De huizen van de weduwen

Lucas 20:41–21:4

41 Hij zei tegen hen: ‘Hoe kan men beweren dat de messias een zoon van David is? 42 Want David zelf zegt in het boek van de Psalmen: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 43 tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’” 44 David noemt Hem dus Heer, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ 45 Terwijl de menigte luisterde, zei Hij tegen zijn leerlingen: 46 ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 47 ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 1 Toen Hij opkeek, zag Hij hoe rijken hun giften in de offerkist kwamen werpen. 2 Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, 3 en Hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. 4 Want de anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’ (NBV21)

Over het voor de schijn opzeggen van lange gebeden zullen we het hier niet hebben. Dat heeft het Christendom al te veel schade berokkend. Jezus van Nazareth spreekt over de religieuze leiders van zijn tijd, maar de religieuze leiders van onze tijd kunnen er ook wat van. In alle tijden zijn er mensen die gekleed in fraaie kledij proberen eerbied af te dwingen terwijl ze ondertussen de armen uitpersen om zelf nog rijker te worden. Fraaie woorden en nog fraaier bezit moet het kwalijke van hun handelen verbloemen. Onder collectanten is al heel lang bekend dat je ook in onze dagen beter kunt collecteren in een wat armere wijk dan in een wijk met rijke bewoners. In die wat armere wijk haal je niet alleen naar verhouding meer op maar vaak ook nog gewoon nominaal veel meer, daar zitten de collectebussen veel voller. We kennen de procentuele loonsverhogingen die het verschil in salaris tussen de rijken en de armen jaarlijks verder vergroten maar we horen eigenlijk nooit over de procentuele giften.

Als  we de bereidheid tot geven zouden uitdrukken in procenten van het inkomen dan zouden we merken dat het percentage dat de armen geven vele malen groter is dan het percentage dat de meeste rijken geven. Er is sinds de dagen van Jezus van Nazareth principieel niet veel veranderd. Daarom blijft het verhaal hoogst actueel en dient het verhaal voortdurend verteld te blijven worden. De waarschuwing voor de heren in zwart gestreepte antraciet pakken en de dames in mantelpakken of goed gesneden broekpakken is ook vandaag geldig. Het zijn de mensen die de schuld van de armoede bij de armen zelf leggen. Die de duurste schoolreisjes en werkweken voor hun kinderen bepleiten en dan boos zijn dat mensen leningen af sluiten om ook hun kinderen dit schijnbaar goede te gunnen. Slechts zelden staat er tijdens de ouderavonden iemand op die vraagt om een meer sociaal beleid en een systeem van eerlijk delen waarbij alle kinderen mee kunnen doen zonder dat de ouders voor te zware lasten worden gezet.

In een samenleving waar steeds vaker ouders alleen hun kinderen groot moeten brengen en zonder buitenschoolse kinderopvang zelf de kost moeten zien te verdienen van de overheid moeten we eigenlijk veel meer op elkaar letten, en op de kosten waar we elkaar mee opzadelen, dan ooit het geval is geweest. Wie nog wel eens naar een kerk gaat ziet dat de uitspraken van Jezus van Nazareth er in elk geval toe hebben geleid dat bijna niemand meer vooraan durft te gaan zitten. Dat is een teken dat het met de lange schijngebeden en het opeten van de huizen van de weduwen nog lang niet gedaan is. Die mensen die zich van geen kwaad bewust zijn maar er naar verlangen opnieuw samen te vieren dat de armen bevrijding is aangezegd kunnen namelijk gerust vooraan gaan zitten. Stem geven aan de armen is volgens de Bijbel ook bidden, als zij het niet kunnen zeggen moeten we het zelf maar doen. Elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag.

Sla met de pijlen op de grond.

2 Koningen 13:10-25

10 Joas, de zoon van Joachaz, werd koning van Israël in het zevenendertigste regeringsjaar van koning Joas van Juda. Zestien jaar regeerde hij in Samaria. 11 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, maar volhardde erin. 12 Verdere bijzonderheden over Joas en over de overwinning die hij behaalde in de oorlog tegen koning Amasja van Juda, zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 13 Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde Jerobeam hem op. Joas werd begraven in Samaria, bij de koningen van Israël. 14 Toen Elisa ziek was geworden en op sterven lag, zocht koning Joas van Israël hem op. Huilend riep hij uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ 15 Elisa zei tegen de koning: ‘Haal een boog en pijlen.’ Toen Joas dat gedaan had, 16 zei Elisa: ‘Span de boog.’ Joas spande de boog, en Elisa legde zijn handen over de handen van de koning heen 17 en zei: ‘Open het venster dat uitziet naar het oosten.’ Joas opende het venster, en Elisa zei: ‘Schiet!’ De koning schoot een pijl af, en Elisa zei: ‘Deze pijl is een overwinningsteken van de HEER. Deze pijl betekent de overwinning op Aram. Bij Afek zult u Aram vernietigend verslaan.’ 18 Daarna zei Elisa: ‘Pak uw pijlen.’ Joas nam de pijlen in zijn hand en Elisa zei tegen de koning: ‘Sla met de pijlen op de grond.’ Joas sloeg driemaal met de pijlen op de grond, niet vaker. 19 Toen riep de godsman woedend uit: ‘Had maar vijf of zes keer geslagen! Dan zou u Aram vernietigend verslagen hebben. Nu zult u Aram maar drie keer een nederlaag toebrengen.’ 20 Elisa stierf en werd begraven. Het was het seizoen waarin elk jaar weer Moabitische benden het land binnenvielen. 21 Toen de plunderaars eraan kwamen, werd er juist iemand begraven. Snel wierpen ze de dode in Elisa’s graf. Zodra hij in het graf in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, kwam de dode weer tot leven en stond hij op. 22 Koning Hazaël van Aram had Israël gedurende de hele regeringsperiode van Joachaz onderdrukt. 23 Maar de HEER was de Israëlieten genadig. Hij kreeg medelijden met hen en was met hen begaan vanwege het verbond dat Hij met Abraham, Isaak en Jakob gesloten had. Hij wilde de Israëlieten niet uitroeien en verstootte hen niet, zoals Hij dat tot op de dag van vandaag niet heeft gedaan. 24 Toen koning Hazaël van Aram stierf, volgde zijn zoon Benhadad hem op. 25 Joas, de zoon van Joachaz, heroverde op Benhadad, de zoon van Hazaël, de steden die de vader van Benhadad in de oorlog op Joachaz veroverd had. Driemaal bracht hij hem een nederlaag toe en hij heroverde de steden voor Israël.(NBV21)

Als je geschiedenis wil lezen, zoals die in de wetenschap van de geschiedenis wordt beschreven, dan moet je in een ander boek zijn. Daar begint dit gedeelte uit de Bijbel mee. We hebben nog wel eens de neiging de Bijbel onder het juk van de wetenschappelijke geschiedenis te laten doorgaan. Zijn er schriftelijke bronnen over de verhalen, zijn er archeologische aanknopingspunten, worden de meldingen van botsingen met anderen ook bij die andere volken teruggevonden. Voor de wetenschap terechte vragen en eisen. Maar niet voor de Bijbel. In de Bijbel staat beschreven hoe God met de mensen omgaat en hoe de mensen met God omgaan. Dat staat beschreven aan de hand van geschiedenissen waarin wij onszelf zouden moeten kunnen herkennen. En het aardige is dat de Bijbel dat ook zelf zegt. Als je dus geschiedenis wil lezen over de koningen van Israël en Juda dan moet je in andere boeken lezen, die boeken zijn niet in de Bijbel opgenomen.

Het verhaal van vandaag gaat over Koning Joas van Juda, die koning werd toen hij zeven jaar was en over Elisa, de profeet die zo uitdrukkelijk de vruchtbaarheidsreligies in Israël had bestreden. Er gaat in het verhaal een koning dood die de genoemde religies had gehandhaafd, zulke koningen zijn er altijd en daar valt dus niks van te leren. Er gaat ook een profeet dood. Deze profeet geeft een les in vertrouwen. Als een koning vertrouwen in de rechtvaardigheid van zijn strijd heeft wint hij. Aram overvalt en plundert Israël en Juda met enige regelmaat. Verzet daartegen is gerechtvaardigd. Het zijn de zwaksten in de samenleving die daar het ergste en eerste slachtoffer van worden. Maar de koning maakt zich er een beetje van af. Niet de woede leidt hem bij het slaan van de pijlen maar het ritueel opvolgen van de bevelen van de profeet. Winnen zal hij wel, hij is er genoeg van overtuigd, maar overwinnen van het kwade is er niet bij.

Daarvoor zou hij meer in zichzelf hebben moeten geloven. Van die koning Joas is eerder al gemeld dat hij de Tempel in Jeruzalem had gezuiverd. Maar de plunderaars wist hij niet krachtig genoeg te bestrijden. Hij werd dan ook uiteindelijk vermoord door zijn hovelingen. Als de profeet dood gaat is daarmee zijn kracht nog niet verdwenen. Volgens het verhaal komt er zelfs een dode weer tot leven. Wat wij er dan van kunnen leren? We kunnen de bestrijding van kwade hebzucht niet aan machthebbers en regeerders overlaten. Ze zijn er zelf mee besmet. Soms zijn er die de kwade hebzucht ook zelf wel willen bestrijden. Maar denk nooit dat ze er krachtig genoeg tegen op zullen treden. Als je zo kijkt naar maatregelen van de regeerders van onze dagen zul je het herkennen. Blijven wijzen op de kwade hebzucht is dus blijvend nodig, ook vandaag, omwille van de armen die er van te lijden hebben, omwille van het leven.

 

Hij stuurde iemand

2 Koningen 13:1-9

1 Joachaz, de zoon van Jehu, werd koning van Israël in het drieëntwintigste regeringsjaar van koning Joas van Juda, de zoon van Achazja. Zeventien jaar regeerde hij in Samaria. 2 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij volgde het slechte voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, en brak niet met diens zondige praktijken. 3 Daarom werd de HEER woedend op de Israëlieten en leverde Hij hen gedurende die hele regeringsperiode over aan koning Hazaël van Aram en diens zoon Benhadad. 4 Joachaz probeerde de HEER mild te stemmen en de HEER gaf hem gehoor, want Hij had gezien hoe Israël te lijden had onder de onderdrukking door de koning van Aram. 5 Hij stuurde iemand om de Israëlieten te bevrijden. Toen zij ontsnapt waren uit de greep van Aram konden ze hun gewone leven weer opvatten. 6 Toch braken ze niet met de zondige praktijken van het huis van Jerobeam, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, maar volhardden erin. Zelfs de Asjerapaal in Samaria lieten ze staan. 7 Van het leger van Joachaz was niets meer over, alleen nog vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk. De koning van Aram had vernietigend toegeslagen en het leger van Israël totaal onder de voet gelopen. 8 Verdere bijzonderheden over Joachaz en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 9 Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Joas volgde hem op.(NBV21)

Je moet even zoeken om te snappen waar het in dit verhaal om draait. Dat maakt dat je het ook niet gemakkelijk meer vergeet. Maar de zonde van Jerobeam was de aanbidding van twee gouden stierkalveren. Daar kwam nog bij dat er in Samaria, de hoofdstad, zelfs een zogenaamde Asjera paal werd opgericht. Die stierkalveren waren om vruchtbaarheid af te smeken maar die Asjera paal zetten alle vruchtbaarheid in het hele land in het teken van deze nepgodin. De Israëlieten dansten dus weer om het gouden kalf en hadden een vruchtbaarheidsgodsdienst in plaats van de Godsdienst van de God van Israël die immers draaide om de zorg voor de minsten en de zwaksten in plaats van de zorg voor winst en meer winst en profijt en meer profijt. Het antwoord op een land dat rijk wil zijn is jaloezie en de koningen van Aram zagen dat welvarende en vruchtbare landje naast zich en lieten er met enige regelmaat plunderingen uitvoeren.

Hun legers waren vele malen sterker dan het leger van Israël ooit kon zijn. Het gewone volk had daarvan bar te lijden. Oorlogen en het mislopen van winstgevende ondernemingen komen immers altijd op de armste mensen neer. Die moeten het leed dragen en krijgen de rekeningen gepresenteerd. Het was in de dagen van Koning Joachaz van Israël niet anders dan in de dagen van Rutte en Kaag. Maar in het verhaal van God en Israël staat er altijd iemand op die de gewone mensen in Israël bevrijdt van de vijand. De God van Israël is immers een bevrijdende God die uiteindelijk de hele wereld wil bevrijden van leed en ellende. Ook nu vertelt de Bijbel over het opstaan van een bevrijder. Wie die bevrijder geweest is weten we niet. De geleerden strijden er nog over en wijzen soms op koningen die nog moeten komen. Ook zou er een richter of profeet geweest kunnen zijn die de leiding over het volk op zich nam en de vijanden terug had geslagen naar hun eigen land. Helpen deed het overigens niet want het volk bleef bij het aanbidden van de twee gouden stierkalveren, zelfs de Asjerapaal in de hoofdstad Samaria lieten ze staan.

Zijn wij dan beter? Hebben wij de banken en financiële instellingen zo hervormd dat er geen risico’s meer worden genomen en dat leidinggevenden en bestuurders genoegen nemen met een redelijk inkomen dat nooit meer dan twintig keer het inkomen is van de laagst verdienende in het bedrijf? Integendeel moeten we vaststellen. Het najagen van winsten ten koste van de economie en het bestaan van gewone mensen blijft onaangetast. Banken zijn gered waardoor spaargelden van gewone mensen gegarandeerd konden blijven maar hypotheken worden bijna niet meer verstrekt en kleine ondernemers kunnen nauwelijks meer Dat de armsten die wilden werken en hun kinderen in de opvang brachten als criminelen werden beschouwd is nog steeds niet opgelost. De gaswinsten uit Groningen worden nog steeds niet besteed om de instortende woningen in orde te maken. De aanbidding van rijkdom en grotere rijkdom blijft ook in onze samenleving bestaan. Tijd om er wat aan te doen en te zorgen voor een rechtvaardige wereld. Dat is namelijk pas echt geloven in de God van Israël.

Het zilver

2 Koningen 12: 10-22

10 De hogepriester Jojada nam een kist, boorde een gat in het deksel en zette de kist bij het altaar, rechts bij de ingang van de tempel. Daarin deden de priesters die de ingang bewaakten al het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen. 11 Wanneer ze zagen dat er veel zilver in de kist lag, lieten ze de hofschrijver en de hogepriester komen om het zilver dat zich in de tempel bevond in zakjes over te doen en die te tellen. 12-13 Het zilver werd in afgewogen hoeveelheden overhandigd aan de bouwmeesters die met het herstel van de tempel waren belast. De bouwmeesters betaalden de timmerlieden, metselaars, steenhouwers en andere werklieden die aan de tempel werkten, zodat zij balken en gehouwen steen konden aanschaffen om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, en bekostigden ook verder alles wat er voor de herstelwerkzaamheden nodig was. 14 Het zilver dat voor de tempel van de HEER werd afgedragen werd niet gebruikt om zilveren schotels, messen, offerschalen, trompetten of andere zilveren of gouden voorwerpen aan te schaffen; 15 alles werd aan de bouwmeesters gegeven om er de herstelwerkzaamheden mee te bekostigen. 16 De bouwmeesters die het zilver aan de werklieden moesten overhandigen hoefden geen rekening te overleggen, want zij waren door en door betrouwbaar. 17 Zilver voor hersteloffers en reinigingsoffers werd niet voor de tempel van de HEER bestemd; dat bleef voor de priesters. 18 In die tijd rukte koning Hazaël van Aram op tegen Gat. Hij belegerde de stad en nam haar in. Vervolgens nam hij zich voor tegen Jeruzalem op te trekken. 19 Koning Joas van Juda verzamelde alle wijgeschenken die zijn voorouders Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, aan de tempel hadden geschonken, en ook zijn eigen wijgeschenken en de rest van het goud dat zich in de schatkamers van de tempel en het paleis bevond. Dat alles stuurde hij naar koning Hazaël van Aram, die daarop van zijn veldtocht tegen Jeruzalem afzag. 20 Verdere bijzonderheden over Joas zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 21 Zijn hovelingen kwamen in opstand en spanden tegen hem samen. Ze doodden hem in Bet-Millo, aan de weg naar Silla. 22 Hij werd vermoord door zijn dienaren Jozachar, de zoon van Simat, en Jozabad, de zoon van Somer. Na zijn dood werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Amasja volgde hem op.(NBV21)

Er is fraude gepleegd en nog wel in de Tempel. Koning Joas had met de priesters van de Tempel afgesproken dat het zilver dat werd geofferd in de Tempel gebruikt zou worden om het achterstallig onderhoud te herstellen. Joas was weer eens een van de zeldzame Koningen van Juda die de dienst aan de God van Israël serieus nam. Daarvoor was dat lange tijd niet gebeurd. Het gevolg was dat de Tempel voor de God van Israël, het huis der ontmoeting, danig in verval raakte. Omdat het herstel veel geld ging kosten en niet van de een op de andere dag tot stand kon komen had de Koning met de Priesters afgesproken dat zij het zouden regelen. Maar daar kwam dus niets van terecht. Het zilver was verdwenen en niemand die meer wist hoe dat gekomen was. Joas had daarom de Priesters bij elkaar geroepen om een betere regeling te treffen en te zorgen dat het onderhoud nu wel op gang kwam.

Een strakke regeling over de omgang met geld voorkomt corruptie. Allereerst is er een op de Ark van het verbond lijkende kist met een gat waar je wel zilver kon ingooien maar er niet uit kon halen. Drie Priesters werden belast met de bewaking van de kist. Zij bewaakten ook de poort tot de Tempel zodat er steeds drie andere Priesters waren. Ze bewaakten dus niet alleen de kist maar ook elkaar. Als er voldoende zilver in de kist was geworpen moest het bestemd worden voor de bouwmeesters die het achterstallig onderhoud wegwerkten. Daarvoor kwamen er twee hooggeplaatsten naar de Tempel om dat te verzorgen. De Hogepriester en de Hofschrijver telden samen het zilver, deden het in zakjes en rekenden af met de bouwmeesters. Die Hofschrijver was een soort minister president, een van de hoogste functionarissen aan het hof. Veretrouwen is goed maar controle is beter. Dat is een regel voor onze tijd maar ook al een zeer oud bijbels gegeven.

Al dat zilver waarover in dit Bijbelgedeelte wordt gesproken werd uiteindelijk ook gebruikt om een oude vijand af te kopen, Koning Hazaël van Aram.Maar het loopt met Koning Joas niet anders af als met andere koningen in de oudheid. Hij wordt gedood door hovelingen. Dat verhaal hoort bij de echte geschiedenis. Niet bij de geschiedenis van hoe God met de mensen omging, de geschiedenis die in de Bijbel staat. Het verhaal over Koning Joas en het zilver wil ons nog eens laten zien dat al die rijkdom die we ook in ons land binnen krijgen uiteindelijk bestemd moet zijn voor de dienst aan de God van Israël. Die God wil dat we die rijkdom delen met de minsten in de wereld, voldoende ontwikkelingssamenwerking met arme landen en nivelering van inkomens in het binnenland. Die God wil dat we die rijkdom gebruiken om vrede te brengen waar nog oorlog en strijd is. Die God bevrijdt ons van de slavernij van het zilver, van het altijd meer en nog meer voor de rijken. Dat was in de dagen van Joas niet anders als in onze dagen. Net als Koning Joas mogen wij daaraan meewerken, aan vrede en gerechtigheid, zodat de hele aarde een Tempel wordt voor de God van Israël.

 

Zijn leven lang

2 Koningen 12:1-9

1 Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd, 2 in het zevende regeringsjaar van Jehu. Veertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. 3 Zijn leven lang deed Joas wat goed is in de ogen van de HEER, zoals de hogepriester Jojada hem geleerd had. 4 Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden. 5-6 Joas droeg de priesters het volgende op: ‘De priesters mogen al het zilver houden dat als wijgeschenk voor de tempel van de HEER wordt afgedragen, alles wat ze van de geldbeheerders ontvangen. Dat geldt niet alleen het zilver dat moet worden betaald wanneer men bij een volkstelling wordt geregistreerd en het zilver dat volgens tarief moet worden betaald om iemand vrij te kopen, maar ook al het zilver dat vrijwillig aan de tempel van de HEER wordt afgestaan. Zij moeten er dan wel voor zorgen dat de tempel van de HEER overal waar dat nodig is hersteld wordt.’ 7 Maar in Joas’ drieëntwintigste regeringsjaar waren de priesters nog steeds niet aan het herstel van de tempel begonnen. 8 Daarom liet de koning de hogepriester Jojada en de andere priesters bij zich komen en vroeg: ‘Waarom doet u niets om de tempel te herstellen? Voortaan mag u het zilver dat u van de geldbeheerders ontvangt niet meer voor uzelf houden, maar moet u het direct afdragen voor het herstel van de tempel.’ 9 De priesters stemden ermee in dat ze geen zilver van het volk meer zouden aannemen, maar dan ook geen verantwoordelijkheid zouden dragen voor het herstel van de tempel. (NBV21)

Die Koning Joas was opgegroeid in de Tempel in Jeruzalem. Jarenlang had hij daar verborgen gezeten. De Tempel in Jeruzalem was niet de enige offerplaats in Juda maar wel de voornaamste. Later wilde men dat het voor heel Israël de enige offerplaats zou worden en uiteindelijk werd het dat ook. Van heinde en ver trokken mensen dan op naar Jeruzalem om daar de grote feesten te vieren. Maar in de dagen van Koning Joas was het zo ver nog niet. Integendeel de Tempel in Jeruzalem was in verval geraakt onder een reeks Koningen die ook vreemde goden hadden geduld. Pas  bij het aantreden van Koning Joas was de Tempel van Baäl verwoest en de hogepriester van Baäl voor het altaar gedood. Koning Joas begon met duidelijk te maken dat je aan de God van Israël zelf niets hoeft te geven. Die hoef je niet in leven te houden. Baäl en zijn echtgenote Astarte moesten gevoed worden. Anders kreeg de grond geen vruchtbaarheid en kwam er een misoogst.

De God van Israël vroeg alleen om de opbrengsten te delen met de minsten. Dat bewees dat het volk zich aan het verbond hield en als je die richtlijnen volgde dan kreeg je een prima samenleving. Joas was pas 7 jaar toen hij Koning werd. Zijn moeder wordt niet voor niets genoemd. Zij zorgde voor de eerste keus in de opvoeding. Het werd de hoge priester Jojada die hem opvoedde en trainde in het toepassen van de richtlijnen van de God van Israël. De ontmoeting met die God vond plaats in de Tempel in Jeruzalem. Daar werden de richtlijnen van het verbond bewaard. Daar kon je laten zien dat je wilde delen met de minsten en dus ook met God. Van dat delen leefde de priesters en de levieten. Maar naast de graan en vee-offers kregen ze ook het zilver dat aan de Tempel werd afgedragen. Dat was bestemd voor het onderhoud van de Tempel. Het zilver dat gegeven wordt aan de Tempel in Jeruzalem is voor de Priesters en voor het herstel en onderhoud van het Tempelgebouw. Maar als je mensen zomaar zilver geeft dan doen ze er niks mee.

Koning Joas kwam na een tijdje tot de ontdekking dat die Priesters wel het zilver ontvingen maar niks deden aan het herstel van de Tempel. Daarom draaide hij de regeling terug. Het zilver werd apart ingezameld en aan de bouwlieden gegeven die aan het herstel van de Tempel werkten. Alleen de herstel en reinigingsoffers brachten voortaan het nodige zilver op voor de Priesters. In Juda ging dit niet stiekem, je hoeft God immers niet iets anders te geven dan de bereidheid alles te delen, in de eerste plaats met de minsten. En als je dat ontwend bent of zelfs ontdoken hebt dan moet je dat weer opnieuw beginnen in de Tempel en daar waren die offers voor. Van een koning wordt verwacht dat die de vrede brengt in het land en de oorlog tegengaat. Ook Koning Joas beantwoorde aan die verwachting.

In de linnenkamer

2 Koningen 11:1-20

1 Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon dood was, besloot ze alle kinderen van de koninklijke familie ter dood te brengen. 2 Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram en de zus van Achazja, haalde een van Achazja’s zonen, Joas, heimelijk weg uit de groep koningskinderen die gedood zouden worden en verstopte hem met zijn voedster in de linnenkamer. Ze wisten hem voor Atalja verborgen te houden, en zo ontsnapte hij aan de dood. 3 Zes jaar zat hij bij zijn tante in de tempel van de HEER verborgen, terwijl Atalja het land regeerde. 4 In het zevende regeringsjaar van Atalja riep Jojada, die toen hogepriester was, de bevelhebbers van de Kariërs en van de koninklijke garde bij zich in de tempel van de HEER. Daar sloot hij een overeenkomst met hen en liet hij hen trouw zweren. Vervolgens toonde hij hun de koningszoon. 5 Daarna droeg hij hun het volgende op: ‘Dit is wat u moet doen: Splits de eenheid die deze week dienst heeft in drie groepen. Laat de eerste groep de wacht betrekken bij het koninklijk paleis, 6 de tweede in de Surpoort en de derde in de poort achter het verblijf van de koninklijke garde, zodat u het paleis van alle kanten in de gaten kunt houden. 7 De twee eenheden die deze week geen dienst hebben, moeten de wacht houden bij de tempel en de koning beschermen. 8 Laat allen hun wapens in de aanslag houden en vorm een hecht kordon rond de koning. Verlies hem geen moment uit het oog en dood ieder die het kordon probeert te doorbreken.’ 9 De bevelhebbers deden precies wat de hogepriester Jojada had bevolen. Allen meldden zich met hun eenheid van honderd man bij Jojada, zowel degenen die die week dienst hadden als degenen die die week vrij waren van dienst. 10 Jojada gaf de bevelhebbers de speren en de pijl-en-boogkokers van koning David, die in de tempel van de HEER bewaard werden. 11 De leden van de garde stelden zich, allen met hun wapen in de aanslag, voor de tempel op, over de volle breedte van het plein en vanaf de ingang van de tempel tot aan het altaar, om de koning te beschermen. 12 Toen leidde de hogepriester de koningszoon naar buiten, zette hem de koninklijke hoofdband op en overhandigde hem de kroningsakte. Zo werd hij tot koning uitgeroepen en gezalfd, terwijl alle aanwezigen in hun handen klapten en riepen: ‘Leve de koning!’ 13 Toen Atalja de koninklijke garde en het volk hoorde juichen, begaf zij zich in de menigte die zich voor de tempel verzameld had. 14 Daar zag ze de koning, die zich volgens het gebruik op het podium had opgesteld, met de bevelhebbers en de trompetblazers naast zich. De hele bevolking was in feeststemming en men blies op de trompetten, maar Atalja scheurde haar kleren en riep: ‘Verraad! Verraad!’ 15 De hogepriester Jojada gebood de bevelhebbers, de aanvoerders van honderd man: ‘Leid haar onder bewaking weg; wie haar volgt, moet gedood worden.’ Hij zei er uitdrukkelijk bij dat ze niet op het tempelterrein mocht worden gedood. 16 Atalja werd weggeleid en door de Paardenpoort naar het paleis gevoerd, waar ze ter dood werd gebracht. 17 Jojada bekrachtigde het verbond tussen de HEER en de koning en het volk, zodat zij de HEER weer zouden toebehoren, en ook het verbond tussen de koning en het volk. 18 Het volk trok op naar de tempel van Baäl, haalde die omver en verbrijzelde de altaren en beelden die voor hem waren opgericht. De Baälspriester Mattan werd voor de altaren ter dood gebracht. Nadat Jojada wachters had aangewezen om de tempel van de HEER te bewaken, 19 begeleidde hij de koning met de bevelhebbers, de Kariërs, de koninklijke garde en heel het volk van de tempel via de Gardepoort naar het paleis, waar hij hem liet plaatsnemen op de koningstroon. 20 Heel het volk was verheugd, en hoewel Atalja in het koninklijk paleis ter dood gebracht was, bleef het rustig in de stad.(NBV21)

Zijn er nu in de Bijbel verschillen tussen mannen en vrouwen? De verhalen in de Bijbel spelen zich af in de gewone mensenwereld. In de gewone mensenwereld zijn mannen meestal de baas. Niet omdat dat zo hoort of omdat God dat zo heeft gewild maar omdat mannen de mensen wijs hebben gemaakt dat dat het beste is. Maar alleen mannen vervangen door vrouwen helpt ook niet om een betere wereld te krijgen. In Israël was Izebel een machtige koningin geweest, maar die had aangezet tot het onrecht dat Nabod was aangedaan en ze had een vreemde verderfelijke godsdienst ingevoerd. In Juda had men daarna ook zo’n Koningin. Dat was Koningin Atalja. Toen haar zoon Koning Achazja was gedood door Jehu en daarna ook al haar andere zonen bleef ze achter met een hoop jonge kinderen. Maar in plaats van als regentes de regering op zich te nemen en te wachten tot de oudste zover zou zijn dat die de troon kon overnemen doodde ze alle kinderen om zelf koningin te kunnen worden.

Ze had echter een zuster die het kennelijk niet kon aanzien en een zoontje van Achazja verstopte. Ze bracht hem onder in de Tempel in Jeruzalem, waar ze zelf ook ging wonen kennelijk. In de Tempel zat hij zes jaar verborgen. Toen brak het jubeljaar aan. In het zevende jaar immers moet het land rusten, mag niemand werken, moet er gegeten worden van wat er is gespaard en wat het land voortbrengt zonder dat het is bewerkt. In de Bijbel heet dat het Sabbatsjaar. Zo zou de aarde moeten zijn, niemand die een last draagt maar iedereen die er van kan leven. Bevrijd dus van knechtschap, onderdrukking en verslaving aan meer en nog meer. In dat zevende jaar riep de Hogepriester, de priester die het meest moest letten op de uitvoering van heb uw naaste lief als uzelf, de hoofden van de Turkse huursoldaten, de Kariërs, en de koninklijke garde bij zich. Er waren nog wapens in de Tempel aanwezig uit de tijd van Koning David en zo kon er een staatsgreep worden georganiseerd en de jonge Joas tot koning worden uitgeroepen.

Atalja werd ter dood gebracht en allen die haar volgden. Wie goed leest ziet dat er niemand was die haar volgde. Ze werd door de Paardenpoort naar het paleis gevoerd en vanouds werd er in de Poort recht gesproken door de oudsten van het volk. Zo zal het ook hier zijn gegaan en een moordenares van kinderen verdient in de Bijbel de dood. Ze heeft er immers zelf voor gekozen. Vanuit de Tempel in de Jeruzalem staat een nieuwe koning op. Het geeft de kans op een nieuw begin voor de samenleving. Opnieuw kan er recht worden gedaan aan de mensen. De wapens van koning David staan weer in dienst van de godsdienst voor de God van Israël. En die God vraagt zijn volk te zorgen voor minsten, de zwaksten. Die God vraagt dat ook aan ons, ook vandaag. Laat ook onze samenleving op die basis worden ingericht. Laten we daar aan werken.

 

Kijk goed om u heen

2 Koningen 10:18-36

18 Daarna liet hij de bevolking van de stad bijeenkomen en zei: ‘Achab heeft Baäl maar matig vereerd; Jehu zal hem beter dienen. 19 Laat alle profeten van Baäl, al zijn priesters en al zijn andere dienaren hier komen, niet één mag er ontbreken. Ik wil namelijk een groot offerfeest voor Baäl houden, en wie ontbreekt zal dat met de dood bekopen.’ Dit was een list van Jehu om de dienaren van Baäl te doden. 20 ‘Kondig een plechtige samenkomst af ter ere van Baäl,’ beval Jehu, en zo gebeurde het. 21 Jehu stuurde boodschappers door heel Israël en van alle kanten kwamen de dienaren van Baäl naar Samaria, geen van hen bleef weg. Ze verzamelden zich in de tempel van Baäl, en toen de tempel helemaal vol was, 22 gaf Jehu de beheerder van de priesterkleding opdracht om alle dienaren van Baäl van feestkleren te voorzien. Toen dat gebeurd was 23 begaf Jehu zich met Jonadab, de zoon van Rechab, naar de tempel van Baäl en zei tegen de aanwezigen: ‘Kijk goed om u heen of zich onder u geen dienaren van de HEER bevinden. Deze plechtigheid is uitsluitend bestemd voor de dienaren van Baäl.’ 24 Jehu en Jonadab gingen de tempel binnen om vredeoffers en brandoffers te brengen, terwijl buiten tachtig man op wacht stonden die Jehu daar had neergezet. ‘Jullie zijn verantwoordelijk,’ had hij gezegd. ‘Wie ook maar iemand laat ontkomen, zal dat met zijn eigen leven bekopen.’ 25 Toen Jehu met het brandoffer gereed was, beval hij de koninklijke garde en zijn adjudanten: ‘Vooruit, dood ze! Laat niet één van hen ontkomen.’ Ze doodden de dienaren van Baäl tot de laatste man en lieten de lijken liggen. Vervolgens drongen ze het versterkte deel van de tempel van Baäl binnen, 26 haalden de gewijde stenen eruit en gooiden die in het vuur. 27 Ze sloegen de aan Baäl gewijde steen aan stukken en haalden de tempel van Baäl omver. Sindsdien doet het tempelterrein dienst als mestvaalt, tot op de dag van vandaag. 28 Jehu maakte dus een einde aan de Baälsdienst in Israël, 29 maar hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet, want de gouden stierenbeelden in Betel en Dan liet hij ongemoeid. 30 De HEER zei tegen Jehu: ‘Je hebt juist gehandeld door te doen wat goed is in mijn ogen: je hebt mijn voornemens ten aanzien van het koningshuis van Achab volledig ten uitvoer gebracht. Daarom zullen jouw nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zitten.’ 31 Maar Jehu nam de wetten van de HEER, de God van Israël, niet met hart en ziel in acht. Hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. 32 In deze tijd begon de HEER het grondgebied van Israël in te perken. Hazaël veroverde op de Israëlieten het hele gebied 33 ten oosten van de Jordaan: heel Gilead, het stamgebied van Gad, Ruben en Manasse, vanaf Aroër aan de Arnon, en behalve Gilead ook Basan. 34 Verdere bijzonderheden over Jehu en over de overwinningen die hij behaalde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 35 Toen Jehu bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in Samaria. Zijn zoon Joachaz volgde hem op. 36 Achtentwintig jaar had Jehu Israël vanuit Samaria geregeerd. (NBV21)

Soms kom je in de Bijbel namen tegen van personen die we verder niet kennen. Die schijnbaar terloops genoemd worden maar die geen schilderij van Rembrandt van Rijn hebben gehaald of in een spreekwoord zijn opgenomen. Zo’n uitdrukking als “de zoon van Rechab” hoort daar ook bij. Die Jonadab die kwam kijken wat de nieuwe koning van Israël, Jehu, allemaal wel niet uitspookte. Jonadab was niet de zoon van een meneer Rechab maar hij hoorde bij de stam van de Rechabieten. Dat waren ook aanhangers van de God van Israël maar ze weigerden het beloofde land binnen te trekken en in huizen te gaan wonen. Dat vonden ze veel te verleidelijk. Telkens in de geschiedenis van Israël zouden ze af en toe uit de woestijn het land binnenkomen om te vertellen dat de Israëlieten wel heel erg ver van de God van Israël, de Wet van de Woestijn waren afgedwaald. Ze eisten dan recht en gerechtigheid. Het bericht dat Jehu de zoon van Achab had gedood op de akker van Nabob zal de Rechabiet Jonadab aangetrokken hebben.

Het was het wreken van onrecht waar Rehabieten voortdurend op aandrongen. Dat maakt Jehu mogelijk deze aanhanger van de God van Israël mee te nemen als getuige in de zuivering van Samaria van de vruchtbaarheidsgodsdienst die het onrecht had veroorzaakt. Het verhaal laat het verschil zien tussen de godsdienst van de God van Israël en de godsdienst van Baäl, de vruchtbaarheidsgod. De priesters van Baäl konden hun God eren door in feestkleding in de Tempel bijeen te komen. Daar hoefde geen volk aan te pas te komen. Dat wordt hun ondergang. De Tempel van Baäl wordt tot een vuilnishoop. We moeten maar hopen dat het ook niet zo zal vergaan met onze banken waar het grijpen en graaien bijna tot een heilige godsdienst werd. Dat graaien blijkt bijna onuitroeibaar. Was die koningsmoordenaar Jehu nu een goede koning van Israël? Ja en nee. Hij had de vruchtbaarheidscultus van Baäl, zoals die door Koningin Izebel van huis was meegenomen, met wortel en tak uitgeroeid. Toen was hij een geaccepteerd Koning en toen was het wel weer genoeg.

Maar er waren nog meer vruchtbaarheidsgodsdiensten in Israël binnengeslopen. In Betel en Dan werden gouden beelden van stierkalveren aanbeden. Een vruchtbaarheidssymbool dat ook in de woestijn door een deel van het volk was aanbeden en dat dus zeer oude wortels in het volk had. Daar bleef Jehu af. Het is geen geschiedenis in de zin van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, voor dat soort geschiedenis worden we verwezen naar het boek “kronieken van de Koningen van Israël”. Dat is niet het boek Kronieken dat in de Bijbel voorkomt, dat geschiedenisboek waarnaar hier verwezen wordt kennen we niet. In de Bijbel staat de geschiedenis van recht en gerechtigheid. Daarom staat er ook dat de afloop door God wordt bepaald. In dit verhaal gaat het ook niet van de ene op de andere dag maar duurde het een paar generaties voordat Jehu had overwonnen en koning was.  Aan ons dus het signaal om tegen onrecht en voor gerechtigheid te blijven strijden. Dat heeft op den duur vanzelf succes, daar zorgt God voor.

 

Doet u wat u het beste vindt.

2 Koningen 10:1-17

1 In Samaria woonden nog zeventig zonen van Achab. Jehu stelde brieven op die hij naar Samaria stuurde, naar de bestuurders van Jizreël, de oudsten en de voogden die Achab had aangesteld. Deze brieven luidden als volgt: 2 ‘De zonen van uw heer wonen bij u en u beschikt over paarden en strijdwagens, een versterkte stad en wapens. Welnu, wanneer u deze brief ontvangt, 3 kies dan de meest geschikte koningszoon, zet hem op zijn vaders troon en wees bereid het koningshuis van uw heer te verdedigen.’ 4 De ontvangers van deze brieven werden verschrikkelijk bang en zeiden: ‘Twee koningen hebben het al tegen hem afgelegd. Hoe zouden wij dan standhouden?’ 5 De hofmeester, de stadscommandant, de oudsten en de voogden van de koningszonen stuurden Jehu daarom het volgende bericht: ‘Wij zijn uw dienaren, heer. We zullen alles doen wat u ons opdraagt. Wij zullen niemand als koning aanwijzen. Doet u wat u het beste vindt.’ 6 Hierop schreef Jehu hun een tweede brief, waarin hij zei: ‘Als u op mijn hand bent en mij wilt gehoorzamen, onthoofd dan alle zonen van uw heer en meld u morgen om deze tijd bij mij in Jizreël.’ Er waren zeventig koningszonen, die door voorname inwoners van de stad werden opgevoed. 7 Na ontvangst van de tweede brief werden alle zeventig koningszonen gevangengenomen en ter dood gebracht. Hun hoofden werden in manden gedaan, die naar Jehu in Jizreël werden gestuurd. 8 Toen een bode meldde dat de hoofden van de koningszonen gebracht waren, beval Jehu ze in twee hopen bij de ingang van de stadspoort te leggen en ze daar tot de volgende dag te laten liggen. 9 De volgende morgen kwam hij naar buiten en sprak de bevolking als volgt toe: ‘Oordeelt u zelf: Ik heb tegen mijn heer een samenzwering gesmeed en hem vermoord. Maar door wie zijn deze koningszonen gedood? 10 Besef goed dat niets van wat de HEER tegen het koningshuis van Achab heeft uitgesproken, onvervuld blijft. De HEER brengt ten uitvoer wat Hij bij monde van zijn dienaar Elia heeft voorzegd.’ 11 En Jehu liet alle familieleden van Achab die nog in Jizreël waren ter dood brengen, en ook al zijn ambtenaren, vertrouwelingen en priesters; niet één bleef in leven. 12 Hierna vertrok Jehu naar Samaria. Toen hij onderweg door Bet-Eked kwam, een trefpunt van herders, 13 kwam hij daar de broers van koning Achazja van Juda tegen. ‘Wie bent u?’ vroeg hij, en zij antwoordden: ‘Wij zijn broers van Achazja. We zijn op weg om de koningszonen en de zonen van de koningin-moeder een bezoek te brengen.’ 14 ‘Grijp ze levend!’ beval Jehu, en de broers van Achazja werden gegrepen en bij de put van Bet-Eked ter dood gebracht. Ze waren met tweeënveertig man, en niet één bleef in leven. 15 Jehu vervolgde zijn weg en kwam een eind verder tegenover Jonadab, de zoon van Rechab, te staan. Hij begroette hem en zei: ‘Hebt u het goed met mij voor, zoals ik met u?’ ‘Jazeker,’ antwoordde Jonadab, ‘geef mij uw hand.’ Jehu reikte hem de hand en liet hem zijn wagen bestijgen. 16 ‘Ga met mij mee,’ zei hij, ‘dan kunt u zien hoe ik strijd voor de HEER.’ Zo reed Jonadab met Jehu mee. 17 Toen Jehu in Samaria aankwam, doodde hij daar allen die nog over waren van het hof van Achab, tot hij het hele koningshuis van Achab had uitgeroeid, zoals de HEER aan Elia had voorzegd. (NBV21)

Het hart van de Bijbel is dat, wat je zelf niet wil dat je wordt aangedaan, je ook een ander niet moet aandoen. In het verhaal over Jehu dat we vandaag lezen leren we hoe de politiek kan werken. En denk nu niet dat we sinds de dagen van Jehu beschaafder zijn geworden want dat zijn we niet. Jehu geeft openlijk toe dat hij een complot gesmeed heeft tegen de wettige koning van Israël. Hij heeft die koning gedood, diens echtgenote uit het raam laten gooien en hij woont nu in het paleis in Jizreël. Ook de vriend van de koning, de koning van Juda, heeft hij laten doden. Maar het koningshuis Achab is nog niet uitgestorven. De aanbidder van de vruchtbaarheidsgod die Izebel had meegenomen was zelf vruchtbaar. In de hoofdstad Samaria leefden nog 70 zonen, alsof alle volken zouden afstammen van Achab, zo klinkt zo’n getal in de oren van de lezers in Israël. Deftige burgers van Samaria hadden die zonen opgevoed. Dat zal een hele eer geweest zijn een prins te mogen opvoeden.

Maar Jehu stelt ze voor de keus, of een wettige opvolger van Achab kiezen en oorlog voeren, of het huis Achab met wortel en tak uitroeien en in vrede verder leven. De deftige burgers van Samaria kiezen voor het laatste, ze kiezen uit angst voor hun eigen hachje. Daarmee stellen ze zich natuurlijk gelijk aan de koningsmoordenaar Jehu. Die komt er voor uit. Jehu brengt vervolgens de hele troep vruchtbaarheidsdienaren om. Het klinkt als een wreed verhaal, maar de Bijbel vertelt het of er een oogst plaats vindt waarbij het kaf van het koren wordt gescheiden. Het kwaad kun je immers niet ongestraft laten voortwoekeren. Wij zitten zelf ook in zo’n discussie. Moet je een club laten voortduren die begint met vragen naar de kosten van een vreemdeling? In de jaren 30 werden in Duitsland verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten met een dodelijke injectie omgebracht omdat ze de samenleving extra geld kostten. Wij hebben een toenemend aantal hoogbejaarde dementen waarvoor kostbare zorg nodig is.

Komt na de vraag naar de kosten van vreemdelingen ook de vraag naar de kosten van demente bejaarden, verstandelijk en lichamelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten? Bejaarden en verstandelijk gehandicapten moeten nu al gedwongen verhuizen uit hun vertrouwde zorgomgeving en zullen in de komende tijd ook op straat worden gezet berichten organisaties voor zorg en huisvesting. In de Bijbel staan de vreemdelingen altijd op één lijn met de armen, de zwakken, de weduwen en de wezen. Uitdrukkelijk wordt opgedragen ook met de vreemdelingen te delen. In Bijbelse termen geldt dat wie begint met de vreemdelingen te vervolgen niet zal ophouden als hij bij de zwaksten in de eigen samenleving is aangekomen. Daarom neemt Jehu geen halve maatregelen en gaat hij zelfs door tot Achab’s vriendjes uit het koningshuis van Juda zijn omgebracht. Het is een wreed verhaal maar een krachtige waarschuwing aan onze eigen samenleving om een grens te trekken als onze broeders en nu ook onze zusters van vreemde herkomst worden bedreigd.

Van levenden

Lucas 20:27-40

27 Enkele sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: 28 ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man kinderloos sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. 29 Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; 30 daarna trouwde de tweede broer met de vrouw 31 en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. 32 Ten slotte stierf ook de vrouw. 33 Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 34 Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld trouwen en worden uitgehuwelijkt, 35 maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, trouwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. 36 Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. 37 Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in het verhaal over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. 38 Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’ 39 Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat U zegt is juist.’ 40 En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen. (NBV21)

Er waren in de dagen van Jezus van Nazareth twee stromingen in Israël. De Farizeeën geloofden in de opstanding van de doden en de Sadduceeën niet. Jezus van Nazareth was in zijn opvattingen het meest verwant aan de Farizeeën, hij sprak ook met enige regelmaat in hun Synagogen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Sadduceeën probeerden de opvattingen van Jezus van Nazareth over de opstanding der doden onderuit te halen. Dat kan door er de nodige fantasieën op los te laten die op zich niets zeggen over God zelf. Hoe gaat dat nu als iedereen opstaat uit de doden? Zien we elkaar dan weer? En met wie zijn we dan getrouwd als we bij leven met meerdere mensen getrouwd waren? Er zijn op deze manier vele vragen te stellen. Jezus van Nazareth geeft wel antwoord maar gaat niet precies uitleggen hoe de techniek van de opstanding er uit zal gaan zien. Het enige dat vaststaat is dat er een komende wereld is, de wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn en God zelf op aarde zal wonen.

Er komt een wereld waar de Liefde zal regeren en waar alle kwaad verdreven zal zijn. Al die mensen die het goede zochten te doen en niets dan het goede zullen daar deel aan hebben. Als Jezus dat heeft uitgelegd volgt er een merkwaardige opmerking. Hij verwijst naar de passage in het oude testament waarin God zich voorstelt aan Mozes, “Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jacob”, de God dus van de geschiedenis van het volk Israël. Die Abraham, Izaäk en Jacob zijn volgens Jezus van Nazareth dus geen dode pieren uit een vervlogen historie maar levende getuigen van de macht van de God die zich aan Mozes voorstelt. Daarmee wordt de komende wereld waar Jezus over spreekt niet een wereld die er ooit wel eens zal komen, maar een wereld die er nu al is. Deze God die zich aan Mozes voorstelde was toch immers een God “die mee zal trekken”, en zo zelfs wilde heten. Daarmee is de vraag naar de opstanding van de doden, en alle vragen die daarmee samenhangen, van geen waarde meer voor mensen.

De vraag is of er al iets van de komende wereld in ons leven te bespeuren is. Worden alle tranen gewist en zijn wij daar dag in dag uit mee bezig? Worden de hongerigen gevoed en de naakten gekleed? Worden de gevangenen bezocht? Wordt de vrede gesticht? Net als bij de vragen naar het bestaan van God en naar de plaats van hemel kom je in de Bijbel telkens weer uit bij de vraag hoe mensen met elkaar omgaan. In het antwoord op die vraag is het antwoord op de vraag naar God te vinden. Dat antwoord is zelfs niet te vinden in een zogenaamde persoonlijke relatie met een god. Altijd vraagt deze God naar je relatie met de minsten onder ons, vanwege die vraag, die God voortdurend stelt, is onze God meer dan nodig. Als God zich niet op die manier aan Mozes had geopenbaard moesten wij hem vandaag nog uitvinden.

 

Wat God toebehoort

Lucas 20:20-26

20 Ze hielden Hem echter in de gaten en stuurden er spionnen op uit die zich als rechtvaardigen moesten voordoen, in de hoop Hem op een onwettige uitspraak te betrappen, zodat ze Hem konden uitleveren aan de overheid, aan het gezag van de gouverneur. 21 Ze vroegen Hem het volgende: ‘Meester, we weten dat wat U zegt en leert juist is en dat U spreekt zonder aanzien des persoons, en dat U in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. 22 Welnu, is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet?’ 23 Maar Jezus doorzag hun sluwe opzet en antwoordde: 24 ‘Laat Mij eens een denarie zien. Van wie zijn de afbeelding en het opschrift op deze munt?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. 25 Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 26 Ze slaagden er dus niet in om Hem ten overstaan van het volk te betrappen op een onwettige uitspraak, en omdat ze geen raad wisten met zijn antwoord, deden ze er het zwijgen toe.(NBV21)

Over privacy bestaan nogal wat misverstanden. We denken al snel dat privacy te maken heeft met privé. En met privé heeft niemand wat mee te maken maar als de overheid er naar wil kijken dan moet dat kunnen. Wij doen immers niks fout en als ze boeven kunnen vangen door iedereen af te luisteren en te bekijken dan moet dat maar. In dit verhaal over Jezus van Nazareth leren we dat we er toch voorzichtig mee moeten zijn. Als wij het goede willen doen en niets dan het goede dan zou daar niets verkeerds aan moeten zijn. Maar in de geschiedenis is het maar al te vaak zo dat machthebbers en rijken een hekel hebben aan het goede doen. Wij vinden het goed dat er een vrije en onafhankelijke pers is die ons bericht over wat de overheid doet zonder dat de overheid daar invloed op kan hebben. Maar zelfs onze eigen democratisch gekozen en gecontroleerde overheid breekt in in computers van onafhankelijke kranten om de berichtgeving te kunnen beïnvloeden voordat wij die hebben kunnen lezen.

In de dagen van Jezus van Nazareth werd ook hij in de gaten gehouden om hem te kunnen betrappen op uitlatingen die hem voor de rechter zouden kunnen brengen. De belasting werd in dit verhaal gebruikt als valkuil. De meeste rijken houden niet van belasting betalen en willen niet, net als de armen, meebetalen voor straten en straatlantaarns, huizenbouw, scholen en universiteiten en uitkeringen als je zonder loon komt te zitten. In de dagen van Jezus van Nazareth was dat niet anders. Maar de grote vraag was of zijn onverkorte trouw aan de richtlijn van eerlijk delen zoals die in de Tempel werd bewaard hem niet in conflict zou brengen met de bezetter. De belasting werd niet alleen door de Tempel geheven om die in stand te houden maar ook door de Romeinse Keizer. Jezus lost dat op door op de munt zelf te wijzen. Alle mensen zijn naar Gods beeld gemaakt, ook de Keizer van Rome.

God geven wat van God is betekent dus niets meer of minder dat je jezelf in dienst stelt van de liefde voor de naaste, voor de minste en dat je daar ook het beeld van God dat op de munt staat voor gebruikt, die Keizer is geen god maar net als jij en ik een beeld van God. Als je dat gelooft dan is er van trouw aan een vreemde keizer geen sprake, maar als je gelooft dat die keizer ook een god is, of met God niets van doen heeft, dan kun je rustig belasting betalen. De keus is dus niet aan Jezus maar aan jou en mij. Bemoeien wij ons in de democratische samenleving, met de keus voor de besteding van belasting, zijn we actief in het beïnvloeden van de politiek, of laten we de boel de boel. Dat is de keuze die Jezus van Nazareth ons vandaag voorlegt. De keus is aan ieder van ons.