Een open oor

Spreuken 23:12-21

12 Heb een open oor voor wijze woorden, een open geest voor onderricht. 13 Aarzel niet een kind te vermanen, van stokslagen gaat het niet dood. 14 Sla je het met de stok, dan red je het van het dodenrijk. 15 Mijn zoon, als je je verstand gebruikt, loopt mijn hart over van vreugde. 16 Het vervult me met blijdschap als je een bedachtzaam oordeel hebt. 17 Wees niet jaloers op zondaars, heb altijd ontzag voor de HEER. 18 Dan heb je een toekomst, je hoop gaat niet verloren. 19 Luister, mijn zoon, en word wijs, kies de juiste weg. 20 Ga niet om met dronkenlappen, blijf bij gulzigaards vandaan. (NBV21)

Als het bij de ongelovigen opvalt dan regent het vandaag weer protesten op het internet en zijn er zelfs misschien vragen in de Tweede Kamer of dit niet verboden moet worden. Want vandaag wordt op last van het Nederlands Bijbelgenootschap in tal van huisgezinnen gelezen uit een gedeelte van het boek Spreuken waarin staat dat kinderen van stokslagen echt niet doodgaan en dat je het daarom met een stok moet slaan om het te bepalen bij het onderricht en te redden van het dodenrijk.

In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn deze oproepen niet weg vertaald. We kunnen vandaag niet zeggen dat het zeventiende eeuwse dominees zijn die niet beter wisten en dit hebben opgeschreven. Maar moeten we alles doen wat hier staat? In de negentiende eeuw was er al een Bijbelcommentator die schreef dat een liefhebbend ouder dit niet over het hart zou kunnen verkrijgen, en wie echt zou willen slaan moet dus ook wel heel echt een liefhebbend ouder zijn en dus weten dat slaan toch echt heel verkeerd is.

Waar het in dit gedeelte ook om gaat is dat je niet jaloers moet worden op de sterkste. Om de jeugd in het gareel te houden is begin jaren 80 van de vorige eeuw voorgesteld om kampen voor lastige jongens de openen waar ze met een strenge discipline en veel sport opgevoed zouden worden tot keurige burgers. Dat mislukte omdat het uitdraaide op geweld, van twee kanten. Ontzag voor God betekent ontzag voor de kracht van liefde. Ondanks alles blijft die God doorgaan mensen op te roepen tot het goede omdat God die mensen liefheeft. Zo opvoeden levert zelfbewuste burgers op die opkomen tegen onrecht en de minsten liefhebben. Kunnen we vandaag mee beginnen.

 

Bedwing je gulzigheid

Spreuken 23:1-11

1 Als je bij een machtig man aan tafel zit, vergeet dan niet wie je voor je hebt. 2 Bedwing je gulzigheid, ook al houd je van een goede maaltijd. 3 Laat je niet verleiden door zijn lekkernijen, want je wordt erdoor misleid. 4 Tob jezelf niet af om rijk te worden, zet dat plan opzij.5 Want in een oogwenk is je geld verdwenen: het krijgt vleugels en vliegt weg als een arend. Ga niet aan tafel bij een gierigaard, laat je niet verleiden door zijn lekkernijen. 7 Hij is door en door berekenend. Zegt hij: ‘Tast toe,’ dan meent hij er niets van. 8 Wat hij je voorzet braak je uit, je vriendelijke woorden zijn aan hem verspild. 9 Spreek niet tegen een dwaas, hij veracht je verstandige woorden. 10 Verleg geen oude grenzen, schend de akkers van wezen niet. 11Want hun beschermer is sterk, Hij zal hun rechten tegen je verdedigen. (NBV21)

Vandaag een stevige les. Ga niet om met egoïsten. Een les die niet alleen kinderen ter harte moeten nemen. Maar omdat de opvoeding in het liefhebben van de minsten zo verschrikkelijk belangrijk is. Om het belang in het leren loslaten van eigenliefde en zelfzucht zo groot is. Dat blijkt ook uit het verdere verloop van het gedeelte dat we vandaag lezen. Als je kinderen niet leert voor een ander te zorgen, eerst voor een ander te zorgen en dan pas voor jezelf, de ander lief te hebben als jezelf, dan breek je het komende Koninkrijk van God af in plaats van het op te bouwen. Wij kijken zo graag omhoog, naar de machtigen en de rijken, vergeten daarmee de armen, de minsten.  Het is voor eenvoudige mensen een hele eer bij een bekende Nederlander of een rijke Nederlander aan tafel te zitten.

Een hele groep deftige mensen die een rijk diner hebben ziet er heel aantrekkelijk uit. Het boek Spreuken waarschuwt ons er tegen. Je vergeet zo gemakkelijk bij wie je aan tafel zit. Als het machtige en rijke mensen zijn dan zijn het vast geen mensen die de Wet van de God van Israël houden. Delen is er niet bij, anders was hun rijkdom niet zo opvallend. Daarom wordt er nog eens gewezen op de oude grenzen en de akkers van de wezen. De rijken waren volgens de profeten zij die akker aan akker voegden en de weduwe en de wees beroofden van hun middelen van bestaan. De akker van de wees is het erfdeel dat een wees toekomt om een toekomst op te bouwen. Het is de plaats die een Jood krijgt in het land Israël, zijn eigen plaats.

En zelfs als een door bezetters aangestelde Koning, die in de Keizer de Heer van de wereld zag, de opdracht geeft te gaan naar je eigen plaats om je te laten tellen door de belastinginspecteurs dan gaan de Joden naar de plaats die God hen heeft gegeven toen onder Jozua het land werd verdeeld. Die akker is het recht van de armen, elke vijftig jaar hoort de akker weer teruggegeven te worden. En het Nieuwe Testament laat in het verhaal dat Lucas vertelt over Jozef en Maria zien dat met de komst van Jezus van Nazareth dat verbond van de God van Israël voor alle volken in de wereld geldt, voor iedereen is er een plaats. Aan ons om de armen tot hun recht te laten komen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Zuiver leven

Psalm 119:9-16

9 Hoe kan wie jong is zuiver leven? Door zich te houden aan uw woord. 10 Met heel mijn hart heb ik U gezocht, laat mij niet afdwalen van uw geboden. 11 Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen, zo zal ik niet tegen U zondigen. 12 Geprezen bent U, HEER, onderwijs mij in uw wetten. 13 Mijn lippen hebben uitgesproken wat uw mond ons voorschreef. 14 Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde, meer vreugde dan rijkdom en overvloed. 15 Uw regels wil ik overdenken, het oog op uw paden gericht. 16 Ik verheug mij in uw wetten, uw woord zal ik niet vergeten. (NBV21)

Vertalingen zijn eigenlijk maar stamelende pogingen om het origineel van de boodschap weer te geven. De Naardense Bijbel vertaalt de eerste zin uit het Bijbelgedeelte van vandaag als volgt: “Bij wat houdt wie jong is zijn pad schoon?” Het antwoord is steeds hetzelfde: “Door zich te houden aan Uw woord”. De Naardense Bijbel vertaalt het echter wat actiever en actie is wat er door de Wet van de Liefde gebeurd. Niet een statisch “houden aan” maar een op weg gaan om het te laten gebeuren. Daarom kan er gezegd worden dat je het met heel je hart hebt gezocht. De vraag hoe van onze naaste te houden als van jezelf kan je voortdurend bezig houden. Dag en nacht hongeren we naar gerechtigheid staat er ergens anders. Daarom is afdwalen van de geboden ook een andere weg gaan, de weg van eerst denken aan je zelf, de weg van ikke ikke ikke en de rest kan stikken. Dat is de weg die naar de dood voert, niet de weg naar het leven.

De belofte die de Wet van Liefde in zich houdt is het leven. De Psalmdichter heeft daarbij ontdekt dat delen met je naaste meer vreugde geeft dan rijkdom en overvloed. Een onderzoek van de universiteit van Nijmegen heeft  nog aangetoond dat geld wel gelukkig kan maken maar ook jaloers. Mensen die net iets meer hadden dan hun buurman voelden zich volmaakt gelukkig, maar als je net iets minder had dan was je snel ongelukkig. Wie weet te delen met hen die niets hebben weet dat je altijd vreugde ontmoet. Iedereen die naar Afrika is geweest om armen daar iets te brengen, waterputten, eten, speelgoed voor wezen, medicijnen voor zieken, kleding voor armen, weet hoe groot de vreugde kan zijn van mensen die je daar ontvangen. Wie ooit een actie van het glazen huis heeft gevolgd die al een aantal jaren voor de kerstdagen wordt gehouden weet hoeveel vreugde er uit kan gaan van het verzinnen en uitvoeren van een actie om geld bijeen te brengen voor een goed doel.

Geld verdienen met werk is een noodzaak, maar geld bijeen brengen voor armen is een vreugde in zich. Mensen die daar hun levenswerk van kunnen maken stralen de vreugde dan ook uit. Het is de vreugde van de Wet die je tegenkomt bij het inzamelen van geld. Daarom weten collectanten ook dat je beter collecteert in een buurt met wat lagere inkomens dan in een rijke buurt. Mensen die op zich niet veel hebben weten veel beter hoe nodig het kan zijn om te delen dan mensen die veel geld hebben en eigenlijk vinden dat ze tekort gedaan worden, dat die armen maar een last zijn, een last door een overheid opgelegd.. Daarom protesteren rijke mensen ook altijd veel harder tegen belastingen en bekeuringen dan arme mensen, hoewel ze naar verhouding vaak veel minder belasting betalen en bekeuringen al helemaal wegzinken bij de grote inkomens die er te verdienen zijn. Laten we ons daarom houden bij de vreugde van de Wet en delen met onze naaste van wat we hebben.

De volmaakte weg

Psalm 119:1-8

1 Gelukkig wie de volmaakte weg gaan en leven naar de wet van de HEER, 2 gelukkig wie zijn richtlijnen volgen, Hem zoeken met heel hun hart. 3 Zij bedrijven geen onrecht, maar gaan de wegen die Hij wijst. 4 Uw regels hebt U gegeven opdat wij ons eraan houden. 5 Laat toch mijn wegen recht zijn, ik wil mij houden aan uw wetten. 6 Ik zal nooit beschaamd staan als ik uw geboden in acht neem. 7 Ik zal U loven met een oprecht hart als ik uw rechtvaardige voorschriften leer. 8 Ik zal mij houden aan uw wetten- verlaat mij dan niet voorgoed. (NBV21)

We beginnen vandaag te lezen in Psalm 119. Dat klinkt wat merkwaardig want er zijn wel 150 van die psalmen en zo af en toe lezen we weer eens een psalm. Maar Psalm 119 is de langste Psalm en een bijzondere. Er zijn uiteindelijk 22 gedeelten in deze Psalm van elk 8 verzen. In het Hebreeuws is de Psalm helemaal een bijzonder gedicht omdat elk gedeelte met een letter van het Hebreeuwse Alfabet begint en elk vers in de afdeling van die letter begint ook met die letter. De hele Psalm draait om het gebod van de liefde. Die richtlijn is zelfs zo belangrijk dat de dichter van deze Psalm wel 10 verschillende woorden gebruikt om de Wet aan te geven. De Psalm wordt wel de Psalm van de vreugde der Wet genoemd. De Joden hebben een feest dat zo heet en voor ons westerse Heidenen is de vreugde der Wet een beetje een raar begrip.

Als wij ons aan de wet moeten houden voelen we ons gelijk gedwongen, beperkt in ons gedrag. Als de politie naar een actiemiddel zoekt om druk uit te oefenen op de regering om een rechtvaardig loon af te dwingen dan worden er minder bekeuringen uitgeschreven wegens het overtreden van de wet, we hoeven het dan niet zo nauw te nemen. Er zijn ook politieke partijen die voortdurend zeuren over al die wetten waar we ons aan zouden moeten houden en de straffen die er worden opgelegd voor zelfs de kleinste overtreding. In Psalm 119 gaat het over heel iets anders. Daar gaat het niet over een Wet waar je je aan moet houden omdat je anders een straf oploopt, maar daar gaat het om een Wet die je in beweging zet, en als je niet meer beweegt dan ben je dood. Die Wet gaat dus niet van leven en levendig naar straf, opsluiting of dood, maar omgekeerd van dood naar leven. Daarom kunnen we aan die Wet vreugde ontlenen. Daarom worden de mensen die naar die Wet leven gelukkig geprezen, zij zelf bedrijven geen onrecht. Die Wet immers laat ons recht doen aan de mensen van God, aan alle mensen, zeker aan de minsten.

Denk er daarbij aan dat alle mensen kinderen van God zijn, ook de mensen die niet in de God van Abraham, Izaäk en Jakob geloven zijn kinderen van God, ook de mensen die hun God Allah noemen zijn de kinderen van de God waarover het in deze Psalm gaat. Dat recht doen aan mensen is wat de dichter van deze psalm hartstochtelijk wil. Recht doen aan mensen, al zijn het je vijanden, zal je nooit beschaamd doen staan. Je hoeft je echt niet te schamen als je met zwervers, drugsverslaafden, zieken, eenzamen, hoertjes en vreemdelingen een feestmaaltijd aanricht. Alle kinderen van God hebben immers reden tot feest nu de tijd van bevrijding van de armen is aangebroken. Die Wet begint dan ook met de bevrijding, de bevrijding van de slavernij in het land Egypte, het land van de de dood. Dat we bevrijd zijn van de slavenarbeid vieren we elke zondag en ieder die de vrije zondag wil afschaffen wil ons weer onder de slavernijdwang van consumptie en productie brengen. Dat feest van bevrijding, het feest van de Wet, mogen wij verkondigen, iedere dag van het jaar opnieuw, ook vandaag weer.

Een loflied zingen

Jakobus 5:13-20

13 Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen. 14 Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. 15 Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden. 16 Daarom: beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet. 17 Elia was een mens als wij, en nadat hij vurig had gebeden dat het niet zou regenen, is er drieënhalf jaar lang geen regen gevallen op het land. 18 Toen bad hij opnieuw, en de hemel gaf regen, en het land bracht zijn vrucht weer voort. 19 Broeders en zusters, als een van u afdwaalt van de waarheid en een ander laat hem daarheen terugkeren, 20 dan mag hij weten: wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit. (NBV21)

We geloven zo graag in wonderen. Dokters in witte jassen lukt het beter hun patiënten te genezen dan dokters in trui en spijkerbroek. Toch roept Jacobus ons in het gedeelte van vandaag op om af te zien van alle poespas en hocus pocus rond ziekte en gebrek. Medicijnmannen hebben vanouds tal van rituelen tot hun beschikking om goden te verzoeken de zieke te genezen. Niks ervan roept Jacobus. Een eenvoudige verlichting met olie, dat koelt het koortsige voorhoofd af, is meer dan voldoende. De rest moet je aan de God van Israël overlaten. Ziek in de termen van de Christelijke godsdienst is niet lichamelijk ziek maar zondig. Niet meer kijken naar de minsten, de zwaksten in je samenleving maar alleen voor jezelf zorgen, dat is ziek. Daarom begint Jacobus mensen die het moeilijk hebben op te roepen te bidden. Dan kom je vanzelf uit bij het voorbeeldgebed dat Jezus van Nazareth ons heeft geleerd.

Dat we een Vader in de hemel hebben, die we dus niet hebben te verzoeken, en dat we willen dat zijn wil op aarde geschiedt net als in de hemel, dus niet dat onze wil geschiedt. Dan weten we dat we genoeg hebben aan ons dagelijks brood, dat we willen dat onze zonden vergeven worden net als wij vergeven wie ons iets schuldig zijn, dat we niet verleid willen worden om alleen aan onszelf te denken maar dat we juist bevrijdt willen worden van het kwade en dat alle macht niet aan ons, of aan welke godheid dan ook is, maar aan de God van Israël. Zo’n gebed brengt ons weer op het juiste spoor. Dat gebed maakt ons overigens ook weer aan het zingen want het bevrijdt ons van eigenwaan en angst voor de dood. Bevrijdingspastoraat is dan ook niet de bevrijding van zogenaamde demonen die over ons geen macht hebben en voor ons al helemaal niet bestaan. Wie zoiets beweerd doet aan de afgoderij die Jacobus nu juist zo graag wilde bestrijden.

Het bidden van ons is gericht op een andere samenleving, op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Tot die tijd moeten we samen nagaan wat we zelf nog doen om die samenleving tegen te houden, samen bespreken hoe we kunnen veranderen en het werk aan dat Koninkrijk van God weer vlot kunnen trekken en vooruit kunnen brengen. Op die manier samen bidden verandert ook echt iets, ook aan onze samenleving omdat het niet bij gebed kan blijven omdat werk en gebed een eenheid dienen te vormen. Beiden zijn altijd gericht op de positie van de armen en de zwakken in onze samenleving. En iedereen die voortaan afziet van eigenbelang en angst voor de dood en zich inzet voor die andere samenleving brengt die samenleving dichterbij. Iedereen die een ander op dat spoor weet te brengen weet ook echt iets te veranderen. Daarmee besluit Jacobus zijn brief. Wij weten dat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Laat uw ja ja zijn

Jakobus 5:7-12

7 Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen. 8 Wees net zo geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen. 9 Klaag niet over elkaar, broeders en zusters, want daarmee roept u het oordeel over u af. Bedenk dat de rechter voor de deur staat. 10 Neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken. 11 Degenen die standhielden prijzen we gelukkig! U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig. 12 Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u veroordeeld worden. (NBV21)

Wie het lijden ziet dat mensen wordt aangedaan kan zich nauwelijks voorstellen dat je geduld zult willen hebben tot het vanzelf overgaat. Daar gaat het Jacobus dan ook niet om. Maar gewelddadig verzet tegen het Romeinse Rijk werd als absoluut zinloos ervaren. Niet zomaar trouwens want de vele opstanden die het jaar 70 vooraf waren gegaan waren telkens bloedig neergeslagen. Daarbij waren ook onschuldigen het slachtoffer geworden. In navolging van Jezus van Nazareth wilden de eerste Christenen dat geweld en vooral het tegengeweld van de overheid vermijden. In het jaar 70 kregen ze dubbel gelijk toen de Tempel verwoest werd en de bevolking verspreid over het Romeinse Rijk. De eerste Christenen leefden bovendien in de stellige overtuiging dat Jezus van Nazareth snel zou terugkeren en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zou meebrengen. Zo is het na al die eeuwen niet gegaan.

Maar de voorbeelden die Jacobus aandraagt kunnen ook ons inspireren. Wij kennen mensen als Ghandi en Marten Luther King die geweldloos grote veranderingen in hun samenlevingen tot stand brachten. Ook van profeten als Jesaja en Jeremia werd verteld dat zij zich hadden verzet tegen pogingen van de kleine koninkrijkjes uit hun tijd zich te verzetten tegen wereldmachten. Het verhaal van Job is misschien nog het meest duidelijk. Ondanks het feit dat hij alles kwijt raakte, tot zijn gezondheid toe, bleef hij zich verzetten tegen het idee van zijn vrienden dat hij dat aan zichzelf te wijten had. Zo zou God niet oordelen en uiteindelijk bleek hij gelijk te hebben. Ook vandaag zijn natuurrampen en ziekten niet de schuld van hen die het overkomt maar een test in liefde. Blijven we vertrouwen op de God van Israël? Steken we bij rampen en bij ziekten de hand uit naar de slachtoffers?

Het is dus goed om te leven alsof Jezus van Nazareth elke dag terug zou kunnen komen. Als wij ons bezig houden met de zorg voor de naaste, met het onze naaste lief te hebben als onszelf, dan zijn we al bezig met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, dan bereiden we daar als het ware de weg voor. Zo is het ook met de raad om geen eden meer te zweren. Als wij iets doen, iets beloven of iets beweren dan hebben we daar geen goden voor nodig, zelfs niet de God van Israël. Waar wij voor staan daar staan we voor, ons ja is ja en ons nee is nee. Betrouwbaarheid is een eigenschap van elke gelovige die de betrouwbare God van Israël wil navolgen, de God waarvan geschreven staat dat zijn hand nooit zal laten varen het werk dat hij is begonnen. Zo betrouwbaar zijn wij ook, temeer omdat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Voor u, rijken!

Jakobus 5:1-6

1 En nu iets voor u, rijken! Weeklaag en jammer om de rampspoed die over u zal komen. 2 Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten. 3 Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel het einde van de tijd nadert. 4 Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen. 5 U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd, u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd. 6 U hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord, en hij heeft zich niet tegen u verzet. (NBV21)

Vandaag een weeklacht tegen de rijken. Zij lijken wel rijk volgens Jacobus maar de rijkdom is verrot en de kleding die ze dragen, die prachtige gesneden pakken en de Haute Couture, is door mot aangevreten. Hun goud en zilver zijn verroest. En waarom dat alles? Omdat ze het loon van de maaiers in het veld hebben ingehouden. En dat onrecht, het niet rechtmatig uitbetalen van arbeiders die zich in de hitte van de dag hebben ingespannen, is volgens de Bijbel een extra groot onrecht. Juist die rijken kunnen zich zeer mooi en vroom voordoen. De ruwe knuisten van de landarbeiders kunnen niet op tegen de zalvende woorden van de rijken die nu eenmaal aanvoeren dat zij het recht hebben te profiteren van hun bezit. Zij bezitten toch de akkers? Zij nemen de beslissingen over wanneer er gezaaid zal worden, wanneer het onkruid gewied en wanneer de oogst begint. Verantwoordelijke beslissingen die hun het recht geven op een bovenmatig inkomen. Iedereen hoort de echo van dit in ons parlement.

Maar die rijken, CEO’s en zo, zaaien niet, ze wieden niet en ze oogsten niet. Ze vullen alleen hun voorraadschuren met het werk van anderen. Het was in de dagen van Jacobus al niet anders dan in onze dagen, de dagen van de bonussen en de exorbitante zelfverrijking. Ook nu zijn de verschillen in beloning tussen de top van bedrijven en de werkvloer onberedeneerbaar groot. Ook nu hoor je dezelfde smoezen van de mannen die in gesneden pakken de hele dag zitten te vergaderen en die de ruwe knuisten van de arbeiders als minderwaardig afdoen. Maar in de traditie van de God van Israël is het die God die de kant van de maaiers, de kant van de ruwe knuisten, kiest. Elke arbeider is zijn loon waardig en elke arbeider die meegeholpen heeft de oogst binnen te halen, de productie te produceren, heeft een even groot loon verdiend. Die traditie gaat terug op Mozes, die nog te maken had met een slavenvolk. Maar ook de profeten worden hier geciteerd in hun beschrijving van de Heer der hemelse machten die de verdrukten te hulp komt. Daar zouden ook de slachtoffers van het Toeslagenmisdrijf bij moeten horen.

En beschuldig de ruwe knuisten niet van geweld en diefstal. De rechtvaardige die riep om een rechtvaardig loon, die het werk neerlegde als voor dat werk niet werd betaald, verzette zich niet tegen de heersers. Ze waren er toen er gezaaid moest worden en ze zaaiden, ze waren er toen er gewied moest worden en ze gingen wieden en ze waren er toen er geoogst moest worden en ze gingen oogsten. De rijken leefden er losbandig op los en mesten zichzelf vet voor de slachttijd. Ook daar weten wij in onze dagen over mee te praten. En juist in de tijd dat we als land de broekriem moeten aanhalen mogen we vragen wiens broekriem onze regering van rijken nu eigenlijk aan het aanhalen is. In onze dagen spreken wij de maaiers die hier worden bedoeld ook wel aan als politieagenten, of zorgmedewerkers, of onderwijzenden. Wij mogen weten dat de God van Israël ons gehoord heeft en wij mogen weten dat het gerechtvaardigd is om een rechtvaardige verdeling van het inkomen in ons land te eisen. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Wie kwaadspreekt

Jakobus 4:11-17

11 Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters. Wie kwaadspreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En als u de wet veroordeelt, handelt u niet naar de wet, maar treedt u op als rechter. 12 Er is maar één wetgever en rechter: Hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u om uw naaste te veroordelen? 13 Dan iets voor u die zegt: ‘Vandaag of morgen gaan wij naar die en die stad. Daar blijven we een jaar, we zullen er handeldrijven en geld verdienen.’ 14 U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt. 15 U zou moeten zeggen: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’16 Maar u slaat een hoge toon aan en bent daar nog trots op ook. Dat soort trots is volkomen ongepast.17 Als iemand weet hoe het hoort maar er niet naar handelt, dan zondigt hij.(NBV21)

Er lijkt een tegenstrijdigheid te zitten in het gedeelte dat we vandaag lezen. Je mag geen kwaad spreken van anderen maar je mag anderen die plannen maken voor de toekomst wel veroordelen zo lijkt het. Maar zo is het niet. Mensen die het verkeerde doen zijn zelf niet per definitie slecht. Of mensen wel of niet slecht zijn dat maakt God uit zegt Jacobus. Je mag met anderen in discussie over hun gedrag, want hun gedrag is misschien soms ook wel eens je eigen gedrag. En of een bepaald gedrag slecht is hangt eigenlijk alleen af van het effect op de zwaksten en de minsten. Daarom gaat het niet aan te oordelen maar doe je het beste door je bezig te houden met wat de God van Israël van ons wil.

Wij mogen bevrijdt leven van de slavernij van de zucht naar meer, de zucht naar meer inkomen en vermogen, de zucht naar meer aanzien en uiterlijk vertoon. Elke dag krijgen we de gelegenheid eens na te gaan wat we eigenlijk kunnen missen, wat we eigenlijk kunnen delen met de minsten in deze wereld die niet hebben wat wij gemakkelijk kunnen missen. Al dat carrière maken en loopbanen uitplannen loopt voor mensen eigenlijk alleen maar uit op de dood. Niemand kan voorspellen wat morgen gedaan zal worden en of er volgende week nog geleefd zal worden. Als God het ons geeft, als het ons toevalt dan kan het misschien gebeuren, maar zelf kunnen we onze toekomst niet sturen.

Wat ons blijft is genieten van wat we hebben. En beseffen dat het meeste genot komt uit de ogen van mensen die onze hulp niet hadden verwacht. Van mensen naar wie wij onverplicht en zonder tegenprestatie een hand hadden uitgestoken. Dat is hoe onze God het ons gezegd had: “Heb uw naaste lief als uzelf” Als we dat horen dan weten we hoe het hoort, als we daar onze oren voor toestoppen weten we dat we zondigen. Maar gelukkig dat we er elke dag opnieuw naar mogen luisteren en naar mogen handelen. Want, zegt Jacobus ons, we weten niet wat er ons in de toekomst zal overkomen. Het gebed dat we van Jezus hebben geleerd vraagt ook alleen maar om ons dagelijks brood. Vandaag staan er vluchtelingen op de stoep, zoals ze in 1956 uit Hongarije kwamen. Elke keer opnieuw mogen wel helpen. Ook vandaag weer.

Trouwelozen!

Jakobus 4:1-10

1 Waar komt al die strijd, waar komen al die conflicten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren bij al uw doen en laten? 2 U verlangt naar iets, maar krijgt het niet. U bent jaloers en moordlustig, maar bereikt uw doel niet. U bekvecht en twist met elkaar. U krijgt niets omdat u niet bidt. 3 En als u bidt ontvangt u niets, omdat u verkeerd bidt: u wilt alleen uw eigen hartstochten bevredigen. 4 Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God. 5 Denk niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: ‘God heeft ons toch geen geest vol afgunst gegeven? 6 De genade die Hij schenkt is groter.’ Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij zijn genade.’ 7 Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten. 8 Kom nader tot God, dan komt Hij nader tot u. Reinig uw handen, zondaars; zuiver uw hart, weifelaars. 9 Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. 10 Verneder u voor de Heer, dan zal Hij u verheffen. (NBV21)

Zomaar een citaat uit het boek Numeri. Jacobus had herkend dat de manier waarop in de jonge gemeenten gestreden werd om de macht soms wel heel erg leek op de manier waarop in het volk Israël werd gestreden zo vlak na de uittocht uit Egypte toen het volk in de woestijn rond trok. Ook Mozes had het volk opgeroepen het leven in dienst te stellen van de God van Israël. Geen onderwerping meer aan slavernij maar vertrouwen op een God die je zal bevrijden. Maar mensen willen de baas spelen of slaaf zijn. Zo gaat dat in de wereld, als je een baas achterna loopt, of een clown die in enkele zinnen eenvoudig aan te wijzen vijanden presenteert en oplossingen lijkt te bieden voor problemen die je niet hebt maar waar je bang voor kunt zijn. Hel en verdoemenis hoor je in gemeenten preken en je geloof moet dan op angst zijn gebaseerd. Angst voor de Islam is tegenwoordig een politieke stemmentrekker, vooral van mensen die niets weten van de Islam en die vanwege die onwetendheid er bang van worden.

De genade van de God van Israël is dat je helemaal niet bang hoeft te zijn. Niet voor hel en verdoemenis, zeker niet als je voortdurend probeert de richtlijn van het heb Uw naaste lief te volgen, zeker niet als je je inzet voor de minsten en de zwaksten in de samenleving. Maar ook voor de Islam hoef je niet bang te zijn. Natuurlijk er lopen zoveel mensen uit de kerken weg dat er straks meer mensen in moskeeën lijken te zitten dan in christelijke kerken. Maar al die mensen die uit de kerken lopen nemen wel de richtlijnen van Jezus van Nazareth mee. De zorg voor elkaar, het opkomen voor de zwaksten en de minsten in de samenleving zijn nog steeds zaken die mensen ook buiten de kerken aanspreken. En daar ontmoet je de mensen uit de Islam. Want compassie, het liefhebben van de naaste is ook een gebod uit hun geloof en hun cultuur.

Als je hen vernedert, hoogmoedig bent, dan loop je een gevaar, dat loop je dus volgens Jacobus altijd als je hoogmoedig bent. Dus is de oproep van Jacobus dat als je een rechtvaardige samenleving wil hebben dan zul je het goede moeten zoeken, leven volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals we die gekregen hebben van de God van Israël, je naaste lief hebben als jezelf, het kwade moeten bestrijden door het goede te doen. Juist Jacobus legt er voortdurend de nadruk op dat alleen geloven niet genoeg is. Geloven is een werkwoord. Het zal moeten blijken uit je gedrag dat je gelooft dat er een nieuwe toekomst mogelijk is en een samenleving waar alle tranen gedroogd zijn. Als je geloofd dat die belofte waar is dan ga je er aan werken Het is de God van Israël die een dergelijke samenleving tot stand zal brengen, wij mogen er aan meewerken, elke dag weer, onbevreesd, ook vandaag weer.

Mijn hulpgeroep

Psalm 39

1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. (39:2) Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod. 3 En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg en vond geen verlichting, ik voelde steeds heviger pijn. 4 Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken: 5 ‘Geef mij weet van mijn einde, HEER, van de maat van mijn levensdagen, laat mij weten hoe vergankelijk ik ben. 6 U maakte mijn dagen een handbreed lang, mijn levensduur is niets in uw ogen, niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela 7 niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’ 8 Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op U gevestigd. 9 Bevrijd mij van al mijn zonden, bespaar mij de hoon van dwazen. 10 Ik zei niets, opende mijn mond niet, want U was het die mij dit alles aandeed. 11 Houd op mij nog langer te kwellen, ik bezwijk onder de slagen van uw hand. 12 U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde, U tast zijn schatten aan zoals een mot een kleed, niet meer dan lucht is een mens. sela 13 Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn hulpgeroep, wees niet doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik, bij U te gast zoals ook mijn voorouders waren. 14 Wend uw straffende blik van mij af, dan beleef ik nog vreugde voordat ik heenga en niet meer ben. (NBV21)

Het zal veel mensen tegenwoordig niet onbekend voorkomen. Je ziet al het streven van de mensen in je omgeving, sparen voor nieuwe elektronica, studeren voor promotie, op jacht naar nieuw genot, weer een abonnement op een film en serie aanbieder en je vraagt je af, wat voor zin heeft het. Worden al die TV films niet steeds opnieuw gemaakt? Zijn al die verhalen eigenlijk allemaal niet zo ongeveer hetzelfde maar dan door anderen vertelt? En die sportwedstrijden zijn toch ook altijd met een begin en een eind? Wat is de zin eigenlijk van het leven? Dat moet je niet hardop zeggen want dan krijg je de wind van voren. Alsof je de mensen alle amusement wil afpakken, alsof je de mensen om je heen geen pleziertje meer gunt, alsof natuurfilms en wetenschapsprogramma’s mensen niet onderwijzen en wijzer maken, alsof er niet gedroomd mag worden van avonturen en ondernemingen.

Maar die avonturen worden door de mensen niet beleefd, die ondernemingen niet ondernomen. Uiteindelijk wacht een ieder de dood. En als het leven zelfs niets nieuws brengt dan is het leven zelf al de dood. Je wordt er depressief van, in de Bijbel vragen mensen dan om het tijdstip van hun einde te kennen, al dat streven, al dat jagen en jachten naar genot het is allemaal leegte en lucht, het stelt niets voor. We zijn vreemdelingen op aarde, we zijn hier slechts te gast. Een korte tijd mogen we hier doorbrengen en dan worden we weer tot stof en zijn we vergeten. We doen wel of we belangrijke mensen uit de geschiedenis nog kennen, maar wie heeft Koning Willem I ontmoet? Wie weet waar hij verdriet om had of waar hem een plezier mee kon worden gedaan? We hebben een reeks Koningen en Koninginnen gehad, maar de secretarissen die hun afspraken maakten en zorgden dat we van hen hoorden en ze zagen kennen we niet. Al dat klatergoud uit de afgelopen twee eeuwen is lucht en leegte geweest, hoogstens aanleiding tot het opnieuw verplaatsen van lucht.

Maar helemaal op het eind spreekt de psalmdichter over de voorouders, over de straffende blik van God die afgewend moet worden. Heel langzaam lijkt een herinnering op te komen aan tijden toen het leven nog zin had. Want die voorouders waren ook vreemdelingen en bijwoners. Abraham was een zwervende Arameeër staat er geschreven. Hij verliet huis en haard om achter een God aan te zwerven. Het volk Israël, stamde van hem af maar werd als slavenvolk Egypte uitgejaagd omdat ze kans zagen onder het offer, onder de dood, van de eerstgeborene uit te komen. Diep in de woestijn kreeg dat zootje zwervers richtlijnen voor een menselijke samenleving, ondanks het feit dat ze , o zo menselijk, liever eigengemaakte goden van goud en zilver aanbaden. Die richtlijnen konden samengevat worden als heb uw naaste lief als uzelf en ze gingen geloven dat alleen het houden van dat gebod met alles wat daarbij hoorde zin zou geven aan het leven. Vandaag, in onze dagen is het niet anders. Voor zoekers naar het hogere, naar zin het leven dat het menselijke te boven gaat is nog steeds de Liefde tot de minsten, de liefde tot God, het enige zinnige antwoord. Dat blijft, dat geeft echte vreugde. Elke dag opnieuw, ook vandaag.