Een uitgedroogd land.

Jesaja 32:1-8

1 Een koning zal rechtvaardig regeren en leiders zullen leiden volgens het recht. 2 Ze zullen zijn als een beschutting tegen wind, als een schuilplaats tegen een stortbui, als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een uitgedroogd land. 3 Ogen zullen niet langer blind zijn, oren luisteren weer aandachtig; 4 de onbezonnen geest verwerft kennis en inzicht, de tong van stotteraars spreekt vloeiend en vlot. 5 Dan wordt een dwaas niet meer edel genoemd, een bedrieger niet langer aanzienlijk. 6 Want een dwaas spreekt dwaas en zijn hart brengt slechtheid voort: hij handelt goddeloos en hij lastert de HEER; wie honger lijdt laat hij onverzadigd, de dorstige geeft hij niets te drinken. 7 Een bedrieger kiest valse middelen, hij beraamt snode plannen en tracht door leugens rond te strooien de verdrukte in het verderf te storten en de zwakke die zijn recht bepleit. 8 Maar een edel mens zint op edele daden, hij zet zich in voor al wat edel is. (NBV21)

Kijk zo zien we dat straks graag. Een koning, of regering, die rechtvaardig regeert en leiders die leiden volgens het recht. Dat zijn de mensen die zich inzetten voor al wat edel is. We zullen moeten afwachten tot het eind van de formatie. We konden bij de verkiezingen zelf de beschutting tegen de wind kiezen, de schuilplaats voor een wolkbreuk, de waterstromen in een dorre streek, de koele schaduw van een rots in een dorstig uitgedroogd land. De profeet Jesaja wordt helemaal lyrisch van dergelijke leiders. Wij moeten maar een beetje nuchter blijven. Het gaat wel om rechtvaardig regeren volgens het recht maar dat is niet het recht zoals het in onze grondwet en bijbehorende wetten staat. Het is het recht van de God van Israël waar de profeet het in het gedeelte van vandaag over heeft.

Dat is de Wet van heb uw naaste lief als uzelf, dat is de Wet waarbij alle mensen gelijkelijk recht wordt gedaan. Waar het volk en haar leiders weer gaan houden van vreemdelingen zoals Jesaja ook heeft geschreven. Waar de weduwe en de wees, de mensen zonder inkomen en bezit, worden beschermd, waar de zieken worden verzorgd en de ouden een plaats krijgen omdat we onze vader en moeder eren. De ogen van de regeerders zullen niet langer blind zijn voor de armen als ze rechtvaardig regeren, ze luisteren weer aandachtig naar het hulpgeroep van de verdrukten en niet alleen naar hen die hun eigenbelang dienen. Dan hoeven we ook zelf niet bang meer te zijn te spreken over wat ons hindert in de samenleving want de onbezonnen geest verwerft kennis en inzicht en de tong van stotteraars spreekt vloeiend en vlot.

En je zult het zien als er rechtvaardige regeerders gekozen zijn. Dan worden de slachtoffers van het Toeslagenmisdrijf nog voor het eind van het jaar gecompenseerd en schadeloos gesteld. Dan kunnen de bedriegers niet meer de snode plannen bedenken die de rentes manipuleren waardoor ze de huiseigenaren kunnen uitbuiten en afpersen. De profeet kent tal van voorbeelden uit de praktijk. Het had in Israël tot de ballingschap van de Koningen en de priesters, de leiders van het volk geleid. Het maakt dat bij ons de zwaksten de crisis moeten betalen en de toegang tot het recht voor de armen wordt gesloten. Gelukkig dat wij zelf ons mogen bezinnen wie we als leiders kiezen, edele mensen hebben we dus nodig. Daar kunnen we zelf ervaring mee opdoen door zelf al te beginnen te zorgen voor de armsten en de minsten. Elke dag kunnen we daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Heil zoeken bij paarden

Jesaja 31:1-9

1 Wee hun die naar Egypte gaan om hulp, die hun heil zoeken bij paarden, vertrouwen op een groot aantal wagens en een overmacht aan ruiters. Voor de HEER hebben zij geen oog, de Heilige van Israël zoeken zij niet, 2 terwijl juist Hij wijs is. Hij brengt onheil en neemt zijn woord niet terug. Hij keert zich tegen dat verdorven volk en tegen hun verderfelijke helpers. 3 De Egyptenaren zijn mensen, geen goden, hun paarden zijn vlees, geen geest. Strekt de HEER zijn hand uit, dan struikelt de helper en valt degene die hulp zocht, en samen gaan ze te gronde. 4 Dit zegt de HEER tegen mij: Zoals leeuw en welp grommend bij hun prooi staan – al komen de herders te hoop gelopen, zij storen zich niet aan hun geschreeuw en gaan niet voor het rumoer op de vlucht –, zo komt de HEER van de hemelse machten om op de hellingen van de Sion te strijden. 5 Zoals een vogel boven zijn nest vliegt, zo waakt de HEER van de hemelse machten over Jeruzalem, Hij waakt en Hij redt, Hij beschermt en bevrijdt. 6 Kinderen van Israël, keer terug naar Hem van wie jullie zo ver zijn afgedwaald. 7 Op die dag zul je de goden verwerpen die je zondige handen vormden van je goud en zilver. 8 Dan wordt Assyrië geveld, maar niet door het zwaard van een mens; het wordt verslonden, maar niet door een mensenzwaard. Assyrië zal voor het zwaard op de vlucht gaan en zijn jongemannen zullen dwangarbeid verrichten. 9 Verlamd van angst verliest de rots zijn kracht, ontzet laten zijn aanvoerders hun vaandel achter – zo spreekt de HEER, wiens vuur brandt in Sion, wiens oven laait in Jeruzalem. (NBV21)

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog vertrouwt ook ons land op sterke bondgenootschappen en zware wapens. Ook in ons land liggen de massavernietigingswapens opgeslagen. Andere landen wordt het bezit van dat soort wapens nog wel eens verweten, het is zelfs een reden om ze aan te vallen, maar in ons kleine vreedzame land mogen ze rustig opgeslagen worden tot ze nodig zijn. De profeten uit de Bijbel verwerpen een dergelijke politiek. In de dagen van de profeet Jesaja was het de wereldmacht Egypte waar steun werd gezocht tegen de andere wereldmacht Assyrië. Je hoeft de twee namen maar te verruilen voor Amerika en Rusland of je herkent de geschiedenis uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Pas heel langzaam is het besef gegroeid dat recht voor alle volken pas recht is als het ook door alle volken gedragen wordt en dat het geweldloos afdwingen van dat recht ver de voorkeur verdient boven het toepassen van geweld, zeker boven het toepassen van die massavernietigingswapens. Voor dat recht namens alle volken hebben we de Verenigde Naties.

De profeet Jesaja zet het vertrouwen op bondgenootschappen met wereldmachten als Egypte tegenover het vertrouwen op de God van Israël. Die God is niet een zelfgemaakte god van zilver en goud. Dit is een levende God die het volk al eerder bevrijdt heeft van de slavernij in Egypte. Centraal in de boodschap staat het “Vreest Niet”, en een volk waarvan het leger geen enkele vrees kent jaagt andere legers een enorme vrees aan. Het sterkste wapen in het Midden Oosten is de zelfmoordterrorist. Vertrouwend op Allah kent de strijder geen enkele vorm van angst, zelfs de eigen dood jaagt geen angst meer aan en kan dan als wapen worden gebruikt. Voor de profeet Jesaja gaat het er om dat Israël weer in staat zal zijn om de wereldmacht Assyrië angst aan te jagen. Dat bondgenootschap met Egypte jaagt in elk geval geen angst aan. Ook Assyrië zal in staat blijken dergelijke bondgenootschappen te sluiten en het ene is niet beter of slechter dan het andere.

Opvallend is de afkeer die de profeet heeft van de strijdwagens, de paarden en de ruiters van Egypte. Kennelijk hebben die Egyptische doorgewinterde militairen wel angst, maar van de God van Israël hebben trekken ze zich niks aan. Nu worden in de Bijbel ook de profeten Elia en Elisa aangesproken als strijdwagens van Israël. Het was een strijdwagen met paarden die de twee profeten uit elkaar dreef en Elia uit het zicht bracht zodat deze kon worden opgenomen bij de God van Israël. Elisa werd zo aangesproken op zijn sterfbed toen hij de Koning hielp een bedreiging van Israël af te wenden, door de angst van die Koning lukte het overigens niet helemaal. Het zijn dus de profeten van Israël die zich presenteren als de meest krachtige strijdwapens die God het volk ter beschikking heeft gesteld. Hun roep om recht en gerechtigheid, om zorg voor de minsten, de weduwe en de wees, hun roep om terug te keren naar het heb uw naaste lief als uzelf is het sterkste wapen in de strijd tegen een wereldmacht. In onze dagen mogen we dat steeds voor ogen houden, ook als wij een aantal crises te bestrijden hebben. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Slaan met een stok

Jesaja 30:23-33

23 Dan zal Hij regen geven voor het zaad waarmee je het land hebt ingezaaid. Alles wat het land voortbrengt zal mals en voedzaam zijn. Op die dag zullen je kudden op uitgestrekte weidegronden grazen. 24 De runderen en ezels die het land bewerken, krijgen voer dat verrijkt is met zuring, nadat het met vork en zeef is gewand. 25 Op de dag van het bloedbad, wanneer de torens vallen, zullen er beken en waterstromen neervloeien van iedere hoge berg en van elke heuvel die zich verheft. 26 Dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk. Op die dag verbindt de HEER de wond van zijn volk en geneest Hij de striemen die het zijn toegebracht. 27 De HEER zelf komt van ver, in brandende toorn: uit zijn neus stijgt dichte rook omhoog, vervloeking ligt op zijn lippen, zijn tong is als een verterend vuur, 28 zijn adem als een kolkende watervloed die tot de hals reikt. Hij komt de volken opschudden met een bedrieglijke wan, de naties geeft Hij een misleidend bit tussen de kaken. 29 Maar bij jullie zullen liederen klinken, zoals in de nacht van heiliging voor een feest. Jullie zullen verheugd zijn als een pelgrim die op de schalmei speelt, op zijn tocht naar de berg van de HEER, de rots van Israël. 30 Dan zal de HEER zijn machtige stem laten horen en laten zien hoe zijn arm neerkomt, in grimmige toorn: met een verterend vuur, met wolkbreuken, stortbuien en hagelstenen. 31 Zijn stem zal Assyrië verlammen, de HEER zal het slaan met een stok. 32 Elke keer dat de HEER de tuchtigende staf op zijn rug laat neerkomen, zullen de trommels en de lieren klinken. Met een regen van slagen gaat Hij Assyrië te lijf. 33 De offerplaats is sinds lang gereed, klaargemaakt voor de koning, met een vuurhaard diep en ruim, en vuur en hout in overvloed. Als een stroom van zwavel steekt de adem van de HEER hem in brand. (NBV21)

Volgens het boek van de profeet Jesaja houdt de God van Israël zich actief bezig met internationale politiek. Vandaag lezen we daar een passage over die dat meer dan duidelijk maakt. Volken die het arme volkje van Israël denken te kunnen bezetten en uitbuiten zullen zelf te lijden krijgen, uiteindelijk zelf in het vuur verdwijnen waarin de kinderen van Israël aan hun god Moloch werden geofferd. Het is een belofte van steun. Assyrië had in eerste instantie gewonnen. Israël was gestraft juist mede vanwege het offeren van kinderen in het vuur aan Moloch, een afgod. Assyrië had koningen en priesters in ballingschap gevoerd. De belofte het volk van deze onderdrukking te bevrijden is tegelijk een waarschuwing. Het zal duidelijk zijn dat als het vuur voor Moloch bestemd wordt om er Assyriërs in te gooien datzelfde vuur niet meer een zogenaamd heilig offervuur is waar kinderen van Israël in geofferd worden aan een afgod.

Het verhaal van het offer van Izaak was in Israël totaal vergeten. Dat Abraham zijn zoon had gebonden en naar de top van een berg had gebracht om zijn zoon te offeren aan de God van Israël klonk in de dagen van Jesaja niet meer dan normaal, zo deden gelovigen. Dat die God van Israël zelf een offerdier had gestuurd en juist het offeren van kinderen had verboden was een deel van het verhaal dat vergeten was, verdrongen door de mode. Uiteindelijk had die afgoderij Israël verzwakt. Er werd niet meer voor elkaar gezorgd. De minsten bleven onverzorgd, de weduwe en de wees rechteloos. En een volk, een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is gaat ten onder. Dat was ook het lot van het volk Israël geworden. Wat moeten wij nu met die oude verhalen? Met die oude belofte van bevrijding en die waarschuwing tegen kinderoffers? Wij zorgen toch goed voor onze kinderen? Wij hebben onderwijs, wij hebben voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse kinderopvang? Maar te veel van onze kinderen groeien dicht.

Het lijkt erop of we ze vetmesten zoals dieren vetgemest worden om geofferd te worden. Het aantal gedragsproblemen onder kinderen neemt toe. De opvang die kinderen geboden wordt betekent dat ze steeds minder tijd doorbrengen met liefhebbende zorgende ouders die hen een voorbeeld zijn in het leven. De goden van winst en profijt, die in onze dagen worden aanbeden, eisen ook hun slachtoffers, eisen dat we werk stellen boven zorg, dat we dus het tegendeel doen van wat de God van Israël van ons vraagt. Mogen we de bankencrisis die we meemaken een straf van God noemen? Niemand heeft een antwoord op die vraag, maar de crisis is begonnen in hart van het rijk van de goden van profijt en winst: de banken en de financiële markten. We moeten dus wellicht een andere weg inslaan. De Weg van de God van Israël, de weg van delen met elkaar en zorgen voor de minsten staat elke dag opnieuw voor ons open, ook vandaag weer. Kies dus de weg die je wil gaan.

Geduld en vertrouwen

Jesaja 30:12-22

12 Daarom – dit zegt de Heilige van Israël: Omdat jullie die woorden hebben verworpen en vertrouwden op geweld en bedrog, 13 zal dit kwaad in jullie doorwerken als een steeds bredere bres in een hoge muur, die dan opeens, in een oogwenk, instort 14 en breekt als de kruik van een pottenbakker die zo meedogenloos wordt verbrijzeld dat er geen scherf meer over is
waarmee vuur uit de haard gehaald of water uit een vat geschept kan worden. 15 Dit zei God, de HEER, de Heilige van Israël: ‘In rust en inkeer ligt jullie redding, in geduld en vertrouwen ligt jullie kracht.’ Maar jullie wilden niet. 16 Jullie zeiden: ‘Nee! Te paard vluchten we weg!’ – Vluchten zúl je! ‘Wij gaan er razendsnel vandoor!’ – Razendsnel word je ingehaald. 17 Duizend zullen er vluchten voor het dreigen van één, voor het dreigen van vijf vluchten jullie allen. Al wat er van jullie rest is als een paal op een bergtop, als een vaandel op een heuvel. 18 En toch wacht de HEER op het ogenblik dat Hij jullie genadig kan zijn; toch zal Hij zich oprichten om zich over jullie te ontfermen. Want de HEER is een God van recht. Gelukkig de mens die op Hem wacht. 19 Volk van Jeruzalem, dat op de Sion woont, je hoeft geen tranen meer te storten. Want Hij zal zich over je ontfermen als je weeklaagt, Hij zal antwoorden zodra Hij je hoort. 20 De Heer zal jullie brood geven in de benauwenis en water in de nood. Hij die jullie onderricht gaf, zal zich niet langer verbergen. Met eigen ogen zul je je leermeester zien, 21 met eigen oren zul je een stem achter je horen zeggen: ‘Dit is de weg die je moet volgen. Hier moet je rechts. Ga daar naar links.’ 22 Dan zullen jullie je met zilver overtrokken beelden en je vergulde godenbeelden als onrein beschouwen. Je zult zeggen: ‘Weg ermee!’ en ze weggooien als een onreine doek. (NBV21)

Als we het hebben over profeten dan hebben we het al snel over onheilsprofeten. Mensen die langs de kant van de weg staan om te vertellen hoe slecht we wel zijn en hoe schandalig we ons gedragen. En als je uitgescholden wordt voor onhandelbaar volk, voor kinderen vol bedrog die niet willen luisteren dan is dat niet zo heel vreemd. Maar volgens dit deel uit het boek van de profeet Jesaja ligt dat ook aan onszelf. Wij horen van die profeten alleen maar de verwijten. Wij horen niet naar het visioen, naar de analyse van de waarheid zoals die oplicht in het licht van de God van Israël. Kijk maar eens naar vers 18. Er zal volgens de profeet een ogenblik komen dat de God van Israël voorbij ziet aan al die slechte dingen van het volk en zich zal ontfermen. Het is een God van recht staat er. Hoezo? Als je fout doet moet je veroordeeld worden! Maar niet bij de God van Israël, recht is voor die God: mensen tot hun recht laten komen. Vandaag lezen we dus een boodschap van hoop uit het boek van de profeet Jesaja. Hoop voor de bevolking van Jeruzalem, een stad die bezet was door vreemde soldaten en waarvan de leiding van Tempel en Koninkrijk was weggevoerd in ballingschap.

Wat voor uitzicht hadden de bewoners van de Tempelberg nog? Waar haalden ze hun eten vandaan nu er geen pelgrims meer optrokken naar de stad om daar met de armen, de familie, de tempeldienaren en de vreemdelingen de maaltijd te houden die de God van Israël hun had bevolen om ze te laten oefenen in de zorg voor de armen en de gastvrijheid voor de vreemdelingen? Ze moeten weeklagen zegt de profeet. Dat is iets anders dan ach en wee roepen en gewoon doorgaan met waar je mee bezig was, maar dan met een droevig gezicht. Er zal een Weg worden gewezen die je zult moeten willen gaan, je zult er naar moeten willen luisteren. Het visioen dat de profeten ook ons voorhouden is dat als je leeft volgens het principe dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Als je een samenleving zo inricht dat de minsten mee kunnen delen. Als je de samenleving zo inricht dat mensen tot hun recht komen, dat de armen beschermd zijn en er voor de weduwe en de wees wordt gezorgd, dat vreemdelingen gastvrij worden opgenomen en waar geen angst meer is voor een ander dat het dan goed zal gaan met het volk.

Een dergelijk volk leeft in vrede. De voorwaarden die de profeten schetsen voor een volk dat in vrede leeft zijn niet heel ingewikkeld. Ze konden in de tijd van de profeet Jesaja worden toegepast en vele eeuwen daarvoor toen het volk door de woestijn trok en ze kunnen in onze dagen worden toegepast. We hoeven zelfs niet te wachten tot onze volksvertegenwoordiging ze in wetten en regels heeft weten vast te leggen. We kunnen een volksvertegenwoordiging kiezen die van die regels uitgaat, maar nog beter is gewoon zelf met de regel dat we onze naaste liefhebben als onszelf te beginnen. Wie gaat er staan naast de slachtoffers van het Toeslagenmisdrijf. Wie zorgt dat gezinnen weer herenigt worden daar waar ze door misdrijven van de overheid uiteen zijn gerukt. We kunnen er elke dag mee beginnen en dat kan elke dag weer opnieuw, zelfs vandaag weer.

In de schaduw van Egypte.

Jesaja 30:1-11

1 Wee jullie, opstandige kinderen – spreekt de HEER –, die plannen uitvoeren buiten Mij om, verdragen sluiten tegen mijn zin en zo zonde op zonde stapelen; 2 die zonder Mij te raadplegen op weg gaan naar Egypte, om te schuilen in de vesting van de farao en bescherming te zoeken in de schaduw van Egypte. 3 De vesting van de farao zal jullie schande brengen, de bescherming van Egyptes schaduw smaad. 4 Al komen zijn leiders naar Soan, al bereiken zijn gezanten Chanes, 5 toch zullen allen beschaamd staan, want dat volk heeft niets te bieden. Het brengt geen hulp of voordeel, maar slechts schande en smaad. 6 Profetie over de dieren van het Zuiden. Door een land van ellende en ontbering – het domein van leeuwin en leeuw, van adder en vliegende gifslang – vervoeren zij hun schatten op ezelsruggen, hun rijkdommen op kamelenbulten, naar een volk dat niets te bieden heeft. 7 De hulp van Egypte is loos en leeg; dus noem Ik het Rahab, Tandeloos monster. 8 Neem een stenen plaat en schrijf dit op, leg het voor hen vast in een boek, zodat het voor altijd en eeuwig bewaard blijft. 9 Een onhandelbaar volk is het, kinderen vol bedrog, die niet willen luisteren naar het onderricht van de HEER. 10 Tegen de zieners zeggen zij: ‘Voor ons geen visioenen!’ en tegen de schouwers: ‘Schouw niet naar waarheid. Paai ons met vleierij en valse profetieën. 11 Verlaat de juiste weg, wijk af van het rechte spoor. Val ons niet lastig met de Heilige van Israël.’ (NBV21)

Profeten hebben het nergens op met bondgenootschappen die de Koningen van Israël en Juda sluiten met andere volken. Dat komt omdat ze vinden dat het volk Israël allereerst haar steun moet zoeken bij de God van Israël. Ze dromen van een volk dat weigert iemand ter dood te brengen omdat het verbond met hun God zegt “Gij zult niet doden”. Ze dromen van een volk waarin iedereen voor iedereen zorgt. Waar de bedreiging van een enkeling een bedreiging voor allen is, maar waar verlies van goederen, land en inkomen direct door gezamenlijke inspanning wordt goedgemaakt. Zo’n volk, een volk dus dat de weg van de God van Israël volgt is volgens de profeten onoverwinnelijk. Zeker in het boek van de Profeet Jesaja vindt je voortdurend de waarschuwingen tegen al die bondgenootschappen. En een bondgenootschap met Egypte, het land van de dood en de doodscultus is al helemaal het einde, dat betekent dat het volk haar slavernij en de bevrijding daaruit helemaal vergeten is.

We lezen om te beginnen een uitspraak over de dieren van het Zuiden. Dat zegt ons niet zoveel, maar als we naar de kaart van Israël kijken dan ligt het voor de hand te denken dat het zal gaan over de woestijn en vooral over de roofdieren die zich in de wildernis schuilhouden. Nu is het Hebreeuws een aardige taal, de schrijftaal kent geen klinkers. En als je in een woord de klinkers vervangt door andere klinkers dan betekent het woord ineens iets anders. Het gaat het om Juda dat een verbond gaat sluiten met Egypte. Gezanten zijn naar Soan en Chanes gereisd om daar te onderhandelen over de verdragsbepalingen. De namen van die steden zeggen ons niks maar geleerden hebben uitgemaakt dat het Hebreeuwse verbasteringen zijn van Egyptische namen voor hun steden, zoals wij Parijs zeggen tegen het Franse Paris, en Berlijn tegen het Duitse Berlin. Het gaat dan om de hoofdstad van Egypte Dat beide steden werden bezocht geeft aan dat het sluiten van het verdrag met Egypte ook een religieuze kant had. Geen vreemde zaak, als buitenlanders steun bij jou kwamen zoeken dan zochten dus ook steun bij de God die aan jouw kant stond. Die God werd door een verdrag alleen maar groter en sterker.

Juda kon het dus niet af met de God van Israël, de God die het volk had bevrijd uit de slavernij in Egypte. Het steun zoeken bij vreemde goden zou ze wel eens duur kunnen komen te staan. Volgens de profeet zou slechts schande, spot en hoon hun deel zijn. Ook in onze dagen willen mensen nog wel eens bondgenootschappen met vreemde volken langs de maat van de Bijbel leggen. Staat het “Gij zult niet doden” voorop? Met andere woorden ,worden we verleid tot een vechtmissie of een hulpmissie? Laten we de armsten in een conflict tot hun recht komen? Is er sprake van humanitaire hulp? Is er sprake van bevrijding van onderdrukten of vervangen we de ene onderdrukker door de andere? Als je “Gij zult niet doden” voorop zet betekent niet dat je afziet van het gebruik van wapens en volstrekt je geweldloos gedraagd. Wie de verhalen van de profeten leest hoort daar wel anders vertellen. Maar het betekent dat je geweld wil overwinnen door het goede te doen en niet dan het goede. Dat kunnen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Blijf waakzaam

Efeziërs 6:18-24

18 Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen. 19 Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik spreek, zodat ik met vrijmoedigheid het goddelijk geheim van het evangelie bekend mag maken, 20 waarvoor ik gezant ben, ook in de gevangenis. Bid dat ik daarbij vrijuit spreek, zoals mijn plicht is. 21 Opdat ook u weet hoe ik het maak, zal Tychikus, onze geliefde broeder, die zo trouw de Heer dient, u alles vertellen. 22 Juist met dit doel stuur ik hem naar u toe, om u over onze omstandigheden in te lichten en om u moed in te spreken. 23 Vrede zij met de broeders en zusters, en liefde en geloof, van God, de Vader, en van de Heer Jezus Christus. 24 Genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus liefhebben, in onvergankelijkheid. (NBV21)

Er worden tijdens een storm heel wat schietgebedjes gebeden. Nood leert bidden zegt immers het spreekwoord. Maar bidden roept bij veel mensen ook veel vragen op. Natuurlijk, mensen die rare verhalen houden over ene Jezus die in je hart moet wonen en in je leven moet worden toegelaten roepen daarbij dat je op je knielen moet en dat alles je dan gegeven zal worden. Maar als we bij Paulus lezen over bidden krijgen we toch een heel andere indruk. Paulus schrijft deze brief toch zeker nadat hij zich actief was gaan inzetten voor de beweging die Jezus van Nazareth en zijn volgelingen op gang hadden gebracht. Hij had een groot deel van de toenmalige wereld rondgereisd en overal mensen actief gemaakt voor die beweging. Zelf was hij daardoor uiteindelijk in de gevangenis geraakt. Deze brief, en dat kunnen we nu hier weer eens lezen, werd vanuit de gevangenis geschreven.

Als alles je gegeven wordt als je op je knielen valt dan zou die Paulus een ongelovige moeten zijn geweest. Niets is minder waar. Je krijgt dus niet alles. Zelfs een Paulus, die vele gemeenten van Christenen heeft gesticht, blijft onzeker over het vinden van de juiste woorden om de mensen mee te krijgen. Blijft onzeker over de angst die je in gevangenschap kan overvallen en je vrijmoedigheid om tegen een boze overheid het goede te blijven verkondigen kan verminderen. Paulus bid dus niet tot God maar tot de lezers om voor hem brieven te schrijven zoals wij dat vandaag de dag via Amnesty International doen. Aan gevangenen ter bemoediging en aan de overheden om hen vrij te krijgen. Bidden bij Paulus is altijd je inzetten voor een ander. Soms moet je je in stilte terugtrekken om nieuwe wegen of nieuwe woorden te vinden om de ander te helpen, te bevrijden, maar de Liefde voor de naaste staat altijd centraal.

Voor jezelf is brood voor een dag genoeg. “Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben” Zo immers had Jezus van Nazareth ook het bidden voorgedaan. En daarbij gaat het Onze Vader terug op de tocht van het volk Israël in de woestijn. Daar was geen brood. Het ongezuurde brood dat ze nog in Egypte hadden gebakken en dat ongezuurd was om bederf te voorkomen was op een goede dag op geweest. God zond toen manna, een merkwaardige korrel die ze konden rapen en als brood bakken. Maar het was maar een dag houdbaar, het dagelijks brood dus. Daar vragen we nog steeds om, elke dag opnieuw. Dat moet ons ook doen beseffen dat alles wat we hebben van God is gekregen. Meestal krijgen we wat meer om uit te delen en met het uitdelen Gods naam groot maken. Paulus stond niet alleen. Hij kon de Turk Tychikus sturen om brieven te brengen. Deze verder onbekende helper van Paulus wordt in de Bijbel een paar maal genoemd als steun in de Romeinse gevangenis en bezorger van de daar geschreven brieven. Een troost voor ons te weten dat ook het meest eenvoudige werk, delen van je brood, brieven schrijven voor Amnesty, toch belangrijke sporen nalaat.

Onze strijd

Efeziërs 6:10-17

10 Ten slotte, zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht. 11 Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. 12 Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. 13 Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, en goed voorbereid stand te kunnen houden. 14 Houd stand met de waarheid als gordel om uw heupen, de gerechtigheid als harnas om uw borst, 15 de inzet voor het evangelie van de vrede als sandalen aan uw voeten, 16 en draag daarbij het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is kunt doven. 17 Draag de verlossing als helm en Gods woord als zwaard, dat u van de Geest ontvangt.(NBV21)

Paulus zegt dat de strijd is gericht tegen hemelse vorsten, tegen kwade geesten in hemelsferen. Bestaan die dan? Volgelingen van Jomanda, Char of andere zogenaamde geestelijke leidslieden zullen direct roepen van wel. Nou dan is duidelijk waar de strijd tegen gericht is. Tegen het zich beroepen op geestelijke, of hemelse opdrachten. Die zijn er niet. Er zijn geen mensen die meer hemelse of geestelijke mogelijkheden hebben dan anderen. We hebben allemaal dezelfde mogelijkheden en dezelfde opdracht. Die opdracht is de naaste lief te hebben als onszelf, de mogelijkheid is daar elke dag, ja elk moment weer opnieuw mee te kunnen beginnen, Iedere keer weer dwalen we daarvan af en zoeken we ons heil in de kosmos, of de balans, of de spirituele wereld, de geestenwereld, of in de stilte in onszelf, maar iedere keer weer ontdekken we dat ons heil te vinden is in de liefde voor onze naaste. Daarom hebben we die wapens nodig om weerstand te bieden op de dag van het kwaad, om stand te houden.

Gerechtigheid is het harnas, is het instralen van water gerechtigheid of waarheid? Voert het zogenaamde contact met overledenen tot vrede op aarde? Welnee interessant doen voor nabestaanden die iets bijzonders willen hebben meegemaakt en klinkende munt voor het medium. Inzet voor het evangelie van de vrede, de blijde boodschap die zegt dat vrede in onze grote steden, vrede in Irak en Syrië, vrede tussen Christendom en Islam, vrede tussen armen en rijken allemaal mogelijk is als we het samen op kunnen brengen van mensen te houden en iedereen mee te laten doen aan onze samenleving. Het geloof daarin dooft alles wat ons daarvan afbrengt, het branden van kaarsjes, het achterna lopen van heiligenbeelden, het terugtrekken in stille kloosters. Al die zogenaamde religieuze of spirituele zaken maken ons dienstbaar aan zelfbenoemde heren terwijl we zouden moeten werken voor eerlijke handelsverhoudingen, voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, voor gelijke kansen voor allochtonen en autochtonen, voor een rechtvaardige verdeling van inkomen en goederen in onze samenleving en desnoods voor de voedselbanken zolang die nodig zijn.

Wij kunnen ons in groepen terugtrekken om brieven te schrijven voor Amnesty International. Hoe meer mensen we meekrijgen in die messiaanse beweging hoe eerder de Bevrijding aanbreekt. Wij kunnen vrijwilligerswerk doen bij voedselbanken of Fair Trade winkels. We  kunnen de vredesbeweging steunen met petities. We kunnen vragen om een menselijk asielbeleid. We kunnen de slachtoffers van het Toeslagenmisdrijf steunen Er is zoveel te doen, het is haast te veel om op te noemen. Maar het begint in eigen huis. Het begint met het voorbeeld te willen zijn voor buren, voor je kinderen, voor je collega’s op het werk als je dat hebt. Het gaat verder in eigen buurt, in eigen stad of dorp, in de politiek van de eigen gemeente. Als je er van overtuigd bent dat vrede echt op aarde kan uitbreken, als je echt gelooft dat de verschillen tussen arm en rijk kunnen verdwijnen, dat ook de allerarmsten een eerlijk inkomen kunnen verdienen. Als je echt gelooft in de komst van een samenleving waarin ieder mens meetelt. Dan heb je het harnas aan waar Paulus het over heeft, dan houdt niets je meer tegen en kun je het oneindig lang volhouden. En je kunt er elke dag mee beginnen dat is misschien nog het mooiste.

Niet met uiterlijk vertoon

Efeziërs 6:1-9

1 Kinderen, wees gehoorzaam aan je ouders uit ontzag voor de Heer, want zo hoort het. 2 ‘Toon eerbied voor uw vader en moeder,’ dat is het eerste gebod waaraan een belofte verbonden is: 3 ‘Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde.’ 4 Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen, zodat u ze opvoedt zoals de Heer dat wil. 5 Slaven, gehoorzaam uw aardse meester zoals u Christus gehoorzaamt, met ontzag, respect en oprechtheid; 6 niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar als slaven van Christus die van harte alles doen wat God wil. 7 Wees toegewijd in uw werk, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, 8 want u weet dat allen, zowel slaven als vrije mensen, door de Heer beloond worden voor het goede dat ze doen. 9 Meesters, behandel uw slaven op dezelfde manier. Laat dreigementen achterwege, want u weet dat zij en u dezelfde Heer in de hemel hebben, en dat Hij geen onderscheid maakt.(NBV21)

Gisteren hadden we het over de misverstanden die de woorden van Paulus kunnen oproepen, en helaas hebben opgeroepen, over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Met de woorden van Paulus over ouders en kinderen en over slaven en meesters is het al niet anders. De oproepen om in de geest van Jezus van Nazareth te blijven in die verhoudingen zijn maar al te vaak uitgelegd om de gehoorzaamheids gewoonten van de wereld over te nemen. Zorgen voor je naaste kost immers maar tijd en tijd is geld en geld is voor de bazen en de rijken. Van harte te doen wat God wil is de kern van het stuk. En we weten dat de onderwijzing in de Liefde van de God van Israël, de Tora, voorschrijft dat je het goede doet en niets dan het goede. Dat geldt ook voor kinderen. In de eerste plaats roept de Bijbel op nooit je afkomst te vergeten. Voor het volk Israel gold, en geldt nog steeds, dat ze moeten onthouden dat ze slaven waren in Egypte en bevrijdt waren van die slavernij. Die bevrijde slaven worden ons ook ten voorbeeld gehouden en als ook wij Heidenen opgeroepen worden onze afkomst niet te vergeten dan geldt voor ons dat we broeders en zusters zijn van die bevrijde slaven in het volk Israel.

Ouders en kinderen eren elkaar dus door te zorgen dat ze werkelijk mens kunnen worden, dat ze mee kunnen werken in dat nieuwe Koninkrijk en volop mee kunnen doen in de samenleving, vrije mensen worden die elkaar helpen te realiseren wat ze in zich hebben. En dan de slaven. Het lijkt er op dat Paulus de slavernij goedpraat, maar zo is het niet. Ook slaven worden opgeroepen hun eigenaar het goede en niets dan het goede voor te houden. En niet voor niets. De Gereformeerde slavenhouders in het Zuiden van de Verenigde Staten verboden het bekeren van hun slaven tot het Christendom. Waren die slaven namelijk eenmaal bekeerd dan waren ze onbruikbaar als slaven omdat ze dan broeders en zusters waren geworden. Paulus sluit hierbij aan bij de oproepen van de profeten aan de ballingen in Babel. Zij moesten zich niet verzetten tegen hun status als balling, maar hun geloof bewaren en tuinen aanleggen waar ze groenten en dergelijke verbouwden zodat ze die konden delen met de armsten in de stad en zodoende een goede reputatie voor de God van Israël konden opbouwen. Slavenopstanden liepen in de dagen van Paulus steevast uit op verschrikkelijke bloedbaden.

De houding die Paulus dus heel uitdrukkelijk vraagt is de houding van bevrijding. Niet de goden van macht en profijt, van geld en goed, regeren hier maar de God van de Liefde. En in die Liefde worden slaven en vrijen gelijkelijk beloond. Er zijn ook vandaag de dag nog een heleboel werksituaties waarin die houding van bevrijding bittere noodzaak is. Slavenverhoudingen tussen arbeiders en werkgevers. Bevrijding van onrechtvaardige werkdruk, van gevaarlijke arbeidsomstandigheden, van ziekmakende verhoudingen is nog te veel nodig. Dat in tegenstelling tot volledige ontplooiing, tot medeverantwoordelijkheid, tot samen werken en samen leven waar het eigenlijk over zou moeten gaan. De bevrijding zou vandaag kunnen beginnen. Wij letten er vaak nog te weinig op, maar onze kleding, onze schoenen, snuisterijen worden vaak gemaakt onder de meest verschrikkelijke omstandigheden. Af en toe breekt in een naaiatelier, een weverij of een fabriek brand uit en dan vallen er veel slachtoffers omdat er geen vluchtwegen zijn of omdat arbeiders, kinderen ook vaak, letterlijk aan hun arbeidsplaats geketend zijn. We mogen niet verwachten dat die slaven in opstand komen, maar wij kunnen hen bevrijden door onophoudelijk te vragen om slaafvrije kleding, slaafvrij schoeisel, slaafvrije snuisterijen voor onze huizen. Ook bij onze consumptie geldt dat we het goede moeten doen en niet dan het goede, elke dag opnieuw.

Niemand haat ooit zijn eigen lichaam

Efeziërs 5:21-33

21 Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus. 22 Vrouwen, erken het gezag van uw man zoals dat van de Heer, 23 want een man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk, het lichaam dat Hij gered heeft. 24 En zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen. 25 Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven 26 om haar te heiligen, haar te reinigen met het water en met woorden 27 en om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver. 28 Zo moeten mannen hun vrouw liefhebben, als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. 29 Niemand haat ooit zijn eigen lichaam, integendeel, men voedt en verzorgt het, zoals Christus de kerk, 30 want dat is zijn lichaam en wij zijn de ledematen. 31 ‘Daarom zal een man zich losmaken van zijn vader en moeder en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één lichaam zijn.’ 32 In deze woorden schuilt een groot geheim – ik betrek ze op Christus en de kerk. 33 Maar ook voor elk van u geldt dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man.(NBV21)

Er zijn mensen die de Bijbel letterlijk willen nemen van kaft tot kaft. De eerste vraag is natuurlijk welke bijbel men letterlijk wil nemen. De oorspronkelijke Bijbel, geschreven in het Hebreeuws, Grieks en Aramees, of de vertaling ervan en dan ook nog vertaald in welke taal. Er zijn enkele tientallen verschillende vertalingen in het Nederlands. Wij volgen hier de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap die in 2021, onlangs dus, werd gepresenteerd. De Bijbel is een boek uit een ver verleden. Voor Bijbelschrijvers is de aarde plat en draaien zon en sterren rond de aarde. Men wist niet beter en het doet aan de boodschap van de Bijbel niet toe of af. Ook het stuk uit de brief van Paulus dat we vandaag lezen moeten we met een dergelijke voorzichtigheid lezen. Maar al te gemakkelijk leggen we begrippen uit zoals we ze in de ons omringende wereld zien. Daar was het immers vele eeuwen gebruik dat mannen de baas waren over hun vrouw en dat de vrouw de man gehoorzaam moest zijn. Als er ergens ook nog een christelijk excuus voor die situatie nodig was dan werd gewezen naar het stuk uit de brief van Paulus dat we vandaag hebben gelezen. Ten onrechte.

Misschien dat Paulus wel bedoelde dat mannen de baas zijn van een gezin maar dat schrijft hij niet. Hij wijst op de Bevrijder als hoofd van de Kerk en analoog daaraan de plaats van de man in het gezin. Jezus van Nazareth heeft als kenmerk van die Bevrijder genoemd het dienen. Niet het heersen maar het dienen is het teken van waarachtigheid. Zo dienen mannen dus hun vrouwen te bevrijden van de wereldse conventies die hen kunnen weerhouden van het krijgen van eigen maatschappelijke verantwoordelijkheden, die hen weerhouden de mens te zijn die ze zouden kunnen zijn als de samenleving hen dat zou toestaan, die hen verhinderen volledig en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Als je de richtlijnen van de God van Israël, van eerlijk delen, van rechtvaardigheid en van zorgen dat iedereen mee kan doen, toepast op de maatschappelijke verhouding tussen mannen en vrouwen dan kan het niet anders of mannen zorgen dat er niets in de weg staat van de ontplooiing van de vrouw en zorgen vrouwen er voor dat ze ook zelf bevrijd worden van de maatschappelijk conventies die hen tegenhouden zich te ontplooien.

Als je de Bijbel letterlijk wil nemen moet je de boodschap van de Bijbel letterlijk nemen en die boodschap is niet dat de een heerst over de ander, maar dat ieder de ander dient en liefheeft als zichzelf. Man en vrouw kunnen een eenheid vormen, één lichaam zelfs en niemand zet zichzelf gevangen of sluit zichzelf uit. Ook Paulus spreekt hier dus bevrijdende taal. Nu mag je dus een uitspraak als “Niemand haat zijn eigen lichaam” best letterlijk nemen. Als je dat los van het Bijbelgedeelte van vandaag vertelt dan zal men je zeggen dat er toch een aantal doctoren zijn die grof geld verdienen aan mensen, vooral vrouwen, die zeer ontevreden zijn met hun eigen lichaam. Die vrouwen, ze zijn van alle leeftijden, ondergaan soms de meest vernederende martelingen om maar aan een zogenaamd ideaal beeld te voldoen. Dat uiterlijk telt is één van die maatschappelijke conventies die mensen gemakkelijk op verkeerde wegen brengen. Het gaat namelijk in het leven niet om het uiterlijk, lang niet altijd om het innerlijk, maar om het effect dat het handelen van mensen heeft op de minsten in de samenleving. Over het innerlijk van anderen kunnen we niet oordelen en  het oordeel over het uiterlijk gaat alleen over eigen genot. Pas het effect op de minsten van je handelingen geeft je waarde aan.

Heb medelijden met mij!

Marcus 10:46-52

46 Ze kwamen in Jericho. Toen Hij met zijn leerlingen en gevolgd door een grote menigte weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg; het was Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47 Toen hij hoorde dat Jezus van Nazaret voorbijkwam, begon hij luidkeels te roepen: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’ 48 De omstanders berispten hem en zeiden dat hij zijn mond moest houden, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 49 Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’ 50 Hij gooide zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus. 51 Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik kan zien.’ 52 Jezus zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’ En meteen kon hij zien en hij volgde Hem op zijn weg.(NBV21)

De vraag of Jezus van Nazareth nu wel of niet genezen heeft wordt zelden gesteld. Dat is eigenlijk ook een gevaarlijke vraag. Want als hij zou kunnen genezen als een dokter dan zouden alle andere blinden die niet zijn genezen kennelijk te weinig geloofd hebben. Dit verhaal gaat dus niet over genezen, maar dit verhaal gaat over gehoord worden. Mensen die langs de weg zitten worden zelden gehoord. Als ze al eens opgemerkt worden krijgen ze een aalmoes toegeworpen. Aandacht is er nooit voor. Om aandacht te trekken is in ons land de straatkrant of de daklozenkrant bedacht. Een echte krant met leuke artikelen die verkocht wordt zoals alle andere kranten. Alleen de opbrengst gaat naar mensen die langs de weg zijn komen te staan, want ook in onze samenleving komen er mensen langs de weg te staan. Denk niet dat het hun eigen schuld is. De schade die ze hebben opgelopen en die maakt dat ze buiten de samenleving zijn komen te staan, maar ook blijven staan, is vaak  van veel vroeger. Ze zijn al langer niet gehoord en opgemerkt en het op straat komen te staan is vaak het einde van een lange lijdensweg.

Zo ook Bartimeüs. In de dagen van Jezus van Nazareth bleef er voor veel mensen niet veel anders over dan als blinde of lamme langs de weg gaan zitten en te gaan bedelen. Ze waren niet meer vooruit te branden. De weg had voor hen opgehouden en alleen aalmoezen hielden hen nog in leven. Maar Bartimeüs had ergens nog een sprankje hoop. Ooit zou er een moment komen dat iemand hem weer op weg zou helpen, ooit kwam er een dag dat er meer zou zijn dan een aalmoes, dat iemand hem weer als mens zou herkennen. Dat was nu net wat er gebeurde toen Jezus van Nazareth langs kwam. Want een drukke menigte die Jezus van Nazareth omringde zou zo gemakkelijk alle aandacht voor zich hebben kunnen opeisen. Al die sterke mensen die wel ter been zijn kunnen je de mond snoeren, je staat immers al aan de kant en wie hoort je dan nog?

In onze dagen kunnen oudere werknemers daarvan wanhopig worden. Van werknemers ouder dan 50 jaar werkt nog maar 13%, slechts een klein deel van ons haalt dus de pensioengerechtigde leeftijd ook als werkende. Zoals aan oudere werknemers geen aandacht wordt geschonken zo probeert men ook Bartimeüs tot zwijgen te brengen. Maar hij gaat harder roepen, zo kunnen wij ook de stem worden van mensen die in onze dagen langs de kant staan en niet gehoord dreigen te worden. Jezus van Nazareth laat terugroepen. Hij laat Bartimeüs roepen. Want deze blinde man zag iets dat niemand zag. Hij roept Jezus uit tot Koning, hierna volgt dan ook het verhaal van Palmzondag. Hij vraagt niet meer om aalmoezen, hij vraagt om volwaardig mee te mogen doen in een nieuw Koninkrijk, waar mensen niet langer langs de kant hoeven staan. Hij gelooft weer dat het kan, dat hij de Weg mag gaan van Jezus van Nazareth. Wie het niet meer ziet zitten mag die weg gaan, de Weg van je naaste lief hebben als jezelf, de Weg van de zwakke horen aan de kant van de Weg en daar de hand naar uitsteken. Ook vandaag mogen we die Weg gaan.