We vagen alles weg

Psalm 74

1 Een kunstig lied van Asaf. Waarom, God, hebt u ons voor altijd verstoten, brandt uw woede tegen de schapen die u hoedt? 2 Denk aan het volk dat u ooit hebt verworven, de stam die u hebt vrijgekocht, uw eigen bezit, de Sionsberg waar u ging wonen. 3 Kom naar de stad die voor altijd in puin ligt, de vijand liet niets van het heiligdom heel. 4 In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders, zij zetten er hun zegetekens neer. 5 Zoals met kapmessen wordt ingehakt op struikgewas en kreupelhout, 6 zo sloegen zij met bijl en breekijzer al het snijwerk kort en klein. 7 Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd, de plaats waar uw naam woont, verwoest en ontwijd. 8 ‘We vagen alles weg, ‘zeiden ze, en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand. 9 Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer, en geen van ons weet voor hoe lang. 10  Hoe lang nog, God, zal de tegenstander u bespotten? Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen? 11 Waarom houdt uw hand zich in bedwang? Hef uw machtige hand en sla toe, 12 God, mijn koning van oudsher, die verlossing brengt in het hart van het land! 13 U hebt door uw kracht de zee gespleten en de koppen van monsters op het water verpletterd, 14 u hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld, hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn, 15 u hebt bronnen en beken laten ontspringen, altijd stromende rivieren drooggelegd. 16 Van u is de dag, van u is de nacht, u hebt maan en zon een vaste plaats gegeven, 17 u hebt de grenzen van de aarde bepaald, zomer en winter-u hebt ze gevormd. 18 Bedenk dit, HEER, nu de vijand u bespot en dwazen uw naam beschimpen. 19 Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren, vergeet uw vernederd volk niet voorgoed. 20 Kom uw verbond met ons na-vol is het land met duistere oorden, holen van geweld. 21 Laat verdrukten niet teleurgesteld heengaan, laat zwakken en armen uw naam loven. 22 Sta op, God, verdedig uw zaak, bedenk dat dwazen u dag na dag bespotten, 23 vergeet het razen van uw tegenstanders niet, het tieren van uw vijanden-het klinkt voortdurend op. (NBV)

Vandaag zingen we mee met een kunstig lied van Asaf. Asaf betekent verzamelaar en kan zowel een priester geweest zijn, als de samensteller van een liedboek waar een aantal psalmen aan werden ontleend. Dat “kunstig lied”werd in oudere vertalingen vertaald met onderwijzing of leerdicht. Maar het Hebreeuwse woord kan ook beschouwing betekenen en in dit lied overdenkt de dichter de afwezigheid van God. Hij leefde waarschijnlijk in de Perzische tijd, de tijd aan het eind van de ballingschap toen de Tempel en Jeruzalem herbouwd moesten worden en de ballingen mochten terugkeren. Zou dat de wens zijn van de God van Israël die hen in ballingschap had laten gaan? De God die ooit had beloofd altijd met het volk mee te gaan is er niet meer. De Tempel ligt in puin en de Tempelberg Sion is verlaten. Alles is stuk geslagen en de eretekens van de legereenheden van de vijand staan in het hart van de Tempel. Er is niemand meer die het volk over deze richtlijnen kan vertellen, geen profeet die de Weg wijst die God wil dat het volk gaat. Er gaat een diepe verlatenheid uit van deze Psalm. Is het niet zo dat, als wij niet te hulp komen bij de minsten op aarde, God verweten wordt dat hij het lijden van onschuldigen duldt?

Wij kunnen de profeten zijn die vandaag de dag de mensen opwekken om op te staan tegen het onrecht in Jemen. Wij kunnen om genade vragen voor de inwoners van Aleppo. Wij kunnen in Europa vragen om een verbod op de productie en de export van wapens, omdat we weten dat die wapens ooit tegen onze broeders en zusters gebruikt zullen worden. Als er ook in onze dagen geen profeet meer wordt gehoord zullen we zelf moeten spreken en het verhaal van onze God moeten vertellen. Want zoals de psalmdichter blijft geloven in zijn God, zo kunnen wij blijven geloven in zijn Weg en de belofte dat zijn Weg zal uitlopen op een wereld zonder tranen, een wereld waar het vrede is en waar elk mens gerechtigheid zal geschieden. In het tweede deel van deze Psalm draait de dichter de zaken om. Had de God van Israël het volk in de steek gelaten omdat het liever andere goden naliep. Had het volk de Wet van God, Heb-Uw-Naaste-Lief-als-Uzelf, verwaarloosd zodat onrechtvaardigheid het land was gaan beheersen. Was er vanuit Israël niets meer uitgegaan wat God eer zou kunnen bezorgen, en had daardoor God zijn handen van het volk afgetrokken, nu beroept de dichter zich op de spotters die de God van Israël bespotten omdat die het zwakke Israël in de steek heeft gelaten.

Die God was toch machtiger dan al die natuurverschijnselen die door de vijanden van Israël als god werden aanbeden? De zee, met haar machtige monsters, een zee zo machtig dat zij met de dood zelf werd vereenzelvigd. Bronnen en beken en altijd stromende rivieren, elk had bij de Heidenen een eigen god. De dag en de nacht, de zon en de maan, machtige goden met eigen Tempels en zelfs jaarlijkse bruiloften. De enige manier om tegenwicht te bieden aan die afgoderij is te zorgen dat de richtlijn van de God van Israël weer gevolgd gaat worden. Dan zullen armen en zwakken de naam van God weer loven. Dat zal ook indruk maken. Want de goden van goud en beloften brengen alleen afgunst en oorlog voort. Die zorgen voor de financiële, economische en voedselcrisis. Het volgen van de Wet van de God van Israël zorgt dat de hongerigen weer gevoed worden, dat lammen kunnen lopen en blinden kunnen zien, dat alle tranen gewist worden en dat het overal op aarde vrede is. Aan die nieuwe wereld kunnen we vandaag gaan werken. God zal ons niet in de steek laten, laat dan ook God niet in de steek.

Uit de wolk klonk een stem

Marcus 9:2-13

2  Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, 3  zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen. 4  Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus. 5  Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’ 6  Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd. 7  Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!’ 8  Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond. 9  Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. 10  Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood. 11  Ze vroegen hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ 12  Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? 13  Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’(NBV)

We willen graag alles begrijpen, alles vasthouden en alles voorzien. Dat zit nu eenmaal in onze aard. En als het gaat om aardse zaken is het ook zo gek nog niet. Ruimteschepen vliegen af en aan naar het ruimtelaboratorium ISS. Een prestatie van formaat. Er zijn medicijnen die zorgen dat mensen die besmet zijn met HIV geen AIDS meer kunnen krijgen. Een groot deel van de kankerpatiënten geneest tegenwoordig en ook behandelingen tegen Alzheimer komen langzaam in zicht. We bestrijden een wereldwijde pandemie met vaccinaties. De studie over menselijk samenleven en de vrede bewaren mag nog wel wat geïntensiveerd worden maar het is eigenlijk meer jammer dat bestuurders en machthebbers zo weinig kennis nemen van de wetenschappelijke resultaten op dit gebied. Als het gaat om de Bijbel is dat willen weten, meten, verklaren en voorzien wat minder vruchtbaar.

We weten dat aan alles een eind komt. Sterren storten in tot zwarte gaten, ooit was er een grote knal waarmee alles begon en ooit zal alles ineenstorten tot een groot zwart gat. We geloven dat God er dan iets mee te maken heeft, dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar geen pijn en geen verdriet meer is. Dat geloof zet ons in beweging om pijn en lijden te bestrijden. Zoals Mozes niet ging wachten op de nieuwe aarde maar zijn volk uit Egypte leidde en Elia zijn mond niet hield maar de misstanden in de samenleving luidkeels aan de kaak stelde wachtte ook Jezus niet tot God ingreep maar begon hij brood te breken en mensen weer bij de samenleving te betrekken. Dat is mooi en dat willen we vastleggen. Zo zijn er veel zogenaamde Christenen die zich voortdurend bezig houden met de eindtijd en de tekenen die daar op zouden kunnen wijzen.

Maar juist vastleggen en nameten is niet aan de orde. Het verhaal van Jezus is een verhaal van beginnen en opnieuw beginnen, telkens weer. In de ogen van de wetenschap een bespottelijk verhaal, maar voor wie er in mee wil doen een glanzende werkelijkheid van bevrijding uit de slavernij van alle dag en het aan de kaak stellen van het kwade in de wereld. Ondanks de voortdurende nieuwe inzichten van de wetenschap gelooft men toch dat alles in de wetenschap vast ligt. Jezus neemt in het verhaal van vandaag de leer van Mozes en het verhaal van de profeten met zich mee. Dat geeft hem glans. Een glans waarvan de betekenis pas duidelijk wordt na de opstanding. Maar die glans kunnen we vandaag ook weerspiegelen daar kun je mee rekenen, en als er een morgen is dan begint het gewoon weer als nieuw.

Die zijn leven wil behouden

Marcus 8:27–9:1

27 Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ 28  Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ 29  Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ 30  Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken. 31  Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32  hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. 33  Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ 34  Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. 35  Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. 36  Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? 37  Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? 38  Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ 1 Verder zei hij ook nog: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.’(NBV)

Christendom is soms net Haarlemmer Olie. In vroeger dagen geloofden mensen dat Haarlemmer Olie je kon genezen van alle soorten kwalen. Was je ziek dan had je maar een paar eetlepels Haarlemmer Olie te nemen en je werd er beter van. Dat werkte natuurlijk niet echt maar als je er in gelooft kan het helpen. Veel huis tuin en keuken kwaaltjes verdwijnen vanzelf na een paar dagen en als je dan die paar dagen Haarlemmer Olie hebt geslikt dan schrijf je de genezing gemakkelijk toe aan dat medicijn. Zo is het ook als je tijdens zo’n lichte ongesteldheid hebt gebeden om genezing. Ja het helpt, je geneest. Maar ook dat gebed heeft net zomin geholpen als de Haarlemmer Olie. Toch hoor je sommige voorgangers en evangelisten nog wel eens verkondigen dat je geneest van je ziekten, dat je problemen worden opgelost, dat zelfs je schulden verdwijnen als je maar gaat geloven in Jezus van Nazareth als je Messias, je bevrijder van alle aardse ellende. Want Messias, in het Grieks Christos, betekent toch “bevrijder” en de discipelen hadden het toch bij het rechte eind toen ze Jezus van Nazareth aanwezen als hun Messias?

Natuurlijk, maar dat wilde toen niet zeggen dat alle ellende voorbij was en dat wil het nog steeds niet zeggen. Jezus van Nazareth zelf zou de eerste zijn die de dood onder ogen moest zien omdat hij zijn liefde voor mensen door de dood heen wilde volhouden. Maar ook daarmee zou het lijden voor zijn leerlingen niet de wereld uit zijn. Integendeel, ook zij moesten bereid zijn hun kruis op zich te nemen. Zo moeten ook wij bereid zijn het lijden van onszelf te dragen en het lijden van de wereld onder ogen te zien. Het Christen zijn voorkomt niet dat je kinderen kunnen omkomen bij brand of ongeval of sterven door ziekte. Het Christen zijn betekent niet dat je gevrijwaard bent voor seksueel, zinloos of huiselijk geweld. Christen zijn voorkomt niet dat je ziek wordt en arbeidsongeschikt, of gehandicapt raakt. Christen zijn betekent wel dat je een open oog hebt voor anderen die dat overkomt en die jouw hulp en steun nodig hebben. Christen zijn betekent dat je een open oor hebt voor die mensen die om hulp roepen.

Christen zijn betekent dus niet dat je minder met lijden te maken hebt maar het betekent dat je ook nog te maken wil hebben met het lijden van anderen. Want alleen als we bereid zijn te maken willen hebben met het lijden van de minsten in de wereld dan kunnen we een weg vinden om alle lijden de wereld uit te helpen. Daarvoor moeten we bereid zijn om het lijden desnoods door de dood heen te dragen. Die weg is een onvoorwaardelijke liefde voor mensen, onvoorwaardelijk afzien van geweld maar blijven kijken en luisteren naar de zwaksten. Niet om er zelf iets voor terug te krijgen, want liefde zoekt zichzelf niet heeft Paulus ons geleerd maar om onze samenleving er rijker door te maken. Het meest merkwaardige is dat die last niet een zware last is, als we werkelijk willen werken aan een wereld zonder lijden dan zal die last licht blijken te zijn. We kunnen dat kruis vandaag nog op ons nemen zoals elke dag opnieuw.

Het zijn net bomen

Marcus 8:14-26

14  De leerlingen waren vergeten genoeg brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich in de boot. 15  Hij waarschuwde hen: ‘Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de Farizeeën en voor de zuurdesem van Herodes.’ 16  Ze hadden het er met elkaar over dat ze geen brood hadden. 17  Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? 18  Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer 19  hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?’ ‘Twaalf, ‘antwoordden ze. 20  ‘En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 21  Toen zei hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ 22 Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. 23  Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24  Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25  Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (NBV)

Soms zie je door de bomen het bos niet meer. We willen zo graag alles onder controle hebben dat we de meest voor de hand liggende oplossingen niet meer zien. En we zijn altijd maar bang tekort te komen. Jezus van Nazareth werd er bijna wanhopig van. Hij had hele menigten er toe gebracht het weinige dat ze hadden met elkaar te delen. En steeds bleek dat van dat weinige zelfs nog een heleboel kon overblijven. En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op.

We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen. En ook als je de mensen om je heen dan gaat zien moet je uitkijken. De blinde die weer kon zien zag de mensen alsof het bewegende bomen waren. En mensen als bomen kennen we uit de Psalmen. Het zijn de rechtvaardigen die de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf dag in dag uit in praktijk brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan. Maar alle mensen als rechtvaardig zien is ook weer niet goed. Er zijn immers mensen die willen delen en mensen die juist niet willen delen. Dat onderscheid moeten we zien te maken.

Dat delen begint bij onszelf, dat wat we hebben weten te delen met hen die niets hebben in het vertrouwen dat er voor ons allemaal genoeg is. Maar het moet daar niet bij blijven steken. Het moet als zuurdesem de samenleving op smaak brengen. Alles in onze samenleving moet gericht zijn op samen werken, samen leven en samen delen. Als dat samen delen ontbreekt ontstaat een dode samenleving. Dan werken we wel zo veel mogelijk allemaal, dan leven we ook wel allemaal tegelijk, dan lijkt het wel op samen leven maar zonder delen is er geen leven, dan gaan mensen dood aan ons werken, aan ons leven. Daarvoor zullen we niet alleen onze eigen ogen moeten openen maar daarvoor zullen we ook de ogen van anderen moeten willen openen. Opdat we een samenleving krijgen waar blinden zien, doven horen en lammen weer in beweging komen. Aan die samenleving mogen we elke dag opnieuw  en dus ook vandaag beginnen.

Met een lege maag

Marcus 8:1-13

1 Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen:  2  ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten. 3  Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, zullen ze onderweg bezwijken; sommigen zijn immers van ver gekomen.’ 4  Zijn leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’ 5  Hij vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 6  Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. 7  Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. 8  De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. 9  Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. 10 Meteen daarna stapte hij met zijn leerlingen in de boot en voer naar het gebied van Dalmanuta. 11  Daar kwamen de Farizeeën op hem af, en ze begonnen met hem te discussiëren. Om hem op de proef te stellen, verlangden ze van hem een teken uit de hemel. 12  Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’ 13  Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant. (NBV)

Er staan verschillende verhalen in het Nieuwe Testament over Jezus van Nazareth die met maar een paar broden een hele menigte te eten gaf. Hoeveel broden er nu precies waren verschilt per verhaal. Soms zijn het twee broden en vijf vissen, soms vijf broden en twee vissen en hier zijn het zeven broden en nog een paar kleine vissen. Dat het er zeven waren is niet zo vreemd. Er zijn zeven dagen in een week en er was dus brood genoeg om elke dag te eten te hebben. Maar wij mensen hebben niet genoeg aan ons dagelijks brood. We zijn tenminste bang om niet genoeg te hebben aan ons dagelijks brood. We willen altijd meer en nog meer. Zelfs als bij het brood ook nog wat gezonde vis komt, dan nog denken we niet genoeg te hebben. In het gebed dat Jezus van Nazareth aan zijn leerlingen heeft geleerd, dat dagelijks overal in de wereld door zijn volgelingen wordt gebeden, wordt ook om niet meer gevraagd dat om het dagelijks brood. Als je meer wil kom je al snel op het terrein van de zonden terecht.

En dagelijks brood is voor iedereen genoeg, voor iedereen op de hele wereld, als we maar bereid zijn om te delen is het er ook voor iedereen. En als het wonder is geschied dat je met een hand vol broden en een paar vissen een hele menigte te eten kan geven dan nog vragen mensen om wonderen uit de hemel. Jezus van Nazareth moest er van zuchten. Ook vandaag lijken de wonderen uit de hemel soms belangrijker dan gewoon het delen van het dagelijks brood, desnoods met een stukje vis. Grote massale bijeenkomsten met veel muziek en opzwepende sprekers en boeiende debatten zijn belangrijker en aansprekender dan de Wereld Handels Conferenties waar de spelregels over eerlijk delen tussen de volken worden afgesproken. Net als onze financiële en economische crisis veel belangrijker en erger lijkt dan de voedselcrisis waar elke dag duizenden aan sterven bij gebrek aan dagelijks brood. En juist dat eerlijk delen en zorgen dat iedereen te eten heeft kan de meeste indruk maken.

Het is overgebleven in de verhalen over de Profeten en het staat al bij Marcus twee keer en ook bij de andere evangelisten wordt er over verteld. We hoeven niet zo bang te zijn dat we ons dagelijks brood niet krijgen, we krijgen er zelfs nog een stukje vis bij. Marcus vertelt het niet voor niets twee keer, een keer voor het volk Israël en als hij geleerd heeft dat de Heidenen nog de kruimels van de tafel mee eten volgt er ook nog een les in delen voor de Heidenen. We hoeven het ook niet te pikken dat onze broeders en zusters in de armste landen in de wereld sterven van de honger. Als we in staat worden gesteld eerlijk te delen is er ook voor hen een dagelijks brood, zelfs met een stukje vis er bij. In het gebed van Jezus van Nazareth bidden we om “ons” heden ons dagelijks brood te geven. We bidden dus niet alleen voor onszelf maar juist ook voor onze broeders en zusters. Daarom mogen we ook vandaag weer beginnen met delen.

Ga open!

Marcus 7:24-37

24 Hij ging weg en vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam hij zijn intrek in een huis, en hoewel hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het hem niet onopgemerkt te blijven. 25 Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over hem gehoord had naar hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine geest bezeten was. 26 Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven. 27 Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’ 28 De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’ 29  Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’ 30 En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn. 31 Hij vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis. 32 Daar werd iemand bij hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte hem om deze man de hand op te leggen. 33 Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel zijn tong aan. 34 Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’ 35 Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken. 36 Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar hoe strenger hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden. 37  De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat hij doet is goed: zelfs doven laat hij horen en stommen laat hij spreken.’ (NBV)

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen ze je zo lastig vallen dat je met je leerlingen zelfs geen tijd krijgt je handen te wassen voor het eten dan moet je iets anders verzinnen om tot rust te komen. Het buitenland is dan een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kon er voor de corona uitbraak doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij.

Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd. Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren.

Wij laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving. Voor Grieks sprekende mensen moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Effatha is Aramees en betekent “Ga open”, je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. Zo moet je dus eigenlijk met alle gehandicapten omgaan, kijken wat ze wel kunnen als we er voor zorgen, hen een volwaardige plaats geven in de samenleving. We hebben er tegenwoordig een wet voor. Maar mensen die zelf een beperking hebben mogen niet aangeven wat ze nodig hebben, we staan daar niet voor open, mensen zonder die beperking bedenken wel wat nodig is. Tijd dus om Effatha te roepen en ons open te stellen. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog

Die maken de mens onrein

Marcus 7:14-23

14  Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. 15  Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ 16 17  Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen hem om uitleg over deze uitspraak. 18  Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken 19  omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde hij alle spijzen rein.20  Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. 21  Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22  overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; 23  al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’(NBV)

Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar ze kijken niet naar het waarom van dit breken van de wet. Die leerlingen hadden het druk. Overal waar Jezus van Nazareth kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. De richtlijnen van God laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. In onze dagen speelt het handenwassen een belangrijke rol. Via de handen kan je zomaar onbedoeld een dodelijk virus overbrengen. En ook in de dagen van Jezus was het vuil om je heen een goede reden om voor het eten de handen te wassen.

Maar hebben die Farizeeën het nog wel over handen wassen? In het Grieks staat dat de handen gewassen worden met de vuist. Een rare uitdrukking maar bedoeld om duidelijk te maken dat het gaat om rituele wassingen, geen echte. De Farizeeën wasten ritueel alle heidendom van het eten af. Daarmee lieten ze zien beter te zijn dan anderen. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

De bedoeling van Marcus met zijn Evangelie was om verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden. De komst van grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden de apostelen na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

Met onreine handen

Marcus 7:1-13

1 Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op. 2  En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen 3  (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, 4  en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), 5  toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ 6  Maar hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; 7  tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” 8  De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ 9  En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! 10  Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? 11  Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’ (wat ‘offergave’ betekent), 12  ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, 13  en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ (NBV)

Mensen maken wetten die als een last worden ervaren. In onze dagen spreken we dan van regeldruk die verminderd moet worden, tenminste als het om regels gaat die onszelf raken, regels die alleen anderen raken moeten worden aangescherpt. Maar het volk Israël kreeg haar regels in de Woestijn. Toen was er geen land en geen volk dat in steden en op een platteland leefde. Het verhaal van die regels gaat over een groep ontvluchte slaven en die regels waren bedoeld om ze als een bevrijd volk te laten leven. Het waren richtlijnen waarlangs het leven zich kon ontwikkelen. Maar wetten zoals mensen die maken leggen het leven vast. Vooral de farizeeën probeerden de wetten uit het Oude Testament zo nauwkeurig mogelijk na te komen alsof het wetten van mensen waren. Jezus van Nazareth leek het vaak niet zo nauw met die wetten te nemen. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten.

Wie houdt nu de Tora en waarom? Dat zijn de vragen waar het in dit Bijbelgedeelte om gaat. Jezus van Nazareth lijkt voortdurend te benadrukken dat de regels er zijn voor de mensen en niet de mensen voor de regels. De heiligheid van het offer zou dus niet de hulp aan je ouders in de weg moeten staan. De tien woorden die God zelf in de stenen platen schreef geeft als richtlijn dat je je vader en moeder moet eren. Voor het volk dat het beloofde land binnentrok betekende dat ook dat ze zich niet moesten schamen voor het slaaf geweest zijn van hun voorouders. Ook onder ons zijn er afstammelingen van slaven die weigeren dat nog langer te verzwijgen. Dat zij zich uitspreken over het leed hun ouders aangedaan is dus zeer Bijbels. Maar het verhaal gaat nog verder. Elke familie had bij de verdeling van het land een stuk grond gekregen waar je van moest leven. Als je ouders te oud zijn dan worden zij hun kinderen tot last.

Daar hadden die kinderen iets op gevonden. Om te voorkomen dat mensen gingen pronken met de offers die ze zouden gaan brengen zonder die offers ook daadwerkelijk te brengen, was er de regel dat als je eenmaal een deel van je bezit tot offer had bestemd en dat bekend had gemaakt je er niet meer handel mee mocht drijven. Je mag er dus ook niet je ouders van onderhouden. Belastingontwijking noemen wij dat. Schelden op de armen die de armoede aan zichzelf te wijten zouden hebben. Iedereen die aanvullende steun nodig heeft tot crimineel bestempelen maar zelf onder de regels uit duiken door slimme toepassing van regels verdient dezelfde kritiek die Jezus hier aan de Farizeeën geeft. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

Dit zijn harde woorden

Johannes 6:60-71

60 Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ 61 Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? 62 Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was? 63 De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is Geest, en leven. 64 Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie hem zou uitleveren. 65 ‘Daarom heb ik jullie gezegd, ‘zei hij, ‘dat iemand alleen bij mij kan komen als het hem door de Vader gegeven is.’ 66 Toen trokken veel leerlingen zich terug en gingen niet verder met hem mee. 67 Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ 68 Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, 69 en wij geloven en weten dat u de Heilige van God bent.’ 70 Jezus zei: ‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een duivel.’ 71 Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren. (NBV)

De kerken lopen leeg. We doen een beetje of dat iets is van de laatste tijd, van de laatste jaren. Mensen in het Westen worden zo rijk dat ze de kerken niet meer nodig hebben. Tegelijk groeien de kerken in de zogenaamde ontwikkelingslanden. Het Christendom is wereldwijd een snelgroeiende religie. Nu is de leegloop al begonnen toen Jezus van Nazareth nog op aarde rondliep lezen we vandaag in het verhaal van Johannes. Zelfs aan de meest trouwe volgelingen moest de vraag worden gesteld of ook die wellicht weg wilden gaan. Maar zover was het niet. Gelovigen vinden het vaak maar raar dat mensen afhaken. Het zijn toch prachtige verhalen over de wonderbare spijziging, zomaar brood krijgen en je honger stillen zonder er wat voor te doen. Het lopen over het water, iemand die de storm in je leven op wonderbare wijze stilt. Prachtig toch. Maar daar gaat het niet over vertelt Jezus vervolgens in de Synagoge.

Het gaat er om samen een volk te vormen dat bereid is voor de armsten te zorgen, bereid is te delen met elkaar en dat niet bang is voor de toekomst. Dat is het leven waar Petrus het over heeft, het eeuwige leven. En rijken willen nu eenmaal niet delen en onderdrukten zijn vaak bang nog meer onderdrukt te worden als ze niet gehoorzamen. Die rijken hebben we bij ons het Westen, de onderdrukten omringden Jezus van Nazareth. En de bevrijding kwam bij hem niet door geweld maar door het vormen van gemeenschappen van liefde, een liefde die het zelfs door de dood heen zou uithouden. De liefde is van God, is hemels, Jezus bracht die op aarde en zou dus weer naar de hemel gaan. Aan ons om er mee door te gaan. Er is in de kerken lang geprobeerd de mensen vast te houden. Die armen en minsten moest je maar niet te zeer voorop zetten. Angst was een beter medicijn, angst voor de dood, het eeuwige leven kwam daarna, angst voor wederkomst van Jezus, dan werd je veroordeeld.

Dat werkt dus niet. De smoesjes van stil maar wacht maar het komt vanzelf gaan niet op. De bangmakerij van sommige voorgangers is direct in strijd met het Evangelie van Vreest Niet! Alleen het vormen van gemeenschappen die oog blijven houden voor de mensen langs de kant van de weg, de navolging van Jezus van Nazareth, gemeenschappen waar vreemdelingen welkom zijn, gemeenschappen waar niet het eigen gelijk, de eigen eer, het eigen belang, voorop staan, brengen nog uitkomst. Soms zijn het kleine groepjes van mensen die rond het breken van het brood en het delen van de beker bij elkaar komen. Mensen die elkaar inspireren om het kwade te bestrijden door het goede te doen. Die elkaar afremmen om niet ongeduldig met geweld de samenleving te willen veranderen maar alleen liefde te gebruiken. Bij Jezus van Nazareth was ook een volgeling die de zaak zou proberen te forceren, Judas, maar dat zou niet werken. Wij mogen gelukkig nog steeds die Weg van Liefde volgen, elke dag opnieuw, met alle mensen die ook die weg willen gaan, steeds opnieuw, ook vandaag weer.

Ik verzeker u

Johannes 6:47-59

Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven. 48 Ik ben het brood dat leven geeft. 49 Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. 50 Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. 51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’ 52 Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ 53 Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. 54Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. 55 Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. 57 De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. 58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’ 59 Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar onderricht gaf. (NBV)

Is dit een recept voor kannibalisme? Het lichaam van Jezus wordt tot brood en wijn en voortaan is het niet meer nodig om brood te eten zoals in de woestijn het manna werd gegeten maar in het vervolg eet je het lichaam van Christus. En pas op het is niet het brood dat in vlees veranderd en de wijn die in bloed veranderd maar wat er staat is net andersom, het is het brood dat in vlees veranderd en het bloed dat in wijn veranderd. Toch is die vraag naar kannibalisme is niet zo vreemd. Het klinkt als een vreemd totaal ziek verschijnsel, en in onze cultuur is het dat meestal ook. Maar in culturen waar het opeten van gestorven mensen een belangrijke zaak was had het ook een uitdrukkelijke bedoeling. De kracht en de wijsheid van de overledene zou overgaan in degene die diens vlees had genuttigd.

Zo is in het Christendom ook dat eten van het lichaam van Christus bedoeld. Door ons bij het eten van het brood te herinneren aan het gebroken lichaam van Christus kunnen wij leren ons te vereenzelvigen met zijn manier van de wereld benaderen. Niet zijn lichaam was daarbij belangrijk maar het leven van de mensen om hen heen. De zieken, de lammen, de hongerigen, de slachtoffers van onderdrukking en geweld. Als wij in Christus zijn staan wij met hem op om een eind te maken aan die dodende omstandigheden waaraan mensen sterven. Paulus schrijft ergens dat je misschien wel duizend keer per dag met Christus moet opstaan. Perfect zullen we dus daarin niet worden. Maar hoe meer we het weten vol te houden hoe beter de wereld wordt. Dan wordt aandacht gegeven aan gevangenen, worden vluchtelingen opgevangen, worden vreemdelingen behandeld als horende tot ons volk.

Johannes besluit met een mededeling die veel duidelijk maakt, Jezus van Nazareth zei dit allemaal in de synagoge van Kafernaüm waar hij onderricht gaf. Dat betekent dat we dit verhaal moeten betrekken op het Oude Testament, want om het Oude Testament draaide het allemaal in de synagoge en ook al schreef Johannes zijn verhaal vele tientallen jaren nadat het allemaal gebeurd was ook in zijn tijd stond het Oude Testament in de synagoge centraal. In dit verhaal werd een lam geslacht en gebraden voor een laatste maaltijd in het slavenhuis. Het bloed van dat lam dat aan de deur werd gesmeerd, zodat de engel des doods die deur voorbij zou gaan. Het ongezuurde brood, niet gerezen dus, dat meegenomen moest worden op de reis door de woestijn. Jezus van Nazareth roept in wezen op terug te keren naar de tijd dat ieder van het volk onvoorwaardelijk op de anderen aangewezen waren. Niet het verbond moet worden aanbeden, maar de God met wie dat verbond werd gesloten. Hoe je dat doet staat in die richtlijnen. Aan de arbeid dus, ook vandaag weer.