Spoedige buit.

Jesaja 8:1-10

1 De HEER zei tegen mij: ‘Neem een groot schrijftablet en noteer daarop in leesbaar schrift: haastige roof, spoedige buit.’ 2 Als betrouwbare getuigen koos ik de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu. 3 Ik had gemeenschap met de profetes; zij werd zwanger en baarde een zoon. De HEER zei tegen mij: ‘Geef hem de naam Maher-Salal-Chas-Baz. 4 Want nog voordat de jongen vader en moeder kan zeggen, zullen de rijkdommen van Damascus en de schatten van Samaria door de koning van Assyrië worden buitgemaakt.’ 5 De HEER zei verder nog tegen mij: 6 ‘Omdat dit volk het kabbelende water van Siloach verwerpt en zijn geluk zoekt bij Resin en de zoon van Remaljahu, 7 zal de Heer de koning van Assyrië en zijn geweldige legermacht over hen uitstorten als de grote watermassa’s van de Eufraat: ze zullen zwellen en buiten hun oevers treden. 8 Ze zullen Juda binnendringen en het overspoelen, zodat het water ieder tot de lippen stijgt. Ze zullen je land over de volle breedte overvleugelen, Immanuel.’ 9 Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. 10 Smeed een plan – het zal verijdeld worden; sluit een overeenkomst – het zal nergens toe leiden. Want God is met ons.(NBV21)

Er zijn van die stukken in de Bijbel waarbij je soms drie keer moet lezen voor je één keer snapt waar het over gaat. Bij dit stukje moeten we allereerst bedenken dat namen in de Bijbel heel vaak een bijzondere betekenis hebben. Jezus bijvoorbeeld betekent God bevrijdt en dat bevrijdende van Jezus wordt in de kerken gevierd. In dit stukje uit Jesaja gaat het net andersom. Hier wordt wel de betekenis genoemd maar niet een naam die wij als naam herkennen. In het Hebreeuws is dat overigens anders. De naam die aan het kind van profeet en profetes gegeven wordt is Haastige roof, spoedige buit. Er zitten nog wel negen maanden tussen het horen van de naam door Jesaja en de geboorte van het nieuwe kind. In het nieuwe testament gaat dat bijna net zo bij Zacharias die in de Tempel de opdracht krijgt zijn zoon Johannes te noemen maar die zoon wordt pas negen maanden later geboren. Jesaja zorgt overigens voor een tweetal getuigen die de boodschap mee onderschrijven.

Het is een boodschap van God. Dat leesbare schrift is een interpretatie van de vertaler. Dat maakt het lezen van de Bijbel er niet gemakkelijker op. In het Hebreeuws staat er iets als met de schrijfstift van een man. Het moet geschreven worden op een papyrusblad dat net zo groot en goed bewerkt is als gepolijst metaal. Niks geheimzinnig dus, niks moeilijk leesbaar, maar Israël, het buurland van Juda waar Jesaja woont, is een land geworden dat voor haar vijanden gemakkelijke buit is geworden. Je hoeft er niet veel tijd aan te besteden om dit landje leeg te roven, je wordt er snel rijk van. Damascus en Samaria zijn hier twee hoofdsteden van landjes die graag met Juda samen opgetrokken waren tegen de wereldmacht Assyrië maar die zich gedwongen hadden gevoeld Jeruzalem te belegeren toen Juda dat weigerde. Jesaja voorziet dat het aangaan van heidense bondgenootschappen je eerder verzwakt dan versterkt. Die landjes zullen dan ook opgeslokt worden door Assyrië.

Jeruzalem staat in de dagen van Jesaja bekend als een bijna onneembare vesting. Ooit had David een list gebruikt om de stad in handen te krijgen maar daarna was er nooit meer iemand geweest die er in geslaagd was de stad te onderwerpen. Water speelde bij het weerstaan van een belegering een belangrijke rol. Dat water kwam van Siloach, een bron die de hele stad bevoorraadde. Maar de koning van Juda vertrouwde liever op koningen als bondgenoten, Resin en de zoon van Remaljahu. Dat betekent dat Assyrië de vrijheid neemt om ook Juda te onderwerpen. Assyrië heeft immers het water van de Eufraat waardoor het land vruchtbaar blijft en de legers gemakkelijk gevoed kunnen worden. Ook al is God met je, de betekenis van Immanuël, vertrouwen op anderen dan de God van Israël helpt niet. Afzien van geweld, regeren met liefde dat zijn de wapens die helpen. Maar mensen zoeken altijd andere wapens, wapens die tot de dood van mensen leiden. Jesaja roept hier dus eigenlijk zijn volk op anders te gaan doen dan Heidense volken, vrede in plaats van geweld, liefde in plaats van haat, daar zouden we ook vandaag wat meer op moeten durven vertrouwen.

Een reddende kracht

Lucas 1:67-80

67 Zijn vader Zacharias werd vervuld van de heilige Geest en sprak deze profetie: 68 ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, Hij heeft zich over zijn volk ontfermd en het verlost. 69 Een reddende kracht heeft Hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, 70 zoals Hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten: 71 bevrijding uit de hand van onze vijanden, uit de greep van allen die ons haten. 72 Zo toont Hij zich barmhartig jegens onze voorouders en herinnert Hij zich zijn heilig verbond: 73 de eed die Hij gezworen had aan Abraham, onze vader, 74 dat wij, bevrijd van onze vijanden en vrij van angst, Hem dienen zouden, 75 oprecht en toegewijd, ons leven lang. 76 En jij, mijn kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor Hem gereed te maken, 77 en om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden. 78 Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel zich over ons ontfermen 79 en schijnen over allen die in duisternis verkeren, in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’ 80 Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël. (NBV21)

Zacharias begint in het gedeelte van vandaag een lied te zingen. Als een profetie staat er. Daarmee verbindt de schrijver van het Lucas evangelie ook dit lied heel uitdrukkelijk met het Oude Testament. Zacharias begint dan ook zoals veel psalmen beginnen door de God van Israël te begroeten als een koning. Niet de Keizer in Rome of de Koning in Jeruzalem begroeten als een God maar de God van Israël begroeten als een Koning. Geen andere Heer is er voor deze priester dan de God van Israël. Want het volk Israël wordt bevrijd van zijn vijanden. Het kind dat zojuist geboren is is daarvan het teken. Opnieuw kan een profeet in Israël opstaan, opnieuw zal een gezalfde bevrijder, een Messias, op kunnen staan. In het Grieks heet zo’n gezalfde de Christus en later zal Jezus van Nazareth met deze titel worden aangesproken. Die belofte van een volk dat in vrijheid en vrede in een land zal wonen dat overvloeit van melk en honing, waar alle volken zich naar zullen buigen werd al aan Abraham gedaan.

Die belofte is ook te horen in de naam Elisabeth, dat betekent “God heeft gezworen”. Als in een psalm herhaalt Zacharias de oude beloften en laat merken dat ze voor hem op die dag vervuld zijn. Want zijn zoon zal genoemd worden “profeet van de allerhoogste” Zo was het gezegd in het visioen dat Zacharias in de Tempel had gekregen. Nu hebben we wel meer visioenen, we denken wel meer aan een aarde zoals die zou moeten kunnen zijn, een wereld zonder voedselcrisis, zonder oorlogen, zonder bedreiging van het klimaat, zonder honger en ziekten, zonder het ruimen van gezonde dieren in rijke landen, zonder leed en ellende voor eenvoudige mensen. Een wereld waar iedereen mee kan doen en niemand wordt uitgesloten op grond van geloof, geaardheid, afkomst, of wat dan ook. Een wereld zonder oorlog, zonder vluchtelingen. Maar is zo’n visioen louter een dagdroom, een droom die vervliegt met de wolken aan de hemel, of durven wij het met die droom aan? Durven wij het aan met een Schepper van een aarde die beantwoord aan dat visioen?

Volgens Zacharias zal de liefdevolle barmhartigheid van die God een stralend licht uit de hemel doen opgaan, zoals in het begin van de Bijbel als gezegd wordt: “God sprak, er zij licht, en er was licht”. Dat begin van de Bijbel ligt dus niet achter ons maar voor ons. Zacharias durfde het met dat visioen aan in een tijd dat de bezetting van zijn land een inktzwarte periode was. Hij durfde zijn pasgeboren zoon aan dat visioen toe te vertrouwen. Een zoon die hij pas op hoge leeftijd had gekregen en die daardoor extra kostbaar was. Meer kansen op nageslacht waren er niet. Maar ook Abraham en Sara waren oud toen Izaäk werd geboren en ook Abraham durfde zijn zoon toe te vertrouwen aan dat visioen van een aarde zonder mensenoffers. Een feest dat door de Moslims nog ieder jaar wordt gevierd. Als we de oude verhalen over de beloften van de God van Israël opnieuw vertellen, en opnieuw vertellen in onze tijd, de tijd van voedselcrisis en economische crisis, de tijd van uitsluiting en verdeling van groepen in onze samenleving, dan kunnen we niet anders dan vertellen dat ook onze samenleving zich zal moeten omkeren. Dat we samen onze voeten moeten en kunnen zetten op de weg van de vrede. Maar die weg kunnen we al vandaag opgaan.

Iedereen was verbaasd

Lucas 1:57-66

57 Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld. 58 Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar. 59 Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader. 60 Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten!’ 61 Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’ 62 Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen. 63 Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd. 64 En meteen werd zijn tong losgemaakt en zijn mond geopend, en hij begon te spreken en God te loven. 65 Alle omwonenden waren diep onder de indruk, en in heel het bergland van Judea werden deze gebeurtenissen besproken. 66 Ieder die het hoorde bleef erover nadenken en vroeg zich af: Hoe zal het verdergaan met dit kind? Want de hand van de Heer steunde hem.(NBV21)

Het is tijd voor de geboorte van het kind van Elisabet, Maria is net weer naar huis gegaan zegt het verhaal. Ook nu volgt Lucas de verhalen van het Oude Testament. De aankondiging van de geboorte is bijna letterlijk hetzelfde als het verhaal over Rebekka die twee kinderen kreeg. En ook hier gaat het immers om een nieuw begin voor het volk Israël. En natuurlijk moet de nieuwgeboren jongen besneden worden, op de achtste dag zoals de wetten van Mozes het hadden voorgeschreven. De geboorte en de opname in het volk van Israël zijn geen zaak meer van de ouders alleen. Iedereen uit de buurt bemoeit zich er mee. Iedereen uit de buurt deelt in de vreugde die de geboorte van een kind meebrengt. Als je vandaag de dag hoort over kinderen die achtergelaten zijn, te vondeling of zelfs gedood zijn vlak na de geboorte dan vraag je je wel eens af of we mensen niet al te vaak alleen laten en in hun eigen sop laten gaarkoken. De vreugde van de komst van een kind, de vreugdevolle zwangerschap die niet voor niets “in verwachting” heet, wordt soms niet of te weinig gedeeld, kan soms niet gedeeld worden omdat de zwangere wordt afgewezen of genegeerd.

Elk verhaal over een dode baby of een te vondeling gelegd kind moet ieder van ons doen afvragen of ook in onze omgeving een jonge vrouw kan voorkomen die ongemerkt zwanger is en dat alleen moet dragen. Iedere moeder kent de advent, de tijd van verwachting van nieuw leven, maar elke advent moet uit kunnen lopen op samen vreugde delen met de omgeving. Zoals Maria de vreugde van de geboorte van haar kind later in het verhaal zal delen met de herders. In het verhaal van vandaag gaat het nog om de naamgeving. Elisabet wil dat de jongen “God is een genadig gever”, Johannes, gaat heten. Maar kennelijk hoort dat niet zo. Er zijn, ook op het gebied van naamgeving, nu eenmaal gewoonten en tradities. Volgens de omgeving moet het kind naar zijn vader genoemd worden. Maar zijn vader zwijgt en het zal de bedoeling zijn dat het kind gaat spreken. Dat was aangekondigd in het visioen in de Tempel. Nu komt het er op aan of Zacharias op dat visioen durft te vertrouwen, het aandurft om ook zijn kind aan dat visioen toe te vertrouwen. En dat doet hij.

Hij erkent dat zijn vrouw terecht als eerste heeft gesproken over de naam van het kind. In die naamgeving komt het buitengewone van zwangerschap en geboorte tot uiting en de erkenning van dat buitengewone maakt dat Zacharias weer kan spreken. Dat buitengewone is het vertrouwen dat die God ook met dat kind zal meetrekken, zoals hij met Elisabet en Zacharias is meegetrokken is. De geboorte van dat kind bevestigt ook weer de naam van de God die beloofde er te zullen zijn en die er was toen zijn volk bevrijd moest worden uit de slavernij in Egypte. De bezetting door de Romeinen maakte het eens te meer nodig dat die God er ook zou zijn voor zijn volk. De geboorte van een kind, nog wel uit ouders die er eigenlijk te oud voor waren, maakt dat het vertrouwen opnieuw bevestigd wordt. Geen wonder dat mensen zich afvroegen hoe het verder zou gaan met dit kind. Ze konden weer gaan geloven aan de komst van die nieuwe aarde, waar geen angst en verdrukking meer zal zijn. Dit verhaal vertelt ons dat ook wij daar weer in mogen gaan geloven. God zal het ons ook geven dat honger en dorst zijn verdwenen van de aarde, als we er nog vandaag aan gaan werken in het vertrouwen dat zijn woord waarheid is.

Op die dag

Jesaja 7:18-25

18 Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19 Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20 Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – bij jullie alle haren van hoofd en onderlichaam afscheren en zelfs de baard. 21 Op die dag zal men een jonge koe houden en twee schapen. 22 Doordat ze ruimschoots melk geven, zal iedereen boter eten. Voor wie in het land achterblijven is er boter en honing. 23 Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24 Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren overal de weg. 25 Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.(NBV21)

Jesaja wordt in de tijd voor kerst vaak gelezen als een boek van de hoop. De hoop op een wereld waar het licht de overhand heeft en niet de duisternis. De God van Israël was immers een God die de duisternis had verdreven met het roepen dat er licht moest zijn. Die God had een begin gemaakt met het orde scheppen waar alleen nog chaos was. Zijn adem had over de wateren geblazen en na het licht ontstond de scheiding tussen licht en duisternis, tussen water en land, tussen boven en beneden. Maar we vergeten dat met de komst van het licht het duister niet is verdwenen. Er is ook dag en nacht en als tekenen daarvan zijn er zon en maan en sterren. Jesaja wijst dus niet alleen op het licht maar ook op het duister.

In de tijd waarover Jesaja schrijft zijn er twee belangrijke wereldmachten, Egypte en Assyrië. Die twee zijn voortdurend in conflict. En als twee wereldmachten in conflict zijn dan lopen kleine landjes gevaar. In onze dagen wordt de Krim bezet, zijn er burgeroorlogen in Oekraïne en Georgië, zijn de Balkanlanden bang dat wereldmacht Rusland zich weer over hen zal ontfermen. Bondgenootschappen moeten kleine landen daartegen beschermen. In de dagen van Jesaja was het onder koning Achaz niet anders. Jesaja zag in dat bondgenootschappen de kleine landen niet zullen kunnen beschermen tegen de grootmachten.

Het gedeelte van vandaag schildert dan ook hoe die kleine landen vermorzeld worden in het geweld tussen de beide wereldmachten. Israël zal worden ontdaan van alles wat naar kracht ruikt. Het haar zal geschoren worden. Dat betekent dat machtige rijkdom zoals wijngaarden zullen verdwijnen, de vijand pakt het land aan in het hart van de economie. Maar de gewone mensen, de armen, blijven gespaard. Zij hebben nog een jonge koe die melk geeft en zij weten nog honing te vinden in de wildernis. Jesaja roept daarom op niet op bondgenootschappen te vertrouwen maar te zorgen voor elkaar. Geen vreemde macht kan de zorg voor elkaar breken. En dat geldt ook nu nog. De pandemie van vandaag legt ook dat bloot. Pas als we echt voor elkaar zorgen kunnen we overleven. Laten we dat dus maar doen.

 

Boter en honing

Jesaja 7:10-17

10 De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: 11 ‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’ 12 Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ 13 Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het u niet genoeg mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14 Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen. 15 Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16 Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zoveel angst inboezemen, geheel verlaten zijn. 17 En voor u, uw volk en uw koningshuis zal de HEER een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’(NBV21)

Donder en bliksem stuurt zo’n God, met de pest slaat hij zijn volk. Koning Achaz kijkt wel uit een teken aan zijn God te vragen zoals de profeet hem voorstelt. Gij zult de Heer Uw God immers niet verzoeken, slijmt de koning. Een tekst die veel en veel later ook door Jezus van Nazareth gebruikt zal worden als hij verleidingen om absolute macht te grijpen van zich weert. Maar Jezus van Nazareth wil zich in blind vertrouwen overgeven aan zijn God, zonder zich moedwillig in gevaar te brengen, het goede doen en niet dan het goede staat bij hem voorop. Koning Achaz wil de mogelijkheden voor een politieke keuze, zijn macht als koning, in eigen hand houden. Daarom krijgt hij toch een teken van zijn God. Zijn favoriete haremdame, een jonge vrouw, is zwanger en zal een zoon krijgen.

De vertalers van de Bijbel laten vanouds de positie van deze jonge ongehuwde dame onvertaald, jammer want sommige mannen menen hier een roep tot maagdelijkheid in te zien en die Immanuel wordt dan Jezus van Nazareth en de jonge vrouw is dan Maria. Daar gaat dit verhaal dus niet over. Het gaat over het vertrouwen dat je in de God van Israël hebt. Daarom noemt men de zoon “God met ons”. Dat is de God die zich noemt “Ik zal er zijn” en in de praktijk een God is die er is zoals hij er zal zijn. Die God ontvouwt zich in wat er zal gebeuren. De jongen zal opgroeien in weelde, boter en honing zal hij eten. En dan, als hij het goede zal kiezen, ofwel de wetten van de God van Israël kan volgen, na een jaar of 12 dus, zal men iets zien wat al die koninkjes wilden voorkomen, de heerschappij van Assyrië. Die overgave aan de God van Israël is ook in onze dagen een probleem. Als je zijn Weg volgt lijkt het er op dat je armer wordt.

Je moet de hongerenden in de wereld helpen, meer concurrentie tolereren door eerlijke handelsverhoudingen toe te staan, niet bezuinigen op de allerarmsten in het land, de mensen in een bijstandsuitkering, de Wajongers, de werknemers in de sociale werkvoorziening, de mensen met alleen een AOW als inkomen. Als je zelf de macht in eigen hand wil houden en de rijken wil beschermen dan is die Weg van de God van Israël een onbegaanbare weg. Tot je inziet dat je van delen rijker wordt. Dat krampachtig je eigen belang verdedigen eerder geweld oproept dan vrede en dat geweld leidt tot verlies en verwoesting. Daarom is een kind die je noemt “God met ons” als belijdenis ook in onze dagen welkom. Dat “God met ons” staat op de rand van de Nederlandse Euro, maar het dreigt er af te vallen omdat we niet meer op die God vertrouwen. De mensen van de Weg mogen er echter elke dag weer aan werken aan zijn Koninkrijk en elke dag er weer op vertrouwen dat dat Koninkrijk onder ons zal doorbreken, ook vandaag weer.

 

Houd het hoofd koel

Jesaja 7:1-9

1 In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2 Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram zich in Efraïm had gelegerd, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3 Toen zei de HEER tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4 Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5 Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6 ‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het met angst vervullen en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7 maar dit zegt God, de HEER: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8-9 Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin; het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Trouwens, nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. Maar als jullie geen vertrouwen hebben, houden jullie geen stand.”’ (NBV21)

Dat is natuurlijk wel even schrikken. Staten die zich aaneensluiten. Een staat als Assyrië die de hele wereld in zijn zak lijkt te kunnen stoppen. En een Juda dat maar klein en zwak is en tussen Egypte en Assyrië op een strategisch aantrekkelijke plaats ligt. Voor kleine volken zit er niks anders op dan samen te smeden. En zo gaat Efraïm, dat is het Noordelijke Rijk Israël, en Aram met als Koning Rezin, samen in een verbond. Ze willen dat ook Juda zich daarbij aansluit want dan wordt die statengemeenschap sterker, maar Juda aarzelt en voelt niet voor een dergelijk riskant verbond. Dat verbond was ook niet erg sterk want ze zagen geen kans Jeruzalem in te nemen. Maar schrikken was het wel en je wordt er angstig van als je buurlanden zich aaneensluiten en tegen je optrekken. Dat zou ook in onze dagen niet anders zijn. Maar de profeet Jesaja krijgt de opdracht om zijn licht, Gods licht, te laten schijnen over deze politieke situatie.

Jesaja heeft al een zoon die een teken is van hoop in uiterste nood. Die Sear-Jasub heeft een naam die vertaald zou betekenen “een rest zal terugkeren” Nooit zal het volk dus geheel verloren gaan. Ook de plaats waar Jesaja koning Achaz tegemoet moet gaan is een plaats van hoop. Bij het bovenste waterbekken. Als daar nog water uitkomt dan is een belegering nog lang vol te houden. En daar klinkt dan de boodschap dat het slecht zal aflopen met Efraïm en Aram, ze spannen wel samen maar succes zullen ze uiteindelijk niet hebben. Het is een boodschap die steeds bij Jesaja zal doorklinken. Gebruik geen geweld, speel geen spelletjes met grootmachten, maar blijf jezelf en volg de weg van de God van Israël. Recht en gerechtigheid zijn vele malen belangrijker dan aanzien en macht. Recht en gerechtigheid maken je bovendien sterker en eigenlijk onverslaanbaar. Dat laatste drukt hij ook uit in de naam van zijn zoon.

Wat men ook met je zal doen, het volk keert terug en zal opnieuw de godsdienst van de God van Israël beoefenen. Het zijn criteria die ook vandaag de dag nog in politieke situaties toegepast kunnen worden. Brengen we vrede en verminderen we geweld of lokken we juist geweld uit? In de Golfoorlog was dit een lastig te beantwoorden vraag, eigenlijk helemaal niet te beantwoorden. Jesaja pleit voor terughoudendheid in het aangaan van bondgenootschappen. Zijn die mogelijke bondgenoten zelf uit op recht en gerechtigheid. Volgen zij de God van Israël, de God van delen, of volgen ze de goden van winst en profijt? De goden die niet de kant van de armen maar de kant van de rijken kiezen. Als je zelf aan de kant blijft staan van de zwaksten en mensen tot hun recht laat komen, bereid bent te delen van wat je hebt en recht en gerechtigheid laat gelden, dan blijf je tot de sterksten behoren. Wie daaraan mee wil doen is welkom. Maar zelf mogen we er elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

Ga naar dit volk

Jesaja 6:1-12

1 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2 Boven Hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3 Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 4 Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5 Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ 6 Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiend kooltje van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7 Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Dit heeft je lippen aangeraakt; je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ 8 Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal Ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ 9 Toen zei Hij: ‘Ga naar dit volk en profeteer het volgende tegen hen: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” 10 Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren en met hun hart niet begrijpen. Ze zullen niet naar Mij terugkeren en geen herstel vinden.’ 11 Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. 12 Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. (NBV21)

Die Koning Uzzia had wel 52 jaar geregeerd. Dat is een hele lange tijd. Zeker als het niet goed gaat in een land, tenminste goed en niet goed in de ogen van profeet. Onder deze koning immers waren de rijken, die huis na huis samenvoegden, steeds machtiger geworden. Onder deze koning was het volk op zoek gegaan naar genot om het genot zonder om anderen te denken, zonder te willen delen. Een profeet die al een hele tijd het volk oproept om zich te keren naar de leer van Mozes zoals die in de Tempel wordt bewaard, een profeet die de Tempel in Jeruzalem nog wil laten functioneren zoals die Tempel is bedoeld, een plaats om samen te komen voor maaltijden met de armen en de vreemdelingen, zal vast dromen dat nu de Koning dood is er een nieuwe tijd zal aanbreken. In een wereld vol onrecht, waar de kloof tussen arm en rijk steeds groter werd, waar rijken de dienst uitmaken en de wet kunnen verzetten in eigen voordeel, een wereld waar onrecht en corruptie heersen, is het verschil tussen de prachtige Tempel en de wereld daar buiten wel erg groot. Het zijn de engelen die op de ark zijn geplaatst die Jesaja aan het spreken brengen. In die ark liggen immers de hoofdlijnen uit de leer van Mozes opgeborgen, je zult je naaste lief hebben als jezelf.

Er zullen vast mensen geweest zijn die naar die droom van de Profeet wilden luisteren. Maar tevergeefs. De boodschap is dat nu de Koning dood is er niks zal veranderen, omdat het niet alleen om de koning gaat. Je bent misschien aangestoken door de gloed van de Tempel en haar bedoeling, je snapt best hoe de Wet van delen en rechtvaardigheid in elkaar zit. Je kan er niet genoeg over praten maar vergeefs. Het volk zal je horen maar niet volgen. Dat is het visioen dat de Profeet krijgt. Ondanks die mooie tempel met die gouden cherubijnen, met al dat Goddelijke dat zo’n verheven ruimte vult, ondanks het feit dat je zwaar onder de indruk bent van de plechtige omgeving en het plechtige van je roeping, ondanks dat alles weet je dat het volk niet zal luisteren. De dood van de Koning brengt niet het beloofde land waarin iedereen meedoet met de samenleving van je naaste liefhebben als je zelf. Jesaja krijgt de boodschap dat pas als het volk net zo gaat lijden als de armen al doen, pas als ze zelf weer slaven zijn net als de mensen die door hen worden uitgebuit, pas dan gaan de mensen het begrijpen.

En als er nog een paar mensen blijven die geen last hebben van de armoede dan nog zal het volk zich niet omkeren en een ander leven beginnen. Alles moet eerst ten onder gaan wil een nieuwe samenleving kunnen ontkiemen. Dat is pas een zwarte visie. Het volk zou inderdaad in ballingschap gaan, en terugkeren. Wij moeten hopen dat we niet hoeven te leren door terreurdaden en oorlogen dat we onze houding in de wereld moeten veranderen. Wij moeten hopen dat geweld en lijden niet nodig zullen zijn om onze politici wakker te schudden. Maar we moeten ook leren dat niet de dood van een Koning, niet de verandering van regering, niet de val van een regering en nieuwe verkiezingen, het begin zijn van een nieuwe samenleving, maar onze eigen verandering, ons eigen beginnen met liefhebben van de naaste als ons zelf. Als vluchtelingen hier niet mogen komen dan moeten we ze zelf maar gaan halen. En vervolgens dat samen doen in ons land, waardoor we de hele wereld er op kunnen aanspreken en samen doen met al die mensen op de wereld die ook op die Weg gaan. Op pad dus vandaag kan het weer, vandaag is het misschien meer nodig dan ooit..

Die wijs zijn in eigen ogen

Jesaja 5:20-30

20 Wee degenen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die het licht tot duisternis maken en het duister tot licht, die van zoet bitter maken en van bitter zoet. 21 Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen, die naar eigen oordeel verstandig zijn. 22 Wee degenen die een held zijn in het drinken van wijn, die dapper zijn bij het mengen van drank, 23 die voor een geschenk de schuldige gelijk geven en de rechtvaardige beroven van zijn recht. 24 Daarom, zoals kaf door vuur wordt verteerd en dor gras in vlammen opgaat, zo zal hun wortel verrotten en hun bloesem verwaaien als stof. Zij verwierpen het onderricht van de HEER van de hemelse machten, en verachtten de woorden van de Heilige van Israël. Juda bedreigd door de vijand 25 Daarom ontsteekt de HEER in woede tegen zijn volk, Hij heft zijn hand tegen hen op en slaat hen. De bergen beginnen te beven, de lijken liggen als vuil op straat. Maar nog is zijn woede niet bekoeld, nog is zijn hand tegen hen opgeheven. 26 Hij steekt de strijdvaan op voor verre volken, Hij fluit ze bijeen van de uiteinden der aarde, en daar komen ze, in allerijl. 27 Niemand die moe is, niemand die struikelt, geen man die dommelt of slaapt. Geen gordel zakt van de heupen, niet één sandaalriem breekt. 28 De pijlen zijn gescherpt, de bogen gespannen. De paardenhoeven vonken als vuursteen, de wagenwielen draaien als een wervelwind. 29 Hun krijgsgeschreeuw klinkt als het gebrul van een leeuwin, ze grommen als een jonge leeuw die zijn prooi grijpt en meesleurt, en niemand die redding kan bieden. 30 Op die dag zal men dat grommen horen, het zal klinken als een bulderende zee. Waar men ook kijkt: verstikkende duisternis, de zon is door wolken in duister gehuld. (NBV21)

Corrupte politici zijn het die  het kwaad laten voortwoekeren en het proberen te verbergen. Zij rekenen niet met de God van Israël die ook in onze dagen mensen roept om te waarschuwen, om het volk te laten opstaan tegen onrecht en het kwaad. En corrupte politici zien we meer en meer. In alle lagen van het openbaar bestuur. Zelfs als het onderzoek uitwijst dat een bestuurder een groot risico vormt omdat er omvangrijke belangenverstrengeling dreigt kiest een bestuursorgaan dit te negeren. Er wordt in onze dagen geklaagd over een afnemend vertrouwen in de politiek. Dat vertrouwen kan er alleen zijn als bestuurders geen zweem van corruptie, vriendjespolitiek en het najagen van eigen belang uitstralen. Jesaja geeft de armen hoop. De corruptie duurt niet altijd. De exorbitante zelfverrijking zal niet eeuwig doorgaan. Er komt een dag dat onze kinderen niet meer weten waar we eigenlijk over klaagden. De wortel van de rijken zal verrotten en hun bloesem verwaaien. Alleen als je het onderricht van de God van Israël aanvaard en woorden van die God serieus neemt blijf je een gewaardeerd lid van de samenleving en zal die waardering ook worden uitgedrukt.

De mensen die de richtlijnen van de God van Israël volgen doen dat niet voor zichzelf, doen dat niet om er rijk of machtig van worden. Maar ze doen dat om een samenleving te bouwen waar voor iedereen plaats is. Maar mensen zoeken steeds het duister op om te dat doen waarvan ze ook wel weten dat het verkeerd is, de God van Israël brengt het licht, is het licht zelf. Vers 24 begint met het woord “daarom” Er is dus een reden dat de Heer in woede ontsteekt tegen zijn volk, dat Hij zijn hand tegen hen opheft en hen slaat en dat de bergen beginnen te beven en de lijken als vuil op straat liggen. Die reden lezen we al in de verzen hiervoor. Daar wordt wee geroepen over hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die het licht tot duisternis maken en het duister tot licht, die van zoet bitter maken en van bitter zoet, die voor een geschenk de schuldige gelijk geven en de rechtvaardige beroven van zijn recht.

Dat was het onrecht dat heerste in de dagen van Jesaja. Het is heel algemeen geformuleerd, wie nu precies wat deed staat er niet bij, maar dat het niet best was is duidelijk. Vijandige volken voelen zich verleid om zich op het zwakke Israël te storten. Die algemene formuleringen kunnen we ook in onze dagen herkennen. Dat er 1 miljard bezuinigd werd op ontwikkelingssamenwerking wordt goed genoemd, dat onze handel en industrie nieuwe afzetmarkten nodig heeft en dat de honger in de wereld nog steeds toeslaat daar hoor je niet over, de wapenindustrie moet zeer dure straaljagers kunnen bouwen. Om van het tegen elkaar opzetten van bevolkingsgroepen maar te zwijgen. Natuurlijk kan dat ook in ons land leiden tot meer geweld en toestanden die we verafschuwen. Gelukkig zijn er onder ons nog voldoende mensen die de waarschuwingen van Jesaja zich ter harte nemen en die ook weet hebben van zijn woorden over de komst van het licht. Aan die komst mogen we werken, elke dag weer, ook vandaag.

 

Zich huis na huis toe-eigenen

Jesaja 5:8-19

8 Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen, die akker na akker samenvoegen, tot er voor niemand meer ruimte is en zij alleen het land bewonen. 9 Ik hoor de HEER van de hemelse machten zweren: ‘Al die huizen zullen tot puin vervallen, zelfs de grootste en mooiste worden niet meer bewoond. 10 Een uitgestrekte wijngaard levert amper wijn op, een berg zaaigoed maar één zak graan.’ 11 Wee degenen die ’s ochtends in alle vroegte naarstig op zoek gaan naar drank, die zich tot diep in de nacht door wijn laten benevelen. 12 Bij al hun drinkgelagen klinkt muziek van lier en harp, van tamboerijn en fluit. Maar voor de daden van de HEER hebben zij geen oog, wat Hij tot stand brengt zien ze niet. 13 Daarom gaat mijn volk in ballingschap – omdat het geen inzicht heeft. Hun edelen komen om van de honger, de massa versmacht van dorst. 14 Het dodenrijk opent zijn keel, het spert zijn muil wijd open. Daar verdwijnt de bloem der natie, verzinkt de massa, daar verstommen de druktemakers en feestvierders. 15 Zij worden vernederd, ze moeten buigen, wie trots was, zal de ogen neerslaan. 16 De HEER van de hemelse machten is verheven in zijn oordeel, de heilige God toont zich heilig in zijn gerechtigheid. 17 De schapen zullen grazen als op hun eigen grond, rondzwerven tussen de puinhopen van de rijken. 18 Wee degenen die de straf naar zich toe halen met de touwen van onrecht, en de zonde met de dissel van een wagen; 19 die smalen: ‘Laat de HEER opschieten en zijn werk afmaken. Wij willen het nu weleens zien. Laat de Heilige van Israël komen met zijn plan en het uitvoeren, zodat we het eindelijk weten.’ (NBV21)

Heel veel mensen geloven niet dat onze woningcrisis al in de Bijbel voorkomt. Maar hebzucht is zo oud als de wereld. De mensen die alle huizen bezitten en van wier gunst het afhangt wie er mogen wonen die lijken het hele land wel voor zichzelf te hebben. Dat was wat Jesaja in zijn dagen zag gebeuren in zijn land, dat was wat Karl Marx zag in de negentiende eeuw en dat is wat je ook in onze dagen zou kunnen zien. Het zijn de rijken voor wie alles moet wijken. Wajongers en werknemers in de sociale werkplaatsen moeten geld inleveren om de woonlastensubsidie, de hypotheekrenteaftrek, voor de rijken te betalen. Die rijken hebben het voor het zeggen en het lijkt er op dat de anderen niet meer echt in dit land wonen. Als je zo met elkaar omgaat dan veroorzaakt dat economische rampspoed.

In onze dagen wordt de post al niet meer bezorgd. In de dagen van Jesaja levert de wijngaard amper wijn op, een berg zaaigoed maar één zak graan. En begrijpelijk ook. Die rijken persen zelf niet de wijn, ze kijken wel uit en gaan niet lopen rondstampen in de wijnkuipen. Die rijken zaaien ook het graan niet uit op het land. Met de hand zaaien is zwaar werk en je loopt er van de ochtendkoude door de middaghitte tot de avondkoelte toe. Nee die rijken lopen liever over rode lopers en laten zich tot diep in de nacht door wijn benevelen. Galaconcerten te over, desnoods bouwen ze zelf een theater, zij kunnen het immers zelf ook wel betalen, maar oog voor de zwaksten in de samenleving, voor de mensen in nood, mensen die niet zelf mee kunnen komen hebben ze niet. Maar troost je, ze gaan allemaal dood.

Allemaal naar het crematorium in de Selwerderhof zong de Groninger dichter, we gaan allemaal met de neus omhoog klonk het in Limburg. Het is de God van Israël die steeds weer mensen op laat staan die roepen om recht en gerechtigheid, die aanwijzen wie het kwade goed noemen, wie het gedogen dat bevolkingsgroepen aan de kant worden gezet omdat ze anders geloven, mensen die aanwijzen wie het licht tot duisternis maken, wie tolereren dat criminelen het volk vertegenwoordigen en daarmee het duister tot licht maken, wie van zoet bitter maken onder het motto dat na het zuur het zoet moeten komen maar dat een pensioen er niet inzit omdat corrupte bankdirecteuren het geld hebben laten verdwijnen. Al die zogenaamd verstandige mensen die het o zo goed voorhebben worden hier al door Jesaja aangeklaagd. Laten we zijn voorbeeld volgen.

Het lied van mijn lief

Jesaja 5:1-7

1 Voor mijn geliefde wil ik zingen het lied van mijn lief en zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard, op een vruchtbare helling gelegen. 2 Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit en plantte een edele druivensoort. Hij bouwde er een wachttoren, hakte ook een perskuip uit. Hij verwachtte veel van zijn wijngaard, maar die bracht slechts wrange druiven voort. 3 ‘Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem, spreek recht tussen mij en mijn wijngaard. 4 Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen, wat heb ik te weinig gedaan? Ik verwachtte zoveel van mijn wijngaard, waarom bracht hij slechts wrange druiven voort? 5 Luister, ik zal jullie vertellen wat ik met mijn wijngaard ga doen: Ik ruk de doornhaag uit en breek de muur af, zodat hij vertrapt en geplunderd kan worden. 6 Ik zal hem laten verwilderen, er wordt niet meer gesnoeid, niet meer gewied, dorens en distels schieten er op. De wolken zal ik opdragen geen regen op hem te laten vallen.’ 7 Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten, de gekoesterde planten zijn de inwoners van Juda. Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, Hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting. (NBV21)

Het beroemde lied van de wijngaard van Jesaja. Dat hoort in de kerkelijke traditie bij de advent. De periode waarin de Kerk verwacht dat de bevrijder van Israël zal komen. Die komst vieren we met Kerst, maar die komst verwachten we eigenlijk nog steeds. Wat die komst zal betekenen voor de wereld weten we sinds de komst van Jezus van Nazareth. Omdat we sinds hem ook weten dat die wereld van recht en gerechtigheid ook werkelijk kan komen, dat wij recht kunnen betrachten en gerechtigheid kunnen verspreiden. Niet dat we dat uit onszelf kunnen. Zelfs in een land overvloeiende van melk en honing wisten de mensen dat niet vol te houden. Zo’n land is bedoeld om te delen. Zo’n land is bedoeld om de armen recht te doen, de zwaksten in de samenleving, de weduwe en de wees. In zo’n land kun je een samenleving opbouwen waar ook de vreemdelingen die met je meewerken een volwaardige plaats hebben en zelfs mee kunnen eten bij de heilige maaltijden ter ere van de God die je dat land heeft gegeven. Maar het volk Israël wist dat land geen vrucht te laten dragen.

Dat delen gebeurde niet en de armen werden verwaarloosd en de vreemdelingen gediscrimineerd. Geen enkele reden voor andere volken om het voorbeeld van Israël na de volgen en zich te wenden tot Jeruzalem om de God van Israël na te volgen en met hem een verbond aan te gaan. Ook in onze dagen lukt het niet om als mensen een voorbeeld te stellen dat navolging verdient. Daarom zijn de waarden en normen van recht en gerechtigheid, de Bijbelse waarden en normen, niet de waarden en normen van het verleden maar van de toekomst. Daar moet het heen, daar had het altijd al heen gemoeten, maar mensen die zeggen er in te geloven maar het niet doen kijken dan altijd liever naar het verleden. Het zijn prachtige verhalen maar niet haalbaar in onze wereld. Het Evangelisch Radicalisme klinkt wel mooi maar is luchtfietserij, zoiets als die engelen die door het luchtruim zwevend zingen van vrede op aarde en in mensen een welbehagen.

Daarom lezen we deze hoofdstukken uit het boek van de profeet Jesaja in de tijd van de advent. We mogen immers door Kerst weten dat het zal gebeuren, dat het kan, dat het geen luchtfietserij is of dagdromen zijn maar dat het de harde realiteit is van de toekomst van deze wereld. Willen we daar bij horen of lopen we daarvoor weg, dat is de vraag. Doen we mee met de mode van vandaag, de mode van ieder voor zich, of blijven we streven naar een samenleving van samen, die vruchtbaar is voor de hele bewoonde wereld. De waarschuwingen die Jesaja namens de God van Israël doorgeeft zijn ook waarschuwingen voor ons. Dat wij onze gepensioneerden laten lijden onder de diefstal door corrupte bankeigenaren, dat wij de wajongers en de wsw’ers laten betalen voor aan de woonlasten voor de mensen met de hoogste inkomens in ons land, dat wij de armen in Afrika in hun eigen sop gaar laten koken in plaats van te investeren in hun mogelijkheden voor zichzelf te zorgen en zich aan te sluiten bij een eerlijke wereldhandel. Wij zullen het anders moeten aanpakken. Gelukkig dat we daar elke dag weer opnieuw aan mogen werken, ook vandaag weer.