Niet op de schijn af

Johannes 7:14-24

14 Toen het feest al halverwege was, ging Jezus naar de tempel en hij gaf er onderricht. 15 De Joden waren verbaasd: ‘Hoe weet hij dat allemaal, terwijl hij geen opleiding heeft gehad?’ 16 Jezus zei: ‘Wat ik onderwijs heb ik niet van mijzelf, maar van hem die mij gezonden heeft. 17 Wie ernaar streeft te doen wat God wil, zal weten of mijn leer van God komt of dat ik namens mezelf spreek. 18 Wie namens zichzelf spreekt, is uit op zijn eigen eer, maar wie uit is op de eer van wie hem gezonden heeft is betrouwbaar; hij bedriegt niemand. 19 U hebt van Mozes toch de wet gekregen? Maar niemand houdt zich aan de wet. Waarom probeert u mij te doden?’ 20 ‘U bent bezeten!’ riepen de mensen. ‘Wie probeert u dan te doden?’ 21 Jezus antwoordde: ‘één ding heb ik gedaan, en u staat allemaal versteld. 22 Nu heeft Mozes u de besnijdenis gegeven-niet dat die van Mozes komt, ze komt van de aartsvaders-en u besnijdt ook op sabbat. 23 Als er op sabbat besneden wordt omdat anders de wet van Mozes wordt overtreden, waarom bent u dan kwaad wanneer ik op sabbat iemand helemaal gezond maak? 24  Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw oordeel rechtvaardig zijn.’ (NBV)

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat geldt dus ook voor Jezus van Nazareth leren we van de evangelist Johannes. Jezus ging immers in het geheim naar Jeruzalem, niet om daar groot opzien te baren en menigten om zich te verzamelen die hem zouden aanbidden maar omdat je op het Loofhuttenfeest nu eenmaal naar de Tempel gaat. Maar hij kan het niet laten, er moet onderwezen worden aan een volk dat dreigt de onderwijzing van Mozes ontnomen te worden. Want de Tempel in Jeruzalem is niet meer de plaats van ontmoeting. De plaats waar overeenkomstig de Godsdienst van Israël in samen delen en in het met elkaar maaltijd houden wordt geoefend. De Tempel in Jeruzalem is een plaats van religie, waar geofferd wordt, waar gehandeld wordt, waar Priesters worden geëerd en gehoorzaamd. De Tempel in Jeruzalem verschilt maar heel weinig meer van de Tempels van de goden van Grieken en Romeinen. De verbazing is groot, de zoon van een timmerman uit Galilea staat als leraar en onderwijzer in de Tempel van Jeruzalem, hoe is het mogelijk.

Galilea stond immers bekend als het land van de heidenen en timmermannen wisten wel het een en ander van de Schriften maar deze leraar had zeker geen opleiding tot Schriftgeleerde gehad. Het optreden van Jezus van Nazareth in de Tempel had de religieuze autoriteiten altijd al verbaasd. De evangelist Lucas vertelt het verhaal van de twaalf jarige Jezus die in de Tempel de mensen tot verbazing bracht. Nu is opnieuw de vraag waar hij toch die wijsheid vandaag haalt. En dan past Jezus van Nazareth een regel op zichzelf toe die hij ook op anderen toepast. Aan de vruchten kent men de boom. Is hier sprake van eigen eer of van de wil van God? Het gaat er dus niet om hoe vroom of hoe knap, of hoe Christelijk je spreekt maar wat de gevolgen zijn van hetgeen waartoe je oproept. En natuurlijk of je die mooie woorden ook zelf waar maakt. In de Tempel in Jeruzalem werd vanouds de onderwijzing van Mozes bewaard. De eerste vijf boeken van de Bijbel worden bij elkaar de leer van Mozes genoemd maar het hart er van zijn de tien Woorden. Die stonden op stenen gegraveerd die in een kist lagen, de ark heette die, en die vormde het hart van de Tempel. Die ark was al lang verdwenen in de dagen van Jezus van Nazareth maar de functie van de Tempel was dezelfde gebleven. Daar hoorde je van de leer van Mozes, zoals die in de woestijn aan het volk waren gegeven.

Die leer liet zich samenvatten in het “Heb uw naaste lief als uzelf”. En daar gaat het in de discussie dan ook over. Ritueel en dus religieus moesten jongens worden besneden, daar werd grote nadruk op gelegd, maar volgens de samenvatting van de onderwijzing van Mozes ging een zieke altijd voor. Kun je dan op de Sabbat, de religieuze rustdag, wel de besnijdenis doen en zou je dan niet mogen genezen? Ook wij lopen het gevaar religie te verwarren met de godsdienst van de God van Israël. Keurige pakken, strakke jurken, kleurige hoedjes en twee keer op zondag naar de kerk waar vrome psalmen en gezangen worden gezongen bepalen het beeld dat veel mensen hebben van het Christelijk geloof. Maar dat is een verkeerd beeld. Het Christelijk geloof vindt je in de hulp voor de zwakken de minsten in de wereld. In de voedselbanken, in de Fair Trade en wereldwinkels, bij Amnesty International en Sabeel, in de vredesbeweging en misschien ook wel in de Occupy beweging met zijn roep om een eerlijkere verdeling van de welvaart die we samen verdienen. Meedoen met de beweging van het Christelijk geloof mag elke dag opnieuw, niemand hoeft zich schuldig te voelen het te hebben verwaarloosd, iedereen die wil meedoen is welkom, de rest wordt je vergeven. Rechtvaardigheid staat ook vandaag weer voorop in die beweging.

Een goed mens

Johannes 7:1-13

1 Daarna trok Jezus door Galilea; in Judea wilde hij niet komen, omdat de Joden daar hem wilden doden. 2 Nu naderde het Joodse Loofhuttenfeest, 3 en daarom spoorden Jezus’ broers hem aan: ‘Blijf toch niet hier, ga naar Judea; dan zien ook je leerlingen het werk dat je doet. 4 Niemand doet toch iets in het geheim als hij bekend wil worden. Als je dit soort dingen doet, laat je dan zien aan de wereld.’ 5 Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem. 6 Maar Jezus zei: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, voor jullie is elke tijd goed. 7 De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel, omdat ik verklaar dat wat ze doet slecht is. 8 Gaan jullie maar naar het feest; ik ga niet, omdat de tijd voor mij nog niet rijp is.’ 9  Dat zei hij, en hij bleef in Galilea. 10 Maar toen zijn broers naar het feest vertrokken waren, ging hij zelf ook, niet openlijk, maar in het geheim. 11 Intussen keken de Joden op het feest al naar hem uit en ze vroegen zich af waar hij was. 12  Overal werd over hem gesproken: sommigen vonden dat hij een goed mens was, anderen meenden dat hij het volk misleidde. 13 Maar niemand durfde openlijk over hem te spreken uit angst voor de Joden. (NBV)

Vandaag een feestverhaal, tenminste een verhaal over een feest. Het gaat over het Loofhuttenfeest. Dat was een soort oogstfeest in de Herfst. Iedereen moest dan van takken een hut maken en daar zeven dagen wonen. Dat herinnerde aan de reis in de woestijn en aan het Grote Gebod dat daar was ontvangen. Het Loofhuttenfeest was één van de feesten waarbij het volk bij de Tempel een maaltijd moesten houden met de familie, de armen, de vreemdelingen en de dienaren van de Tempel. Daarom willen de broers van Jezus van Nazareth ook graag dat hij naar Jeruzalem gaat, rond blijven trekken in Galilea levert niet genoeg op, het hoogtepunt moet komen in Jeruzalem. Martelaar worden is natuurlijk mooi, je weet dan zeker dat je beroemd wordt en dat iedereen over je zal willen praten. Maar Martelaar worden is ook een beetje zinloos, tegenwoordig zelfs een beetje zielig. Want er zijn martelaren en martelaren.

Er zijn martelaren die het martelaarschap niet hebben gezocht. Die dat tot het laatst uit de weg gingen tot het niet meer mogelijk was. Maar die ondanks de vervolging hun geloof, hun ideaal of hun overtuiging vast bleven houden, ondanks de vervolging die hun ten deel viel. Uiteindelijk zou ook Jezus van Nazareth een dergelijke martelaar worden. Niet op een feest dat het einde van de Uittocht herdacht, de reis door de woestijn en het land overvloeiende van melk en honing dat daarna kwam, maar op een feest dat het begin van de bevrijding herdacht. Het Pesachfeest herinnerde immers aan de bevrijding uit Egypte, aan de laatste maaltijd daar, aan het lam dat daar was geslacht en de bevrijding van de slavernij die er op volgde. De schrijver van het verhaal over Jezus van Nazareth blijft dan wel met een probleem zitten. Dat er broers zijn is geen probleem. één van die broers, Jacobus, zou later nog de leider worden van de gemeente in Jeruzalem.

Johannes moet Jacobus hebben gekend of van hem hebben gehoord. Maar de afwijzing van de vraag van die broers kan niet betekenen dat Jezus van Nazareth de regels van Mozes overtreedt. Daarom wordt verteld dat Jezus van Nazareth in het geheim naar Jeruzalem is gegaan. Wordt ook gelijk duidelijk dat de Bijbel het afwijst als mensen zelf het martelaarschap zoeken. Met een bomgordel om de Wet van God proberen te laten handhaven, of overtreders van die Wet zelf gaan doodschieten tot je gedood wordt door anderen, politie of zo, wordt afgewezen. Gelovigen in de God van Israël zoeken het leven. Soms moet je dat een beetje verborgen doen, zodat je tegenstanders geen vat op je kunnen krijgen. Soms moet je er voor blijven staan, als de minsten in het volk in de knel komen. Het gaat per slot niet om je eigen eer, daarom ging het zelfs niet bij Jezus van Nazareth, ook dat wordt vandaag weer eens duidelijk.

Toon uw trouw

Psalm 54

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David, 2 toen de inwoners van Zif aan Saul waren gaan zeggen: ‘Weet u niet dat David zich bij ons schuilhoudt?’ 3 God, bevrijd mij door uw naam, verschaf mij recht door uw macht. 4 God, luister naar mijn gebed, hoor de woorden van mijn mond. 5 Vreemden vallen mij aan, zij staan mij met geweld naar het leven, zij houden God niet voor ogen. sela 6 Zie, God is mijn helper, de Heer is het die mijn leven draagt. 7 Laat het kwaad zich keren tegen mijn belagers, toon uw trouw en breng hen tot zwijgen. 8 Van harte zal ik u offers brengen en uw naam loven, HEER, want hij is goed: 9 hij heeft mij uit de nood gered, onbevreesd zie ik mijn vijanden aan. (NBV)

Vandaag zingen we met de kerk mee in een leerdicht. Een lied waar je ook nog van kunt leren. In de Nieuwe Bijbelvertaling is dat begrip leerdicht een beetje weggevallen en dat is jammer. Via liederen kun je soms belangrijke lessen beter onthouden. De Psalm is geschreven zegt het opschrift in een historische situatie. Volgens het boek Samuel waren er zelfs twee van. We weten natuurlijk van de strijd tussen Koning Saul en de jonge David die aan de lopende band de vijanden van Israel wist te verslaan. Saul zocht David en de inwoners van de stad Zif, in het land van de stam Juda, vertelden tot twee maal toe waar Saul David kon vinden, twee maal ontsnapte David overigens. Het waren dus landgenoten die David hebben verraden aan zijn vervolgers, maar David verklaard ze tot vreemden. Daar wilde hij niet bij horen. Denk aan de vliegtuigen de wolkenkrabbers van New York binnenvlogen. Gekaapt en bestuurd door fundamentalistische moslims. Door hen voelden verreweg de meeste moslims zich door die daad verraden.

Het leven van veel moslims is er niet gemakkelijker op geworden. Ze moeten, net als niet moslims, bang zijn voor herhaling van dit soort daden maar ze worden ook nog aangezien voor mogelijke veroorzakers van dit soort daden. Hoe verklaren ze nu de daders van de elfde september tot vreemden in de moslimgemeenschap? Hoe overtuigen ze ons? Bijna niet, alle verklaringen en interne maatregelen ten spijt blijft de kloof groeien. David geeft aan het eind van deze psalm een mogelijke weg om er wat aan te doen. Hij blijft bereid aan God te offeren, en we weten uit de lezing van het boek Deuteronomium dat dat ook betekent een maaltijd bereiden voor je familie, de armen, de ambtenaren en de vreemdelingen die in je midden wonen. Samen eten met moslims kan de angst verminderen. Ze willen best. Sinds die aanvallen op het World Trade Centre in New York wordt ons angst aangepraat.

We moeten angst hebben voor de aanhangers van dat vreemde geloof, voor die vreemde mannen met baarden en jurken in plaats van spijkerbroeken, voor die mannen die zo’n rare onverstaanbare taal spreken, een taal die voor buitenstaanders wel op Fries lijkt. Mensen die denken dat ook de Bijbel oproept om daar angst voor te hebben die hebben de Bijbel nog niet helemaal goed gelezen. In de Psalm die we vandaag lezen dankt David God dat die hem heeft gered en zegt David dat hij zijn vijanden onbevreesd aan ziet. Pas zonder angst kunnen we ons bevrijden van vijandschap, kunnen we wegen vinden om vrede te krijgen. We noemden al de maaltijd die je in navolging van het Oude Testament en ter nagedachtenis  van Jezus van Nazareth met de vreemdelingen kan houden. Maar als je met hen over hun geloof praat dan zul je horen dat ze er van overtuigd zijn in dezelfde God te geloven als waarover we lezen in het Oude en Nieuwe Testament. Abraham, Mozes en Jezus kennen zij ook. Stappen op weg naar vrede kunnen we elke dag zetten, ook vandaag weer.

Vaste feestdagen

Galaten 4:1-11

1 Ik bedoel dit: zolang een erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij reeds de eigenaar van de hele erfenis. 2  Hij staat onder voogdij en toezicht tot het door zijn vader vastgestelde tijdstip is gekomen. 3 Op dezelfde manier waren ook wij, toen we nog onmondig waren, onderworpen aan de machten van de wereld. 4  Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, 5 maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen zouden worden. 6 En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn Zoon gegeven, die ‘Abba, Vader’ roept. 7 U bent nu geen slaven meer, u bent kinderen van God en als zijn kinderen bent u erfgenamen, door de wil van God. 8 Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. 9 Hoe is het dan toch mogelijk dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend bent, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt? 10 U houdt u werkelijk aan vaste feestdagen, maanden, seizoenen en jaren? 11  Ik vrees dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest. (NBV)

Nu de zomer voorbij is en het herfst is komt de tijd van de feestdagen weer in zicht. Feestdagen geven vrijheid, werk en school kunnen even worden vergeten om je te richten op de mensen om je heen. Maar veel mensen voelen zich ook gebonden door de feestdagen. Er wordt zoveel verwacht, het moet ineens leuk en gezellig zijn. Op verjaardagen zit het bezoek gezellig te keuvelen terwijl de jarige rondrent om bezoek binnen te laten, koffie te schenken, taart te snijden en te zorgen dat iedereen krijgt wat de bedoeling is. Ook feesten als Sint Nicolaas en Kerst kennen zo hun vaste patronen. Vaak zo vast dat er meer werk gaat zitten in de patronen dan in het genieten. Feestdagen worden op die manier rituele verplichtingen en geen feestdagen in de zin van Jezus van Nazareth en het verhaal van het volk Israel. Als het volk Israel de bevrijding uit de slavernij vierde deden ze of die bevrijding net was gebeurd. Het verhaal werd verteld, maar niet of het eeuwen geleden gebeurde maar of het vandaag gebeurde.

Het grootste feest voor Jezus van Nazareth was te mogen eten en drinken met zijn vrienden, delen wat er te delen was met mensen die van dat delen afhankelijk waren. En zo schrijft ook Paulus aan de Galaten, de Turken rond Ankara, en dus aan ons. De Feesten van Christenen zijn geen feesten van moeten of feesten van zo hoort het, maar het zijn feesten van bevrijding. Daar waar de armen bevrijdt worden van de dwang van de armoede, daar waar mensen weer mee mogen doen, weer een plaats krijgen in de samenleving breekt het feest pas echt los. Dat feest is niet gebonden aan een datum of een periode in het jaar. We hoeven niet te wachten tot kerst om de armen en thuislozen uit de stad een maaltijd te bereiden. Dat kunnen we elke dag doen. De vrijwilligers van de voedselbanken kunnen vertellen wat een feest het kan zijn als mensen weer eens een complete maaltijd op tafel kunnen zetten.

We hoeven niet te wachten tot een verjaardag om buren en buurtgenoten op visite uit te nodigen om elkaar beter te leren kennen en ergernissen over elkaars culturele uitingen uit te wisselen, dat kunnen we elke dag doen. We hoeven echt niet te wachten tot Sint Maarten om de kinderen uit de buurt iets leuks te geven. De arme landen in de wereld die geen coronavaccins kunnen betalen hebben onze bereidheid te delen nu al meer dan nodig. Hangjongeren zoeken elke dag afleiding en volwassenen om hen te leren op een goede manier met elkaar en met hun tijd om te gaan, daar kunnen we ook los van het lichtjesfeest wat aan doen. Het bevrijdingsfeest kan vandaag beginnen, als er tenminste echte bevrijding heeft plaatsgevonden. En aan die bevrijding kunnen we elk moment gaan werken, die inspanningen zijn nooit zinloos.

Voordat dit geloof kwam

Galaten 3:15-29

15 Broeders en zusters, ik geef u het voorbeeld van een rechtsgeldig testament, een testament dat door een mens bekrachtigd is. Niemand kan zo’n testament ongeldig verklaren of er iets aan toevoegen. 16  Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling. Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: ‘je nakomeling’ en die nakomeling is Christus. 17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar na de belofte werd gegeven, maakt het testament dat door God bekrachtigd is niet ongeldig. De wet kan de belofte nooit ontkrachten. 18  Immers, als de erfenis afhankelijk van de wet zou zijn, zou ze niet afhankelijk zijn van de belofte, maar het is nu juist door zijn belofte dat God zijn genade aan Abraham heeft geschonken. 19 Waarom dan toch de wet? De wet is later ingevoerd om ons bewust te maken van de zonde, in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte was gedaan nog komen moest. Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven. 20 Maar bemiddeling is niet nodig wanneer er maar één is die handelt, en God handelt alleen. 21 Is de wet daarom in strijd met Gods belofte? Absoluut niet. Als de wet leven zou kunnen brengen, zou de wet ons ook rechtvaardig kunnen maken. 22 Maar de Schrift heeft alles in de macht van de zonde gelegd, zodat de belofte kon worden gegeven op grond van geloof in Jezus Christus, aan wie op hem vertrouwen. 23 Voordat dit geloof kwam, werden we door de wet bewaakt; we leefden in gevangenschap tot het geloof geopenbaard zou worden. 24 Kortom, de wet hield toezicht op ons totdat Christus kwam, zodat we door ons vertrouwen op God als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 25  Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht, 26 want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. 27 U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. 28 Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen-u bent allen één in Christus Jezus. 29 En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte. (NBV)

Heeft U zich wel eens afgevraagd waar toch de namen Oude en Nieuwe Testament vandaan komen? Ze komen uit deze passage uit de brief aan de Galaten. Als we het over een testament hebben dan bedoelen we de laatste wilsbeschikking van iemand, al of niet al overleden. In dat testament regel je wie je erfenis krijgt en wie niet. Maar als we aan het woord testament de bijvoeglijke naamwoorden “oude” of “nieuwe” toevoegen dan hebben we het direct over de Bijbel. De Hebreeuwse Bijbel is dan het Oude Testament en wat de Christenen er later aan hebben toegevoegd heet samen het Nieuwe Testament. Het is de beeldspraak van Paulus in zijn strijd tegen het opleggen van de Joodse wetten en regeltjes aan de Heidenen die mee willen doen aan de bouw van het Koninkrijk van Recht en Liefde, het Koninkrijk van God.  Paulus beroept zich daarbij op de belofte van God aan Abraham.

In de tijd van Abraham was er nog geen leer van Mozes en waren er zeker nog geen wetten en regeltjes zoals die in de dagen van Jezus van Nazareth door het Joodse volk werden nageleefd. Het enige dat Abraham had was zijn vertrouwen dat hij op een nieuwe manier een volk zou moeten stichten. Niet rond vruchtbaarheidsgoden, niet rond goden die aan grond waren gebonden, niet rond maan of zonnegoden, niet rond natuurgoden maar met een God die met je meetrok en die je kon aanspreken op recht en rechtvaardigheid. Die God beloofde dat eens zelfs de dood niet meer zou tellen als het ging om de liefde voor de mensen. Voor Paulus ging die belofte in vervulling bij Jezus van Nazareth. Daarom noemt hij het “het testament van Abraham”. Abraham heeft de belofte nagelaten als erfenis voor de nakomeling die dat wist te volbrengen. Daarmee is het Oude Testament dus niet het verouderde testament waar sommigen het voor verslijten maar het testament dat vanouds ook onze erfenis bepaalt en laat zien wat onze weg is.

Het Nieuwe is dan dat, in de belofte van Jezus van Nazareth, ook wij Heidenen mee mogen doen met de armen bevrijding aanzeggen, met de bouw van dat Koninkrijk van God. Voor Abraham was die God al niet de God van een stukje grond ergens op de aarde, maar was die God op de hele bewoonde wereld aanwezig. Die belofte gold en geldt dus voor de hele bewoonde wereld. Voor Abraham was er geen verschil tussen mensen met en mensen zonder zijn God, voor Paulus geldt dat dus ook in de nieuwe gemeenten van de mensen van de Weg. Daarom is het ook dat als wij het over de armen hebben we de armen van de hele bewoonde wereld op het oog hebben. Juist in deze tijd waarin de economieën van alle landen met elkaar samenhangen, globalisering noemen we dat, moeten we ons bewust zijn dat we dringend onze samenleving zo moeten inrichten dat daar geen mensen aan dood gaan van honger en armoede, waar ook ter wereld. Die erfenis dragen we ook met ons mee.

Dat kan toch niet!

Galaten 3:1-14

1 Galaten, u hebt uw verstand verloren! Wie heeft u in zijn ban gekregen? Ik heb u Jezus Christus toch openlijk en duidelijk als de gekruisigde bekendgemaakt? 2 Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven? 3 Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest? 4 Is alles wat u hebt meegemaakt dan voor niets geweest? Dat kan toch niet! 5 Geeft God u de Geest en goddelijke krachten omdat u de wet naleeft? Of geeft hij ze omdat u naar hem luistert en op hem vertrouwt? 6 Van Abraham wordt gezegd: ‘Hij vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 7 U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. 8 Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ 9 En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend. 10 Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het boek van de wet bepaalt.’ 11 Dat niemand door de wet voor God rechtvaardig wordt, is volkomen duidelijk, want er staat ook geschreven: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ 12 De wet daarentegen is niet gegrond op geloof, want er staat: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ 13 Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.’ 14 Zo zouden door hem alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen. (NBV)

Het is misschien een voor de hand liggende vraag. Leef je fatsoenlijk en houd je je aan de regels en omgangsvormen of laat je je leiden door de Geest van de Liefde en doe je daarbij wel eens iets dat eigenlijk niet hoort of zelfs niet mag maar doe je dat uit Liefde voor je naaste en omdat je uit Liefde voor die naaste eigenlijk niet anders kan? Het zijn de vragen die Paulus stelt, het zijn de vragen die binnen het Gereformeerde verzet in de Tweede Wereldoorlog leefden. Mag je verzet plegen tegen een misdadige overheid? Natuurlijk is een ordelijke samenleving te verkiezen boven een samenleving waarin ieder maar doet wat goed is in eigen ogen. In het verkeer weten we dat het beste, we rijden allemaal rechts want als de een rechts en de ander links gaat rijden komen er grote ongelukken. Die ongelukken komen er dan soms ook als mensen zich vergissen en we vertrouwen er zo sterk op dat de regels worden nageleefd dat we die mensen spookrijders zijn gaan noemen. Toch reden er mensen aan de verkeerde kant van de weg omdat er in een sneeuwstorm een file was ontstaan en mensen van warme drank en wat eten moesten worden voorzien. De regels voor de menselijke samenleving beginnen in de woestijn, bij de afstammelingen van Abraham.

Abraham wordt gezien als de vader van alle gelovigen. Joden en Islamieten geloven dat ze rechtstreeks van Abraham afstammen. Hun besnijdenis is daarvan het bewijs. Maar Christenen wijzen op Paulus die in deze brief aan de Turken in Galatië schreef dat niet de besnijdenis de verdienste van Abraham was maar zijn geloof. Iedereen die gelooft dat de armen werkelijk bevrijd worden, dat de Liefde van God door de dood heen is gedragen door Jezus van Nazareth en dat wij met hem uit de dood van deze wereld mogen opstaan en gaan werken aan zijn Koninkrijk hoort bij Abraham. Als je je door wetten en regeltjes laat leiden en niet door de Liefde dan loop je een groot risico. Die liefde maakt dat je er desnoods duizend keer per dag opnieuw mee mag beginnen, maar die wetten en regeltjes zijn zomaar te overtreden en dat valt niet meer goed te maken. Het is juist de Liefde van God waar je altijd een beroep op mag doen door je naaste lief te hebben als jezelf. Het gaat dus aan te blijven werken aan het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten en het bezoeken van de gevangenen.

Je kunt niet alles, je kunt zeker niet de hele wereld op je nek nemen dus moet het samen. Dus moet het ook komen van ons volk, moeten we ons samen in de wereld sterk gaan maken voor de zwaksten in de wereld. Onze welvaart is voor een gedeelte gebaseerd op oneerlijke handelsverhoudingen. Die handelsverhoudingen zijn zo oneerlijk dat ze miljoenen in Afrika, Azië en Latijns Amerika tot bittere armoede dwingen. Ook daar zijn rijken die dat in stand willen houden. Dat sommige jongeren verleid worden tegen die rijken in arme landen in het geweer te komen is jammer. Wij willen immers dat de wereld er op een andere manier gaat uitzien. Niet macht en geweld en het recht van de sterkste moeten gelden maar het recht van elk mens op een menswaardig leven. Dat is de rechtvaardigheid die Abraham deed kiezen voor bondgenootschappen met zijn buren en een leven in de bergen, de vruchtbare vlakten aan de anderen overlatend. Als volgelingen van Abraham zullen we hem moeten volgen in rechtvaardige bondgenootschappen met de andere volken in de wereld, daar worden we allemaal beter van.

Vrede en waarheid

Zacharia 8:18-23

18 En de HEER van de hemelse machten richtte zich tot mij: 19 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De vastendagen in de vierde en de vijfde maand en de vastendagen in de zevende en de tiende maand zullen voor Juda veranderen in blijde feestdagen vol vreugde en vrolijkheid. Maar let wel: houd de vrede en waarheid in ere! 20 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen opnieuw mensen komen uit allerlei landen en steden. 21 De inwoners van de ene stad zullen naar de volgende stad gaan en zeggen: “Ga met ons mee. Wij zijn op weg om eer te bewijzen aan de HEER van de hemelse machten en zijn gunst af te smeken. 22 Grote en machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te vereren en zijn gunst af te smeken. 23 En dit zegt de HEER van de hemelse machten: Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.’(NBV)

Tijdens de ballingschap in Babel hadden de Israëlieten besloten te gaan vasten in de maand dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest. Voor velen was daarmee het laatste restje hoop op herstel van het land Israël verdwenen. De lieren werden aan de wilgen gehangen en ze zaten te treuren bij de stromen in Babylon. Maar God had zich over hen ontfermd en ze waren teruggekeerd en hadden Jeruzalem en de Tempel opnieuw opgebouwd. Toen waren er mensen gekomen die vroegen of ze niet konden ophouden met vasten. Het eerste antwoord dat ze kregen was dat het betonen van gerechtigheid belangrijker was dan het vasten. Al voor de ballingschap hadden profeten het uiterlijk vertoon bij het vasten aan de kaak gesteld. Vasten doe je om beter te kunnen delen, beter te kunnen zorgen voor de minsten en niet om er zelf beter van te worden. Je bespaart en stijgt in aanzien, maar zo wil God het niet.

Daarom vandaag het antwoord. Alle vastendagen worden feestdagen. Niks treuren om verlies, maar besparen om de winst. Iedereen mag meedelen. De God van Israël zal er door in aanzien stijgen. Ineens kunnen de armen naar de Tempel, hoeven de armen zich geen zorgen meer te maken over de dag van morgen. Ineens wordt de rechtspraak weer toegankelijk voor mensen zonder geld. Je zult een samenleving zien waar geen onderscheid meer wordt gemaakt op grond van afkomst, rijkdom, sekse, geaardheid en noem maar op. Iedereen mag horen bij het volk van God. Het nooit gedachte wordt werkelijkheid. Natuurlijk profeten hadden gezegd dat het volgen van de richtlijnen van God zou uitlopen op de deelname van gemeenschappen uit alle volken aan de dienst in de Tempel, maar tot dan waren de Heidense volken vijanden geweest die macht over het volk en de Tempel wilden uitoefenen. Daarom wordt het volk nog eens vermaand de vrede en de waarheid in ere te houden.

Zo grijpen de feestdagen terug op de oorspronkelijke bedoeling van de dagen die bestemd waren voor de God van Israël. De bekendste is de Sabbat. Op die dag is iedereen bevrijdt van de dwang van de arbeid. Mensen en zelfs ook de dieren hebben rust. Niets en niemand is meer verplicht te werken. Wij kennen dat niet meer. Als we vrij zijn dan staat dat in het teken van consumeren, hoe meer hoe beter. Daarvoor moet ook op onze zogenaamde vrije dagen gewerkt worden. De winkels zijn open en de fabrieken blijven draaien. Het zal niet lang meer duren of ook de overheid zal haar kantoren op de Zondag openstellen en de ambtenaren gewoon door laten werken. Heel het volk is dan onder het slavenjuk van de arbeid gebracht. Er moet immers brood op de plank komen. Maar mensen leven niet bij brood alleen maar leven door het Woord van God. Tijd dus om ons te laten bevrijden van de slavernij van de arbeid door onze feestdagen weer te vieren. Te beginnen met de Zondag, organiseer maar vieringen en feesten, gaat iedereen vanzelf weer mee doen

Niet meer als vroeger

Zacharia 8:9-17

9 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nu jullie deze woorden uit de mond van de profeten hebben gehoord, moeten jullie volhouden. Het huis van de HEER van de hemelse machten is nu gegrondvest; de herbouw van de tempel is begonnen. 10 Voor die tijd bracht de arbeid van mens en dier niets op, en wie maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want ik had iedereen tegen iedereen opgezet. 11  Maar nu behandel ik jullie niet meer als vroeger-spreekt de HEER van de hemelse machten. 12 Nu is het zaad gezegend: de wijnstok zal vrucht dragen, de aarde zal haar opbrengst geven, de hemel zal zijn dauw afstaan. Dit alles zal ik schenken aan wie er van dit volk nog over zijn. 13 Vroeger golden jullie bij de andere volken als vervloekt, Juda en Israël, maar nu ik jullie te hulp kom, zullen ze jullie als gezegend beschouwen. Geef dus de moed niet op en houd vol! 14 Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Toen jullie voorouders mijn woede opwekten, nam ik me voor dit volk kwaad te doen-zegt de HEER van de hemelse machten-, en dat heb ik ook gedaan, zonder erop terug te komen. 15 Maar nu heb ik me voorgenomen om het volk van Jeruzalem en Juda goed te doen. Geef dus de moed niet op. 16 Hier moeten jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken; 17 wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb ik een afkeer van-spreekt de HEER.’ (NBV)

Het gaat niet vanzelf, de opbouw van een nieuwe samenleving. Dat was in de tijd van Zacharia, Ezra en Nehemia zo, dat is vandaag de dag niet anders. Ooit hebben onze voorouders slavenhandel bedreven en de slavernij afgeschaft, maar de afschaffing van de slavernij heeft voor de nakomelingen van slaven tot in onze dagen niet de gelijkheid gebracht die voor de kinderen van de slavenhandelaren zo vanzelfsprekend is. Zoals de teruggekeerde ballingen geen last meer hebben van concurrerende buurvolken hebben wij geen last meer van opstanden en bevrijdingsoorlogen. Maar pas als we de richtlijnen van de God van Israël volgen dan zullen we blijvend een licht kunnen worden voor anderen.

In dit gedeelte staat de veranderlijkheid van de God van Israël centraal. Eerst is die God woedend op dat volk en zet deze God de buurvolken tegen ze op en dan gaat die God datzelfde volk redden en neemt zich voor het volk zelfs goed te doen. Wij horen vaak dat God onveranderlijk is. God is heden en gisteren dezelfde. We hebben al eens eerder gehoord dat die God ook berouw kan hebben. In het verhaal over Noach had die God zelfs berouw over zijn hele schepping. Wat we uit dit gedeelte ook kunnen leren is dat de God van Israël tegelijk veranderlijk en onveranderlijk kan zijn. Toen de hele wereld onder bevel stond van de Keizer in Rome zond die God zelfs zijn zoon om daar verandering in te brengen. Die God is namelijk onveranderlijk trouw in zijn liefde voor de mensen.

Waar moeten we ons aan houden? Aan het prijzen van God? Aan een regelmatige kerkgang? Aan het exclusief houden van mede gelovigen? Aan het kritiekloos volgen van de regering van de staat Israël? De God van Israël heeft het er niet over. Integendeel de eerste die kritiek krijgen zijn de gelovigen, is het volk Israël. We moeten elkaar de waarheid durven zeggen, we moeten eerlijk en rechtvaardig recht spreken. Dat betekent dat we heel voorzichtig moeten zijn met oordelen, ook over misdadigers. De politie arresteert verdachten en geen criminelen. Die verdachten worden pas criminelen als een onafhankelijk rechter in een eerlijk proces dat etiket er op plakt. We moeten dus geen kwaad doen aan een ander en zeker geen vals getuigenis voor een rechtbank afleggen. Samengevat betekent dat dat je God pas liefhebt als je je naaste liefhebt als jezelf. En daar kunnen we elke dag opnieuw mee beginnen.

Heilige Berg

Zacharia 8:1-8

1. Maar nu luidt het woord van de HEER van de hemelse machten: 2 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem ik het op voor Jeruzalem. 3 Dit zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. “Stad van trouw” zal Jeruzalem heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten “Heilige berg.” 4 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, 5 en de straten zullen krioelen van de spelende kinderen. 6 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor mij onmogelijk zijn? spreekt de HEER van de hemelse machten. 7 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn volk bevrijden uit het land waar de zon opkomt en het land waar de zon ondergaat 8 en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en ik hun God, in onwankelbare trouw. (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag lezen maakt duidelijk waarom er zo uitdrukkelijk is gesproken over de tijd waarin Zacharia het Woord van de Heer te horen kreeg. In het vierde jaar van Koning Darius. Dus niet in 1948 of vandaag de dag. De liefde voor Jeruzalem en Sion komt dus niet door de nederzettingen politiek of het beleid van de huidige regering van de staat Israël. Dat is wel eens lastig, want Christenen zijn immers onopgeefbaar verbonden met Israël, maar we moeten de Bijbel niet vervalsen door te doen of het over ons gaat. Wij kunnen er veel van leren maar we zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van de richtlijnen van de God van Israël. Deze liefdesverklaring voor Jeruzalem en Sion komt voort uit de herbouw en de vraag die aan de Priesters in de Tempel werd gesteld. Het volk bekommerd zich weer om de richtlijnen van de God van Israël. Ze gaan weer naar de Tempel om te vragen hoe ze die richtlijnen in hun eigen stad of dorp moeten toepassen.

Wat hoort er wel en wat hoort er niet bij. Jeruzalem is daarbij een voorbeeld. Een stad die zo dichtbij de Tempel is dat het daar niet moeilijk zou moeten zijn om de richtlijnen van God op een goede wijze uit te voeren. De berg waar de Tempel op is gebouwd, de berg Sion, is daarom een Heilige Berg, daar gaat het alleen nog over het verbond met God. Daar laten de Israëlieten zien dat wat ze gekregen hebben van God niet als hun eigen verdienste wordt gerekend maar dat ze het delen, met God in offers, in maaltijden met de armen en de vreemdelingen zoals dat voorgeschreven is. Maar het volgen van de God van Israël is niet gemakkelijk. Ezra en Nehemia beschrijven ook vijanden die zich verzetten tegen de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. Geleerden noemen die samenleving wel eens de Tora-staat, in dat land, bij dat volk is er geen andere wet dan de wet van God. Zacharia schetst wat het gevolg is van een land dat je op die manier inricht.

Sommigen zullen dat luchtfietserij noemen maar volgens Zacharia zullen op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, niemand zal sterven voor zijn tijd sprak Jesaja al. Er zullen talrijke kinderen spelen in de straten van Jeruzalem, geen kind zal meer sterven zei Jesaja al. Als alle ballingen nu eens terug keren, als iedereen de richtlijnen van God volgt dan gaat dat gebeuren. Door Jezus van Nazareth en de Geest van God die hij heeft gebracht is het voor ons ook mogelijk geworden. Ook wij kunnen de hongerenden te eten geven, de naakten kleden, de vreemdelingen huisvesten, de gevangenen bezoeken, de weduwen en de wezen een eerlijk leven geven, de rechtspraak toegankelijk maken ook voor de armen. We kunnen dat elke dag weer, ook vandaag.

Spreek eerlijk recht

Zacharia 7:1-14

1 In het vierde jaar van koning Darius richtte de HEER zich tot Zacharia. Het was op de vierde dag van de negende maand, de maand kislew.2 De stad Betel had Sareser en Regem-Melech met zijn mannen afgevaardigd om de gunst van de HEER af te smeken, 3 en om aan de priesters in de tempel van de HEER van de hemelse machten en aan de profeten de volgende vraag voor te leggen: ‘Al jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?’ 4 Toen richtte de HEER van de hemelse machten zich tot mij: 5 ‘Zeg tegen de bevolking van dit land en tegen de priesters: “Wanneer jullie in de vijfde en de zevende maand rouwen en vasten, nu al zeventig jaar lang, doe je dat dan werkelijk voor mij? 6 Ook wanneer jullie eten en drinken, doe je dat toch omdat je het zelf wilt?”’ 7 Jullie weten toch wat de HEER bij monde van de vroegere profeten heeft gezegd, toen Jeruzalem en de omliggende steden nog bewoond en vredig waren, en er ook mensen woonden in de Negev en het heuvelland. 8 En nu zegt de HEER het nogmaals, bij monde van mij, Zacharia: 9 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; 10 onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.’ 11 Maar jullie voorouders weigerden halsstarrig om te luisteren; ze stopten hun oren dicht om het maar niet te hoeven horen. 12 Ze lieten de woorden en vermaningen die de HEER van de hemelse machten hun door zijn geest bij monde van de vroegere profeten voorhield niet tot zich doordringen, maar sloten zich ervoor af. Daarom werden ze getroffen door de toorn van de HEER van de hemelse machten. 13 Ze luisterden niet toen hij hen riep. ‘Daarom’ zei de HEER van de hemelse machten-‘zal ik niet luisteren wanneer zij mij roepen. 14 Als een stormwind zal ik hen uiteenjagen naar onbekende volken.’ Het land bleef ontvolkt achter; niemand trok erdoorheen en niemand keerde er terug. Zo is dit heerlijke land door hun toedoen een woestenij geworden. (NBV)

Heel langzaam had het leven in het land Israël weer haar gewone loop genomen. Twee jaar nadat Zacharia het volk had opgeroepen zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden, in het vierde jaar van koning Darius dus, kwamen er uit de stad Betal een paar afgevaardigden van de stadsbevolking. De geschiedenisboekjes beweren dat het in onze jaartelling en jaarindeling zou moeten zijn op 7 december 518, maar het verhaal van Zacharia is geen journalistieke of historische weergave van de werkelijkheid maar een geloofsverhaal over een volk dat opnieuw is gaan geloven in de oude verhalen over de God van Israël en probeert te gaan leven volgens de richtlijnen die hun God in de woestijn aan het volk had gegeven. De vraag die ze stellen is een zeer reële vraag. Toen de Tempel in Jeruzalem aan het begin van de ballingschap was verwoest kregen de ballingen in Babel door dat het was afgelopen met de steun die het volk had gehad van de God van Israël. Dat was een enorme klap geweest.

In de hoop dat die God ooit berouw zou krijgen van het opgeven van het volk Israël hadden ze besloten elk jaar een maand te vasten. In de maand waarin de Tempel was gebouwd. Dat hadden ze zeventig jaar volgehouden. Jeremia had ze ooit geschreven dat de ballingschap zeventig jaar zou duren en daardoor hadden ze het kunnen volhouden. Er zou, ook volgens de profeten Jesaja en Ezechiël, een dag komen dat de ballingen zouden terugkeren. Die dag was dus nu gekomen, de Tempel was herbouwd en het volk probeerde zich weer aan de richtlijnen van God te houden. Is het nu tijd om het vasten, het rouwen te stoppen? Zacharia gaat niet in op de vraag. Hij houdt ze de richtlijnen nog eens voor, daar gaat het immers om. Eerlijke rechtspraak, waar ook de armen dus toegang tot zouden moeten hebben. Voor elkaar zorgen, dat moet je dus niet aan het toeval overlaten maar dat moet je als volk goed organiseren. De weduwen, de wezen, de vreemdelingen en de armen moet je niet onderdrukken. Ze hebben een zwakke positie en daar moet je geen misbruik van maken.

Dat zijn geen nieuwe regels, die waren op de Horeb al gegeven aan Mozes en door de eeuwen heen door profeten aan het volk voorgehouden. Het volk had echter die richtlijnen verwaarloosd en geweigerd om er naar te luisteren. Met de bekende gevolgen, het land was een woestenij geworden. Zacharia zegt het niet maar het ligt voor de hand te denken dat zo’n maand vasten gebruikt kan worden om samen na te denken over de richtlijnen en hoe je daarmee nog steeds om gaat en om wil gaan. Daar gaat ook onze 40 dagen tijd om. Sinds de opstanding zouden we de dood en het lijden achter ons kunnen laten. Maar het niet volgen van de richtlijnen, zoals hier weer door Zacharia is doorgegeven, brengt steeds weer nieuw lijden, slachtoffers van oorlog, geweld en onderdrukking, vluchtelingen uit wanhoop die verdrinken in een gevaarlijke zee, honger door misoogsten en gebrek aan hulp. Ook voor ons aanleiding genoeg om te zien waar we onze samenleving moeten veranderen om tegemoet te komen aan de richtlijnen van God.