De hemelse roeping

Hebreeën 3:1-11

1 Daarom, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, 2 die trouw is aan wie Hem heeft aangesteld, zoals Mozes in heel Gods huis zijn taak trouw vervulde. 3 Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf. 4 Elk huis heeft een bouwer, maar God is de bouwer van alles. 5 Mozes vervulde trouw zijn taak als dienaar in heel Gods huis, om te getuigen van de woorden die God zou spreken, 6 Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, als we tenminste trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen. 7 De heilige Geest zegt immers: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, 8 wees dan niet halsstarrig, als tijdens de opstand, ten tijde van de beproeving in de woestijn, 9 waar jullie voorouders Mij op de proef stelden en tartten, al hadden ze mijn daden gezien, 10 veertig jaar lang. Daarom wekten zij mijn toorn, Ik zei: “Altijd weer dwaalt hun hart, mijn wegen kennen ze niet.” 11 En in mijn toorn heb Ik gezworen: “Nooit zullen ze mijn rust binnengaan.”’ (NBV21)

Wij hebben eigenlijk geen idee van de tijd waarin de brief aan de Hebreeën werd geschreven. Toch is dat belangrijk om te kunnen snappen wat er staat en waarom het er staat. De titel van de brief doet vermoeden dat de brief is geschreven aan een gemeente van overwegend Joden, maar de geleerden zijn het daar niet over eens. De eerste christengemeenten leefden in een religieuze wereld die wij niet kennen. Overal waren tempels waarin vele soorten goden op vele manieren werden aanbeden. Priesters en Priesteressen vervulden daar speciale riten en die moest je dan ook te vriend houden. Alleen de Joden hadden zulke tempels niet.

Maar de Joden buiten Palestina hadden ook gebouwtjes waar ze bijeen kwamen, synagogen noemden ze die. Ook daar waren voorgangers en de Joden hadden speciale kleding aan die hen onderscheidden van de anderen, ze spraken ook een eigen taal die verder niemand kon verstaan. Van buitenaf leken ze op aanhangers van een Tempel waar de rest van de bevolking weliswaar niet kwam maar die wel niet zoveel zou verschillen. Die Christenen deden het nog anders. Die kwamen bij elkaar bij iemand thuis. Rijken en armen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen. Ze onderscheiden zich niet in kleding, hielden geen optochten, hadden geen beelden of amuletten, maar hielpen de mensen in de stad die in problemen waren gekomen.

Als je aan Christenen vroeg wie hun Priester was dan vertelden ze over ene Jezus van Nazareth. De Joden herkenden daar een landgenoot in en zullen gevraagd hebben wat die Jezus van Nazareth wel niet betekende. Dan kwamen die Christenen aan met het verhaal dat we vandaag lezen. Hoe zo’n gemeenschap van Christenen leek op het volk van Israël in de woestijn. Daar waar ze ontdekt hadden hoe sterk ze op elkaar waren aangewezen, waar ze gehoord hadden dat ze hun naaste lief moesten hebben als zichzelf. En hoe die Jezus van Nazareth hen diezelfde boodschap had voorgehouden en hoe ze soms net als het volk Israel de neiging hadden daar tegen in opstand te komen. Maar die Christenen verwierpen elke vorm van geweld en wilden door Liefde voor de minsten de wereld veranderen. En dat willen we toch vandaag ook nog.

 

De nakomelingen van Abraham

Hebreeën 2:13-18

13 Zo zegt Hij ook: ‘Ik zal steeds op Hem vertrouwen,’ en verder: ‘Hier sta Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft.’ 14 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij, om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, 15 en zo allen te bevrijden die door hun angst voor de dood hun leven lang in slavernij verkeerden. 16 Het moge duidelijk zijn: Hij is niet begaan met het lot van engelen, Hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou Hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. 18 Juist omdat Hij zelf, toen Hij op de proef werd gesteld, het lijden doorstaan heeft, kan Hij ieder die beproefd wordt bijstaan.(NBV21)

We lezen in het ritme van het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap niet alleen de gemakkelijke stukken uit de Bijbel. Vandaag staat er een wat ingewikkelder stuk op het rooster. En dat komt omdat we al lang ontgroeid zijn aan de discussies uit het begin van onze jaartelling tussen Christenen, Joden, Griekse filosofen en mensen die de drie zo graag met elkaar en met andere aantrekkelijke godsdiensten en overtuigingen wilden verenigen. Die laatste kennen de geleerden nog het meest als gnostici. Deze brief aan de Hebreeën gaat de discussie niet uit de weg. In de discussie wordt in de eerste plaats aansluiting gezocht bij het Oude Testament. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de brief aan de Hebreeën is er wel heel duidelijk in.

Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen. Het gaat niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is.

Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Wet en met de God die hen de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Ook al hadden ze er in het afgelopen jaar een potje van gemaakt, God gaf hen de kans opnieuw te beginnen, steeds weer. Zo weten we door Jezus van Nazareth dat ook wij er steeds weer opnieuw mee mogen beginnen. Onze broers en onze zusters hoeven niet vergeefs te roepen over het onrecht hun aangedaan, over het geweld, de honger en de vernedering. Wij mogen ze te hulp komen met alles wat in ons is.

 

De komende wereld

Hebreeën 2:5-12

5 Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet aan engelen onderworpen. 6 Integendeel, iemand heeft ergens getuigd: ‘Wat is de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet? 7 U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; U hebt hem met eer en luister gekroond, 8 alles hebt U aan hem onderworpen.’ Doordat Hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet aan hem is onderworpen. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet; 9 wel zien we dat Jezus, die voor korte tijd lager geplaatst was dan de engelen, vanwege zijn lijden en dood met eer en luister gekroond is. Door Gods genade kwam zijn dood iedereen ten goede. 10 Want om vele kinderen in zijn luister te laten delen achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de grondlegger van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren. 11 Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong, en daarom schaamt Hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen 12 wanneer Hij zegt: ‘Ik zal uw naam bekendmaken aan mijn broeders en zusters, U loven in de kring van mijn volk.’(NBV21)

De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen. Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe. God heeft ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt.

Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen. Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen?

Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. Het gaat duidelijk niet om één klein volk maar om de gehele mensheid. Ooit was er een volk gekozen om duidelijk te maken hoe de mensheid zich te gedragen had en uit dat volk was op die manier een mens geboren die dat ook volgehouden had. Die mens mag door de hele mensheid gevolgd worden.

 

Een rechtmatige straf

Hebreeën 1:10–2:4

10 En ook: ‘In het begin hebt U, Heer, de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk van uw handen. 11 Zij zullen vergaan, maar U houdt stand, ze zullen als een gewaad verslijten, 12 als een mantel zult U ze oprollen, als een gewaad zullen ze worden verwisseld; maar U blijft dezelfde, en uw jaren zullen geen einde nemen.’ 13 Tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? 14 Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die de redding als erfenis zullen ontvangen? 1 Daarom moeten wij onze aandacht des te meer richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. 2 Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, 3 hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de grote redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord? 4 Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door overeenkomstig zijn wil steeds de heilige Geest te schenken. (NBV21)

God heeft zijn engelen niet boven zijn zoon gesteld. Engelen zijn en blijven boodschappers. De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen.Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe.

De schrijver van deze preek citeert hier Psalm 8 over de plaats van de mens. Een citaat overigens uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Want in de Hebreeuwse Bijbel staat niet “U hebt hem lager dan de engelen geplaatst” maar “U hebt hem bijna tot een God gemaakt”, in elk geval staat daar al dat God ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens heeft onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen.

Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Tora en met de God die hen de leer van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Zo mogen wij ook elke dag weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Langs velerlei wegen

Hebreeën 1:1-9

1 Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten; 2 nu, aan het einde van de tijd, heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangesteld als erfgenaam van alles wat bestaat, en door wie Hij het heelal geschapen heeft. 3 Hij straalt Gods luister uit, Hij is zijn evenbeeld, met zijn machtig woord draagt Hij alles wat bestaat. Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, 4 ver verheven boven de engelen omdat Hij een eerbiedwaardiger naam geërfd heeft dan zij. 5 Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor Hem zijn, en Hij voor Mij een zoon’? 6 En verder zegt Hij als Hij de eerstgeborene de wereld binnenleidt: ‘Laten al Gods engelen Hem aanbidden.’ 7 Over de engelen zegt God: ‘Hij maakt zijn engelen tot windvlagen, en zijn dienaren tot een vlammend vuur.’ 8 Maar tegen de Zoon zegt Hij: ‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid, en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap. 9 Gerechtigheid hebt U liefgehad en onrecht gehaat; daarom, God, heeft uw God U gezalfd met vreugdeolie, als enige uit uw kring.’ (NBV21)

Vandaag beginnen we een preek te lezen. En we doen de preek eigenlijk onrecht door die in stukjes te knippen en elke dag een stukje van die preek te lezen. Van wie die preek is weten we niet. Vroeger dacht men dat de preek van Paulus was maar dat is niet zo. Je hoeft deze preek overigens niet hardop voor te lezen om die te begrijpen want deze preek is niet voor het voorlezen gemaakt maar voor het lezen, de hele preek is zorgvuldig als een pamflet opgebouwd. De preek heeft als opschrift “Hebreeën” Dat is een andere naam voor de Joden en het betekent dat je goed op de hoogte moet zijn met de Hebreeuwse Bijbel wil je de preek begrijpen. Doel van de preek is dan ook duidelijk te maken wat de verhouding is tussen Jezus van Nazareth en alles wat in de Hebreeuwse Bijbel werd beschreven. In elke geval wordt in die Hebreeuwse Bijbel, wij noemen dat Oude Testament, beschreven dat er één God is die je mag aanbidden en dat je in elk geval geen mens moet aanbidden. Vraag is dan hoe dat zit.

Dat deze preek voor de Hebreeën in het Nieuwe Testament, de Christelijke Bijbel terecht is gekomen is niet zo vreemd. In de eerste Christelijke gemeenten werd elke week uit de Hebreeuwse Bijbel gelezen. In die verhalen herkende men het woord en het werk van de Messias, de bevrijder, de Christus. Je samen bezig houden met een preek als deze voor de Hebreeën zal veel mensen geholpen hebben bij het begrijpen van wat ze lazen. De verklaring van de Hebreeuwse Bijbel en het daaruit leren over Jezus van Nazareth was voor Christenen erg belangrijk. Denk maar aan die twee mannen die op de Paasdag naar Emmaüs liepen en onderweg uitgelegd kregen uit de Hebreeuwse Bijbel waarom de Messias moest lijden en sterven en na drie dagen uit de dood opstaan. Denk ook maar eens aan de diaken Filippus die op zijn weg naar Samaria een Moorse kamerling ontmoet die in het boek van de profeet Jesaja zit te lezen en hem vervolgens uitlegd wat daar bedoeld wordt. De kamerling laat zich uiteindelijk dopen.

In het eerste hoofdstuk dat we vandaag lezen gaat het gelijk over de betekenis van Jezus van Nazareth. Welke plaats neemt hij in onder de hemelse figuren. Over die figuren, engelen en zo, was buiten de Hebreeuwse Bijbel een hele literatuur ontstaan, het een nog fantastischer dan het andere. Maar over engelen wordt ook in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Zij brengen goddelijke boodschappen aan de mensen en zij vereren de God van Israël in zijn woonplaats. We zeggen dan de hemel maar daar wordt de bescherming mee bedoeld die God boven de aarde heeft gezet. Iets anders dan de blauwe lucht die we zien dus. Die engelen zijn dienaren van God, zoals mensen dienaren van God kunnen zijn. Maar de Messias is de Zoon van God, die zit naast de God van Israël op zijn troon. Door hem heeft de God van Israël direct tot mensen gesproken, in woord en in daad, daarmee is hij meer dan de profeten. Voor ons is die daad zeer belangrijk, het onvoorwaardelijk houden van mensen zelfs door de dood heen is voor ons na te volgen in zijn Geest. Daar mogen we elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Hij is niet hier

Matteüs 28:1-20

1 Na de sabbat, bij het ochtendgloren van de eerste dag van de week, kwam Maria van Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. 2 Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. 3 Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. 4 De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. 5 De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. 6 Hij is niet hier, Hij is immers uit de dood opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kijk, dit is de plaats waar Hij gelegen heeft. 7 En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgewekt uit de dood, en dit moeten jullie weten: Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je Hem zien.” Onthoud dat ik jullie dit gezegd heb.’ 8 Ontzet en opgetogen verlieten ze het graf; ze haastten zich om het aan zijn leerlingen te vertellen. 9 Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en aanbaden Hem. 10 Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze Mij zien.’11 Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. 12 Die kwamen bijeen met de oudsten en ze besloten de soldaten een flinke som geld te geven 13 en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” 14 En mocht dit de gouverneur ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’ 15 Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde. 16 De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd, 17 en toen ze Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding voor Hem neer, al twijfelden sommigen. 18 Jezus kwam dichterbij en zei tegen hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. 19 Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, 20 en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (NBV21)

Het had niet geholpen. Het graf was verzegeld, bewakers stonden er voor, maar het hielp niets. De aarde beefde en een geheimzinnige figuur in sneeuwwit kleed schoof de steen voor het graf vandaan en liet ze zien dat het graf leeg was. Nu is er nooit iemand uit de dood opgestaan en als je hoort dat een verzegeld graf leeg is dan hebben ze vast het lijk gestolen. Het is het woord van die vrouwen tegen het woord van de autoriteiten. Maar de vrouwen maken het in het verhaal van Matteüs nog erger, ze vertellen dat ze de Jezus zelf hebben ontmoet en hem eer hebben bewezen. De soldaten hebben het verhaal verteld aan hun opdrachtgevers. Die maakten er fake-nieuws van, tegen een forse betaling werd het verhaal van de Opstanding een verhaal over lijkroof. Het verhaal van Jezus van Nazareth is niet uitgelopen op de dood van hem, zoals onze menselijke verhalen altijd uitlopen op de dood. Op die eerste dag toen de steen voor het graf werd weggerold en ze het lege graf hadden gezien. Sinds die dagen geloven mensen dat het Koninkrijk van God, zoals dat door Jezus van Nazareth was gebracht altijd en overal kan beginnen.

Jezus had zelf laten zien dat het kon. We hebben dus twee verhalen waarin we mogen geloven. Nu had die Jezus van Nazareth steeds iets nieuws gedaan. Hij had mensen genezen, hij had zijn vriend Lazarus uit het graf geroepen. Hij had de kleine Tabitha van haar doodsbed geroepen, hij had de jongeling van Naïn teruggegeven aan zijn moeder. Zo zou het zijn in zijn Koninkrijk. Dat Koninkrijk waar alle tranen zijn gewist, waar iedereen mag meedoen, waar we allemaal genoeg te eten zullen hebben, waar we alles met elkaar kunnen delen, komt! Het is met Pasen begonnen daar bij dat lege graf in Jeruzalem. Als je tenminste bereid bent die vrouwen te geloven die er bij waren. Die in het verhaal van Matteüs dagen en nachten tegenover het graf gezeten hadden.  Het was Jezus van Nazareth die liet zien dat een gewapende opstand uit zou lopen op de dood, hij had geweigerd zijn volgelingen de strijd aan te laten gaan met de Tempelwacht die hem wilde arresteren.

Het waren de vrouwen die lieten zien dat volhouden en Zijn verhaal niet in de steek laten uiteindelijk de overwinning zal brengen. Daarom branden er in kerken Paaskaarsen. Daarom blijven die rare Christenen roepen om gerechtigheid en kijken naar de minsten in de wereld. Die boodschap van bevrijding van angst, bevrijding van armoede, bevrijding van dood gaat iedereen op de hele wereld aan. Daarom worden we zelfs vandaag nog opgeroepen om mee te doen aan de bevrijding van de armen volgens de Weg van Jezus van Nazareth. Hij is er zelf bij, ook bij ons. De dood heeft nooit niet het laatste woord. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zijn en alle leed geleden is. De apostelen moesten naar huis in Galilea, maar ze hadden les gekregen van Jezus van Nazareth en waarom die les voor zichzelf houden? Zij geloofden het verhaal van de vrouwen. Nu Jezus van Nazareth de dood had overwonnen was hij immers de sterkste op de hele aarde. En dat is hij tot op de dag van vandaag. Ook wij mogen dat verhaal van de vrouwen geloven, en uitdragen, over de hele bewoonde wereld.

 

Een lieflijk land

Psalm 16

1 Een stil gebed van David. Behoed mij, God, ik schuil bij U. 2 Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat U te boven.’ 3 Maar tot de goden in dit land, de machten die ik zo liefhad, zeg ik: 4 ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’ Ik pleng voor hen geen bloed meer, niet langer ligt hun naam op mijn lippen. 5 HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker, U houdt mijn lot in handen. 6 Een lieflijk land is voor mij uitgemeten, ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld. 7 Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft, zelfs in de nacht spreekt mijn geweten. 8 Steeds houd ik de HEER voor ogen, met Hem aan mijn zijde wankel ik niet. 9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. 10 U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. 11 U wijst mij de weg van het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde. (NBV21)

Vandaag zingen we een psalm van een bekeerling mee. Er staat wel boven dat het van David is maar in het boek van de Psalmen betekent dat meestal dat het in een bundel heeft gestaan die Liederen naar David heette. Het boek van de Psalmen is samengesteld uit verschillende van dat soort liederenbundels. Dat Koning David ooit afgoden heeft gediend wordt nergens verteld en is als Bijbels beeld ook zeer onwaarschijnlijk. Hij was immers als jonge knaap al tot Koning gezalfd door Samuel. En in de eerste verzen zingt de dichter hier dat hij de goden van dit land, de machten, heeft vereerd. Hij is wel tot de ontdekking gekomen dat als je dat doet je veel verdriet zal ondervinden. Het is het lied van een bekeerling en bekeerlingen maken het vorige geloof zwart en verheerlijken het huidige geloof. Maar het geloof in de God van Israël geeft daarvoor ook wel enige aanleiding als je de Psalm nauwkeurig leest. Want wanneer werd van gelovigen in de God van Israël gevraagd om als offer je eigen bloed te plengen.

Dat plengen is het op de grond laten vallen van druppels van het bloed. Soms werd er wijn geplengd, soms bloed van een offerdier, maar er zijn riten genoeg waarin gevraagd werd om je eigen bloed te plengen. Elia kwam op de Karmel priesters van Baäl tegen die dat deden. Bloed is volgens het geloof van Israël de drager van het leven en als je onvruchtbare aarde tot leven wilde brengen dan moest je bloed plengen. De profeten van Israël konden dit soort praktijken zeer fel veroordelen. De dichter van deze Psalm is dan ook tot de ontdekking gekomen dat er een beter en gemakkelijker geloof is. Namelijk dat in de God die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die aarde is namelijk als een lieflijk land voor de mensen uitgemeten. Zelfs al laat je die aarde een jaar rusten dan nog kun je er van eten was het oude geloof van Israël. Als het gaat om gif aan de akker toe te voegen mogen ook wij hierbij meer stil staan. Het was een land overvloeiende van melk en honing. Tenminste als je de geboden van die God van Israël wilde volgen.

De geboden om je naaste lief te hebben als je zelf en geen slaaf te worden van je arbeid en je zwoegen op die aarde. Dan mag je er op vertrouwen dat die God je zelfs niet in de steek zal laten in het dodenrijk, zelfs als het je moeilijk gaat in het leven dan kan de navolging van die God, je naaste liefhebben als je zelf, je redding zijn, van delen wordt je immers rijker. De geboden van de God van Israël wijzen altijd naar het leven, ook in onze dagen. Het altijd maar moeten jagen op dode dingen leidt tot de dood, een doods leven. We moeten ook in onze dagen zorgen geen slaaf te worden van de economische machten, de nieuwe afgoden, de nieuwe machtigen in ons land. Daar roept deze Psalm toe op en wie mee wil zingen mag dat deze dag, als de Psalm ook de komende dagen maar naklinkt en ons tot werk voor onze naaste aanzet en tot de bevrijding van de machten van winst en profijt, zodat we leven.

 

Blijf hier met Mij waken.

Matteüs 26:17-75

17 Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’ 18 Hij gaf hun de opdracht om naar een zeker persoon in de stad te gaan en hem te zeggen: ‘De meester laat u weten: “Mijn tijd is nabij; Ik wil met mijn leerlingen bij u het pesachmaal gebruiken.”’ 19 De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal. 20 Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd. 21 Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal Mij uitleveren.’ 22 Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze Hem: ‘Ik toch niet, Heer?’ 23 Hij antwoordde: ‘Hij die tegelijk met Mij iets uit de schaal nam, die zal Mij uitleveren. 24 De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ 25 Toen zei ook Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’ Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’ 26 Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’ 27 En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, 28 dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. 29 Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot de dag dat Ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’ 30 Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. 31Onderweg zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen Mij deze nacht allemaal afvallen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen van zijn kudde zullen uiteengedreven worden.” 32 Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’ 33 Petrus zei daarop tegen Hem: ‘Misschien zal iedereen U afvallen, ik nooit!’ 34 Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht, nog voor de haan gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.’ 35 Petrus zei: ‘Al zou ik met U moeten sterven, verloochenen zal ik U nooit.’ Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij. 36 Vervolgens ging Jezus met zijn leerlingen naar een plek die Getsemane genoemd werd. Hij zei: ‘Blijven jullie hier zitten, Ik ga daar bidden.’ 37 Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee. Toen Hij bedroefd en angstig begon te worden, 38 zei Hij tegen hen: ‘Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe. Blijf hier met Mij waken.’ 39 Hij liep nog een stukje verder, liet zich voorover vallen op de grond en bad: ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’ 40 Hij liep terug naar de leerlingen en zag dat ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Konden jullie niet eens één uur met Mij waken? 41 Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 42 Voor de tweede maal liep Hij bij hen vandaan en bad: ‘Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker aan Mij voorbijgaat zonder dat Ik eruit drink, laat het dan gebeuren zoals U het wilt.’ 43 Toen Hij terugkwam, zag Hij dat ze weer sliepen, want ze waren door vermoeidheid overmand. 44 Hij liet hen achter, liep opnieuw wat verder en bad voor de derde maal, met dezelfde woorden als daarvoor. 45 Daarna voegde Hij zich weer bij de leerlingen en zei: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het ogenblik is nabij waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan zondaars. 46 Sta op, laten we gaan; kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.’ 47 Nog voor Hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een grote, met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters en de oudsten van het volk was gestuurd. 48 Judas, die Hem zou uitleveren, had met hen een teken afgesproken. ‘Degene die ik kus,’ had hij gezegd, ‘die is het, die moet je gevangennemen.’ 49 Hij liep recht op Jezus af, zei: ‘Gegroet, rabbi!’ en kuste Hem. 50 Jezus zei tegen hem: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ Daarop kwamen de mannen naderbij, grepen Jezus vast en namen Hem gevangen. 51 Nu greep een van Jezus’ metgezellen naar zijn zwaard. Hij trok het, haalde uit en sloeg de dienaar van de hogepriester een oor af. 52 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. 53 Je weet toch dat Ik mijn Vader maar te hulp hoef te roepen of Hij stelt Mij onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking. 54 Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, waar staat dat het zo moet gebeuren?’ 55 Toen zei Jezus tegen de mannen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uit getrokken om Mij te arresteren, alsof Ik een misdadiger ben! Dagelijks was Ik in de tempel om onderricht te geven, en toen hebt u Me niet gevangengenomen; 56 maar dit alles gebeurt omdat de geschriften van de profeten in vervulling moeten gaan.’ Daarop lieten alle leerlingen Hem in de steek en vluchtten weg. 57 De mannen die Jezus gevangengenomen hadden, leidden Hem voor aan Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren. 58 Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester; daar ging hij tussen de knechten zitten om te zien hoe het zou aflopen. 59 De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden Jezus met behulp van een valse getuigenverklaring ter dood te veroordelen, 60 maar dat lukte hun niet; hoewel zich vele valse getuigen meldden. Ten slotte meldden er zich twee 61 die zeiden: ‘Die man heeft gezegd: “Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.”’ 62 De hogepriester stond op en vroeg Hem: ‘Geeft U geen antwoord op wat deze getuigen tegen U inbrengen?’ 63 Maar Jezus bleef zwijgen. De hogepriester zei: ‘Ik bezweer U bij de levende God: zeg ons of U de messias bent, de Zoon van God.’ 64 Jezus antwoordde: ‘U zegt het. Maar Ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel.’ 65 Hierop scheurde de hogepriester zijn kleren en hij riep uit: ‘Hij heeft God gelasterd! Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt nu zelf zijn godslastering gehoord. 66 Wat denkt u?’ Ze antwoordden: ‘Hij is schuldig en verdient de doodstraf!’ 67 Daarop spuwden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem. Anderen stompten Hem 68 en zeiden: ‘Profeteer dan maar eens voor ons, messias, wie is het die Je geslagen heeft?’ 69 Petrus zat buiten, op de binnenplaats. Er kwam een dienstmeisje naar hem toe, dat zei: ‘Jij hoorde ook bij die Jezus uit Galilea!’ 70 Maar hij ontkende dat met klem, zodat allen het konden horen: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ 71 Toen hij wegliep naar het poortgebouw, zag een ander meisje hem. Ze zei tegen de omstanders: ‘Die man hoorde bij Jezus van Nazaret!’ 72 En opnieuw ontkende hij en zwoer: ‘Echt, ik ken de man niet!’ 73 Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe, ze zeiden: ‘Jij bent wel degelijk een van hen, trouwens, je accent verraadt je.’ 74 Daarop begon hij te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet!’ En meteen kraaide er een haan. 75 Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus gezegd had: ‘Nog voor de haan gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bitter. (NBV21)

In het dagelijks leesrooster dat we hier volgen worden de verhalen van de Bijbel in stukjes geknipt. Maar soms is het goed een verhaal in zijn geheel te lezen. Vandaag lezen we verhaal dat in de kerken op Witte Donderdag wordt gelezen. In kerkelijke taal spreken ze dan over de instelling van het Avondmaal of de Eucharistie maar helemaal juist is dat niet. In het verhaal van Matteüs lezen we eerst over het feest van het Ongedesemde brood. En dat is een bijzonder en belangrijk feest in de Joodse religie. Dat feest herinnert aan de uittocht uit het dodenland Egypte. Daar had het volk in slavernij gewoond. De religie van Egypte draaide om de dood. De Pyramides zijn er nu, eeuwen na hun bouw, nog de getuigen van, net als de mummies van mensen en dieren. Die doodsreligie had voor het volk Israel wrede slavernij betekent.  In het verhaal van de bevrijding klonk het dat op een avond er een lam geslacht moest worden. Het bloed van het Lam moest aan de deurposten gesmeerd worden en ze moesten ongedesemd brood eten, matzes noemen we die tegenwoordig, waar dus geen gist in zit. Dat brood blijft lang goed en kan bijna niet bederven.

De maaltijd op die avond moest staande worden genuttigd terwijl alles wat ze mee konden en wilden nemen moest zijn ingepakt. Een laatste beker wijn kon bij dat brood worden gedronken, zodat je verkwikt en warm in de koude nacht aan de reis zou kunnen beginnen. In die nacht stierf in elk huis in Egypte de eerstgeboren zoon. Behalve in die huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten was gesmeerd.  Die maaltijd wordt nog altijd gevierd ter herinnering aan de bevrijding uit het dodenland van Egypte. Maar die bevrijding komt nu volgens Jezus van Nazareth uit zijn eigen handelen. Zoals dat brood wordt gebroken en gedeeld met iedereen aan tafel, en zoals de beker wijn rondgaat langs iedereen aan tafel zo zet hij zichzelf in, ja zo deelde hij zichzelf voor iedereen in de wereld, zo werd zijn lichaam gebroken en zijn bloed vergoten. Zover kun je gaan als je je naaste liefhebt als jezelf. Dat kan je je leven kosten. Maar juist als je niet meer met de dood te maken wilt hebben, als je onvoorwaardelijk kiest voor het leven kun je dat opbrengen. Dat gaat met zweet en tranen gepaard maar uiteindelijk bezweert Jezus de oorlog die op uitbreken staat en geeft hij zich over. Het is overigens een merkwaardig proces zoals dat over Jezus van Nazareth wordt beschreven. Het voldoet niet aan de regels die er in de Joodse Wet geschreven staan.

Het is ook geen proces dat onder invloed van Griekse of Romeinse regels zou gevoerd zijn. Het is een nachtelijk proces, duisternis alom en een duister gebeuren. Centraal staat de Hogepriester, iemand die direct financieel belang had bij de wisselaars en handelaars in de Tempel. Jezus van Nazareth had hem dus in zijn inkomen getroffen. De vraag die wordt gesteld is of Jezus van Nazareth zich zoon van God noemt. Maar wie oplet ziet dat hij zich consequent Mensenzoon noemt. Maar de Mensenzoon komt zittend aan de rechterhand van de Machtige om te oordelen. En dan blijkt het duistere van dit proces. De rechter is tegelijk aanklager en belanghebbende. Een verdediging ontbreekt. Jezus van Nazareth zou een profeet zijn, maar wordt bespot als hij niet profeteert en veroordeeld als hij dat wel doet.  Dan nog Petrus. Hij brengt zichzelf in veiligheid omdat hij ontkent Jezus gekend te hebben. Verloochenen noemen we dat en dat heeft een nare klank. Maar de Evangelist Johannes beschrijft dat hij is binnengesmokkeld door een lid van het Sanhedrin, Nicodemus bijvoorbeeld of Josef van Arimathea. Veel later zou Petrus nog eens bevestigen dat er niet aan zijn liefde voor Jezus getwijfeld hoeft te worden. Een belangrijk verhaal zo bij elkaar. Liefde voor de mensen betekent dat je jezelf opoffert, jezelf verloochent zelfs. Daarom wordt in alle kerken in de wereld die maaltijd gevierd. Want Jezus volgen is niet gemakkelijk en ligt niet voor de hand.

Een verspilling!

Matteüs 26:1-16

1 Toen Jezus deze laatste rede beëindigd had, zei Hij tegen zijn leerlingen: 2 Over twee dagen is het, zoals jullie weten, Pesach. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’ 3 Ondertussen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het huis van de hogepriester, Kajafas. 4 Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list gevangen te nemen en Hem te doden. 5 ‘Maar niet op het feest,’ zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’ 6-7 Toen Jezus in Betanië in het huis van Simon-degene die aan een huidziekte had geleden-aanlag voor de maaltijd, kwam er een vrouw naar Hem toe. Ze had een albasten flesje met zeer kostbare olie bij zich en goot die uit over zijn hoofd. 7 8 De leerlingen ergerden zich toen ze dit zagen en zeiden: ‘Wat een verspilling! 9 Die olie had immers duur verkocht kunnen worden, en dan hadden we het geld aan de armen kunnen geven.’ 10 Jezus hoorde het en zei: ‘Waarom vallen jullie deze vrouw lastig? Zij heeft iets goeds voor Mij gedaan. 11 Want de armen zijn altijd bij jullie, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn. 12 Door die olie over Mij uit te gieten, heeft ze mijn lichaam voorbereid op het graf. 13 Ik verzeker jullie: waar ook ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’14 Daarop ging een van de twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hogepriesters 15 en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?’ Ze betaalden hem dertig zilverstukken. 16 Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. (NBV21)

Het dilemma van alle machthebbers. Hoe houd je de mensen onder de duim en hoe bescherm je je eigen macht tegen mensen die niet ophouden je de waarheid voor te houden. In China dachten ze van het probleem af te zijn door de geestelijk leider van de Tibetanen, de Dalai Lama, het land uit te sturen. Dat bleek niet te helpen. De waarheid laat zich niet onderdrukken en steekt voortdurend weer de kop op net zo lang tot de waarheid heeft gewonnen. In de dagen van Jezus van Nazareth wisten de autoriteiten dat je een populair leider in elk geval niet lastig moet vallen als er een feest is, als alle mensen bij elkaar zijn. Maar het gevaar van een opstand maakt de machthebbers misschien voorzichtig, het zal ze niet afbrengen van maatregelen om de macht te behouden. Dat is in het verhaal van Jezus van Nazareth ook gebleken.

Die Jezus van Nazareth liet zich zalven met kostbare olie. Daar kreeg hij de bijnaam “Gezalfde”. Een bijnaam met een bijzondere bijklank. In de loop van de geschiedenis had het Hebreeuwse woord voor gezalfde, Messias, ook de betekenis van bevrijder gekregen. Wij kennen de Griekse vertaling beter, Christus, daar zijn de gelovigen in Jezus van Nazareth naar genoemd, de Christenen. Die Messias moest de bevrijder van de armen worden en zo moeten ook vandaag de dag de Christenen nog de bevrijders van de armen zijn. Zoals Jezus van Nazareth al opmerkte in dit verhaal, het kan dan zo hard nodig zijn een bevrijder van de armen te hebben, we hebben de armen altijd bij ons en bevrijders van de armen zijn dus altijd nodig.

Die bevrijding is niet alleen een kwestie van af en toe wat overtollig geld geven. Dat flesje olie verkopen en de opbrengst verdelen onder wat armen zou de armoede niet opheffen. Daarvoor is een ander soort samenleving nodig, een samenleving die structureel met iedereen deelt en waar iedereen aan mee kan doen. Jezus van Nazareth was niet voor niets thuis bij Simon de Melaatse, de man met huidvraat wordt tegenwoordig vertaald. Maar een man met huidvraat was ook een uitgestotene, daar bleef je ver vandaan. In die nieuwe samenleving hoort iedereen er bij, ook de mensen met enge ziekten, rare geloven of vreemde gewoonten, juist bij die mensen gaan we eten, dat is het begin van de bevrijding van de armen, het brengen van het goede nieuws.