Handelingen 19:8-22
8 De volgende drie maanden ging hij regelmatig naar de synagoge, waar hij vrijmoedig met de bezoekers sprak over het koninkrijk van God en hen met zijn uiteenzettingen trachtte te overtuigen. 9 Maar toen sommigen zijn boodschap halsstarrig bleven afwijzen en de Weg bij iedereen belachelijk maakten, vertrok hij en nam de leerlingen met zich mee. Voortaan sprak hij dagelijks in de school van Tyrannus, 10 iets dat hij twee jaar bleef doen, zodat alle inwoners van Asia kennismaakten met de boodschap van de Heer, Joden zowel als Grieken. 11 Door Gods toedoen verrichtte Paulus buitengewoon grote wonderen: 12 zelfs de doeken en de werkkleren die hij gedragen had werden naar de zieken gebracht, zodat ze genazen en de kwade geesten hen verlieten. 13 Ook enkele rondtrekkende Joodse geestenbezweerders probeerden kwade geesten uit te drijven door het uitspreken van de naam van de Heer Jezus. Ze zeiden: ‘Ik bezweer je bij Jezus, die door Paulus wordt verkondigd!’ 14 Het waren de zeven zonen van Skevas, een Joodse hogepriester, die dit deden. 15 Maar de kwade geest gaf hun ten antwoord: ‘Jezus ken ik, en Paulus ook, maar wie zijn jullie?’16 De man die door de kwade geest bezeten was, sprong op hen af en ging hen met zo veel geweld te lijf dat ze naakt en gewond uit het huis wegvluchtten. 17 Alle Joodse en Griekse inwoners van Efeze hoorden van dit voorval, dat hen met diep ontzag vervulde; allen prezen en eerden de naam van de Heer Jezus. 18 Veel nieuwe gelovigen kwamen in het openbaar hun praktijken opbiechten. 19 Onder hen waren ook velen die magie hadden bedreven, maar die nu hun boekrollen verzamelden en publiekelijk verbrandden. Toen de waarde ervan werd berekend, kwam men uit op een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. 20 Zo zegevierde het woord van de Heer en vond het steeds meer gehoor. 21 Na deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om eerst nog naar Macedonië en Achaje te reizen en vervolgens naar Jeruzalem te gaan. Hij verklaarde: ‘Als ik daar ben geweest, moet ik ook een bezoek aan Rome brengen.’ 22 Hij zond twee van zijn medewerkers, Timoteüs en Erastus, naar Macedonië en bleef zelf nog enige tijd in Asia. (NBV21)
Het is geen tovenarij. Het was geen tovenarij toen Jezus van Nazareth boze geesten uitdreef en het was geen tovenarij toen Paulus en de Apostelen boze geesten uitdreven. Wat wij nu ziekten en handicaps noemen waren in de tijd van de eerste Christengemeenten boze geesten. Mensen hadden geen andere mogelijkheid tot overleven dan te bedelen en een beroep te doen op het medelijden van aardige medemensen. Christenen weigerden daar op in te gaan. Volgens Christenen konden ook zieken en gehandicapten normaal met de samenleving meedoen. Blinden konden zien, doven konden horen en lammen kunnen lopen. Je moet niet kijken naar wat mensen niet kunnen maar naar wat ze wel kunnen. Daarom kunnen zogenaamde gebedsgenezers, hier de zonen van een hogepriester, en magiërs, die mensen met die dure boeken, de boze geesten ook niet uitdrijven.
En in onze dagen? De zorg voor de zwaksten, de zieken, de gehandicapten, de bejaarden staat onder druk. We moeten nog afwachten wat de nieuwe regering gaat doen maar het ziet er niet goed uit. Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen is het devies van liberalen en Christen Democraten. Het wordt te duur om elkaar te helpen. Je rijkdom beperken om armen te helpen klinkt bij de rijken in de samenleving als een vloek. Zij hebben immers ook geen hulp nodig, ze huren het zo nodig in, dat moeten armen dan ook maar doen. Binnen de Christelijke gemeente zorgen we voor elkaar, staan we voor elkaar in, zorgen we er samen voor dat blinden kunnen zien en doven kunnen horen. Zonder dat worden ze zielige bedelaars.
Maar ook in de dagen van Paulus was het niet eenvoudig. Samen met de nieuwe gedoopten, de vroegere volgelingen van Johannes de Doper die de Weg van Jezus van Nazareth hadden leren kennen was hij een bezoeker van de Synagoge geworden. Daar immers had je moeten verwachten dat men gevoelig was voor de Wet van Heb Uw Naaste Lief als Uzelf. Dat was toch de kern van de Wet van Mozes waar men de mond vol van had. Maar soms hebben zogenaamde gelovigen meer met fraai verwoorde gebeden, enthousiast gezongen liederen en op toon in oude spraak gereciteerde teksten uit de Heilige Schrift. Naastenliefde is dan leuk voor medegelovigen maar om nu ook de hele samenleving er bij te betrekken bederft het plezier dat men samen heeft.
Het vormen van een samenleving waar de een alles over heeft voor de ander is belachelijk. Gelijkstellen van mannen en vrouwen, gelovigen en heidenen, slaven en vrijen, gezonden en gehandicapten is volstrekt buiten de bedoeling van het geloof werd er toen gezegd en hoor je vandaag de dag soms zelfs van de kansel verkondigen. Toch is de Weg van Jezus van Nazareth het opbouwen van een dergelijke wereld, een wereld ons door de God van Israël gegeven, een wereld waar we bij moeten willen horen door te doen wat er in die wereld hoort te gebeuren, tranen drogen en gevangenen bevrijden, de naakten kleden, de vreemdelingen ontvangen, de hongerigen voeden en de dorstigen te drinken geven. Elke dag opnieuw en elke dag mogen we er weer aan meedoen, ook vandaag weer.