2 Timoteüs 3:10–4:8
10 Jij daarentegen bent mij trouw gevolgd in mijn leer, mijn levenswijze, streven, geloof, geduld, liefde en volharding, 11 en je hebt hetzelfde lijden en dezelfde vervolgingen ondergaan die mij in Antiochië, Ikonium en Lystra hebben getroffen. Ik heb ze allemaal doorstaan, de Heer heeft mij steeds weer gered. 12 Allen die vroom en in eenheid met Christus Jezus willen leven, zullen worden vervolgd. 13 Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. 14 Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren 15 en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige
geschriften, die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door geloof in Christus Jezus. 16 Alles wat de Schrift zegt is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een rechtschapen leven, 17 zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust. 1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. 3 Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoetkomen en hun naar de mond praten. 4 Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. 5 Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het evangelie doen, je dienende taak vervullen. 6 Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. 7 Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de erekrans van de gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien. (NBV21)
Alle gelovigen zullen worden vervolgd. Dat lijkt in ons land voorlopig alleen op te gaan voor Moslims. Want Moslim zijn dat mag eigenlijk niet. Niet dat de vervolgers weten wat Moslims zijn. Sommigen hebben wel eens iets gelezen over de publicaties van Islamieten uit de Middeleeuwen. Toen in Spanje de Joden met tientallen gelijk op de brandstapel werden gezet omdat ze zich niet tot het Christendom wilden bekeren, of omdat ze zich misschien wel wilden bekeren maar nu eenmaal Jood geweest waren gingen ze toch op de brandstapel. Toen heerste er kennelijk een gewelddadig klimaat tussen mensen van verschillend geloof. Maar ook in de Middeleeuwen waren alle Rooms Katholieken niet de de strenge Rooms Katholieken uit Spanje die anders gelovigen graag in de brand staken. En alle Moslims predikten ook toen al niet dat iedereen het zwaard moest opnemen om de ongelovigen het hoofd af te slaan. En om Rooms Katholieken van vandaag te vergelijken met de brandstichtende Rooms Katholieken uit de Middeleeuwen in Spanje is al even dwaas als Moslims van nu te vergelijken met de zwaardvechtende Moslims uit de Middeleeuwen. Met dat vervolgen moeten we dus voorzichtig zijn.
Er zijn ook nu in ons land mensen die alle geloven willen uitbannen. Nergens willen ze mensen tegenkomen die ergens in geloven. De kans bestaat dat als het ze lukt om de Islam uit ons land te verdrijven het Christendom het volgende geloof is dat uit de samenleving moet verdwijnen. Voor Paulus is dat een heel gewone zaak. Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen en wie opkomt voor de slachtoffers wacht dus zelf vervolging. Paulus roept daarom zijn vriend en vertegenwoordiger Timotheüs op om vol te houden. Met enige regelmaat de oude geschriften lezen die wij vandaag de dag terug kunnen vinden in de Bijbel. Toen Paulus deze brief aan Timotheüs schreef had de Bijbel nog niet haar definitieve samenstelling gekregen. Maar de eerste vijf boeken, de boeken van de profeten en de Psalmen waren zeer geliefd en werden veel gelezen. Wij hebben het gemakkelijker. Ons geloof lijkt ook achter een voordeur te passen.
Dat neemt niet weg dat nu in dit leven het Bijbelse werk voor de wereld moet worden gedaan. Dat horen mensen niet graag. Want dan moet er gedeeld worden. Dan moet je bij de inrichting van je samenleving voortdurend rekening houden met de zwaksten, met de minsten. Dan blijft het een schande als er mensen van de honger doodgaan, als kinderen lijden onder verwaarlozing, als jongeren ontsporen bij gebrek aan aandacht en opvoeding, als oorlogen maar voort blijven duren, als mensen elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Waar ook ter wereld mensen onrecht wordt aangedaan, voor gelovigen betekent het altijd dat er broeders en zusters onrecht wordt aangedaan. Dat is vervelend, dan kun je niet vroom en mooi zingen, dat schuurt en klinkt niet in harmonie met het gekerm en geschrei van de gemartelden. Dan klinken vrome praatjes over een mooie hemel hoog en ver weg ineens ontoereikend want het is heel hard nodig dat die hemel op aarde verschijnt.
De vrome verzinsels die in kerken en samenkomsten klinken zijn soms het meest dichtbij en dienen het eerst bestreden te worden. Voor christenen is geen rust en vrede weggelegd zolang de aarde onvrede en onrust kent. Geloof in Jezus Christus geeft geen oplossing van je problemen omdat de problemen van hen die ze niet kunnen oplossen ook jouw problemen worden. Zolang er armen zijn moeten de rijken worden aangesproken en moet er gezorgd worden dat mensen recht wordt gedaan. Natuurlijk komt er een dag dat de rechtvaardige rechter zal oordelen over de levenden en de doden, maar op die dag kunnen we niet wachten zolang onze broeders en zusters onrecht wordt aangedaan. Wij kunnen niet alles, in het licht van de hele bewoonde wereld kunnen we nauwelijks iets. Daarom zijn wij bij dat laatste oordeel afhankelijk van de genade van God en mogen wij God daarvoor nu al dankbaar zijn. Maar vanuit die dankbaarheid en de liefde die we hebben voor God en de naaste mogen we nu aan het werk om onze dienende taak te vervullen. Elk van ons in onze eigen plaats en onze eigen tijd, ook vandaag weer.