Dit was Izebel.

2 Koningen 9:30-37

30 Toen Izebel hoorde dat Jehu onderweg was naar Jizreël, zette ze haar ogen aan, maakte haar kapsel op en ging bij haar venster op de uitkijk staan. 31 Toen Jehu door de poort de stad binnenkwam verwelkomde ze hem met de woorden: ‘Gaat het goed met je, Zimri de Koningsmoordenaar?’ 32 Jehu keek omhoog en vroeg: ‘Is daar iemand die aan mijn kant staat? Niemand?’ Twee, drie eunuchen verschenen aan het venster 33 en Jehu beval hun: ‘Gooi haar het raam uit!’ Ze wierpen haar naar beneden, zodat haar bloed tegen de muur en tegen de paarden opspatte. Jehu vertrapte haar lichaam. 34 Daarna ging hij het paleis binnen en liet zich een maaltijd voorzetten. Toen hij gegeten en gedronken had zei hij: ‘Ga eens naar die vervloekte vrouw kijken en begraaf haar, tenslotte is ze een koningsdochter.’ 35 Maar de mannen die haar gingen begraven vonden alleen nog haar schedel, haar voeten en haar handen. 36 Toen ze terugkwamen om het aan Jehu te vertellen zei deze: ‘Zo is in vervulling gegaan wat de HEER bij monde van de Tisbiet Elia heeft voorzegd: “De honden zullen het lichaam van Izebel op de akkers van Jizreël opvreten. 37 Het lijk van Izebel zal als een hoop mest op het land liggen, op de akkers van Jizreël, en niemand zal kunnen zeggen: ‘Dit was Izebel.’”’(NBV21)

Een smerige afloop van een smerig verhaal. De Bijbel houdt niet van keurigheid of fatsoen. De zaken waar het om gaat worden bij hun naam genoemd zonder ze mooier te maken dan ze zijn. Koningin Izebel wordt door de haremdienaren uit het raam gegooid en vertrapt door de paarden van de nieuwe koning Jehu. Haar lijk wordt vervolgens aangevreten of opgevreten door de hongerige honden van Samaria. De resten dienen als mest voor de akkers. Punt uit, het is verschrikkelijk, maar zo loopt het af met een machthebber die macht, aanzien en bezit belangrijker vindt dan de mogelijkheden tot overleven voor haar onderdanen. En, geef toe, altijd als een machthebber op een dergelijke manier aan het einde komt dan ontstaat er een soort voldaan gevoel. Niemand gaf iets om het leven van Saddam Hoessein. Als je de film over de processen in Neurenberg ziet snap je heel goed waarom er doodvonnissen werden uitgesproken en waarom die vonnissen ook werden uitgevoerd.

Dat geldt ook voor het proces tegen Adolf Eichmann. Zelfs de 150 jaar gevangenisstraf tegen Bernard Madoff kan tot voldoening stemmen. We zijn wel tegen de doodstraf, vooral tegen de doodstraf voor alledaagse misdrijven als moord en roofmoord, die vaak gepleegd worden door zieke en gestoorde geesten, maar niet tegen dergelijke straffen voor de machtigsten op aarde als die willens en wetens alle geboden en verdragen negeren en duizenden of miljoenen om brengen of om laten brengen door hun politiek. Bij de tribunalen over misdaden tegen de menselijkheid in Den Haag is de doodstraf overigens als straf uitgesloten. Izebel heeft zich in de geschiedenis gemaakt tot het voorbeeld voor een slechte vrouw. Ze probeert door zich op te maken haar vrouwelijkheid tot een wapen in de strijd te maken en als dat niet lukt herinnert ze Jehu aan Zimri, die eerder een koning had vermoord en daarna zelf ook ter dood werd gebracht.

Dat ze vrouw was doet hier echter niet ter zake. Achab had door geweld de dood gevonden en de zonen en schoonzonen die haar in haar overtuigingen en politiek waren gevolgd hadden ook door geweld de dood gevonden. Jehu was de laatste voltrekker van de vonnissen die aan God worden toegeschreven. Maar komen ze van God? Je kunt net zo goed zeggen dat deze machthebbers de straffen over zichzelf hebben afgeroepen. De kwaadheid die bij het voortduren van onrecht en geweld tegen zwakken oplaait kan bij mensen die de Weg gaan van heb Uw Naaste Lief Als Uzelf zo groot worden dat geweld tegen deze onmenselijke machthebbers niet meer wordt uitgesloten. Dat was in de Tweede Wereldoorlog zo bij verzetsmensen, dat is nu nog soms zo. Het moet niet, maar soms is het onvermijdbaar. De enige weg om dit te voorkomen is te zorgen dat dit soort machthebbers niet aan de macht kunnen komen. Dat moeten we dan maar proberen.

Dat gaat je niets aan

2 Koningen 9:14-29

14 Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, beraamde een complot tegen koning Joram. Die had met heel het leger van Israël Ramot in Gilead verdedigd tegen koning Hazaël van Aram, 15 maar was naar Jizreël teruggekeerd om te herstellen van de verwondingen die de Arameeërs hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram hadden toegebracht. ‘Als jullie het ermee eens zijn,’ zei Jehu tegen de andere bevelhebbers, ‘laten we er dan voor zorgen dat niemand uit de stad ontsnapt om in Jizreël te vertellen wat hier gebeurd is.’ 16 Daarop reed hij zelf naar Jizreël, waar Joram gewond te bed lag. Koning Achazja van Juda was ook naar Jizreël gekomen om Joram te bezoeken. 17 Toen de wachtpost op de toren van Jizreël Jehu en zijn gevolg in het oog kreeg, meldde hij dat er een stoet in aantocht was. Joram beval dat hun een ruiter tegemoet moest gaan om te vragen of alles in orde was. 18 De ruiter ging hun tegemoet en zei: ‘De koning laat vragen of alles in orde is.’ ‘Dat gaat je niets aan,’ antwoordde Jehu. ‘Volg mij.’ De wachtpost meldde dat de bode de stoet had bereikt en niet terugkeerde. 19 Joram stuurde een tweede ruiter, en toen deze bij Jehu kwam zei hij: ‘De koning laat vragen of alles in orde is.’ ‘Dat gaat je niets aan,’ antwoordde Jehu. ‘Volg mij.’ 20 De wachtpost meldde dat de bode de stoet had bereikt en niet terugkeerde. En hij voegde eraan toe: ‘Aan zijn rijstijl te zien is het Jehu, de zoon van Nimsi, die de stad nadert, want hij rijdt als een waanzinnige.’ 21 Hierop beval Joram zijn wagen in te spannen. De wagen werd ingespannen en koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda reden uit, ieder in zijn eigen wagen, Jehu tegemoet. Op de akker van de Jizreëliet Nabot troffen zij elkaar. 22 Toen Joram Jehu zag, vroeg hij: ‘Is alles in orde, Jehu?’ Jehu antwoordde: ‘Hoe kan alles in orde zijn zolang de losbandige praktijken en de toverkunsten van uw moeder Izebel voortduren?’ 23 Joram wendde de teugels en vluchtte weg, terwijl hij Achazja toeriep: ‘Verraad, Achazja!’ 24 Maar Jehu greep zijn boog en trof Joram tussen zijn schouderbladen. De pijl ging dwars door zijn hart en Joram zakte in zijn wagen in elkaar. 25 Jehu zei tegen zijn adjudant Bidkar: ‘Pak hem op en gooi hem op de akker van de Jizreëliet Nabot. U herinnert u vast nog hoe wij tweeën zij aan zij achter zijn vader Achab reden toen de HEER de volgende profetie over hem uitsprak: 26 “Zo waar Ik gisteren het bloed van Nabot en zijn zonen heb zien vloeien – zo spreekt de HEER –, zo waar zal Ik het u op deze akker vergelden – zo spreekt de HEER.” Dus pak hem op en gooi hem op de akker, zoals de HEER heeft gezegd.’ 27 Koning Achazja van Juda, die zag wat er gebeurde, vluchtte in de richting van Bet-Haggan. Maar Jehu zette de achtervolging in en riep: ‘Dood ook hem!’ Achazja werd getroffen terwijl hij in zijn wagen de pas van Gur bij Jibleam op reed. Hij wist te ontkomen naar Megiddo, en daar is hij gestorven. 28 Zijn dienaren brachten zijn lichaam op een wagen over naar Jeruzalem, waar ze hem begroeven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. 29 Achazja was koning van Juda geworden in het elfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab.(NBV21)

Hoe kun  je een koningsmoord goedpraten? De Bijbel geeft er in het gedeelte dat we vandaag lezen een voorbeeld van. Jehu moordt de koningen van Israël en Juda uit en geeft daarvoor als reden een voorspelling die van God afkomstig zou zijn. Mag dat? Mag je zo met de woorden van God omgaan dat die je eigen daden rechtvaardigen? Dit verhaal doet daar geen uitspraak over. Dit verhaal gaat over recht en gerechtigheid. Centraal daarbij staat de akker van Nabod. Die akker staat niet zomaar in het verhaal. Die akker is heilige grond. Die akker gaat terug op Jozua die het land Israël verdeelde onder de families die het land hadden ingenomen met als doel de mensen in Israël tot in eeuwigheid te verzekeren van genoeg eten om te blijven leven. Zo’n akker was die akker van Nabod ook, of ook geweest. We hebben al gelezen dat het huis van Achab veroordeeld was om wat Izebel had gedaan. Zij had vreemde goden en hun godsdienst in het land gebracht.

Die godsdienst ging over vruchtbaarheid en de dienst aan de vruchtbaarheid. Rijken en machtigen waren vruchtbaarder dan armen en zwakken. Die laatsten kosten alleen maar. Dus moet je de rijken en de machtigen ter wille zijn als je arm en zwak bent, dan kun je misschien mee profiteren van die rijkdom en die macht. Dat was de godsdienst van Izebel. En in het kader van die godsdienst had ze haar man koning Achab verleid om de akker van Nabod in bezit te nemen om er een groentetuin voor eigen gebruik van te maken. Maar de akker van Nabod paste in de godsdienst van de God van Israël. Die God trok mee met de slaven uit Egypte, die God had zich verbonden aan de zwakken en de onderdrukten. Er was dus oorlog tussen de God van Israël en de godsdienst van Izebel. Toen Achab besloot om Nabod en zijn zonen om te brengen op hun eigen akker, omdat ze zich hadden verzet tegen de wensen van de Koning, leek het of de godsdienst van Izebel het had gewonnen.

Maar God laat de geschiedenis altijd anders aflopen. Uiteindelijk blijken de armen en de zwakken de belangrijkste motoren van de geschiedenis te zijn. Niet de nazi’s houden de herinnering aan de holocaust levend maar de slachtoffers bepalen onze herinnering er aan en de nazi’s worden vervolgd waar ze ook opnieuw dreigen op te duiken. Zo loopt het ook af met het koningshuis van Achab. Dat sterft uit op de akker van Nabod, waarmee Nabod het verloop van de geschiedenis van Israël bepaalt en niet Achab. Ook bij ons horen we nog wel eens de redenering dat rijken en machtigen er moeten zijn om de armen en de zwakken mee te laten profiteren. Volgens de Bijbel loopt dat uit op onrecht. In de Bijbel wordt uitgegaan van eerlijk delen, van je naaste liefhebben als jezelf. Aan ons om de keus te maken, voor de God van Israël door naast de zwakken en de armen te staan, of voor de godsdienst van Izebel en de machtigen en de rijken naar de mond te spreken.

Hierbij zalf Ik je

2 Koningen 9:1-13

1 Ondertussen riep de profeet Elisa een van de leerlingen van de profetengemeenschap bij zich en droeg hem op: ‘Neem dit kruikje met olie en ga zo snel mogelijk naar Ramot in Gilead. 2 Daar aangekomen moet je Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe en neem hem apart. Ga met hem naar een afgezonderd vertrek 3 en giet het kruikje olie over zijn hoofd uit met de woorden: “Dit zegt de HEER: Hierbij zalf Ik je tot koning van Israël.” Daarna moet je het vertrek verlaten en maken dat je wegkomt.’ 4 De jonge profeet ging naar Ramot in Gilead. 5 Toen hij daar aankwam, zaten de bevelhebbers van het leger bij elkaar. ‘Kan ik u spreken, overste?’ vroeg hij. ‘Wie van ons wilt u spreken?’ vroeg Jehu. ‘U, overste,’ antwoordde hij. 6 Jehu stond op en ging met de jonge profeet mee naar binnen. Daar goot de profeet de olie over Jehu’s hoofd uit en zei: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Hierbij zalf Ik je tot koning over Israël, het volk van de HEER. 7 Ruim het koningshuis van Achab, waarbij je in dienst staat, uit de weg, want Ik wil het bloed wreken van de profeten en van al mijn andere dienaren die door Izebel ter dood zijn gebracht. 8 Heel het koningshuis van Achab zal ten onder gaan, alle mannelijke leden van zijn familie zal Ik uitroeien, van hoog tot laag. 9 Het zal het koningshuis van Achab vergaan als het koningshuis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en het koningshuis van Basa, de zoon van Achia. 10 En Izebel zal op de akkers van Jizreël door de honden worden opgevreten, niemand zal haar begraven.’ Daarop verliet de profeet het vertrek en maakte dat hij wegkwam. 11 Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze hem: ‘Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?’ ‘Ach, wartaal natuurlijk, jullie kennen die lui toch,’ antwoordde Jehu. 12 ‘Maak dat een ander wijs,’ zeiden ze. ‘Zeg op, wat had hij te vertellen?’ Toen zei Jehu: ‘Hij heeft me het volgende gezegd: “Dit zegt de HEER: Hierbij zalf Ik jou tot koning van Israël.”’ 13 Ogenblikkelijk deden ze allemaal hun mantels af en spreidden die voor hem als loper over de traptreden uit. Toen bliezen ze op de ramshoorn en riepen: ‘Jehu is koning!’ (NBV21)

Mag je eigenlijk stoken tegen de wettige regering? Volgens vele zogenaamde gelovigen niet. God heeft immers Koningen en regeringen boven ons gesteld en daar moeten we het dan maar mee doen. De Bijbel heeft daar een ander verhaal over. Zelfs bij een democratie moet je soms tegen de regering in het geweer komen. In het boek Exodus staat dat je de meerderheid in het kwade niet mag volgen. In het verhaal dat we vandaag lezen stookt de profeet Elisa tegen de wettige koning van Israël. Hij was al eerder in botsing gekomen met die koning. De voorganger van Elisa, Elia, had een aantal keren heel hard gebotst met de stichter van het koningshuis, Achab. Die Achab had immers zijn vrouw Izebel toestemming gegeven om de afgodendienst uit haar thuisland ook in Israël in te voeren en daar dezelfde status te geven als de dienst aan de God van Israël. Telkens weer hadden Elia en Elisa verkondigd dat de God van Israël de enige God was en tevens de Heer van de wereld, de enige Heer.

Er was zelfs een profetenschool ontstaan die Elia en Elisa steunden in de dienst van de God van Israël. Eén van de profeten uit die school kreeg nu de opdracht om te gaan stoken tegen de Koning van Israël, Koning Joram. Die was in Jizreël om te herstellen van de wonden die hij had opgelopen in de strijd. De generaal en de soldaten waren nog op het slagveld in Rama, of Ramot, bij Gilead, een van de vrijsteden in Israël. In zo’n stad kon je niet worden gearresteerd maar dat was in Israël niet meer te vertrouwen want de profeet kreeg de opdracht zich direct uit de voeten te maken als hij klaar was. Hij moest de generaal Jehu tot koning zalven. Wel zo dat niemand het zou zien. Het was aan Jehu en aan zijn leger om de keuze wel of niet te aanvaarden. Jehu aarzelt dan ook nog even, maar als hij de boodschap doorgeeft beslist zijn leger dat hij met recht gezalfd was en riep zijn leger hem tot koning uit. Natuurlijk gebeurde dat niet zomaar.

Het recht en de gerechtigheid waren ver te zoeken in Israël. De dienst aan de God van Israël en daarmee de zorg voor de armsten was zwaar verwaarloosd. Zelfs de soldaten die oorlog hadden gevoerd en de slag hadden gewonnen kregen geen zorg of aandacht, de koning zorgde alleen voor zichzelf. Tegen een dergelijke koning, tegen een dergelijke regering mag je kennelijk niet alleen in opstand komen, uit het verhaal van vandaag klinkt dat je daartegen in opstand moet komen. Dat geld dus ook voor ons. Ook wij kunnen geen regering dulden die groepen in de samenleving tegen elkaar opzet, die de zwakken verwaarloost en de armen armer maakt, die hongerigen laat verhongeren en gevangenen zonder recht laat, die oorlog steunt en vrede verstoort. Tegen een dergelijke regering moeten ook wij in opstand komen, zelfs als die regering zogenaamd democratisch gekozen is.

Wat slecht is

2 Koningen 8:16-29

16 Joram, de zoon van Josafat, werd koning van Juda in het vijfde regeringsjaar van koning Joram van Israël, de zoon van Achab, terwijl Josafat nog over Juda regeerde. 17 Hij was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd, en regeerde acht jaar in Jeruzalem. 18 Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, net zoals het koningshuis van Achab dat deed, aangezien hij met een vrouw uit de familie van Achab getrouwd was. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, 19 maar toch wilde de HEER Juda niet vernietigen, omwille van zijn dienaar David, aan wie Hij had beloofd dat Hij het licht van zijn koningshuis voor altijd zou laten branden. 20 Tijdens de regering van Joram kwamen de Edomieten tegen Juda in opstand en wezen ze een eigen koning aan. 21 Joram trok met al zijn strijdwagens naar Saïr op. Maar de Edomieten omsingelden hem en de bevelhebbers van zijn strijdwagens. Toen deed hij ’s nachts een uitval en dreef de Edomieten terug, zodat het leger kon ontkomen. 22 Zo maakte Edom zich van Juda los, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Ook Libna maakte zich in die tijd los van Juda. 23 Verdere bijzonderheden over Joram zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 24 Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achazja volgde hem op. 25 Achazja, de zoon van koning Joram van Juda, werd koning in het twaalfde regeringsjaar van koning Joram van Israël, de zoon van Achab. 26 Hij was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Eén jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Atalja, de kleindochter van koning Omri van Israël. 27 Hij volgde het voorbeeld van het koningshuis van Achab en deed wat slecht is in de ogen van de HEER, net zoals de leden van het koningshuis van Achab, want ook hij had een vrouw uit de familie van Achab getrouwd. 28 Achazja ging met koning Joram, de zoon van Achab, mee naar Ramot in Gilead om de strijd aan te binden met koning Hazaël van Aram. Maar toen Joram gewond raakte, 29 keerde hij naar Jizreël terug om te herstellen van de verwondingen die de Arameeërs hem tijdens de slag met koning Hazaël van Aram, bij Ramot, hadden toegebracht. Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, ging naar Jizreël om de gewonde koning Joram van Israël een bezoek te brengen. (NBV21)

Geschiedenissen van de Koningen van Juda. Het is of weer op de basisschool zitten en de graven van Holland, de stadhouders en de Koningen moeten leren. Toch is dat niet de bedoeling van het stuk dat we vandaag lezen. Natuurlijk er staat over Koningen en hun opvolgers. Maar erg nauwkeurig staat het er niet. Je moet heel erg scherp opletten om te ontdekken dat de kroonprinsen al een jaar de koninklijke waardigheid hadden voordat ze zelf koning werden. Misschien was de schrijver ook wat slordig toen hij dat opschreef. Er staat ook duidelijk dat als je echte geschiedenis wilt lezen je in een ander boek moet zijn, de kronieken van de koningen van Juda. Dat is een ander boek dan de Kronieken die in de Bijbel staan. Dat boek over die koningen van Juda is overigens verloren gegaan. Waarom staat dat gedeelte van vandaag dan wel in de Bijbel?

Daarvoor moeten we weer met de ogen van de Bijbel lezen. Werd de leer van Mozes gevolgd of niet? Er staat over deze koningen dat ze slecht deden in de ogen van God en wel omdat ze trouwden met een prinses uit het huis van Achab. Die prinsessen waren dochters van Isebel en die koningin had uit haar land afgodendienst meegenomen. Vruchtbaarheidsgoden waren geplaatst naast en soms zelfs in de Heiligdommen van de God van Israël. In de ogen van vrome Joden was dat ongeveer het slechtste wat mensen konden doen. Maar Juda werd daarvoor niet van de kaart geveegd. Het werd immers nog geregeerd door het Huis van David en David had de dienst rond de Ark van het verbond centraal in Israël gezet. In die Ark werd de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf bewaard. Die grondregel wordt in dit verhaal tegenover de praktijk van het huis van Achab geplaatst. Dat maakt dat de Edomieten in opstand kwamen. In de Bijbel zijn de Edomieten de afstammelingen van Esau, de broer van Jakob.

Jakob had het eerstgeboorterecht van Esau gepikt en in dit verhaal kun je teruglezen dat die Edomieten heel lang ondergeschikt waren aan Israël. Nu de dienst aan de God van Israël ondergeschikt gemaakt is aan de dienst aan vreemde goden vervalt ook de heerschappij over andere volken. Dat geldt ook voor Libna. Een stad die misschien minder bekend is maar die was veroverd door Jozua. Het was een stad van Levieten, dienaren van de Tempel in Jeruzalem. Die Levieten hadden dus ook het idee gekregen dat ze beter zonder de koning van Juda verder konden gaan. De banden tussen Israël en Juda waren daarentegen heel goed, maar er werd heel slecht voor de zwaksten in het land gezorgd. Wat wij er van kunnen leren? Dat we op moeten blijven letten op onze regeringen, wie ons ook regeert, de zorg voor de zwaksten en de minsten in de wereld moet voorop blijven staan en niet de bescherming van de rijken en de machtigen. We zullen er de geschiedenis op moeten blijven beoordelen, zeker ook vandaag.

Waarom huilt u?

2 Koningen 8:7-15

7 Op een keer kwam Elisa naar Damascus, juist toen koning Benhadad van Aram ziek was. Men vertelde de koning dat de godsman was gekomen, 8 en de koning droeg Hazaël op: ‘Ga de godsman met een geschenk tegemoet, en verzoek hem de HEER te vragen of ik van deze ziekte zal herstellen.’ 9 Met veertig kamelen, beladen met allerlei kostbaarheden uit Damascus, ging Hazaël Elisa tegemoet. Hij maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: ‘Koning Benhadad van Aram stuurt me naar u, zijn raadgever, om te vragen of hij van zijn ziekte zal herstellen.’ 10 Elisa antwoordde: ‘U kunt tegen de koning zeggen dat hij vast en zeker zal herstellen, maar mij heeft de HEER laten weten dat de koning zal sterven.’ 11 De godsman keek Hazaël lange tijd strak aan en barstte toen in tranen uit. 12 ‘Waarom huilt u, mijn heer?’ vroeg Hazaël, en Elisa antwoordde: ‘Omdat ik weet welke ellende u de Israëlieten zult aandoen. U zult hun versterkte steden in de as leggen, hun jongemannen aan uw zwaard rijgen, hun kinderen de schedel inslaan en hun zwangere vrouwen de buik openrijten.’ 13 Hazaël wierp tegen: ‘Maar heer, hoe zou een nietswaardige hond als ik tot zulke indrukwekkende daden in staat zijn?’ Maar Elisa antwoordde: ‘De HEER heeft mij u getoond als koning van Aram.’ 14 Hazaël ging terug naar zijn heer. ‘Wat heeft Elisa gezegd?’ vroeg de koning, en Hazaël antwoordde: ‘Hij zei me dat u vast en zeker zult herstellen.’ 15 De volgende dag nam Hazaël een doek, maakte die nat en spreidde hem over het gezicht van Benhadad, zodat hij stikte. Hazaël werd in zijn plaats koning. (NBV21)

Zijn politici te vertrouwen? In dit verhaal worden we er voor gewaarschuwd. De koningen van Aram hadden de Israëlieten al vele malen beroofd van hun oogst en waren vaak het land binnengevallen. De profeet Elisa had hun generaal Naäman op de mogelijkheden van genezing gewezen maar had ook de legers van Aram misleid en gezorgd dat ze hun roverspraktijken moesten staken. Nu was de koning van Aram ziek en toen hij hoorde dat die beroemde profeet uit Israël in de buurt was liet hij zich de kans niet ontgaan om beterschap te kopen. Hij droeg een belangrijk hoveling, misschien wel zijn eerste minister, op om met een geschenk naar Elisa te gaan. Nu die Hazaël, zoals de Bijbel hem noemt, laat het er niet op zitten. De oosterse invloed uit Damascus spat het verhaal uit. Veertig kamelen beladen met geschenken worden naar Elisa gebracht. Nu duidt het getal veertig in de Bijbel vaak op een crisis. Meestal staat het er in dagen of jaren maar ook hier is het duidelijk dat de crisis in Aram groot is. En wie er zoveel voor over heeft om een godsman, iemand die namens een God het een en ander kan doen, voor je kar te spannen is tot veel in staat.

Elisa weet dat iedereen sterft en dat je tegen een zieke altijd kan zeggen dat die beter wordt. Elisa zou rustig de kamelen mee hebben kunnen nemen, de zieke koning zou hoop hebben gekregen. Als hij beter zou worden zou Elisa alle eer krijgen en als hij dood zou gaan dan zou er een opvolger komen die zou vinden dat Elisa het slim gespeeld had. In de politiek kun je immers niemand vertrouwen. In de godsdienst van Elisa zorg je eerst voor anderen en dan pas voor jezelf. Die koning Benhadad zorgde echter altijd eerst voor zichzelf en wilde daarvoor ook Elisa gebruiken. Maar Elisa ziet dat die Hazaël niet veel beter is. Die zou zich gemakkelijk lenen voor een moord en zou vervolgens ook het land Israël willen beroven. En zo gebeurde ook. Benhadad werd vermoord en Israël zou nog vaak met Hazaël te maken krijgen. Zijn onze politici even onbetrouwbaar? Nu, ze zullen elkaar misschien niet vermoorden.

Wij moeten wel extra opletten op beloften en drogredenen. Er moet de komende jaren grote veranderingen in ons land plaatsvinden. Het zal de zorg, het wonen, uitkeringen en de veiligheid treffen. Van maxima aan inkomens en bonussen zal geen sprake zijn. Dat rijken meebetalen aan verhoging de AOW, het minimumloon en de overige uitkeringen is geen sprake. Vermindering van de speciale woonsubsidie voor rijken, de hypotheekrenteaftrek, blijft nog lang uit den boze, de eerste kleine bescheiden stapjes zijn al op de lange baan geschoven. Vluchtelingen mogen niet in de buurt van de rijken worden opgevangen. Banken die niet willen meewerken aan de noodzakelijke veranderingen in de landbouw worden ongemoeid gelaten. Op dat punt zijn onze politici net zo onbetrouwbaar als Hazaël. Aan ons om er doorheen te kijken en het te blijven opnemen voor de armsten in ons land en in de wereld.

Vreemdelingen

2 Koningen 8:1-6

1 Elisa had de vrouw van wie hij het kind weer tot leven had gewekt de volgende raad gegeven: ‘U moet vertrekken en met uw familie als vreemdeling gaan wonen waar u maar terecht kunt, want de HEER laat een hongersnood komen die dit land zeker zeven jaar in zijn greep zal houden.’ 2 De vrouw was vertrokken, zoals de godsman had gezegd, en zij en haar familie hadden zeven jaar als vreemdelingen in het land van de Filistijnen gewoond. 3 Toen ze na zeven jaar weer in haar eigen land terugkwam, ging ze naar de koning om zijn hulp in te roepen om haar huis en haar grond terug te krijgen. 4 De koning was juist in gesprek met Elisa’s knecht Gechazi, aan wie hij gevraagd had om hem over de bijzondere daden van de godsman te vertellen. 5 Net toen Gechazi aan het vertellen was hoe Elisa een dode tot leven had gewekt, kwam de moeder van het bewuste kind de hulp van de koning inroepen. ‘Dit is de vrouw over wie ik het had, mijn heer en koning,’ zei Gechazi, ‘en dat is de jongen die Elisa tot leven gewekt heeft.’ 6 De koning vroeg aan de vrouw wat ze kwam doen, en toen ze verteld had wat ze verlangde, stuurde hij een van zijn hovelingen met haar mee met de opdracht: ‘Zorg ervoor dat ze al haar bezittingen terugkrijgt, en ook alles wat haar grond heeft opgebracht vanaf de dag dat ze het land verliet tot nu toe.’(NBV21)

Soms staat er in de Bijbel tussen de regels meer dan in het eigenlijke verhaal. Dat maakt de Bijbel niet moeilijker om te lezen maar wel spannender. Het verhaaltje dat we vandaag lezen is daar een voorbeeld van. Het is een verhaaltje dat er zomaar tussendoor staat. We hadden al een verhaal gelezen waarin de knecht van Elisa, Gechazi, betrapt was op het innen van zilver van Naäman, de generaal uit Aram. In het verhaal van vandaag duikt Gechazi weer op en nu als verhalen verteller over Elisa aan de Koning. Sommige geleerden denken dat de volgorde van de verhalen door de war is geraakt, maar het zou ook best kunnen dat er tussen de regels staat dat die verhalen van Gechazi niet zo heel erg betrouwbaar zijn. Verhalen over doden die tot leven gewekt worden kun je immers maar moeilijk geloven.

Het verhaaltje van vandaag gaat overigens niet over het dode kind dat tot leven werd gewekt maar over honger en grond om van te leven. Toen het volk Israël uit de woestijn was gekomen en het beloofde land had veroverd had Jozua het land verdeeld onder de families. Nauwkeurig was er opgeschreven wie welk stuk land had gekregen. Van dat stuk land moest je familie altijd kunnen leven. Elke zeven jaar moest je dat stuk land rust gunnen. En als je tot armoede was vervallen en het land had moeten verkopen moest je familie het na zeven  maal zeven jaar, dus in het vijftigste jaar, weer terugkrijgen. Dat jaar heet in de Bijbel het jubeljaar. Profeten zijn op die regels altijd teruggekomen. Het was als een verzekering tegen armoede voor de zwaksten. Ook als het niet goed in je leven zou gaan kun je altijd terug vallen op het recht op een eigen akker. En daar gaat dit verhaal over. Want vanwege een hongersnood had de vrouw uit Sunem het land moeten ontvluchten. Als vreemdeling had ze moeten wonen bij de Filistijnen. Maar de wetten van God had ze kennelijk niet vergeten want toen ze terugkeerde deed ze een beroep op de koning om haar haar eigen land weer terug te geven.

Dat zou de enige reden moeten zijn voor de koning om dat ook te doen. Daarmee zou hij haar immers recht hebben gedaan en haar weer een plaats gegeven hebben in de eigen samenleving van Israël. Maar er zijn soms tranentrekkende verhalen nodig om ons in beweging te brengen. Hier is het een verhaal van Gechazi dat de koning in beweging brengt. Erg is dat niet want uiteindelijk gaat het er om dat de arme recht gedaan wordt, dat mensen weer een eigen plaats krijgen in de samenleving. En daarmee is het ook een les voor ons. Misschien is de hulp die we geven overdreven, misschien drijft de televisie het leed wel over en wordt er meer gegeven dan strikt noodzakelijk. Maar als we er in slagen mensen weer een plaats te geven in een samenleving waar ze meetellen en zelf een bijdrage kunnen leveren dan doen we mensen pas recht. En dan doen we recht aan de Wet van God om je naaste lief te hebben als jezelf. Tussen de regels door gaat daar het verhaaltje over van vandaag.

Zo stierf hij

2 Koningen 7:3-20

Nu waren er bij de stadspoort vier mannen met een huidziekte die hen onrein maakte. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Waarom zouden we hier de dood blijven afwachten? 4 Als we de stad binnengaan, zullen we van honger omkomen. En als we hier blijven zitten, sterven we ook. Laten we overlopen naar de Arameeërs. Als zij ons in leven laten, blijven we leven, en als ze ons doden, sterven we.’ 5 Bij het vallen van de avond gingen ze naar het kamp van de Arameeërs. Maar toen ze bij de rand van het kamp aankwamen, was er niemand te bekennen. 6 De Heer had namelijk in het Aramese kamp het geluid laten klinken van paarden en wagens, van een groot leger, en de Arameeërs hadden tegen elkaar gezegd: ‘Hoor, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en van Egypte ingehuurd om ons aan te vallen.’ 7 Tegen het vallen van de avond waren ze er meteen vandoor gegaan, met achterlating van hun tenten, paarden en ezels. Ze hadden het kamp halsoverkop verlaten en waren gevlucht om het vege lijf te redden. 8 Toen de vier mannen bij de rand van het kamp kwamen, gingen ze een tent binnen. Ze aten en dronken, en namen het zilver, het goud en de kledingstukken die ze er aantroffen mee. Nadat ze hun buit verstopt hadden, kwamen ze terug en gingen een volgende tent binnen. Ook wat ze daar vonden namen ze mee om het te verstoppen. 9 Maar ten slotte zeiden ze tegen elkaar: ‘Wat we doen is niet goed. Er is vandaag goed nieuws, en als we dat voor ons houden tot het licht wordt, zullen we niet ongestraft blijven. Laten we meteen naar het paleis van de koning gaan om te vertellen wat er gebeurd is.’ 10 Ze gingen terug naar de stad, riepen een poortwachter en vertelden: ‘We zijn in het Aramese kamp geweest. Er was daar geen mens te zien of te horen. Wel stonden de paarden en ezels nog vastgebonden, en ook de tenten stonden er nog, met alles erop en eraan.’ 11 De poortwachters sloegen alarm en gaven het bericht door aan het paleis. 12 Hoewel het midden in de nacht was, stond de koning op. Hij zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Ik zal u zeggen wat de Arameeërs van plan zijn. Ze weten dat wij honger lijden. Daarom hebben ze hun kamp verlaten en zich in het veld verborgen. Zo hopen ze ons de stad uit te lokken, zodat ze ons levend gevangen kunnen nemen en de stad kunnen innemen.’ 13 Een van de bevelhebbers stelde voor: ‘Er zijn nog enkele paarden over – het is met de paarden in deze stad al net zo gesteld als met de tallozen van Israël: er is bijna niets meer van over. Laten we met vijf van die paarden gaan kijken wat er aan de hand is.’ 14 Hierop liet de koning twee wagens inspannen en gaf hij bevel om het Aramese leger achterna te gaan en uit te zoeken wat er aan de hand was. 15 De boden volgden het spoor van de Arameeërs tot aan de Jordaan. De hele weg lag bezaaid met kleren en stukken uitrusting die de Arameeërs inderhaast hadden weggegooid. Toen de boden teruggekomen waren en aan de koning verslag hadden uitgebracht, 16 stormden de mensen de stad uit om het Aramese kamp te plunderen. Een schepel tarwebloem kostte nu nog maar één sjekel, en twee schepel gerst ook, zoals de HEER had voorzegd. 17 De adjudant van de koning, die opdracht had gekregen om toezicht te houden bij de stadspoort, werd daar door de menigte vertrapt. Zo stierf hij, zoals de godsman had voorzegd toen de koning bij hem kwam. 18 Immers, toen Elisa tegen de koning zei: ‘Morgen om deze tijd zal twee schepel gerst in de stadspoort van Samaria één sjekel kosten, en een schepel tarwebloem ook één sjekel,’ 19 had de adjudant van de koning geantwoord: ‘Zelfs al zou de HEER de hemelsluizen openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!’ Daarop had Elisa gezegd: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.’ 20 En zo gebeurde het ook: hij werd door de menigte in de stadspoort vertrapt en stierf.(NBV21)

Rond het ontzet van Leiden in 1574 is er een vergelijkbaar verhaal van iemand die door de honger gedreven op de ochtend van de derde oktober in alle vroegte naar de Spaanse linies sluipt om daar tot de ontdekking te komen dat de Spanjolen zijn verdwenen en dat er een verse pot hutspot op het vuur klaar staat. In het verhaal dat we vandaag lezen is het nog sterker. Hier zijn het de mensen die buiten de samenleving geplaatst zijn, de lijders aan huidvraat, die besluiten hun geluk te beproeven bij de vijand. Zij waren bij de poort om hun recht te halen maar kregen geen aandacht, laat staan het recht op aalmoezen en zorg. Daarom zetten zij de angst voor de dood van zich af en dat brengt hun het leven. Niet alleen vinden ze daar voedsel maar ook goud en zilver. Toch is het niet goed om alles voor jezelf te houden en zo keren ze terug naar de stad om het goede nieuws te vertellen. Wat nu de vijanden van Israël op de vlucht heeft gedreven is niet geheel duidelijk. In Leiden was dat het opkomende water en in Alkmaar was dat een jaar eerder het slechte weer geweest.

Wellicht dat ook hier een onverwachte tropische stortbui de indruk heeft gewekt dat er een heel leger met paarden en wagens in aantocht was. De koning van Israël had nog moeite genoeg om te gaan kijken omdat ze zelfs de meeste paarden hadden opgegeten, maar inderdaad de Arameeërs waren op de vlucht geslagen, ze hadden hun uitrusting en kleding langs de weg gegooid. Toen kon de hele bevolking zich aan het eten zetten en de schade inhalen. In zo’n geval daalt de prijs van het voedsel aanzienlijk. Dat had de profeet goed gezien, als de stad gered wordt dan is er een overvloed aan voedsel beschikbaar. Mensen lopen je dan gemakkelijk onder de voet. Is dat dan een mooi einde van een spannend verhaal met de gerechte straf voor de adjudant van de koning die niet geloofde wat de profeet hem had verteld? Misschien moeten we het ook als een waarschuwing zien.

Er wordt nog al eens gemakkelijk gesproken over afhankelijkheid die hulp zou oproepen. Er is een voedselramp, door oorlog, aardbeving of droogte en we sturen massaal ons voedsel dat over is er heen. Mensen sterken weer aan en tot zo lang blijft het geven van voedsel een gegeven. Als we te lang wachten dan ontstaat opnieuw oorlog over het voedsel dat gebracht wordt en worden mensen onder de voet gelopen. Als we te lang blijven geven en niet zorgen voor het opnieuw op gang brengen van de landbouw dan worden mensen afhankelijk en blijven ze afhankelijk. Als we de landbouw weer op gang gebracht hebben moeten we ook zorgen voor een eerlijke markt. Concurreren met gratis voedsel houdt geen enkele boer vol. De lage prijs van graan in dit verhaal over Elisa is dus niet alleen een teken van de macht van de God van Israël maar ook een waarschuwing om recht te doen aan mensen. Mensen kunnen voor zichzelf zorgen, aan ons om daar de voorwaarden voor te scheppen als mensen het tijdelijk niet meer kunnen.

 

Een rouwkleed

2 Koningen 6:24–7:2

24 Enige tijd later riep koning Benhadad van Aram zijn leger onder de wapenen. Hij trok op en belegerde Samaria. 25 Het beleg duurde zo lang dat er in de stad een groot tekort aan voedsel ontstond. Voor een ezelskop betaalde men uiteindelijk tachtig sjekel zilver, en voor een pond duivendrek vijf sjekel. 26 Toen de koning van Israël op een keer over de stadsmuur liep, schreeuwde een vrouw hem toe: ‘Help me toch, mijn heer en koning!’ 27 De koning antwoordde: ‘Als de HEER u niet helpt, hoe zou ik dat dan kunnen? De dorsvloer en de perskuip zijn leeg. 28 Maar wat is er aan de hand?’ De vrouw vertelde: ‘Een vrouw die ik ken zei tegen me: “Kom hier met je kind. Vandaag zullen we jouw kind opeten, en morgen het mijne.” 29 Toen hebben we mijn kind gekookt en opgegeten. Maar toen ik de volgende dag tegen haar zei dat nu het hare aan de beurt was om opgegeten te worden, bleek dat ze haar kind verstopt had.’ 30 Bij het horen van het verhaal van de vrouw scheurde de koning zijn kleren, terwijl hij daar over de stadsmuur liep, en de hele bevolking kon zien dat hij onder zijn kleren op zijn blote lijf een rouwkleed droeg. 31 De koning riep uit: ‘God mag met mij doen wat Hij wil als het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, vanavond nog op zijn romp zit!’ 32 Elisa was thuis, en de oudsten waren bij hem. De koning stuurde een bode naar hem toe, maar nog voor deze aankwam zei Elisa tegen de oudsten: ‘Weet u wel dat die moordenaarszoon iemand heeft gestuurd om mij te onthoofden? Sluit de deur zodra de bode van de koning eraan komt, houd hem tegen. Hoor, volgt zijn heer hem niet op de voet?’ 33 Elisa was nog niet uitgesproken of daar kwam de bode van de koning al aan. ‘De HEER heeft deze ellende over ons gebracht,’ zei hij. ‘Waarom zou ik mijn hoop dan nog op Hem vestigen?’ 1 ‘Luister naar wat de HEER te zeggen heeft,’ antwoordde Elisa. ‘Dit zegt de HEER: Morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Samaria één sjekel kosten, en twee schepel gerst ook één sjekel.’ 2 De adjudant die de koning begeleidde nam het woord en zei: ‘Zelfs al zou de HEER de hemelsluizen openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!’ Maar Elisa antwoordde: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.’ (NBV21)

In een oorlog gebeuren de meest gruwelijke dingen. De verhalen er over worden nog eeuwen later verteld. Zo wordt in ons land eind augustus het ontzet van Groningen gevierd en begin oktober de victorie voor Alkmaar en het ontzet van Leiden. Ook over de mensen in die laatste stad worden gruwelijke verhalen verteld. Ook daar zou het eten van mensenvlees zijn voorgekomen omdat alles schoon op was. In dit verhaal krijgt Elisa de schuld. Hij was het die het leger van Aram zo misleid had dat het vernederd werd en lange tijd niet meer in Israël durfde binnenvallen. In Aram konden ze zijn bloed wel drinken en de koning van Israël had bedacht dat toegeven aan die woede wel eens de redding van Israël zou kunnen betekenen. Maar Elisa wijst er nog eens fijntjes op dat zoals de waard is hij de gasten vertrouwd. Politici die de mond vol hebben over de schanddaden van vreemdelingen zijn kennelijk zelf niet vrij van schuld aan dat soort schanddaden.

We zullen het telkens opnieuw moeten leren. Elisa blijft vertrouwen op God. Als de nood het hoogst is dan moet de redding wel nabij zijn. Onverschrokken treedt hij zijn belagers tegemoet. En wie blijft vasthouden aan geweld en onrecht om geweld en onrecht te bestrijden zal er zelf door omkomen. Dat is de les die Elisa de adjudant van de koning wil leren en dus ook aan ons wil leren. En nemen wij die les ter harte? Het lijkt er niet op. De vooroordelen over de kinderen van vreemdelingen blijven ons in de oren klinken alsof het de grootste waarheden zijn. Ongelovig klinken de vragen van journalisten als onderzoekers de vooroordelen ontzenuwen en aantonen dat niet de eigen cultuur tot misdaden leidt maar dat het de aanpassing aan onze cultuur is die de schuld draagt. Als wij iemand als crimineel blijven bestempelen en hem uitsluiten van opleiding, werk en toekomst dan rest hem niet anders dan zich aan te passen aan wat wij hem toedichten en te vervallen tot de criminaliteit die wij van hem verwachten.

Zelfs een uitstekend voorbeeld als de huidige burgemeester van Rotterdam wordt niet vertrouwd om zijn afkomst en het kost hem soms zichtbaar moeite te blijven wie hij wil zijn en niet te vervallen tot wat de laffe angsthazen beweren dat hij zou moeten zijn. Voor mensen die in de ellende zitten die ook de bewoners van Samaria overkwam is de les dat alle ellende uiteindelijk over gaat als men samen de ellende weet te weerstaan, als men tot het einde toe weet te blijven delen wat men heeft, tot het laatste toe. Na het ontzet van Leiden wordt ook het ontzet van Alkmaar gevierd, daar werd de kiem gelegd van wat zou uitgroeien tot wat nu onze welvarende rechtstaat is. Willen we die rechtstaat en die welvaart behouden dan zullen we bereid moeten zijn te delen wat we hebben en de mensen die in ons land wonen echt recht te doen. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Zet hun een maaltijd voor

2 Koningen 6:8-23

8 De koning van Aram voerde oorlog tegen Israël. Telkens als hij in overleg met zijn bevelhebbers besloot om bij een bepaalde plaats zijn kamp op te slaan, 9 liet de godsman Elisa de koning van Israël waarschuwen dat hij uit die buurt moest wegblijven omdat de Arameeërs daar een aanval beraamden. 10 De koning van Israël liet dan de inwoners van de plaats die de godsman had genoemd waarschuwen en zorgde ervoor zelf uit de buurt te blijven. Dat ging zo keer op keer, 11 tot grote ergernis van de koning van Aram. Hij riep zijn bevelhebbers bij zich en vroeg hun: ‘Zeg me, wie van onze mensen heult met de koning van Israël?’ 12 Een van de bevelhebbers antwoordde: ‘Niemand, mijn heer en koning, maar de profeet Elisa in Israël weet de koning van Israël zelfs te vertellen wat u in uw slaapkamer zegt.’ 13 Hierop zei de koning: ‘Zoek voor mij uit waar hij is, dan zal ik hem gevangen laten nemen.’ Toen hem werd verteld dat Elisa in Dotan was, 14 stuurde hij een groot leger met strijdwagens en paarden op de stad af. De Arameeërs kwamen ’s nachts bij Dotan aan en omsingelden de stad. 15 Toen de bediende van Elisa de volgende morgen opstond en naar buiten kwam, zag hij dat de stad omsingeld was door een leger met strijdwagens en paarden. ‘Wat moeten we beginnen, meester?’ riep hij uit. 16 Elisa antwoordde: ‘Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij.’ 17 En hij bad: ‘HEER, open zijn ogen en laat het hem zien.’ De HEER opende Elisa’s knecht de ogen, en toen zag hij dat de heuvels vol stonden met paarden en wagens van vuur, die Elisa omringden. 18 Toen de Arameeërs op Elisa afkwamen, smeekte hij de HEER hen te verblinden. De HEER verblindde hen, zoals Elisa had gevraagd, 19 en toen zei Elisa tegen hen: ‘U bent verkeerd. Dit is niet de stad waar u zijn moet. Volg mij, dan zal ik u de weg wijzen naar de man die u zoekt.’ Hij leidde hen naar Samaria, 20 en daar aangekomen bad hij: ‘HEER, open hun ogen en laat hen weer zien.’ De HEER opende hun de ogen, en toen zagen ze dat ze zich midden in Samaria bevonden. 21 Toen de koning van Israël de Arameeërs zag, vroeg hij aan Elisa: ‘Wat vindt u, vader? Zal ik ze doden?’ 22 ‘Nee,’ antwoordde Elisa, ‘dood hen niet. Hebt u ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat u hen zou doden? Zet hun een maaltijd voor, zodat ze kunnen eten en drinken, en laat hen teruggaan naar hun heer.’ 23 Hierop liet de koning een overvloedig gastmaal voor hen aanrichten, en toen ze gegeten en gedronken hadden stuurde hij hen terug naar hun heer. Van toen af aan deden de Aramese benden geen invallen meer in Israël. (NBV21)

In heel veel beschouwingen kom je de suggestie tegen dat het advies van Jezus van Nazareth om zelfs je vijanden lief te hebben iets geheel nieuws was en dat je dat alleen bij hem terug zou vinden. In het gedeelte dat we vandaag lezen zien we dat ook de Profeten van Israël al hebben geprobeerd de liefde waartoe God had bevolen ook te doen uitstrekken naar de vijanden van Israël. In het verhaal dat we vandaag lezen doet Elisa twee dingen. Hij beschermt de bevolking van Israël en het leger van Aram. In een oorlog worden niet alleen soldaten het slachtoffer maar vooral ook de gewone bevolking. Als het gaat om Afghanistan denken wij over het algemeen in de eerste plaats aan de tientallen soldaten van ons eigen leger die daar gesneuveld zijn maar we herdenken niet de honderden, misschien duizenden, Afghaanse vrouwen, kinderen en mannen van allerlei leeftijden die daar zijn omgekomen. Al helemaal niet denken we aan de vijanden die bij die oorlog tot nu toe omgekomen zijn.

Dat laatste is ook erg moeilijk. Het heeft tientallen jaren geduurd voordat in Nederland Duitsers werden toegelaten bij herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog. Dat terwijl er toch ook Duitsers zijn geweest die zich in de Tweede Wereldoorlog samen met Nederlanders hebben verzet tegen de Nazi praktijken. Elisa zorgt dat de legers van Aram steeds op lege plekken komen. En een anarchistische slagzin luidt: “Als niemand naar de oorlog gaat, wordt er ook niet gevochten”. Het is een Bijbels gegeven leert ons dit verhaal .Uiteindelijk brengt zo’n verzetsdaad ook jezelf in gevaar. Elisa dreigt gevangen genomen te worden maar weet de soldaten van Aram mee te nemen naar Samaria waar het hoofdkwartier van Israël is en waar de koning woont. Daar worden de vijandelijke soldaten niet gedood maar krijgen ze een maaltijd. Ondanks de plunderingen van het land, die hoorden immers bij oorlogen in de tijd van Elisa, krijgen de soldaten van Aram het voedsel waar ze op uit waren om niet.

Delen van wat je hebt, zelfs met je vijanden, kan uiteindelijk de vrede brengen, want, zo staat geschreven, de Aramese benden deden geen invallen meer in Israël. Is dat liefhebben van vijanden dus een zachtaardig idealisme waarvoor in een harde samenleving geen plaats is? Het geweld waar het kwaad zich van bedient zal inderdaad soms met kwaad beantwoord worden. Maar het kwade kan nooit het goede voortbrengen. Als het goede ontbreekt zal een conflict ook nooit ten goede keren. Daarom zal in Afghanistan ook onderhandeld en gesproken moeten worden met de Taliban, daarom zullen Palestijnen en Israëli rond de tafel moeten gaan zitten en een overeenstemming moeten bereiken, daarom zullen Amerika en Cuba samen moeten gaan werken aan vrede en welvaart voor de regio. Daarom mochten we blij zijn met het nucleaire akkoord met Iran. Daarom zullen wij om vrede en gerechtigheid moeten blijven vragen zolang we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen.

Ga je gang

2 Koningen 6:1-7

1 Op zekere dag zeiden de leden van de profetengemeenschap tegen Elisa: ‘Het gebouw waarin wij met u bijeenkomen is te klein voor ons allen, zoals u ziet. 2 Laten we naar de Jordaan gaan en daar boomstammen halen om een nieuw onderkomen te bouwen.’ ‘Ga je gang,’ zei Elisa. 3 Maar een van de profeten zei: ‘Doet u ons een genoegen, heer, en ga met ons mee.’ ‘Goed,’ zei Elisa, 4 en hij ging met hen mee naar de Jordaan, waar ze bomen begonnen om te hakken. 5 Terwijl ze daarmee bezig waren, schoot bij een van de profeten het ijzeren blad van zijn bijl los en viel in het water. ‘Wat nu, heer!’ riep hij uit. ‘Ik had hem te leen!’ 6 ‘Waar is hij gevallen?’ vroeg de godsman. Nadat de man hem de plaats had aangewezen, sneed Elisa een twijg af en gooide die in het water, waarop het ijzer kwam bovendrijven. 7 ‘Haal hem er maar uit,’ zei hij, en de man pakte het blad van de bijl weer uit het water. (NBV21)

Vandaag weer zo’n echt volksverhaal, zoals we in de boeken 1 Koningen en 2 Koningen wel meer tegenkomen. Het zou jammer zijn als dit verhaal blijft hangen vanwege de tovenarij die er in voorkomt. Een tak in het water gooien en dan denken dat het ijzer net gaat doen als de tak en dus ook gaat drijven klinkt mooi, maar helaas gebeurt het nooit. Maar het verhaal gaat over andere zaken dan de tovenarij van een profeet. De profetenschool uit dit verhaal is dan ook niet te vergelijken met de school uit de verhalen van Harry Potter. Hier leren jonge profeten niet hoe ze moeten toveren maar hoe ze de richtlijn van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf moeten toepassen. En voordat wij dat verhaal kunnen begrijpen moeten we ons eerst inleven in de omstandigheden van de hoofdpersonen.

Het verhaal speelt zich af in het ijzertijdperk. IJzer was een kostbare delfstof en het ijzeren blad van een bijl was net zo kostbaar als een diamant in onze dagen. Lenen van een dergelijk kostbaar gebruiksvoorwerp was dan ook niet vrijblijvend. Met dat lenen laadde je een grote verantwoordelijkheid op je. Als je het kostbare voorwerp niet terug kon geven dan gaf je je over aan de willekeur van de schuldeiser. Waar horen we dat dezer dagen toch ook? Als je leent en je kunt het niet terugbetalen, dan geef je je over aan de willekeur van de bank die je het geld heeft geleend. Die bank is in staat je hele huisraad te laten verkopen. Als de schuld dan nog niet is afbetaald dan wordt er beslag gelegd op je inkomen, soms jaren en jaren lang. Een minimum blijft over, nauwelijks genoeg om van te leven. Gelukkig kennen wij de schuldhulpverlening die regelingen met schuldeisers kan treffen waardoor je binnen een termijn die te overzien is van je schulden af bent. Maar als je de bank voorrang hebt verleend op het innen van je schulden boven je andere schuldeisers dan kan een regeling niet worden getroffen en loop je de kans nog meer kwijt te zijn.

In de dagen van Elisa kon zo’n grote niet terug te betalen schuld betekenen dat je jezelf of je kinderen en jezelf moest verkopen en als slaaf gaan werken en je kinderen als slaaf laten werken. Er zaten wel grenzen aan de duur van de slavernij maar jouw leven en dat van je gezin was voor jaren, soms voor generaties ontwricht. Volgens de wetten kon je nageslacht pas na 50 jaar weer opnieuw beginnen, maar die wet werd nooit toegepast. Het verhaal van vandaag zegt dus eigenlijk dat Elisa alles wat hij had in het werk stelde om zijn collega profeet die vernedering te besparen. En worden mensen die geleend hebben of willen gaan lenen in onze samenleving ook zo beschermd? Wij kunnen geen tovertrucs uithalen en schuldhulpverlening is altijd achteraf. Echt strenge voorwaarden aan het uitlenen van geld en strenge controle op banken die leningen verstrekken kennen wij niet De banken lenen alleen niet uit omdat ze eerst geld moeten oppotten, geld dat ze verloren door hun hebzucht.. Wie de ellende ziet van mensen die in handen gevallen zijn van kwaadwillende banken zou strenger toezicht willen. Wellicht moeten we er daarom wat harder om vragen. Een tak in het water gooien, rimpels maken in een schijnbaar ordelijke samenleving, zodat mensen in nood op een menselijke wijze van hun ellende af kunnen komen.