Vertel het aan je kinderen

Joël 1:1-14

1 Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Joël, de zoon van Petuël. 2  Hoor mij aan, oudsten, leen mij allen het oor, inwoners van het land! Is iets als dit ooit geschied in jullie dagen of in de dagen van jullie voorouders? 3  Vertel het aan je kinderen, en laten je kinderen het aan hun kinderen vertellen en hun kinderen aan het volgende geslacht. 4  Wat de ene sprinkhaan overliet, heeft de tweede afgeknaagd, wat de tweede nog overliet, heeft de derde afgemaaid en wat na de derde overbleef, heeft de vierde kaalgevreten. 5  Word wakker, dronkaards, en ween, barst uit in gejammer, drinkers van wijn, om het sap van de druiven dat jullie ontnomen is. 6  Mijn land is ten prooi aan een volk, een machtig volk zonder tal, met tanden als van een leeuw, geweldige kaken als van een leeuwin. 7  Het maakte dode takken van mijn wijnstok en brandhout van mijn vijgenboom: naakt en kaal zijn ze, omvergehaald, de wijnranken zijn verbleekt. 8 Weeklaag-als een jonge bruid die zich hult in het zwart, rouwend om de man van haar jeugd. 9  Waar is nog graan of wijn voor offers in de tempel van de HEER? De priesters, zijn dienaren, treuren. 10  Het veld is verwoest, de dorre grond treurt, want het koren is vernield, de wijn verdroogd, de olie verloren. 11  Toon je verslagenheid, boeren, barst uit in gejammer, wijnbouwers, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is verloren gegaan. 12  De wijnstok is verdroogd, de vijgenboom verdord; granaatappel, dadelpalm en appelboom, ja, alle bomen zijn verdord. Verdord is ook de vreugde onder de mensen. 13  Priesters, hul je in rouw, schreeuw het uit, dienaren van het altaar, breng de nacht door met klagen, dienaren van mijn God, want offers van graan en wijn zijn Gods tempel ontzegd. 14 Kondig een vastentijd af  en roep op tot een plechtige samenkomst,  verzamel de oudsten en alle inwoners van het land  in de tempel van de HEER, jullie God,  en roep luid tot de HEER ! (NBV)

Hier beginnen we te lezen in het boek van de profeet Joël. Wie dat was weten we niet meer. Wanneer het boek geschreven is weten we ook niet echt. De ene geleerde zegt dat het moet zijn in de laatste jaren voor de val van Jeruzalem in 586 voor Christus. Het volk was apathisch, godsdienstig onverschillig en werd van buiten bedreigd. Tot overmaat van ramp kwam er een sprinkhanenplaag die alles verwoeste. Andere geleerden zeggen dat het na de ballingschap in Babel moet zijn geweest, zo na 539 voor Christus. Het zou zich dan tegen de leiders van het volk richten die niet goed weten te reageren op de sprinkhanenplaag. Hoe het ook is, het boek Joël vertelt ons hoe te reageren als ons een ramp overkomt. In het boek Handelingen kun je nog een preek lezen over Joël. Het is een preek van Petrus, de Pinksterpreek, die het volk herinnerde aan de belofte van Joël dat Gods geest uiteindelijk het volk zou helpen de ramp te overwinnen.

Joël had nog weet van de slavernij in Egypte. Daar was de sprinkhanenplaag de voorbode van de bevrijding geweest. Dat wisten ze toen in Egypte nog niet maar inmiddels woonde het volk Israël al sinds mensenheugenis in het beloofde land. Mochten ze daarom niet vertrouwen op een bevrijding uit de ellende? Dat zou moeten als men terugkeerde naar de Thora, de manier van leven die na de bevrijding werd ontvangen. De richtlijnen uit de Woestijn, van eerlijk delen, van zorgen voor elkaar. Zo kom je samen zo’n hongerperiode door. Wij weten dat van de honger in Afrika, die soms ook door sprinkhanen veroorzaakt wordt. Als we genoeg geven komt men de hongerperiode door, doen we dat niet dan sterft iedereen. Joël begint met oproepen om samen te komen, een volksvergadering te beleggen. Zoals ook gedaan werd in de dagen dat er nog geen koning was. We hebben daarover in het boek Rechters kunnen lezen.

Onverschilligheid tegenover de politiek is er dan niet meer bij. Bij een volksvergadering moeten we zelf nadenken en keuzes maken. Wij laten dat tegenwoordig liever aan de TV over. Heerlijk die discussies tussen politici. Commentatoren te over die er voor geleerd hebben en uit kunnen leggen wie gelijk heeft en wie struikelde. De problemen worden er niet door opgelost maar wie maalt daar nu nog om. Joël roept ondanks dat op om te laten zien en horen waar de problemen liggen. Bij hem is de oogst verloren gegaan, bij ons zijn broeders tegen broeders en zusters tegen zusters opgezet. Door politici bijvoorbeeld die het de toenmalige Koningin Beatrix kwalijk namen dat ze het gebod niet zomaar aan elkaar te zitten uit het Oude Testament en de Koran serieus nam als ze een Moskee bezocht en dus meeging in het niet geven van een hand. Die politici zouden het jammer vinden als we in vrede met elkaar konden leven, maar voor ons is in vrede met elkaar leven een levensvoorwaarde. Tijd om ons te laten horen dus en het niet aan TV commentatoren en politici over te laten.

Zing het uit

Psalm 32

1 Van David, een kunstig lied. Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven, van wie de zonden worden bedekt. 2 Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt, als in zijn geest geen spoor van bedrog is. 3 Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag. 4 Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela 5 Toen beleed ik u mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe, ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela 6 Laten uw getrouwen dus tot u bidden als zij in zichzelf een zonde vinden. Stormt dan een vloed van water aan, die zal hen niet bereiken. 7 Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela 8 ‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan. Ik geef raad, op jou rust mijn oog. 9 Wees niet redeloos als paarden of ezels die met bit en toom worden bedwongen, dan zal geen kwaad je treffen.’ 10 Een slecht mens heeft veel leed te verduren, maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd. 11 Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.(NBV)

Vandaag zingen we met de Kerk een psalm over zonde en vergeving. Het zijn woorden uit een oude kerkelijke taal en voor veel mensen zijn ze afgesleten en lege clichés geworden. Dat komt met name doordat er door de gebruikers van deze woorden al een klank van veroordeling in ligt. Wij zijn allen zondig en onze zonden moeten nodig vergeven worden. Daarmee veroordelen wij ons zelf en alle andere mensen. Dat terwijl we toch goede burgers willen zijn die ons netjes aan de regels houden en van tijd tot tijd ook voor een ander willen zorgen. We vermijden ruzie te maken en of je het nu wil geloven of niet, de meeste mensen in ons land zullen tijdens hun leven nooit een mens met opzet ernstig verwonden of zelfs doden. Wat dan al die mensen te veroordelen en te roepen dat ze zondig zijn en dat hun zonde vergeven zou moeten worden. In de zestiende eeuw schreven Gereformeerde leraren in Duitsland zelfs op dat de mens, wij allemaal dus, slechts bekwaam zou zijn tot alle slechts en niet in staat tot enig goeds. Voor Duitsers zou dat misschien kunnen gelden, ook niet natuurlijk, maar voor ons klinkt dat toch zwaar overdreven.

Maar de Psalm gaat niet over een veroordeling maar over vergeving. Vergeving van schuld heeft iets bevrijdends. We hebben iemand iets aangedaan, hebben daarover spijt betuigd en geprobeerd het goed te maken en dan roept die ander dat het je vergeven wordt. Dat lucht op, zeker als je de eerste was die ongelijk wilde bekennen en zich kwetsbaar wilde opstellen door toe te geven dat je fout zat. Als we zo over zonde en vergeving gaan praten wordt het iets alledaags. Laat dat nu net de bedoeling van deze Psalm zijn. Dat oordeel van de God van Israël is niet na je dood in een plechtige rechtzaak waar je ziel op gewogen wordt, te licht bevonden natuurlijk en de schaal in evenwicht gebracht wordt door de dood van Christus. Dat is een beeld dat je in kerken nog wel eens uitgeschilderd ziet, het plafond van de Grote kerk in Alkmaar is daar een monumentaal voorbeeld van. Maar het is niet wat deze Psalm bezingt. Deze Psalm bezingt het leven van alle dag. Waar zijn we ontrouw geweest aan de God van Israël? Dat hoeft een ander ons niet te vertellen, dat weten we zelf als eerste.

Als we vroeger een mooi bord lieten vallen bij de afwas dan riepen we: “zonde”, het was onherstelbaar gebroken. Voor borden is dat niet zo heel erg, maar als de relatie tussen mensen zo gebroken wordt dat dan die breuk tot oorlog of moord en doodslag leidt dan is het wel heel erg. Nu is voor de God van Israël niets onherstelbaar. Die God leidde immers zijn volk uit de slavernij naar een land dat overvloeide van melk en honing. En toen dat volk alle banden met die God verbrak en andere goden achterna ging lopen gaf die God niet op en bracht hij zijn volk weer thuis en gaf ze de gelegenheid het verwoeste land en de verwoeste stad weer op te bouwen. Zo zond hij ook zijn zoon om mensen weer een plek in de samenleving te geven, niemand bleef buitengesloten, zelfs melaatsen konden weer meedoen. De invloed die de dood op het handelen van mensen had kon ongedaan worden gemaakt. Op die momenten dat we ons bewust worden van onze onvolmaaktheid, iedereen maakt fouten, iedereen kwetst wel eens een ander, dan is dat niet onherstelbaar, dat kan vergeven worden. Als je bereid bent je eigen onvolmaaktheid te erkennen en ruiterlijk uitkomt voor je fouten dan kun je opnieuw beginnen met de wereld om je heen. Dat is vaak een hele opluchting, dat bevrijdt, dan kun je echt zingen. Het kan je elke dag opnieuw gebeuren, ook vandaag weer.

Jij bent de Zoon van God

Marcus 3:7-19

7  Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 8  en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 9  Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. 10  Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. 11  Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12  Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was. 13 Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe. 14  Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. 15  Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. 16  De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, 17  Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), 18  Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs 19  en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd. (NBV)

Iedereen mocht meedoen met het nieuwe Koninkrijk van Jezus. Overal vandaan stroomden de mensen toe, zieken raakten hem aan om genezen te worden, konden zij ook weer meedoen. De toeloop werd zo groot dat Jezus in een boot moest gaan staan om de mensen te kunnen toespreken. Godslasteraars die het kwaad met hem voorhadden maakten het rumoer nog groter dan het al was. Die werden dan ook bestraffend toegesproken. Jezus wilde niet groter dan de mensen zijn, iedereen moest echt kunnen meedoen. Dat is tegenwoordig wel anders. Kijk maar eens naar de verkiezingscampagnes,  dan krijgen we weer die strijd tussen een aantal mensen die zichzelf als persoon de betere vinden dan een ander. Dat het gaat om een vreedzame en rechtvaardige samenleving waarin ook de minsten en de zwaksten onder ons mee kunnen doen wordt vergeten. Zelfs de apostelen van Jezus hadden het overigens nog wel eens over wie onder hen de meeste kon zijn.

De twaalf apostelen. Ze zijn een begrip geworden in taal en cultuur. Marcus heeft ze op deze manier in zijn verhaal opgenomen. De andere schrijvers van evangeliën zijn er wat genuanceerder over. Het getal twaalf heeft een bijzondere betekenis. Als je 12 mensen aanstelt om het goede nieuws te vertellen dan mag je gelijk zeggen dat je het hele volk Israel het goede nieuws hebt vertelt. En daar gaat het om. Daarom krijgen ze ook de kracht om demonen uit te drijven, want de kwade krachten onder de mensen waren volgens het verhaal van Marcus voortdurend bezig Jezus in een kwaad daglicht te stellen. Dat kwade daglicht is nog steeds een beproefd middel om de publieke opinie te bespelen. In Amerika leefde de vorige president er van. Politieke tegenstanders, landen die hun eigen belang voorop stellen en vooral de pers die een eerlijke weergave van de staat van het land probeert te geven, worden afgeschilderd als nietsnutten, dieven en leugenaars.

In ons land zijn vreemdelingen zijn vaak het slachtoffer van moddergooien. Als Nederlanders wat te snel sympathie lijken op te brengen dan zijn de vreemdelingen criminelen die hun cultuur en geloof en ons willen opdringen. Of oorlogsmisdadigers die hun eigen land ontvluchten om daar hun straf te ontlopen. Alle Afghaanse mannen zijn zo tot oorlogsmisdadiger verklaard hoewel in hun eigen land niemand hen wil vervolgen of bestraffen en er tegen individuen vaak ook geen enkel bewijs is voor wat voor misdrijf dan ook. Ook wij moeten dus kijken wie er met modder gooit, het kwaad in de wereld verspreid en  dat aan zoveel mogelijk mensen duidelijk maken. Ook wij zijn dan verspreiders van het goede nieuws, het Koninkrijk waaraan iedereen kan mee doen, is echt dichterbij dan je denkt.

De sabbat is er voor de mens

Marcus 2:23–3:6

23  Eens liep hij op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken. 24  ‘Kijk eens!’ zeiden de Farizeeën tegen hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’ 25  Maar hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden? 26  Hij ging het huis van God binnen-Abjatar was toen hogepriester-en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’ 27  En hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat; 28  en dus is de Mensenzoon ook heer en meester over de sabbat.’ 1 Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand. 2  Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. 3  Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ 4  Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. 5  Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. 6  De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.(NBV)

Zijn de mensen er voor de regels of zijn de regels er voor de mensen. Het is de vraag uit het verhaal van vandaag. Het is eigenlijk een rare vraag want in onze samenleving worden de regels gemaakt door mensen omdat er mensen zijn die de regels nodig hebben om elkaar geen problemen te bezorgen. Maar als de regels er eenmaal zijn maken mensen misbruik van die regels door ze zo toe te passen dat ze zelf meer macht krijgen. De regels zijn er dan niet voor de mensen, de mensen zijn er dan voor de regels. Het is die houding waar Jezus tegen te hoop loopt in het verhaal van Marcus. Want die rustdag is natuurlijk zeer nuttig. Wij zijn de Sabbat gaan vervangen door de zondag, niet de laatste maar de eerste dag van de week is bij ons centraal komen te staan, de Zondag is dus niet een nieuwe Sabbat. Maar op dit moment zijn we die zondag aan het offeren aan de goden van winst en profijt. Het gevolg is niet dat we niet meer vrij hebben maar dat we niet meer samen vrij zijn, dat er geen dag in de week meer is dat echt iedereen vrij is en dat iedereen mee kan doen met het plezier dat een echte samenleving kan bieden.

We vergeten daarmee dat onze samenleving er is voor de mensen en niet voor winst en profijt. Daarom is er geen tijd meer om nieuwe mensen in de buurt te leren kennen, samen te eten met je buurt of zelfs met je dorp of met de hele stad, met je familie en vrienden, maar ook met de armen en de vreemdelingen in ons midden. De zondag wordt niet meer de dag om de God van de Liefde te aanbidden en te oefenen in de dienst aan die God, je weet wel van heb je naaste lief als jezelf. Maar de zondag wordt de dag van consumeren en nog meer consumeren. Wie werkt verdient aan het consumeren en wie niet werkt zorgt dat er geconsumeerd wordt. Het lijkt wel een bij uitstek religieuze dag geworden waar de kassabel en de pinautomaat de klank van de kerk en de collectezak hebben vervangen. Alleen gaat het bij deze religieuze beweging niet om het delen met elkaar, om te zorgen voor elkaar, om samen het leven te vieren, maar gaat het om de dingen, om het geld, om het meer en het beter.

Uit het verhaal van vandaag lees je dat je niet helemaal niks moet gaan doen op de Sabbat en dus al helemaal niet op de eerste dag van de week de Zondag. Je moet de mensen in het oog blijven houden. Zoals David toen hij op de vlucht was en honger had het brood uit de Tempel mocht eten, normaal alleen bestemd voor priesters, mochten de leerlingen het graan langs de rand van de akker eten. Dat graan was bij uitstek bestemd voor de armen, die kunnen het ook op Zondag arm hebben. Dat ze honger kunnen hebben is zelfs bij ons duidelijk. De voedselbanken hebben het extra druk en krijgen minder aangeleverd. Als we de zondag eens echt een religieuze dag willen maken dan zamelen we zondag zo veel mogelijk voedsel in voor de voedselbanken in onze stad. De Zondag is immers het feest van de opstanding tegen de dood, het feest van een nieuw soort leven, niet voor jezelf, niet voor andere goden, maar voor de ander, de minsten allereerst.

Het is niet mijn boog

Psalm 44

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een kunstig lied. 2 God, met eigen oren hebben wij het gehoord, onze voorouders vertelden het ons door: de daden die u verrichtte in hun dagen, in de dagen van weleer. 3 Om hén te planten hebt u volken verdreven, naties verslagen om ruimte te geven aan hén. 4 Zij verkregen het land niet met het zwaard, niet hun eigen kracht heeft hen gered, maar uw rechterhand, uw arm, het licht van uw gelaat-u had hen lief. 5 U, God, bent mijn koning, u beveelt de redding van Jakob. 6 Met u stoten wij onze belagers neer, met uw naam vertrappen wij onze tegenstanders. 7 Het is niet mijn boog waarop ik vertrouw niet mijn zwaard dat mij redt, 8 u hebt ons gered van onze belagers, u liet onze haters beschaamd staan. 9 God, wij loven u dag na dag, uw naam zullen wij altijd prijzen. sela 10 Toch hebt u ons nu verstoten en vernederd: u trok niet ten strijde met onze legers, 11 u deed ons wijken voor onze belagers, onze haters roofden ons leeg.12 U hebt ons als slachtvee uitgeleverd, ons onder vreemde volken verstrooid,13 u hebt uw volk van de hand gedaan, veel bracht de verkoop u niet op. 14 U hebt ons het mikpunt van spot gemaakt, onze naburen smaden en honen ons, 15 u hebt ons bij de volken belachelijk gemaakt, ze schudden meewarig het hoofd. 16 Heel de dag moet ik mijn schande dragen, het schaamrood bedekt mijn gezicht 17 als ik de vijand hoor spotten en sarren, hem vol wraakzucht zie staan. 18 Dit is ons overkomen, maar wij zijn u niet vergeten, uw verbond verloochenden wij niet, 19)ons hart keerde zich niet van u af, onze voeten weken niet van uw pad. 20 Toch hebt u ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. 21 Hadden wij de naam van onze God vergeten, onze handen uitgestrekt naar een vreemde god, 22 zou God dit niet hebben ontdekt? Hij kent de geheimen van ons hart. 23 Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht. 24 Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig. 25 Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood? 26 Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde. 27 Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw. (NBV)

De psalm die we vandaag meezingen, is een leerdicht, dat staat er boven, al vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling hier met kunstig lied. Het zit wel knap in elkaar. De eerste twee coupletten lijken recht tegenover elkaar te staan. In het eerste couplet wordt beschreven wat de dichter, wat het volk, uit de geschiedenis heeft geleerd. Dat is een bijzondere les die nog maar weinig mensen zich ter harte zullen nemen. De les is namelijk dat alle oorlog en geweld de volken geen land, geen welvaart, geen rijkdom hebben opgeleverd maar zodra men de richtlijnen van de God van Israël ging volgen dan kwamen dat land, die welvaart en de rijkdom als vanzelf. De God van “Gij zult niet doden” van “je moet het bezit van de ander niet willen hebben” geeft een paar simpele richtlijnen die vrede en gerechtigheid brengen en een land geven waarin iedereen mee kan doen. Het tweede couplet staat daar haaks op. Want ook al is het volk Israël bij uitstek het volk van de God van Israël het werkt niet meer. Je verliest de oorlogen die je voert in de naam van die God, het land is verloren het volk verstrooid over de aarde, veroordeeld tot wonen te midden van vreemde volken.

De volken schudden meewarig hun hoofd over die rare Israëlieten die steeds maar weer aankomen met hun verhalen over de God van Israël en de geschiedenis waarin ze bevrijd waren uit de slavernij in Egypte, hoe die God had laten zien hoe Koningen zouden moeten zijn, zoals David en Salomo namelijk. Bespottelijk in de ogen van de vreemde volken. Een sterk leger, een goede bewapening, eigen sterke en welvarende goden en vooral een rijke bovenklasse die samen met een koning die dienst konden uitmaken, die verzekerden elk volk van welvaart en vrede. Dat er armen dood gingen, dat de ouden crepeerden, dat weduwen zich verlaagden tot prostitutie, dat vreemdelingen werden uitgebuit, en het leven van slaven niet meer meetelde hoort nu eenmaal bij het leven en dat moet je maar voor lief nemen. Dat het mis was gegaan was duidelijk. Ze woonden er niet meer, ze waren  verspreid over de aarde geraakt. Ooit zouden ze wel weer naar dat land Israël terug keren maar dat ooit kwam maar niet. En daar gaat het tweede deel van deze Psalm over. De dichter van deze Psalm is de wanhoop nabij. Hij roept zelfs zijn God om wakker te worden, waarom blijft zijn God slapen?

Voor kenners van de Hebreeuwse Bijbel is het een zeer brutale vraag. Ooit stond de profeet Elia op de berg Karmel. Er was drie jaren droogte geweest in het land en welke God zou het laten regenen zodat er een einde zou komen aan de hongersnood. Hij had het opgenomen tegen de vruchtbaarheidsgod van Kanaän, de Baäl. Achter die God was het volk achterna gelopen. Honderden priesters van die afgod hadden zich verzameld en een altaar gebouwd. Ze hadden zich verwond en hun bloed over het altaar gegoten. Maar er gebeurde niets. Spottend vroeg Elia hen toen of hun God misschien sliep. Misschien moesten ze wat harder roepen om hem wakker te maken. Maar ondanks alle inspanningen gebeurde er niks. Toen Elia water over zijn altaar liet gieten kwam er een wolkje en stak de God van Israël met een bliksemstraal zelf het vuur van het kletsnatte altaar aan en het offer en het altaar verbrandden toen. Daarom durft de Psalmdichter een beroep te doen op Gods trouw, ook wij mogen daarop vertrouwen als we het goede willen doen en niet dan het goede

Volg mij

Marcus 2:13-22

13 Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmenigte kwam naar hem toe, en hij onderwees hen. 14  Toen hij langs het meer liep, zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Levi stond op en volgde hem. 15  Op een keer was hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen volgden hem. 16  Toen de Farizeese schriftgeleerden zagen dat hij samen met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet hij met tollenaars en zondaars?’ 17  Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ 18 De leerlingen van Johannes en de Farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ 19  Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. 20  Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten. 21  Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. 22  Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’ (NBV)

Die Marcus schreef het kortste evangelie maar heeft soms ook de meest korte en heldere teksten. Gisteren was het bevel voor de verlamde vriend: “Sta Op”, en vandaag klinkt het: “Volg mij”. Die oproep is gericht aan een belastinginner. Bijna zou je zeggen een ambtenaar maar zo was het niet. Tot in de negentiende eeuw hadden wij dat systeem ook. Je ging naar de overheid en deed een bod op het recht lang de weg tol te heffen. Als het bod hoog genoeg was kreeg je dat recht en moest je zien er geld aan te verdienen. Kwam er meer verkeer langs dan je had verwacht dan verdiende je natuurlijk, kwam er minder verkeer langs dan moest je zien de tol te verhogen. In de dagen van Jezus was het niet anders. Alleen kwam die belasting niet ten goede aan het volk zelf maar aan de bezetters. De Keizer en de burgers van Rome leefden er goed van, de soldaten werden er van betaald maar de armen werden steeds armer en het volk werd onderdrukt.

Volgen van Jezus betekende letterlijk daartegen in opstand te komen. Dat zegt het verhaal dan ook, nadat de tollenaar Levi de oproep had gehoord stond hij op. En hij liet het er niet bij want hij zorgde dat het systeem zand in de molen werd gestrooid. Bij hem thuis gaf hij Jezus de gelegenheid aan andere belastinginners en mensen die de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving niet meer kenden uit te leggen wat het Koninkrijk van de Liefde nou eigenlijk kon inhouden. De bestaande religieuze leiders hadden een breekbaar evenwicht met de bezetter bereikt en een populaire prediker die opriep terug te keren naar de oude wetten en gebruiken van het volk, in de geest van de onvoorwaardelijke liefde, die dus onrust stookte konden ze niet gebruiken. Maar juist waar die liefdeloosheid heerst zijn de mensen die de Liefde dienen het meest nodig. Daarom zie je ook veel mensen uit kerken actief voor vluchtelingen en asielzoekers, daarom werken die mensen vaak in wereldwinkels, steunen ze de belangenverenigingen van mensen met een uitkering. Dat is het volgen van Jezus door op te staan en mensen op te roepen op te staan uit benauwende en onderdrukkende situaties.

Elke dag is dat nodig. Ook vandaag. En laat je niet wijsmaken dat het iets nieuws is. Dat het de moderne tijd is. Dat deze tijd er één is waarin je niet meer moet geloven dat de wereld ooit beter wordt. Dat al die mensen die er vanuit gaan dat er ooit een tijd komt dat de armen recht wordt gedaan nu gek zijn. Er zijn mensen die je dat wijs willen maken. Ze hebben een taal gezocht die bij jongeren past en vertellen nu op een nieuw manier, de manier van geen stijl, het oude verhaal van hebben en graaien als norm voor de samenleving. Samen delen en samen eten, zeker met vreemdelingen is daar niet bij. Geloven is voor hen vroom vasten in je eigen kerk, dan ben je wel belachelijk maar doe je zoals het hoort. Geloven is voor hen niet samen met mensen die er eigenlijk niet bij horen een gemeenschap vormen. Toch is dat nou juist wat Jezus van Nazareth ons in dit verhaal laat meebeleven. Doen dus. elke dag opnieuw, samen met zo veel mogelijk mensen die ook geloven dat er een aarde kan zijn van eerlijk delen, van vrede en recht en dat die aarde bij jezelf begint. Elke  zondag vind je die mensen in de Protestantse Kerk in de buurt.

Sta op

Marcus 2:1-12

1 Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. 2  Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap. 3  Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 4  Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. 5  Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ 6  Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 7  Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 8  Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 9  Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? 10  Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 11  ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 12  Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien, ‘zeiden ze. (NBV)

Altijd kunnen we weer opnieuw beginnen zeggen we hier vaak. Het is het hart van het verhaal, zonder dat zou het leven vergeefs zijn. Volledig opgaan in de liefde voor de naaste is een haast onmogelijke opgave, zeker als niet iedereen voortdurend meedoet en dat laatste is zeker niet het geval. Juist de tegenwerking van de rijken en de machtigen, de leugens die ze verspreiden en het verdraaien van woorden maken dat je verlamd raakt en ontmoedigd. Jezus van Nazareth woonde volgens het verhaal in Kafernaüm, dat volgens sommigen “Het huis van troost” betekent. En het is goed om te bedenken dat je dus weer opnieuw mag beginnen, Het verhaal dat we vandaag lezen is wat dat betreft zeer toepasselijk.

Vier vrienden dragen een verlamde tot bij Jezus. Alleen al het hebben van zulke vrienden doet je bijna genezen. Maar iedereen wilde wel bij Jezus zijn in die dagen dus het huis puilt uit van de mensen. Geen nood, ze lopen het dak op, dragen hun vriend naar boven en maken een gat in het dak waardoor ze hem kunnen laten zaken tot voor de voeten van de meester. De verlamde vriend moet en zal er bij horen. Volgens de religieuze leiders van die dagen moet God dat uitmaken, niet de mensen. Wij kennen zulke religieuze leiders, homohuwelijken moeten niet erkend worden want homo’s en lesbiennes horen niet bij onze samenleving. Condooms mogen niet uitgedeeld en laat staan gebruikt worden, Aids is immers een straf van God. Wie gescheiden is mag geen deel uitmaken van de geloofsgemeenschap. Op de rechterstoel van God heeft een geestelijke plaatsgenomen.

Jezus bestreed die opvattingen, geloof in de Liefde, in de leer van Mozes, heb uw naaste lief als uzelf, is genoeg. Daarvan gaat zelfs een verlamde weer lopen. De opdracht is daarom op de staan tegen dit soort leiders. Godslastering is niet het uit liefde opnemen van iedereen in je gemeenschap, Godslastering is het uitsluiten van mensen, van verdeeldheid zaaien tussen bevolkingsgroepen, godsdiensten en landen. Voordat het Pasen wordt vieren we het feest van Carnaval. Het feest van de omgekeerde wereld waar iedereen aan mag meedoen en je niet kunt zien wie er uitgesloten zou moeten worden. Een feest dat niet voor niets door het volk een Christelijk tintje heeft gekregen. De grootste zot voert daar de boventoon. Tijd dus om op te staan en mee te doen aan een samenleving waar de onderkant de boventoon voert.

Iedereen is naar u op zoek!

Marcus 1:35-45

35  Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden. 36  Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, 37  en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ 38  Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’ 39  In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit. 40 ¶  Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 41  Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ 42  En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein. 43  Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 44  ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’ 45  Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.(NBV)

Geleerden hebben het bij het lezen van het Evangelie van Marcus over het Messias geheim. Dat Jezus van Nazareth de bevrijder van Israël, de Messias, de Christus was, moest geheim blijven. Toch stroomden de mensen toe en ging het gerucht over hem door heel het land staat er voortdurend. Wat moest er dan geheim blijven? Wellicht toch de politieke betekenis van de persoon van Jezus van Nazareth. Uiteindelijk zou boven zijn hoofd aan het kruis het opschrift “Koning der Joden” verschijnen. De enige reden die de Romeinen konden hebben om hem ter dood te brengen. En Jezus van Nazareth was nu een maal niet een Koning zoals wij dat gewend waren in zijn dagen. Geen machtsgreep met behulp van een sterk leger. Geen geslaagde gewelddadige opstand. Maar een volk dat anders met elkaar gaat leven. Dat voor elkaar gaat zorgen, de minsten gaat helpen en altijd bereid is alles met elkaar te delen. Dat alle angst voor de dood heeft verloren en niet meer voor zichzelf leeft maar voor een ander. Daarvoor moest het volk zich bekeren zoals Johannes had geroepen en moesten ze eerst leren om zo te gaan leven. Jezus van Nazareth had het er maar druk mee, zelfs de rust van een stille plek werd hem nauwelijks gegund.

Soms is een hand uitsteken naar iemand gemakkelijk. Je hoeft er geen moeite voor te doen en ze zeggen evengoed dank je wel. Maar het kan ook zijn dat er gevaar bij komt kijken. Wie iemand uit het water haalt die dreigt te verdrinken wordt in elk geval nat maar loopt soms ook zelf gevaar. Veel mensen blijven daarom maar veilig op de kant staan te kijken en zien dan hoe iemand verdrinkt. Voor die mensen die zichzelf wel in de waagschaal stellen is er het Carnegie heldenfonds, die worden op voordracht van hun burgemeester in het zonnetje gezet. Ze zijn een voorbeeld voor onze samenleving want zonder mensen die een hand uitsteken kunnen we niet. Vrijwilligers die zieken verzorgen, we noemen hen mantelzorgers, maken dat zieken nog verzorgd worden. Voor de zorg van zieken, ouderen en zwakken is geen geld meer. Dat zeggen ze tenminste, er is natuurlijk geld genoeg maar zij die dat geld in overvloed hebben willen het niet delen, zeker niet voor zorg. Als ze zelf zorg nodig hebben dan huren ze wel wat in. Delen is er niet bij. Daarom zijn de mantelzorgers te prijzen. Zonder beloning zorgen ze voor zieken, zwakken of ouderen in hun directe omgeving.

Ook Jezus van Nazareth steekt de hand uit in het verhaal zoals dat door Marcus is opgeschreven. Eerst aan een vrouw, de schoonmoeder van Petrus, dan ook aan een melaatse. Wat we vroeger als melaatsheid lazen wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling “huidvraat” genoemd, echt Lepra of melaatsheid hoeft het niet geweest te zijn. Lepra is een in Afrika nog steeds veel voorkomende ziekte en een hand uitsteken naar de Leprastichting is daarom zeer aan te bevelen. Voor Jezus van Nazareth moest het gewoon worden dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving. Je gewoon laten herkeuren door de priesters, zoals Mozes voorschreef, en dan weer aan het werk. Maar nee, mensen die een hand uitsteken moeten nu eenmaal in het zonnetje worden gezet, ze zijn een uitzondering. Wij kunnen er ook voor zorgen dat die uitzondering de regel wordt. Als we allemaal beginnen elke dag tenminste één keer, en elke week een aantal uren de hand uit te steken naar een ander, naar iemand die dat nodig heeft, dan wordt dat delen met elkaar binnen de kortste keren ook een gewoonte. Dan is ook Jezus van Nazareth geen uitzondering meer, wordt onze wereld herschapen in een wereld waar voor iedereen een plaats is.

Wij bezetten het land

Psalm 83

1 Een lied, een psalm van Asaf. 2 God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe, 3 uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd. 4 uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen uw lieveling samen, 5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’6 Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen u verenigd: 7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van Hagar, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van Tyrus. 9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela 10 Doe met hen als met Midjan, als met Sisera en Jabin in het Kisondal, 11 die bij Endor werden vernietigd en als mest op het land bleven liggen. 12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb, hun leiders als Zebach en Salmunna, 13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God zijn woning heeft.’14 Mijn God, maak hen tot distelpluis, tot kaf dat verwaait in de wind. 15 Zo snel als vuur het bos verbrandt, als vlammen de bergen verschroeien, 16 laat zo uw storm hen voortjagen, uw wervelwind hen verwarren. 17 Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eerloos verloren gaan, voorgoed. 19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 83. Uit de vermelding dat het een psalm van Asaf is mogen we opmaken dat de Psalm gezongen werd bij de Tempel. Daar waar de Wet van de liefde werd bewaard en beoefend kwam het volk bij elkaar, waarschijnlijk voor een vastendag, samen te delen, maar ook om zich samen sterk te voelen als kinderen van de God die ooit had gezegd met hen mee te gaan. Want elk volk heeft zo zijn vijanden en zeker Israël kent een lange geschiedenis met volken die dat vruchtbare land wel zouden willen beheersen en zelfs bewonen. Er worden hier zelfs 10 vijandige volken genoemd waarvan er een aantal zelfs nog familie van Israël zijn. Edom, afstammelingen van Esau en de Ismaëlieten, afstammelingen van de oudste zoon van Abraham. Kennelijk waren ook de afstammelingen van Lot, de neef van Abraham in conflict geraakt met Israël. In de nieuwe Bijbelvertaling duikt overigens ineens Assyrië op in het rijtje, een land dat in andere vertalingen niet voorkomt.

De geleerden zijn het er niet over eens welke vijand hier nu weer wordt aangeduid. Het meest waarschijnlijk is de Arabische stam van de Assurieten die in het boek Genesis worden genoemd. Dat plaatst het ontstaan van de Psalm tenminste voor de ballingschap. God wordt gevraagd te doen met de vijanden wat er ook met de vijanden gebeurde in de dagen van de Rechters. In het Hebreeuws klinkt dit lied rauw en onheilspellend. Een paar duizend mensen dit lied horen zingen moet diepe indruk gemaakt hebben op de vijanden. Toch zingt de Psalm ook uit dat men niet zozeer voor eigen belang oorlog wil voeren. Juist de hebberigheid van de vijanden wordt veroordeeld. Daarom moet het een oorlog van de Heer zelf worden, ter bescherming van de armen, van de zwakken ook. Jezus van Nazareth zou veel later oproepen zelfs je vijanden lief te hebben. Een volk heeft niet altijd de keus geen oorlog te voeren als het wil blijven bestaan.

Maar uit deze Psalm kunnen we al leren dat er een groot verschil is tussen een veroveringsoorlog, waarbij de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf met voeten wordt getreden en een verdedigingsoorlog waarbij de nadruk ligt op het verdedigen van de zwaksten in de samenleving. In de dagen waarin deze Psalm ontstond was elk volk op zichzelf aangewezen. Bondgenootschappen werden gesmeed om er zelf beter van de worden. Bondgenootschappen gericht op onderlinge hulp en bijstand waren zeldzaam. Tegenwoordig hebben we de Verenigde Naties als organisatie gericht op het brengen van vrede en bescherming van de zwaksten op onze aarde. Daarom kunnen oorlogen worden afgemeten aan de vraag of ze met of zonder toestemming van de Verenigde Naties gevoerd worden. Maar dat we samen vragen om kracht om de armsten op aarde te beschermen is zeker vandaag een bede die we samen zingend kunnen aanheffen.

Een vredesregeling aanbieden.

Deuteronomium 20:10-20

10 Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden. 11 Als men op het voorstel ingaat en de poorten voor u opent, moeten alle inwoners van de stad tot herendienst worden gedwongen. 12 Als ze echter geen vrede willen sluiten en liever de strijd met u aangaan, 13 en de HEER, uw God, u de belegerde stad in handen geeft, moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. 14 Maar de vrouwen en kinderen en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buitmaken. U mag van de buit eten wat u wilt, want u krijgt het van de HEER, uw God. 15 Zo moet u te werk gaan bij de steden die op grote afstand van u liggen, buiten het gebied dat u nu gaat veroveren. 16 Maar daarbinnen, in de steden van het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten. 17 Alle Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten moet u doden, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen, 18 om te voorkomen dat u de gruwelijke dingen die zij voor hun goden doen van hen overneemt, waardoor u tegen de HEER, uw God, zou zondigen. 19 Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden? 20 Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog bent. (NBV)

Het gaat vandaag om de vraag wie wil meedelen van de overvloed en wie wil alles voor zichzelf houden. De volken die aan Israel hebben laten weten dat ze alles voor zichzelf willen houden en bovendien hun godsdienst aan iedereen wilden opleggen kunnen geen vrede sluiten, maar bij de anderen moet je het sluiten van vrede eerst proberen. Het oude Bijbelboek Deuteronomium stelt ons een aantal vragen die hoogst actueel zijn. Oorlog begin je niet zomaar. Als er geen goede antwoorden zijn op de gestelde vragen dan kun je er beter niet aan beginnen anders roep je meer onheil over je af dan heil. En onheil betekent een gebroken samenleving, heil een maatschappij waarin samen geleefd wordt.

Het gaat in dit gedeelte van Deuteronomium allereerst om de vraag hoe het land dat God het volk zal geven veroverd moet worden. Dat zal stad voor stad gaan. Sommige steden zullen zich direct aansluiten bij het volk Israël. Dan is er geen sprake van verovering. Maar voordat je een andere stad echt verovert zul je eerst een vredesregeling moeten aanbieden. In onze dagen horen we veel over onderhandelingen tussen Palestijnen en Israël, maar van een aanbod tot een vredesregeling door Israël horen we eigenlijk nooit. Hooguit dat een of andere partij van Palestijnen moet worden verboden. Natuurlijk als een stad weigert te delen, weigert om samen te leven met de nomaden die de woestijn zijn ontvlucht dan moeten ze het maar weten.

Wrede dictaturen, zoals we nu in Syrië zien, maken ons terecht kwaad en we zouden er wel op in willen hakken om een eind te maken aan het vergieten van onschuldig bloed. Maar Deuteronomium zegt ons iets anders. Eerst praten over vrede, niet zelf direct tot bloedvergieten overgaan. De stammen die genoemd worden en die moeten worden vernietigd zijn de stammen die absoluut niet willen delen, die beginnen te vechten nog voordat er is onderhandeld en die bovendien hun kinderen offeren om een overwinning te behalen. Maar Israël moet de vrede blijven zoeken. Zelfs met de bomen, als ze vrucht dragen die je kunt eten moet je ze laten staan, als je ze kunt gebruiken en ze dragen geen vrucht dan pas mag je ze omhakken. De zorg voor mensen blijft voorop staan, uiteindelijke doel is een land maken dat de glorie van God, dat is de liefde voor de mensen, uitdraagt over heel de aarde. Dat mag ook ons doel zijn, elke dag weer, ook vandaag.