Hoe helder mijn ogen weer staan

1 Samuël 14:23b-35

24 De strijd zette zich voort tot voorbij Bet-Awen. Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, want Saul had de soldaten onder ede bezworen: ‘Vervloekt wie het waagt om vóór de avond iets te eten, voor ik me op mijn vijanden heb gewroken.’ Dus nam niemand ook maar iets te eten. 25 Op een gegeven moment kwamen ze in een dichtbegroeid gebied waar overal bijennesten waren. 26 Maar zelfs toen waagde niemand het zijn hand uit te steken om uit die nesten, die dropen van de honing, iets te eten te halen, zo bang waren ze voor de vervloeking. 27 Jonatan had echter niet gehoord dat zijn vader de soldaten een eed had opgelegd. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht de honing naar zijn mond. Meteen stonden zijn ogen weer helder. 28 Een van de soldaten sprak hem aan en zei: ‘Uw vader heeft ons dringend bezworen om vandaag niet te eten, ook al hebben we nog zo’n honger.’ 29 ‘Mijn vader stort het land in het ongeluk,’ zei Jonatan. ‘Kijk toch hoe helder mijn ogen weer staan nu ik wat van die honing heb geproefd. 30 Als de soldaten vandaag wel hadden gegeten van de buit die ze op de vijanden hebben veroverd, hadden ze een veel grotere overwinning op de Filistijnen kunnen behalen!’ 31 De Israëlieten dreven de Filistijnen die dag terug van Michmas tot Ajjalon. De soldaten, volkomen uitgeput, 32 stortten zich op de buit. Ze grepen geiten, schapen, koeien en kalveren, slachtten die zomaar op de grond en aten ervan terwijl het bloed er nog in zat. 33 Men vertelde Saul dat de soldaten tegen de HEER zondigden door vlees te eten waar nog bloed in zat. ‘Wat jullie doen is streng verboden!’ zei Saul. ‘Rol onmiddellijk een grote steen hierheen. 34 Ga het kamp rond en zeg tegen iedereen dat ze hun rund of schaap of geit bij mij moeten brengen en hier op deze steen moeten slachten. Daarna kunnen ze eten zonder tegen de HEER te zondigen, want dan hoeven ze geen vlees te eten waar nog bloed in zit.’ Alle soldaten brachten toen het dier dat ze bemachtigd hadden naar de steen en slachtten het daarop. 35 Zo bouwde Saul zijn eerste altaar voor de HEER. (NBV21)

Moest er gerouwd worden en gevast als teken dat ook een stukje van jezelf was gestorven? Soldaten hebben kracht nodig, zeker in een achtervolging, dan moeten ze immers harder kunnen rennen dan de achtervolgde vijand? Jonathan, hij weer, begrijpt waar de fout zit. De overwinning is door de God van Israël geschonken en niet door Israël afgedwongen. Hij wist niet van het verbod om te eten en toen hij honing tegenkwam maakte hij er dankbaar gebruik van om op krachten te komen. Daaraan merkte hij ook de fout. Omdat zijn medestrijders niet hadden gegeten raakten ze verzwakt en konden ze de vijand niet zo raken als de bedoeling was geweest. De kans op plundering door de vijand bleef bestaan. Het gaat dus altijd eerst om de mensen en zeker nooit om de eer of om hoe het er uit ziet. Dapperheid als doel brengt niemand verder. Dat mag ook in onze dagen in situaties van geweld nog wel eens bedacht worden.

Het was Koning Saul die de overwinning die de God van Israël had geschonken aan zijn zoon tot een heilige oorlog omsmeedde. Dat je tijdens een oorlog die de goedkeuring van de God van Israël heeft moet vasten staat nergens, je moet rein blijven, dus geen omgang met een vrouw en geen vlees eten waar nog bloed in zit. Dat vasten was Saul ook nooit voorgehouden. Hij had moeten wachten in Gilgal op Samuël de profeet, maar dat deed hij niet. Nu was zijn leger uitgeput aan het eind van de dag. En het was maar goed dat de Filistijnen hun etensvoorraden op de vlucht niet hadden meegenomen. Geiten, schapen, koeien en kalveren werden gegrepen, geslacht en gegeten. Alle regels over het slachten en eten van dieren waren vergeten. De honger na de zware arbeid van het oorlog voeren was te groot. Nu hoor je respect te tonen voor een dier waarvan je het leven neemt om jou in leven te houden. Dat leven zit in het bloed en dat bloed hoort dus aan God die het leven geeft. Daarom hoor je zo te slachten dat je het bloed op het altaar kunt sprenkelen.

Saul beseft dat hij weer terug moet naar de Godsdienst die hem tot koning had gemaakt. Hij maakt zelf een altaar en slacht daarop het voedsel voor zijn leger. Eindelijk erkent Saul de rol van de God van Israël in zijn oorlog voeren. Het vragen van toestemming was eigenlijk nog een farce. De regels over vasten en reinheid had Saul helemaal verkeerd begrepen en ook verkeerd toegepast. Reinheid betekent hier dat je je niet te buiten gaat en onnodig energie verspilt. Vast is juist het afzien van nieuwe energie om te ervaren hoe belangrijk het geschenk van God is dat je elke dag mag nuttigen, maar ook hoe veel je eigenlijk hebt om te delen. In een situatie van oorlog heb je alle energie nodig die voorhanden is. Dat het God is die dat ter beschikking stelt moet je nooit vergeten. God gaf ook de dieren leven dus ook de dieren verdienen de eerbied die God toekomt. Saul doet alsof hij daarvan de beschermer is, maar waarom dan slachten onder toezicht van Saul? Dat toezicht komt de priester toe. Wij laten slachten zonder elke vorm van toezicht. Wie filmt wordt bestraft. Besef dat als je dieren eet.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *