Doorkruis het land

Genesis 13:1-18

1 Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee. 2 Abram was bijzonder rijk: hij had veel vee, zilver en goud. 3 Vanuit de Negev trok hij geleidelijk verder, tot aan Betel, tot aan de plaats tussen Betel en Ai waar zijn tent vroeger al had gestaan 4 en waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van de HEER aan. 5 Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, geiten, runderen en tenten. 6 Beiden bezaten zo veel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. 7 Hierdoor ontstond er ruzie tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, en ook woonden in die tijd de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. 8 Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie? 9 Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ 10 Lot liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als Egypte. 11 Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen. 12 Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot sloeg zijn tenten op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied strekte zich uit tot aan Sodom; 13 de mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER. 14 Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. 15 Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. 16 En ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. 17 Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven.’ 18 Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEER.(NBV)

Dan maar weer de woestijn in terug naar dat land Kanaän. Daar woonden ook nog mensen en daar waren zelfs mensen die zich in dorpen en steden hadden gevestigd. Voor veehouders zoals Abram moet dat een vreemde cultuur geweest zijn. Telkens als het gras op was trokken ze verder. De herders leiden het vee naar grazige weiden en zochten rustig water uit om het vee te drinken te geven. De neef van Abram kiest daarom ook voor de vallei langs de rivier waar het water het rustigst is en de grond het vruchtbaarst. Daar waren ook de grootste steden. Abram blijft in de heuvels waar minder mensen waren en dus minder concurrentie te verwachten viel. De God van Abram belooft hem dat hele gebied in de toekomst. Een vreemde belofte.

Goden waren goden voor de plaats waar ze waren. Er werd een beeld neergezet en daar woonde die god, voor het gebied rond dat beeld mocht die god zorgen. Abram trok rond, aan een God die streek of plaatsgebonden was had hij niks. Abram bouwde daarom af en toe een altaar maar liet dat altaar ook weer net zo gemakkelijk in de steek. Als hij eenmaal geofferd had hoefde hij niet meer terug naar dat altaar. Voor nomaden een rustgevend idee zo’n God die met je meetrok en je visioenen gaf van een rijke toekomst. Wij hebben het ook in onze dagen meer op tijdelijke goden. Hypes noemen we ze ook wel. Goden die beloften doen voor de korte termijn en je rijkdom en welvaart beloven als je maar genoeg aan hen offert. Wie niets heeft te offeren, of investeren, wordt ook niet door die goden beloont. Zelfs de regering gedraagt zich als zo’n tijdelijke god.

Overal moet op bezuinigd worden maar ze beloven de mensen die het meeste belasting betalen ook de grootste stijging van hun inkomen voor volgend jaar In elk geval wordt aan grote inkomensstijgingen voor de rijksten door de regering niks gedaan, een geruststellende gedachte voor hen die alles al hebben. Die God van Abram, waarvan verteld wordt dat die er al voor het begin van de aarde was, gaat over eerlijk delen, over keuzes maken met respect voor mensen. Abram koos niet voor niets de heuvels waar weinig mensen woonden. Hij viel niemand lastig, stelde zich niet op als concurrent. Als je onze politici hoort dan lijken de armen, de zieken en gehandicapten het wel expres te doen, hun zorg wordt dan ook een last genoemd, de zorg wordt onbetaalbaar genoemd, de armen kunnen het niet zelf betalen en de rijken hoeven niet bij te dragen. Elke dag mogen we kiezen in welk deel van het land we willen wonen, eigenlijk een keuze tussen de hypes en de God van Abram.

Onder geleide het land uit gebracht.

Genesis 12:10-20

10 Eens brak er in het land hongersnood uit. Abram trok naar Egypte om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zeer zwaar. 11 Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: ‘Luister, ik weet heel goed dat jij een mooie vrouw bent. 12 Als de Egyptenaren je zien, zullen ze denken: Dat is zijn vrouw, en dan zullen ze jou in leven laten, maar mij zullen ze doden. 13 Zeg daarom dat je mijn zuster bent, dan kom ik er dankzij jou misschien goed vanaf en loopt mijn leven geen gevaar.’ 14 Inderdaad was Abram nog maar nauwelijks in Egypte of de Egyptenaren zagen dat Sarai een bijzonder mooie vrouw was. 15 Ook de officieren van de farao merkten haar op. Ze vertelden de farao zo enthousiast over haar dat hij de vrouw naar zijn paleis liet overbrengen. 16 En vanwege haar werd Abram door de farao met geschenken overladen: hij kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. 17 Maar de HEER trof de farao en zijn hof met zware plagen om wat er gebeurd was met Abrams vrouw Sarai. 18 Toen ontbood de farao Abram. ‘Wat hebt u mij aangedaan!’ zei hij. ‘Waarom hebt u me niet verteld dat ze uw vrouw is? 19 Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is? Nu heb ik haar tot vrouw genomen. Hier is uw vrouw weer, neem haar mee en verdwijn!’ 20 En op bevel van de farao werd Abram, met zijn vrouw en al zijn bezittingen, onder geleide het land uit gebracht. (NBV)

Als je mekaar niet meer vertrouwen kunt, waar blijf je dan? Je kunt natuurlijk door bedrog rijk worden, dat is de meest voorkomende manier om rijk te worden.. Abram geeft hier een mooi voorbeeld van hoe angst en bedrog je kunnen helpen. En als die Farao niet vreselijk ziek was geworden was Abram misschien wel omgebracht omdat hij zo’n mooie vrouw had. Nu schrikt de Farao geweldig bij de ontdekking dat hij niet de zuster begeerde maar een getrouwde vrouw van een ander en stuurt hij Abram overladen met geschenken de woestijn in. zoals later overigens het hele volk Israel overladen met geschenken de woestijn wordt ingestuurd nadat de Farao en zijn volk de nodige rampen zijn overkomen. Een belangrijk verhaal over de Aartsvader die zijn vrouw voor zijn zuster laat doorgaan overigens want het wordt in de Bijbel wel drie maal verteld.

Abram haalt de truuk nog een keer uit in Gerar met de koning daar, ene Abimelech, en ook de zoon van Abram, Isaak, haalt in Gerar de truuk uit als hij zijn vrouw Rebekka voor zijn zuster laat doorgaan als het volk wat al te opdringerig wordt. Bedriegen om rijk te worden is dus kennelijk een heel gewone zaak. Prinsjesdag wordt daarom misschien ook wel traditioneel genoemd. De regering klopt zich luidt op de holle borst om alle resultaten die zijn behaald. Dat de uitkeringen zover verlaagd zijn dat zieken en gehandicapten naar de Voedselbank moeten en van de bedeling moeten leven stond niet in de troonrede en zal de komende derde dinsdag van september ook niet in de troonrede staan.. Dat de werkenden geen loonsverhoging kregen en in koopkracht achteruitgingen om de exorbitante zelfverrijking van de top van het bedrijfsleven in stand te houden stond ook niet in de troonrede. Daar staat dan dat iedereen de buikriem moet aantrekken zodat de top van het bedrijfsleven nog eens zes procent loonsverhoging kan krijgen.

Dat er ernstige tekorten zijn in de zorg, dat kinderen opgesloten worden in plaats van behandeld, dat vreemdelingen en criminelen in uiterst onveilige gevangenissen zitten stond ook niet in de troonrede. Die gevangenissen worden nu voor een deel gesloten omdat criminelen thuis laten zitten met een enkelband soms echt veiliger is dan ze opsluiten in een niet te bewaken gevangenis. Wie naar de maatregelen van de afgelopen  jaren kijkt ziet de onrechtvaardigheden er af druipen maar het is geen wonder dat de vertegenwoordigers van de rijken in de samenleving, de leden van de regeringspartijen, willen doorregeren. Het is alsof zij hun echtgenotes door laten gaan voor hun zusters. Het lijkt mooi, maar het is het niet. De Bijbel wijst ons een andere weg. De God van Israël kiest voor de minsten in de samenleving, voor eerlijk delen. De ziekte van de Farao is dan ook tevens een waarschuwing voor Abram, met bedriegers loopt het uiteindelijk niet goed af. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw de weg op van de God van Israël, onze naaste lief hebben als onszelf, ook vandaag mag dat weer.

Een bron van zegen zul je zijn.

Genesis 12:1-9

1 De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. 2 Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. 3 Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’ 4-5 Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, 6 trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten. 7 Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was.
8 Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan. 9 Steeds verder reisde Abram, in de richting van de Negev. (NBV)

Vandaag lezen we het beroemde begin van het verhaal over Abram. Een God inspireerde hem om verder te trekken dan zijn vader en de rest van zijn familie ooit hadden gedaan. Die waren al van Ur naar Charan getrokken maar Abram met zijn vrouw en gevolg trok verder naar het voor hen kennelijk onbekende Kanaän in de overtuiging dat het ergens goed voor was. Want zeg nou zelf wat heb je er aan als je beloofd wordt dat alle volken ooit jaloers op je zullen worden. Hoe God tot Abram sprak blijft onbekend. Ook hoe de godsdienst van Abram er eigenlijk uitzag. Bedenk wel, de 10 woorden, die het volk Israel in de woestijn op gang dreef naar het beloofde land, waren er nog niet, ook de Heilige Tent en alles wat daarbij hoort was er niet. Abram bouwde wel altaren voor God maar wat hij daar op offerde blijft ook onbekend en of die nieuwe God die hem voortdreef daar eigenlijk wel van gediend was blijft ook in het verborgene.

Het enige dat we weten is dat Abram naar een nieuw land trok en daar een beetje ging rond trekken. Zoiets als de Batavieren die ooit de Rijn af kwamen zakken en hier de Kaninefaten tegen kwamen maar desalniettemin onze voorouders werden. Wij lezen dit verhaal met de kennis die we achteraf gekregen hebben. Wij weten wel van de richtlijnen voor de menselijke samenleving en hoe die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard en hoe de wereld uiteindelijk zal moeten leren dat alle volken zich naar Jeruzalem moeten keren. Hier is het begin. Er op uit trekken om op een andere manier te gaan leven. Als een bron van alle goeds, want dat is een zegen zijn toch. Ophouden met de manier van leven die in de wereld gewoon is. Voor de ballingen in Babel die het verhaal later aan elkaar vertelden was dat Ur der Chaldeeën een bekende plek. Daar waren zij in ballingschap. En het leven daar was ook bekend, er waren vele goden die je voortdurend in leven moest houden met je offers om voorspoed en gezondheid te krijgen. Daar was Abram uit weggetrokken.

Zoals dezer dagen mensen er op uittrekken om ingrijpen in de verschrikkingen in het Midden Oosten te vragen, zoals ook in onze dagen jonge mensen hun carrière op een zacht pitje zetten om in een arm land voor weeskinderen te gaan zorgen, om landbouw op moderne leest te schoeien, om huizenbouw mogelijk te maken, kortom om de kennis van onze rijke samenleving over te dragen op de armsten in de wereld die juist op die kennis zitten te wachten. Waar dat op uitloopt weten ze niet maar in Amerika en in Den Haag en elders op de wereld lopen mensen de deur bij de heersers van de wereld plat om te pleiten voor de vluchtelingen en slachtoffers van armoede. Dat is nieuw, soldaten vragen aan landen om in te grijpen in een oorlog. De Verenigde Naties van de wereld hebben inderdaad samen besloten de armoede de wereld uit te helpen. Een nieuw begin. Nou maar hopen dat ze niet alleen worden gehoord maar dat ze er ook wat aan gaan doen. Wij mogen elke dag opnieuw uittrekken uit de wereld van winst en profijt en door te delen van wat we hebben op weg gaan naar dat land dat al aan Abram was beloofd, dat mag ook vandaag weer..

Zij kreeg geen kinderen.

Genesis 11:10-32

10 Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem 100 jaar oud was, verwekte hij Arpachsad, twee jaar na de zondvloed. 11 Na de geboorte van Arpachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 12 Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach. 13 Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 14 Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber. 15 Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 16 Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg. 17 Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 18 Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü. 19 Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 20 Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug. 21 Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.
22 Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor. 23 Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 24 Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach. 25 Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 26 Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. 27 Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot; 28 hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland. 29 Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. 30 Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen. 31 Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen. 32 Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in Charan. (NBV)

Uitleggers van de Bijbel hebben het niet zo op geslachtsregisters. Wat valt daar nu aan uit te leggen? De meeste mensen die in een dergelijke lijst worden genoemd komen in de Bijbel verder niet voor. Geschiedenisboekjes en registers van de Burgerlijke Stand of doopregisters bestonden nog niet. Dus het nazoeken van een stamboom kan al helemaal niet. Je hebt de lijst in de Bijbel en daar moeten we het mee doen. Maar zo’n geschiedenis vertelt ons wel het een en ander. Misschien herkennen we niet alles maar we kunnen een poging doen er iets aan te onderscheiden. Genesis betekent “wording” In de Bijbel gaat het dan om de wording van Israël. Je merkt dat al aan de tekst. Daar wordt gesproken over verwekken en verwekken is zorgen voor de toekomst. Afstammen is terug kijken op het verleden.

Die Sem was de zoon van Noach, niet de oudste zoon, maar het gaat in de Bijbel niet altijd over de oudste, maar om de mens die toekomst geeft. Nu staat er ook in hoofdstuk 5 van het boek Genesis een lijst met namen van hen die de wording van Noach mogelijk maakten. Als je telt dan zijn dat 10 generaties. De lijst van Sem tot Terach bevat ook 10 generaties. En eigenlijk begint er bij Terach een nieuw verhaal, daar begint het verhaal over Abraham. Dat begint dus niet met de uittocht van Abraham uit Ur. Het is zijn vader, Terach, die met het restant van de familie uit Ur wegtrekt. Terach had net als Noach drie zonen. Maar één van die zonen stierf. Hij liet een zoon na, Lot. Met Abraham, Lot en Sarai vertrok Terach uit Ur om zich in in Charan te vestigen. Uit Charan zouden veel later de zoon en kleinzoon van Abraham hun vrouwen laten komen. In Ur kwamen de nakomelingen van Abraham weer terug toen ze de God van abraham hadden verlaten.

We lezen dus vandaag over de wording van Semieten. Abraham hoorde dus heel uitdrukkelijk bij de Semieten. Bij hem leek de wording van Israël op te houden omdat zijn vrouw onvruchtbaar was. Er was nog wel een reserve afstammeling, Lot, maar voor Terach houdt het hier in Charan op. Wij hebben het over anti-semieten, over anti-semitisme. Dat is de haat tegen de afstammelingen van Terach, van Abraham dus ook. En wie dat op zich laat inwerken ontdekt dat ook de nakomelingen van Ismaël horen bij de Semieten. Wij noemen ze tegenwoordig Palestijnen. Anti-Semitisme is het zich beter voelen dan de Semieten op grond van vooroordelen en volstrekt valse voorstellingen over hun manier van leven en omgaan met elkaar en vreemdelingen. Die valse vooroordelen zijn er over Israëliers zowel als over Palestijnen. We moeten dus die lijst met nakomelingen van Sem ook lezen als een lijst over de wording van twee volken die eigenlijk broedervolken zijn. En tussen broeders hoort er vrede te bestaan. Kijk dus uit met je vooroordelen.

U hebt hem bijna een god gemaakt

Psalm 8

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Een psalm van David. 2 HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde. U die aan de hemel uw luister toont- 3 met de stemmen van kinderen en zuigelingen bouwt u een macht op tegen uw vijanden om hun wraak en verzet te breken. 4 Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, 5 wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet? 6 U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, 8 hem toevertrouwd het werk van uw handen en alles aan zijn voeten gelegd: 8 schapen, geiten, al het vee, en ook de dieren van het veld, 9 de vogels aan de hemel, de vissen in de zee en alles wat trekt over de wegen der zeeën. 10 HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.(NBV)

In veel kerken wordt ieder jaar op de eerste zondag na Pinksteren een feest gevierd dat een moeilijk theologisch thema heeft. In het Latijn heet het Zondag Trinitatis en het gaat over de drie-eenheid waarin veel christenen geloven. De God van Abraham, Izaäk en Jacob, Jezus van Nazareth en de Heilige Geest die op het Pinksterfeest werd uitgestort zijn één en dezelfde God. Er was immers volgens het verhaal van Israel en volgens het verhaal van Jezus van Nazareth maar één God. Ja die God wilde zelfs geen andere goden naast zich hebben. Het kerkelijke leerstuk van de drie-eenheid is een van de meest ingewikkelde. Want hoe breng je iets onder woorden wat je wel vermoed, maar dat helemaal niet kan. Er is maar één God of er zijn er drie. God is toch geen mens, en God is zeker niet de geest die ons mensen drijft.

Gelukkig hoeven gelovigen in het dagelijks leven niet zo veel met de theorie, het gaat immers om de praktijk. En daar begrijpen we ineens veel meer van die drie-eenheid. In het verhaal van Israel heette het dat mensen geschapen waren naar het beeld van God, bijna een god gemaakt heet het in de psalm die we vandaag zingen. Die God had mensen onvoorwaardelijk lief en wilde het steeds opnieuw met die mensen wagen, steeds weer met die mensen op weg gaan. Je lijkt dus het meest op God als je inderdaad je naaste liefhebt als jezelf. Jezus van Nazareth deed dat tot aan het kruis toe. Hij bleef van de mensen houden wat hem ook overkwam. Hij noemde zich de zoon des mensen maar hij leefde als de zoon van God, zo leek hij op die God van Liefde. Zelf zei hij daarover volgens het verhaal dat mensen die het niet zo snapten maar naar hem moesten kijken want zoals hij het deed moest het vast bedoeld zijn.

En daar komt die Geest ook van pas, want pas in de geest van Jezus, zoals hij het deed dus, kun je echt onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig van de armsten in de wereld gaan houden, alles wat je hebt delen met hen die het nodig hebben. Wie hen bevrijdt van de armoede zal de armen een zorg zijn, als het maar gebeurt. Wij gewone gelovigen weten dat we, zonder dat verhaal over die God en zonder de ervaring dat die God in dat verhaal altijd weer met je meegaat, nooit aan de liefde voor de naaste zouden zijn begonnen. Het is dus die God die redt. En in die ervaring vallen God, Jezus van Nazareth en de Heilige Geest samen. Ze vallen samen in de Liefde voor de mensen, niet in een theorie dus maar in de praktijk van alle dag. In het voeden van hongerigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het verzorgen van de zieken, in het brengen van recht en gerechtigheid. In dan is die God inderdaad de machtigste op de hele aarde, die kracht wil Hij delen met alle mensen, van elke tong en taal heet het dan. Elke dag opnieuw, ook dit nieuwe jaar. Veel heil en zegen dus toegewenst.

Gerechtigheid zal je fundament zijn.

Jesaja 54:11-17

11 Ongelukkige, zo opgejaagd en ongetroost. Met fijne leem zal ik je stenen inleggen, op saffier zal ik je grondvesten. 12 Ik maak je torens van robijn, je poorten van beril, je muren van kostbare edelstenen. 13 Al je kinderen worden onderricht door de HEER, rust en vrede zal hun ten deel vallen; 14 gerechtigheid zal je fundament zijn. Je zult niets meer te vrezen hebben: onderdrukking zal je niet bereiken, voor terreur blijf je gevrijwaard. 15 Word je toch aangevallen, het komt niet van mij. Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val. 16 Ik heb de smid geschapen, die het gloeiende vuur aanblaast om gereedschap te vervaardigen voor een zeker doel; zo heb ik ook de vernietiger geschapen, die verderf wil zaaien. 17 Maar elk wapen dat tegen jou wordt gesmeed zal machteloos zijn, en ieder die jou in een geding belastert zal zelf veroordeeld worden. Dit is het deel dat de dienaren van de HEER toekomt,
dit is het recht dat ik hun toeken-spreekt de HEER. (NBV)

Mooie beelden zijn dat, een stad gefundeerd op edelstenen, stenen die je niet kunt bekrassen, het hardste van het hardste. Maar ze doen ook denken aan de stenen die de priester van de Tempel kan gebruiken om recht te spreken, om vonnissen te vellen. De stad is dan ook gefundeerd op gerechtigheid en haar inwoners zijn bevrijd van onderdrukking en de willekeur waarmee onderdrukking gepaard gaat. Een samenleving gebaseerd op recht en gerechtigheid. Wij noemen dat in onze dagen een rechtstaat. Maar wij hebben het over het geschreven recht dat gestudeerde juristen weten te citeren en te begrijpen. Dat recht is meer en meer alleen toegankelijk voor mensen die dat ook kunnen betalen. Het is het recht van de rijken aan het worden. Ook de geschreven wetten worden aangepast aan de wensen van de rijken. De gerechtigheid waar hier in het boek van de profeet Jesaja over wordt gesproken is het recht van alle mensen. Dat recht laat iedereen tot zijn en haar recht komen. Dat blijkt uit het recht dat de verdrukten wordt gedaan, het recht dat de armen ervaren.

Dat is ook het recht van het delen. De richtlijn dat in de Tempel in Jeruzalem ieder een maaltijd zal aanrichten samen met de familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen die voor je werken. Zo krijgen de dienaren van de Tempel hun deel. Na de ballingschap kan het volk van Israël weer opnieuw beginnen. Voor de profeet is dit een vreugdevol gebeuren. Maar niet zonder hindernissen. Natuurlijk zullen er krachten zijn die zich verzetten, die baat hadden bij de onderdrukking, die zich lieten gebruiken als instrument van de onderdrukking. We zien soms dat een overheid zelf met nep demonstranten probeert chaos te scheppen. In zulke situaties waarschuwt de profeet dat zulke mensen zelf veroordeeld zullen worden, hun wapens zullen op henzelf terugslaan. Het bouwen van een samenleving van recht en gerechtigheid gaat niet vanzelf. We krijgen de blauwdrukken van de God van Israël maar we moeten zelf de handen uit de mouwen steken. Dat is ook het grote tegendeel met het soort recht dat de Heidenen hanteren, wij kennen dat in onze dagen als het Romeinse Recht.

Aan dat recht moeten mensen zich houden. Dat Recht beschermt dus de bestaande verhoudingen tussen mensen, geeft bescherming van de eigendomsverhoudingen, hoe onrechtvaardig die ook gaan uitvallen in de loop van een mensenleven. Het recht van de Bijbel is een opdracht, zo moet de samenleving er uit gaan zien en er uit blijven zien. Aangezien alles verandert moeten we ons voortdurend met het recht bezig houden, moeten we ons voortdurend afvragen of mensen wel tot hun recht komen. Dat is ook het recht dat vervuld kan worden, eindelijk kan er in worden geslaagd de samenleving op te bouwen op recht en gerechtigheid. Ook onder ons worden haat en verdeeldheid gezaaid, ook wij kunnen er gevoelig voor worden en vergeten dat we iedereen tot zijn en haar recht moeten laten komen. Daarom hebben wij dag en nacht dat woord van de God van Israël nodig.

Mijn vredesverbond is onwankelbaar

Jesaja 54:6-10

6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw toen de HEER je terugriep. Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? zegt je God. 7 Ik heb je slechts een ogenblik verlaten, maar met open armen zal ik je weer ontvangen. 8 Ik verborg mijn gezicht voor je in laaiende toorn, één ogenblik lang, maar ik zal me weer over je ontfermen met eeuwigdurende liefde, zegt de HEER, die je vrijkoopt. 9 Dit is voor mij als bij de vloed van Noach: zoals ik heb gezworen dat het water van Noach nooit meer de aarde zou overspoelen, zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft en dat ik je nooit meer bedreig. 10 Al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen, mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en mijn vredesverbond is onwankelbaar- zegt de HEER, die zich over je ontfermt. (NBV)

Goden zijn net verwende kinderen. Als ze niet krijgen wat ze hebben willen dat worden ze boos en beginnen ze te smijten, met bliksemschichten, met stormen, met aardverschuivingen, met rotsblokken, met metershoge golven, met lava en vulkaanuitbarstingen, met verlies op de beurs, met teruglopende omzetten en oplopende werkloosheid. Alle ellende in de wereld is aan die verwende goden toe te schrijven. Alle ellende wordt dan ook door de Heidenen aan verwende goden toegeschreven. Die woede van verwende goden is te stillen met offers, alles wat de goden willen of zouden willen moet je hen vooral offeren, tot aan je kinderen toe, de vis wordt immers duur betaald. In onze dagen zien we dan ook dat alle tijd die we hebben aan werken, aan produceren en consumeren moet worden besteed. Ieder voor zich en de goden van winst en profijt voor ons allen en wie niet werkt zal ook niet eten, te beginnen in verzorgingshuizen en inrichtingen voor gehandicapten. Het is het soort samenleving waar de Bijbel zich in alle toonaarden tegen verzet. Maar de God van Israël is toch ook wel eens boos? De profeet Jesaja kan er over meepraten. In zijn dagen werd het hele volk in ballingschap uit het land weggevoerd dat ze van de God van Israël hadden gekregen. God trok zijn handen van dat volk af nadat het volk zich van die God had afgekeerd, het volk had het verbond verbroken.

In de ballingschap zaten ze bij vreemde rivieren, de muziekinstrumenten werden in de wilgen gehangen en tranen van verdriet stroomde er. Was die God van Israël dan net zo’n onberekenbare verwende god als de goden van de Heidenen? In de eerste plaats moet je niet altijd alle tegenslag en rampspoed automatisch aan de woede van de God van Israël toeschrijven. Daarover staat in de Bijbel een apart boek, het boek Job. Die roept God ter verantwoording maar tegenspoed en straf blijken in dat boek minder vanzelfsprekend bij elkaar te horen als wij op grond van Heidense overtuigingen vaak denken. God straft niet onmiddellijk, of God straft moeten we altijd maar afwachten. Het zijn mensen die elkaar het soort ellende aandoen dat we door ons eigen gedrag hadden kunnen afwenden. Daarvoor heeft de God van Israël ons een grondslag voor het leven gegeven, de liefde. Die moet ons in beweging zetten als er onrecht heerst, als de een zich verrijkt ten koste van de ander, als er mensen zijn die niet tot hun recht kunnen komen. Als die liefde van God wordt beschaamd vrees dan de gevolgen. Dat is de boodschap van de profeten. Dat is niet een toorn en een tegenspoed die eeuwig duren. Als je weer de liefde als grondslag van alles in je leven neemt, God weer als bondgenoot voor de zwakken gaat zien dan is het verbond weer hersteld. Dan speelt weer het huwelijk als beeld voor de verhouding tussen God en mens.

Dan is de mens de verlaten wanhopige vrouw die in het diepst van haar lijden schreeuwend vraagt waarom God haar heeft verlaten, maar zelfs in dat lijden haar Geest in de handen van die God beveelt. Die God maakt duidelijk dat hij die mens als zijn bruid zal blijven beschouwen, die liefde gaat niet zomaar over, zelfs niet door de ontrouw van de bruid die andere goden naloopt. Hier is die vrouw, die bruid, overigens de samenleving van mensen in Jeruzalem. Dat was wel de stad geweest waar de Tempel stond, waar dat verhaal over de liefde als grondslag van de samenleving werd bewaard, maar die stad had zich gericht op winst en profijt, op vruchtbaarheid en haar goden. Daar hadden de mensen beelden gemaakt van de goden, beelden van zilver en goud, daar hadden mensen hun kinderen geofferd aan die goden. Maar nu die samenleving in de ballingschap was gezuiverd van dat proftijtdenken en weer de liefde als haar grondslag had aangenomen had de liefde van de God van Israël hen vrijgekocht uit de slavernij die goden van winst en profijt nu eenmaal opleggen. Zo kunnen ook wij vrijgekocht worden zonder goud en zilver. Door ook in onze dagen het werk één dag in de week samen te staken, door de zorg voor de minsten in de samenleving, in de hele wereld, weer voorop te stellen. Dat kan elke dag weer opnieuw. Ook vandaag.

God van de hele aarde.

Jesaja 54:1-5

1 Jubel, onvruchtbare vrouw, jij die nooit een kind hebt gebaard; breek uit in gejuich en gejubel, jij die geen weeën hebt gekend. Want-zegt de HEER -,de kinderen van deze verstoten vrouw zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde. 2 Vergroot de plaats voor je tent, span het tentdoek wijder uit, zonder enige terughoudendheid. Verleng de touwen, zet de tentpinnen vast. 3 Naar alle kanten zul je je uitbreiden, je nageslacht zal de vreemde volken verdrijven en de verlaten steden bevolken. 4 Wees niet bang: je zult niet worden beschaamd; wees niet bedrukt: je zult niet worden vernederd. Je zult de schande van je jeugd vergeten, je de smaad van je weduwschap niet meer herinneren. 5 Want je maker neemt je tot vrouw, HEER van de hemelse machten is zijn naam. De Heilige van Israël zal je bevrijder zijn, men noemt hem God van de hele aarde. (NBV)

We lezen vandaag uit het boek van de profeet Jesaja over Jeruzalem. In dat boek van de profeet Jesaja wordt wel vaker gesproken over de relatie tussen Jeruzalem en de God van Israël als over de relatie tussen een vrouw en haar bruidegom. Het zou een relatie moeten zijn van liefde die leidt tot vruchtbaarheid. Het wordt niet uitgesproken maar het zaad dat de vruchtbaarheid voortbrengt is dan  de Liefde, de grondslag van de verhouding tussen God en de mensen en het “hebt Uw naaste lief als Uzelf” de grondslag van de verhouding tussen mensen. Maar die bruid was ontrouw geworden aan haar bruidegom. De vruchtbaarheid was elders gezocht, bij de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän, Baäl en Moloch. De beelden van Baäl waren zelfs doorgedrongen tot in de Tempel van de God van Israël. Dat had tot gevolg gehad dat de God van Israël de band met zijn bruid had verbroken en het volk in ballingschap was weggevoerd. De stad was verlaten, de tempel verwoest. Maar het volk had zich tijdens die ballingschap gerealiseerd wat voor God die God van Israël eigenlijk was. Die was zelfs meegetrokken met de ballingen. Zelfs in dat vreemde, vijandige land ging de grondslag van de Liefde voor de verhouding tussen mensen en de God van Israël en tussen mensen onderling op.

Daar konden zwakke mensen het volk zelfs redden, daar konden dienaren van de God van Israël het tot hoge posities brengen. Je kunt er in de Bijbel over lezen in de boeken van Esther en Daniël. Men had in de ballingschap de oude verhalen, de oude wetboeken, de oude kronieken en boeken van profeten meegenomen en bestudeerd. Fouten waren er uitgehaald, wat niet opgeschreven stond werd opgeschreven, wat men niet uit het hoofd kon reciteren werd uit het hoofd geleerd. Zo was er een begin gemaakt met het ontstaan van de Hebreeuwse Bijbel. Veel later, na de val van Jeruzalem in het jaar 70, zouden rabbijnen bij elkaar komen en definitief vaststellen wat er ook weer tot die Hebreeuwse Bijbel behoorde. Daar doen wij het nog steeds mee. Daar mogen wij het ook mee doen omdat die God van Israël de God van de hele aarde genoemd wordt. Ook al lijkt die God afwezig. Ook al lijkt het of die God mensen in de steek heeft gelaten, de Liefde is nog steeds de grondslag voor de verhouding tussen God en mensen en tussen mensen onderling. Het heb Uw naaste lief als Uzelf kan altijd in de praktijk worden gebracht. Als je zo met elkaar omgaat dan zijn zelfs de donkerste tijden met elkaar uit te houden. Dan is zelfs de dood geen reden meer om niet op te komen voor recht en gerechtigheid.

Om het gedeelte van vandaag echt te snappen moeten we ook beseffen dat er vanouds sprake is in de Bijbel van twee Tempels. Een Tempel in de hemel en een Tempel op aarde, in Jeruzalem op de berg Sion. Van die Tempel zou de liefde voor alle mensen moeten uitgaan. Aan de maaltijden die gelovigen hielden met hun familie, de rechters, de knechten en de meiden, de slaven en slavinnen, de armen en de vreemdelingen zou de grondslag voor de menselijke samenleving voortdurend te zien zijn. In de Hemelse Tempel zou de God van Israël niet als beeld dat gevoed moet worden wonen maar als Levende God de Liefde voor de mensen gestalte geven. Visioenen als die van Daniël maar ook die van Jesaja beschrijven die Hemelse Tempel. Het volk wordt dan opgeroepen de Tempel in Jeruzalem in overeenstemming te brengen met de beschrijving, met het idee, van de Hemelse Tempel. In het Nieuwe Testament vind je dat ook in de brieven van Paulus terug, ook de uitspraak die aan Jezus wordt toegeschreven dat hij in drie dagen de Tempel zou kunnen opbouwen gaat over die Hemelse Tempel en als de brief van Petrus schrijft dat we een volk van Priesters zijn gaat dat ook over het bouwen van een samenleving die rust op de grondslag van de Liefde, het fundament van de Tempel. We leren vandaag van Jesaja dat de Liefde oneindig vruchtbaar is, pas leven vanuit de Liefde levert wat op, dan krijgt het goede de overhand op het kwade, en wie wil dat niet. Daarom wordt vandaag geroepen om te gaan bouwen, bouw toch die Hemelse Tempel en maak de aarde tot een hemelse woonplaats voor alle mensen. Elke dag mogen we daaraan werken, ook vandaag.

Als een schaap

Jesaja 53:7-12

7 Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. 8 Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. 9 Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken. 10 Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde. 11 Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd. Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich. 12 Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.(NBV)

“Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders”. Zo begint het Bijbelgedeelte uit het gemeenschappelijk leesrooster voor vandaag in de Nieuwe Bijbelvertaling. Vroeger werd hier met lam vertaald en de Naardense Bijbel die gelijk met de Nieuwe Bijbelvertaling verscheen doet dat nog steeds. In middeleeuwse schilderijen is dat Lam vaak afgebeeld, op een altaar of er voor en al of niet met een kruis op de schouder. Ook in de kerkmuziek klinkt het Lam Gods, het Agnus Dei, en bij voorkeur dan als het brood tijdens het Avondmaal wordt gebroken. Ook hier dus weer een interpretatie van het boek van de profeet Jesaja in de richting van het lijden en sterven van Jezus van Nazareth. En de plaatsing van deze lezing vlak voor de Goede Week, of in de week na Kerst maakt de verleiding nog sterker in deze richting te denken. Maar dit Bijbelboek werd ver voor het leven en sterven van Jezus van Nazareth geschreven.

In de tijd waarin dit Bijbelboek tot stand kwam was er sprake van ballingschap, het volk was uit het land weggevoerd en werd ver van Jeruzalem gevangen gehouden. We moeten daarom misschien eerder aan het boek Job denken als we lezen over de rechtvaardige dienaar die moest lijden. Job nam het op voor mensen die de weg van de Liefde wilden volgen maar zelf met het lijden werden geconfronteerd. Job weigerde te geloven dat God hem met lijden strafte omdat hij verkeerd zou hebben gedaan. Job bleef geloven in de weg van de Liefde, nergens verloochende hij God, nergens nam hij afstand van het delen van alles wat hij had zoals hij altijd had gedaan. De zin van al zijn rijkdom was uiteindelijk gelegen in het vermogen daar mensen mee te helpen.

Dat hij desondanks bespot en geslagen werd, ziek en vernederd, zittend op zijn mesthoop zich krabbend met een scherf moest hij dan maar op de koop toe nemen. Recht verschaffen is hier bij Jesaja de wandaden van mensen serieus nemen en zorgen dat die mensen de kans krijgen het niet weer te doen, maar het goede te gaan doen. Jesaja onderstreept voor ons dat het daarbij niet gaat om er zelf beter van te worden, maar alles wat er uit komt voor lief te nemen. Dan pas deel je met machtigen in de buit. En Delen wordt hier eigenlijk met hoofdletters geschreven. Pas als Samen Delen voorop staat kan er samen geleefd en samen gewerkt worden. Iedereen die dezer dagen een minister tegenkomt moet daar maar op wijzen.

Hij werd veracht

Jesaja 53:1-6

1 Wie kan geloven wat wij hebben gehoord? Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard? 2 Als een loot schoot hij op onder Gods ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond. Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. 3 Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. 4 Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. 5 Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. 6 Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. (NBV)

Veel namen van mensen die in verzet kwamen omwille van hun geloof of verbondenheid met onderdrukten kennen we niet, we kunnen niet alles weten, maar soms blijven mensen ook bewust anoniem of lukt het de onderdrukkers namen en mensen verborgen te houden, soms moet ook de aandacht voor slachtoffers geheim blijven zodat ze stilletjes losgelaten kunnen worden. Sommige namen kennen we, Nelson Mandela die 30 jaar gevangen zat maar vrij kwam kennen we al sinds zijn veroordeling, tientallen jaren voor hij vrij kwam. De roep om hem vrij te laten droeg bij tot de afschaffing van de Apartheid.

Het lijden zelf moet ons steeds weer motiveren voor armen en verdrukten op te komen, moet ons onze vrijheid doen gebruiken om onze samenleving tot delen te brengen, onze politici tot spreken te brengen waar protest geboden is. Zo lang wij onverschillig blijven voor het lijden van medemensen veraf en dichtbij zullen mensen opstaan en vervolging en marteling trotseren. In onze dagen komen daar ook de zogenaamde klokkenluiders bij. Mensen die de informatie die ze hebben openbaar maken in de hoop dat misstanden zullen verdwijnen.

Soms werkt dat, de bouwfraude heeft tot straffen voor bouwbedrijven geleid, of de corruptie en het bedrog door bouwbedrijven verdwenen is werd tot vandaag niet duidelijk. In het buitenland wordt het spioneren door overheden aan het licht gebracht. Maar hoe goed de klokkenluiders ook opereren, zelf worden ze meestal het slachtoffer en vervolging en vernedering is hun lot. Tot wij ons hun lot aantrekken en beseffen dat het ook voor ons is dat zij volhouden blijft te veel verborgen dat het lot van de armen kan verzachten. Maar als wij ons inzetten voor de lijdenden in de wereld zal de vrede aanbreken, dan zal de Liefde de enige Heer zijn en de enige God.