrechtmatige tolmuren die ons gevangen houden? Vertrouwen we er niet op dat uiteindelijk het recht zal zegevieren, dat Liefde op de aarde zal overwinnen, dat het Koninkrijk van God de aarde zal regeren? Daarom kunnen we zingen met de Psalm dat de stad van het recht de poorten mag openen om de Koning van de aarde binnen te laten. Alle Heiligen mogen daar binnen, en wij zullen volgen.

Vecht voor mijn zaak

Psalm 43

1 Verschaf mij recht, o God, vecht voor mijn zaak. Bescherm mij tegen een liefdeloos volk, vol list en bedrog. 2 U bent toch mijn God, mijn toevlucht, waarom wijst u mij af, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd? 3  Zend uw licht en uw waarheid, laten zij mij geleiden en brengen naar uw heilige berg, naar de plaats waar u woont. 4  Dan zal ik naderen tot het altaar van God, tot God, mijn hoogste vreugde. Dan zal ik u loven bij de lier, God, mijn God. 5 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. (NBV)

Vandaag, op Hervormingsdag de Protestantse feestdag, zingen we een klaagpsalm mee met de kerken in Nederland. We leven mee met hen die lijden. Toch eindigt deze Psalm met een optimistische klank: “eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.” En dat mag ook want de psalmdichter herinnert zich het verhaal van wat we zijn gaan noemen de Openbaring van God. Daar kwam dat zootje slaven in de woestijn tot de ontdekking dat je geen goden van goud en heersers als Farao’s nodig had om een volk te vormen, maar dat je elkaar lief moest hebben als jezelf en een simpel stel regels gebaseerd op die liefde. Iedere keer als die weg was verlaten ging het fout in de samenleving en iedere keer als iedereen zich er weer toe bekeerde ging het weer de goede kant op.

En daarom, hoe donker de tijden ook mogen zijn altijd wenkt dat vooruitzicht op recht en gerechtigheid. De mensen in Libië en Syrië hebben zolang onder het juk van een dictator gezucht dat niemand meer dacht hem ooit te kunnen verjagen maar er stonden eerder dictators terecht in Den Haag voor het internationale strafhof. Het leek er even op dat miljoenen Afrikanen zouden sterven van de honger omdat wij in het Westen de klimaatverandering niet echt serieus nemen, er volgens velen veel aan de strijkstok blijft hangen en de boeven die de landen waar het om gaat hun landen leeg gezogen hebben met behulp van de banken uit het Westen. Gelukkig dat we geleerd hebben dat mensen daar niet dood aan moeten gaan en is er in ons land in een week ooit ruim 30 miljoen euro opgehaald.

Wij hebben hier ook nog Mark Rutte die roept om hervormingen in de samenleving. Ondernemers moeten ongehinderd kunnen profiteren van hun werknemers en niet lastig gevallen worden met milieuregels en gezeur over te hoge bonussen en zo. Het beleid dat ook in de Verenigde Staten de norm was gaan worden. Uitkeringen moeten afgeschaft worden, werk zat en de staat zorgt voor Uw kinderen, als U er maar voor betaald. Wij kunnen ook die Mark Rutte gelukkig tegenhouden. Wij geven onze stem gewoon aan de armen, aan de vreemdelingen zoals we gehoord hebben in de verhalen uit de Bijbel en zoals we mee zijn gaan zingen met de psalmen. We mogen vandaag weer beginnen iedereen mee te krijgen voor dat rare Koninkrijk zonder grenzen, het Koninkrijk van God, waar de onderkant de boventoon voert en iedereen mee mag doen.

Op sabbat noch op feestdagen

Nehemia 10:29-40

29-30 De rest van ons volk sluit zich bij deze vooraanstaande volksgenoten aan. De priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelknechten en alle anderen die afstand genomen hebben van de bevolking van het land en zich op de wet van God hebben gericht, verplichten zich onder zelfvervloeking en onder ede om te leven volgens de wet van God, die door Mozes, Gods dienaar, is gegeven, en om alle geboden, rechtsregels en voorschriften van de HEER, onze Heer, te onderhouden en na te leven. Dit geldt ook voor hun vrouwen, hun zonen en dochters, en voor iedereen die ze kan begrijpen. 31 Voorts verplichten wij ons onze dochters niet aan de bevolking van het land te zullen uithuwelijken, en hun dochters niet voor onze zonen te zullen nemen. 32 Ook zullen wij de waren en de verschillende graansoorten die de bevolking van het land ons op sabbat te koop aanbiedt niet van hen kopen, op sabbat noch op feestdagen, en elk zevende jaar zullen wij het land braak laten liggen en alle schulden kwijtschelden. 33 Tevens nemen wij als verplichting op ons om per jaar een derde sjekel bij te dragen aan de dienst in de tempel van onze God, 34 en wel voor het toonbrood, de dagelijkse graan- en brandoffers, voor de offers op sabbat, het nieuwemaansfeest en de hoogtijdagen, en voor de heilige gaven, de offers om verzoening voor Israël te bewerken, en voor de overige diensten in de tempel van onze God. 35 Wij hebben door loting bepaald wanneer de priesters, de Levieten en het volk, ingedeeld naar familie, brandhout moeten leveren voor het altaar van de HEER, onze God, in zijn tempel. Dit dient op vastgestelde tijden te gebeuren, elk jaar opnieuw, zoals in de wet is voorgeschreven. 36 Verder zullen wij de eerste opbrengst van onze akkers en de eerste vruchten van alle fruitbomen naar de tempel van onze God brengen, elk jaar opnieuw, 37 en ook zullen wij, zoals in de wet is voorgeschreven, onze eerstgeboren zonen, en van ons vee de eerstgeboren runderen, schapen en geiten, naar de tempel van onze God brengen, naar de priesters die daar dienst doen. 38 Ook het eerste deeg zullen wij naar de priesters brengen, naar de voorraadkamers van de tempel van onze God, evenals wat wij moeten afdragen van het fruit van de boomgaarden, de wijn en de olie. Een tiende van de opbrengst van het land is voor de Levieten. Zij mogen zelf in alle gebieden waar wij werken tienden heffen; 39 ze zullen daarbij door een priester, een afstammeling van Aäron, worden vergezeld. De Levieten moeten vervolgens een tiende van die tienden naar de voorraadkamers van de tempel van onze God brengen. 40 Daarheen moeten de Israëlieten en de Levieten hun bijdragen in graan, wijn en olie brengen. Daar ook bevindt zich het tempelgerei, en daar verblijven de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers. Nooit zullen wij de tempel van onze God verwaarlozen.’ (NBV)

Zo neemt het volk de verplichting op zich de Tora weer na te gaan leven en juist door het naleven van die Tora zich te onderscheiden van de andere volken. Dat is niet gemakkelijk. De anderen houden de Sabbath niet, ze kennen niet een dag in de week waarop niet wordt gehandeld of gewerkt. De anderen hebben meerdere goden, goden van vruchtbaarheid en het volk Israel kenmerkt zich door het hebben van een God zonder naam en zonder gezicht. Zij hebben een God die er is, die met hen meeging in ballingschap en hen terugbracht toen zij zich die Wet weer herinnerden. De meest merkwaardige regel die ze aannamen was die van het zevende jaar. Dan werd er niet gewerkt, niet geploegd, niet gezaaid, niet gemaaid. Bovendien werden dan de schulden kwijtgescholden. Dat je het land in het zevende jaar met rust moet laten was al een oude regel. Die was er al voor de ballingschap.

Maar dat kwijtschelden van schulden was nieuw, tenminste in het zevende jaar. In de oude belofte van vrijheid was het kwijtschelden van schulden en de mogelijkheid weer opnieuw te beginnen een zaak van het vijftigste jaar, het bijzondere jaar dat het jubeljaar werd genoemd. Natuurlijk moet er ook voor de Tempel gezorgd worden. Daar werd de Tora bewaard en daar kwam je bij elkaar om onderricht in de Tora te krijgen en te horen hoe de Tora in de dagelijkse praktijk moet worden toegepast. Rondom de Tempel werd zo de nieuwe samenleving van Israël opgebouwd. De Levieten vestigden zich in de steden en dorpen verspreid over het land. Daarom mochten de Levieten belasting heffen in het gebied waar zij woonden. Zij immers waren verantwoordelijk voor de uitleg en de toepassing van de Tora. Ze hadden zelf geen grond dus geen inkomen maar ook geen belang bij de verdeling van water of bij de handel.

Maar ook Levieten moesten belasting betalen voor de Tempel, 10 procent van wat ze ophaalden. Levieten mochten zelf hun belasting ophalen maar moesten dan vergezeld worden door een Priester. Alles in eigen zak steken was er dus niet bij. De eerstelingen van alle oogst werd naar de Tempel gebracht. Eerst kwam de God van de Wet aan bod en dan pas het volk. Daarbij moet je bedenken dat het brengen van de oogst naar de Tempel een heel feest was, later werd dat het Wekenfeest, dat wij kennen als het Pinksterfeest, het feest van de eerstelingen van de Tarweoogst. Op dat feest werd ook een maaltijd aangericht, met de familie, de Levieten, de armen en de vreemdelingen uit hun midden. Als er dan nog knechten en meiden in dienst waren deden die ook mee. De samenleving was er een van Samen Doen. Daarmee werd die samenleving een totaal andere dan de samenlevingen uit de omgeving. Wij kennen maar al te goed de samenlevingen van ieder voor zich, van geloof maar wat ik geloof en vertrek anders.

U waarschuwde hen

Nehemia 9:29-10:1

29 U waarschuwde hen, om hen terug te brengen naar uw wet, maar zij misdroegen zich, ze luisterden niet naar uw geboden en ze overtraden uw rechtsregels-terwijl ieder die ze nakomt, leven zal! Ze verzetten zich met hand en tand en hardnekkig weigerden ze te luisteren. 30 U had vele jaren geduld met hen, u waarschuwde hen door uw geest, bij monde van uw profeten, maar zij luisterden niet, en daarom leverde u hen uit aan de volken om hen heen. 31 Maar in uw grote liefde hebt u hen niet voor altijd vernietigd. U hebt hen niet verlaten, want u bent een genadige en liefdevolle God. 32 En nu, o God, grote, sterke en ontzagwekkende God, u die zich trouw houdt aan het verbond, wees niet onverschillig voor de rampspoed die ons getroffen heeft, ons en onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze profeten, onze voorouders en heel uw volk, vanaf de tijd van de Assyrische koningen tot op de dag van vandaag. 33 U handelde rechtvaardig bij alles wat ons overkomen is, u bent betrouwbaar en wij zijn het die verkeerd handelden. 34 Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze voorouders hielden zich niet aan uw wet. Ze sloegen geen acht op de geboden en voorschriften die u hun gegeven hebt. 35 Zij hadden hun eigen koninkrijk-in uw grote goedheid door u aan hen gegeven-, maar in dat ruime en vruchtbare land, het land dat u hun had gegeven, hebben ze u niet gediend. Hun wangedrag hebben ze niet opgegeven. 36 Kijk naar ons: nu zijn wij slaven! In het land dat u onze voorouders hebt gegeven om er te eten van de vruchten en van al het goede dat het opbrengt, in dat land zijn wij slaven. 37 Omdat wij gezondigd hebben, valt alle rijke oogst toe aan de koningen die u over ons hebt aangesteld, die over ons lichaam regeren en die met ons vee doen wat ze willen. Wij leven in grote ellende.” 1 Op grond van dit alles gaan wij een verbintenis aan en stellen die op schrift. Onder de oorkonde staan de namen van onze leiders, van de Levieten en van de priesters. (NBV)

De ballingschap van het volk Israël heeft diep ingegrepen in het leven van de mensen die het hebben meegemaakt. Ze waren afgesneden van het centrum van hun religie en cultuur. Ze waren omringt door wereldwonderen, de hangende tuinen van Babylon, en prachtige tempels met gouden beelden en rijk geklede priesters. De voorspoed van de bezetters was een voortdurende verlokking geweest om zich aan te passen aan de heersende cultuur en de heersende godsdienst. Maar ze hadden volgehouden. Ze hadden onder elkaar de verhalen verteld die ze thuis hadden gehoord. De verhalen over die bijzondere God van Israël die meegetrokken was met Abraham, die met Jozef en de zonen van Jacob meegegaan was naar Egypte, die zich bekend had gemaakt aan Mozes en het volk bevrijdt had uit Egypte. Ze hadden de verhalen en de liederen opgeschreven en bij elkaar gevoegd. Ze hadden zelf nieuwe liederen gemaakt, zoals Psalm 137 dat het verdriet van de ballingschap bezong.

En toen boodschappers kwamen vertellen over de verwoeste stad van de vrede hadden ze de moed gehad de koning te vragen om terug te mogen keren om hun geliefde stad weer op te bouwen zodat ze hun godsdienst weer konden beleven. Daar pas zouden ze zich realiseren dat de Tora die het hart van hun godsdienst was niet aan een plaats of een stad gebonden was maar dat de God van die Wet ook in ballingschap met hun meegegaan was. Daarom konden ze nu vragen of God die rampspoed nu een einde kon laten nemen. Veel later zou een volgeling van Jezus van Nazareth, Paulus van Tarzus, de gelovigen vergelijken met goud dat door het vuur was heengegaan. Als goud gesmolten is kan alle vuil dat er in gemengd zat er vanaf geschept worden en houd je gelouterd goud, zuiver goud over. Zo zijn gelovigen door het lijden gelouterd. Zo was het volk Israël in de dagen van Nehemia zich er van bewust geworden dat het loslaten van de richtlijn van eerlijk delen, het loslaten van de Tora, altijd op rampspoed zal uitlopen.

Samen leven met vreemdelingen in je eigen land betekent niet dat je hen moet volgen in hun godsdienst en cultuur. Nee, samen leven met vreemdelingen betekent dat je hen moet uitnodigen om met jou maaltijd te houden, dat zij zich houden aan jouw rustdag, dat je hen de grondhouding van heb je naaste lief als jezelf mag voorhouden en voorleven. Samen leven met de vreemdelingen in je eigen land betekent hier dat ook zij zich houden aan die zelfde grondhouding, dat in moskeeën wordt gepleit voor tolerantie en tegen haat en discriminatie. Daarom begon dit gebed met een onderscheid te maken tussen Israël en de Heidenen, daarom weten Ezra en Nehemia dat zij niet beter zijn dan anderen, maar dat de Thora voor iedereen het leven zal betekenen. Dan pas kan de rampspoed over een land worden afgewend. Ook vandaag voor ons nog een les om te leren. De teruggekeerde ballingen beseffen overigens dat het Verbond dat ooit was gesloten door hun voorouders was verbroken, ze sloten dus een nieuw verbond. Ook wij zullen telkens opnieuw met die richtlijnen van liefde moeten beginnen.

Ze namen huizen in bezit

Nehemia 9:18-28

18 Ze tergden u door een stierkalf te gieten en te zeggen: ‘Dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!’ 19 Maar liefdevol als u bent, hebt u hen zelfs toen, daar in de woestijn, niet verlaten. Boven hen stond steeds de wolkkolom om hun bij dag de weg te wijzen, en ‘s nachts was er de vuurzuil die de weg verlichtte waarlangs ze moesten gaan. 20 U gaf hun uw goede geest, en zo verkregen ze inzicht; u stilde hun honger met manna, u leste hun dorst met water. 21 Veertig jaar lang hebt u hen onderhouden, in de woestijn ontbrak het hun aan niets, hun kleding raakte niet versleten en hun voeten zwollen niet op. 22 U gaf hun koninkrijken en volken, hun gebied verdeelde u onder hen. Ze namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon en dat van Og, de koning van Basan. 23 Hun kinderen maakte u zo talrijk als de sterren aan de hemel, en u bracht hen naar het land waarvan u hun voorouders had gezegd dat ze het in bezit moesten nemen. 24 Hun kinderen kwamen inderdaad om het land in bezit te nemen. Voor hun ogen dwong u de Kanaänieten, de inwoners van het land, op de knieën, en u leverde de koningen en de volken die er woonden aan hen uit, zodat ze met hen konden doen wat ze wilden. 25 Ze namen versterkte steden in en veroverden vruchtbare grond, ze namen huizen in bezit, vol met de mooiste goederen, en ook uitgehouwen putten, wijngaarden, olijfbomen en fruitbomen. Ze aten, ze raakten verzadigd en werden vet, ze baadden in weelde door uw grote goedheid. 26 Toch kwamen ze in opstand; ze rebelleerden en traden uw wetten met voeten. Ze vermoordden uw profeten, dezelfde profeten die hen naar u wilden terugbrengen en hen daarom hadden gewaarschuwd, en ze lasterden u. 27 Daarom leverde u hen uit aan hun onderdrukkers. Wanneer ze werden onderdrukt riepen ze u aan, en u, vanuit de hemel, verhoorde hen. In uw grote liefde stuurde u bevrijders naar hen toe, en telkens weer redden die hen van hun onderdrukkers. 28 Maar zodra ze weer rust hadden deden ze weer wat slecht is in uw ogen. Dan leverde u hen aan hun vijanden uit, die hen vervolgens weer overheersten, en dan riepen zij u opnieuw aan, en vanuit de hemel verhoorde u hen weer. Liefdevol als u bent, redde u hen vele malen. (NBV)

Altijd weer willen mensen de goden van goud en beloften nalopen in plaats van te delen van wat hen toegevallen is met hen die niets hebben. Nehemia herinnert het volk aan haar geschiedenis. Het maken van het gouden kalf in de woestijn liep uit op een drama. Maar het vervullen van de Tora, de wet van eerlijk delen, bracht zelfs in de Woestijn voorspoed. Dat je kunt vertrouwen op het beetje eten dat er voor één dag is lijkt achteraf een wonder. Een heel volk had het er veertig jaar mee gedaan in de woestijn zo wordt er verteld. Toen kregen ze het land overvloeiende van melk en honing. Er volgde zelfs een tijd zonder koning, zonder regering, zonder belastingen. Iedere keer als vijanden probeerden dat wondere volk te onderdrukken stond er een rechter op die het volk naar bevrijding wist te leiden. Maar die gouden goden, die mooi gevormde tempels, die vreemde priesters die mooi konden zingen en geheimzinnige bronnen hadden voor fraai klinkende voorspellingen hadden een grotere aantrekkingskracht dan een Wet die alleen vertelde dat je je naaste lief moest hebben als jezelf en Profeten die achter de koeien vandaan kwamen.

De uiterlijke schijn van religie was en is altijd aantrekkelijker geweest dan de eenvoudige inhoud van de boodschap van de God van Israël. Daardoor ging het land verloren voor de Judeeërs, daardoor raakte het volk in ballingschap. Pas door zich de het vervullen van de Tora, weer te herinneren konden ze de moed vinden om de muren van de stad van de vrede weer te herbouwen. Ook vandaag de dag lijkt de uiterlijke schijn belangrijker dan de inhoud van het leven. Daardoor raken jongeren steeds eerder verslaafd aan alcohol. Daarom laten jonge meisjes zich verminken door op geld beluste plastisch chirurgen. Daarom zijn jonge mensen opgebrand door het najagen van lege carrières, waarna ze worden afgedankt. De goden van goud en beloften, zoals ze ooit door Huub Oosterhuis werden genoemd, hebben hun aantrekkingskracht nog nooit verloren. Waarom moeten mensen zo nodig een huis kopen dat ze niet kunnen betalen?
Waarom is de samenleving zo ingericht dat er ook bij ons voor mensen met lage inkomens geen betaalbare woningen worden gebouwd?

Maar zo dat ook de armen moeten wachten tot de banken weer geld kunnen uitlenen aan de vermogenden zodat de woningbouw voor de rijken op gang kan komen en de armen kunnen wonen in de afdankertjes. Dat najagen van uiterlijke schijn bracht ook de hele financiële wereld aan het wankelen. Het doel rijk worden en de rijken nog rijker maken, heiligde de middelen van slechte hypotheken en onbegrepen derivaten. De goden van goud en belofte komen hun beloften van welvaart en aanzien voor duizenden op de wereld nog nooit na. Ondertussen gaat de verdienste van hardwerkende mensen naar oorlogstuig dat niet alleen de eigen soldaten van het leven beroofd maar duizenden in het ongeluk stort. Voedsel voor armen wordt nu omgezet in benzine voor rijken. In plaats van de honger uit te bannen handhaven we het systeem van verspilling. We mogen nog steeds de samenleving anders inrichten. Samen, delen, met de minsten eerst maar het wordt tijd dat we er ook echt aan beginnen.