Ze lachten Hem uit.

Matteüs 9:18-24

18 Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een vooraanstaand man naar hen toe die zich voor Hem neerwierp en zei: ‘Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.’ 19 Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen. 20 Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn mantel aan, 21 want ze dacht: Als ik alleen zijn mantel maar kan aanraken, zal ik genezen. 22 Jezus draaide zich om, en toen Hij de vrouw zag zei Hij: ‘Houd moed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered.’ En vanaf dat moment was de vrouw genezen. 23 Aangekomen bij het huis van de man zag Jezus de fluitspelers en de luid weeklagende menigte 24 en Hij zei: ‘Ga naar huis, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’ Ze lachten Hem uit. (NBV21)

Een lastig Bijbelgedeelte vandaag. Het wordt altijd heel romantisch ” het dochtertje van Jaïrus” genoemd. Dat verhaal over die vrouw met bloedverlies wordt dan als een storende factor bestempeld. Zoiets als het is toch vanzelfsprekend dat als je Jezus aanraakt je van alle kwalen genezen bent. Waarom juist dat verhaal binnen dat verhaal over dat dochtertje is binnengeslopen blijft dan buiten beschouwing. Hooguit is het een bewijs dat die Jezus een heleboel wonderen kon doen. Maar waarom lezen we dit Bijbelgedeelte dan na bijna 2000 jaar nog steeds? Heeft het toen in de krant gestaan? Was het de start van een belangrijke maatschappelijke omwenteling? Niets van dat alles en als je de Bijbel zo leest had het Nieuwe Testament zich kunnen beperken tot een verhaal over de kruisiging en de opstanding.

Er is met dit verhaal dus meer aan de hand dan het op het eerste gezicht lijkt. Het verhaal gaat over twee vrouwen en een hooggeplaatst iemand. En bloedverlies speelt een rol. Die oudste kent uiteraard de Tora en in de Tora staat dat je een vrouw tijdens haar maandelijkse bloeding niet mag aanraken. Dat ter bescherming van die vrouw. Zo wordt ze ook bevrijd van de maatschappelijke opvatting dat ze een bezit is waarmee een man zou kunnen doen wat hij wilde zonder met haar rekening te houden. Nee, die vrouw verloor een deel van haar leven en pas als ze dat had overleefd konden man en vrouw weer tot een volwaardige relatie komen. Maar wanneer weet je nu of een vrouw haar maandelijkse bloeding heeft of niet? Dat kun je als man niet weten, behalve als die vrouw je partner, je wederhelft, is. Daardoor is de gewoonte ontstaan om vrouwen niet meer aan te raken.

De regel over de bescherming van vrouwen tijdens haar maandelijks bloedverlies is ook overgenomen in de Islam. Daarom vind je daar mannen, vaak de leiders van moskee, die vrouwen geen hand willen geven. Daarmee respecteren ze vrouwen en leggen ze de nadruk op dat respect. Die vrouw die Jezus genas behoorde dus tot de onaanraakbaren. Daar had ze zich niet bij neergelegd en jarenlang was ze bezig geweest dat op te doen houden. Pas toen Jezus haar aanraking accepteerde was ze er van bevrijd. En dat dochtertje? Lucas vertelt dat ze 12 jaar en nadat Jezus haar had wakker gemaakt beval Jezus dat ze moest eten. En door niet te eten kunnen meisjes voorkomen dat ze de maandelijkse bloeding krijgen, ze eten dan niet meer. Wij hebben daar fraaie termen en mooie diagnoses voor. Maar de bedreiging door mannen die vrouwen alleen als bezit, als voorwerpen, kunnen zien is niet verdwenen. Dit verhaal zou mannen kunnen leren vrouwen meer als gelijken  te beschouwen, misschien dat er één je wederhelft is, maar ook die is nooit je bezit.

Sta op en loop

Matteüs 9:1-17

1 Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad. 2 Daar brachten een paar mensen een verlamde bij Hem op een draagbed. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Houd moed, mijn kind, uw zonden zijn u vergeven.’ 3 Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Die man slaat godslasterlijke taal uit! 4 Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten? 5 Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”? 6 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de mensen dit zagen, werden ze van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die Hij aan mensen verleent. 9 Toen Jezus van daar verderging, zag Hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en Hij zei tegen hem: ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem. 10 Toen Hij in zijn huis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met Hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. 11 De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ 12 Hij hoorde dit en gaf als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. 13 Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ 14 Daarop kwamen de leerlingen van Johannes bij Hem en vroegen: ‘Waarom vasten wij en de farizeeën wel regelmatig, en uw leerlingen niet?’ 15 Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, dan zullen ze vasten. 16 Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is. Want dan trekt de nieuwe lap de mantel kapot en wordt de scheur nog groter. 17 Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken. Anders scheuren de zakken, dan wordt de wijn verspild en gaan de zakken verloren. Maar gaat de jonge wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide behouden.’ (NBV21)

In het algemeen spreekt men graag over de wonderen die Jezus van Nazareth heeft gedaan, maar als je het op je in laat werken is het vaak veel wonderbaarlijker dat we er zelf zo weinig van bakken. Stel je nou voor dat vrienden een zieke bij je brengen. Een zieke die gelooft dat de ziekte komt door wat de ouders fout gedaan hebben, en wat de zieke zelf zoal fout heeft gedaan. Wij weten wel dat ziekte volstrekt niet komt door wat je fout gedaan hebt. Dat was wel de vraag bij de zieke die bij Jezus van Nazareth werd gebracht. Jezus van Nazareth begon gewoon met iets aardigs te zeggen, je zonden zijn je vergeven. Natuurlijk God straft niet met ziekten en kwalen en wat je fout hebt gedaan weet je zelf als eerste en pas op het einde der tijden komt ook de eindafrekening.

Een belastinggaarder, Tollenaar, staat er in de diverse vertalingen en dat woord heeft bij ons een slechte klank. Toch koesteren wij ook onze historische tolhuisjes. Belasting heffen op de goederen die langs de weg worden vervoerd is al eeuwen oud. Wat ons er van is overgebleven is de douane. Bij ons moet de douane trouwens niet zozeer geld heffen op goederen maar er ook voor zorgen dat er geen ongewenste goederen het land worden in gesmokkeld. In de dagen van Jezus werkten die tollenaars voor de Romeinse bezetter. De Joden voelden het ook als hun plicht belasting te betalen aan de Tempel, dat stond immers in de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Twee keer belasting betalen is wel een heel zware last, vooral voor mensen die niet echt veel geld hebben.

Het is niet zo vreemd dat met name de Farizeeën zich hier druk over maakten. Zij wilden dat het volk zich zo veel mogelijk zou isoleren van de buitenlanders. Daarnaast was niet alleen de Tempelbelasting voor hen belangrijk maar ook het geven van aalmoezen. Hoe meer aalmoezen je gaf hoe belangrijker je werd. Als je ook nog belasting moet betalen aan de bezetters dan wordt dat toch moeilijker. Voor Jezus bestaat die isolatie niet. Iedereen zou moeten mee kunnen doen met de samenleving zoals die door de profeten als een ideale samenleving wordt geschetst. Daarom moet je maaltijden houden met die mensen die het met de regels niet zo nauw nemen. Daarbij gaat het ook niet over aalmoezen maar om een instelling waarbij de zwakken en de minsten voorop staan in je handelen. Dat zal ook aan tollenaars en anderen duidelijk gemaakt moeten worden.

 

Hun eeuwig thuis

Psalm 49

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Luister, volken, allemaal, hoor, bewoners van de wereld, 3 mensen, kinderen van Adam, rijk en arm, iedereen. 4 Mijn mond spreekt wijze woorden, diepzinnig is wat mijn hart overpeinst, 5 ik heb een open oor voor raadselspreuken, bij het spel op de lier onthul ik een geheim. 6 Waarom zou ik vrezen in slechte tijden, als ik door uitbuiters word omringd, 7 die vertrouwen op hun vermogen en pronken met hun rijkdom? 8 Geen mens kan een ander vrijkopen, wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen. 9 De prijs van het leven is te hoog, in eeuwigheid niet op te brengen. 10 Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven, de kuil van het graf nooit zou zien. 11 Dit zien we: wijze mensen sterven, maar ook dommen en dwazen vergaan en laten hun vermogen achter. 12 Het graf is hun eeuwig thuis, hun woning van geslacht op geslacht, ook al stond er veel land op hun naam. 13 Een mens, hoe rijk ook, houdt geen stand, hij is als een dier dat wordt afgemaakt. 14 Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen, zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela 15 als schapen verblijven zij in het dodenrijk, en de dood is hun herder. In de morgen vertrappen de oprechten hun graf, hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust. 16 Maar mij zal God vrijkopen uit de macht van het dodenrijk, mij zal Hij wegnemen. sela 17 Wees niet bang als iemand rijk wordt, een groter huis heeft en meer weelde. 18 Want bij zijn dood kan hij niets meenemen, zijn weelde volgt hem niet in het graf. 19 Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven, -wie roemt je niet in je voorspoed? – 20 hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht, bij hen die nooit het licht meer zien. 21 Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook, hij is als een dier dat wordt afgemaakt. (NBV21)

Vandaag zingen we een lied dat bijna niet te vertalen was uit het Hebreeuws. Misschien ook wel omdat we de boodschap die er achter ligt bijna niet willen begrijpen. Maar het lied laat een oude wijsheid horen, namelijk dat het geen enkele zin heeft je voor jezelf uit te sloven in het leven. Het is een strijdlied tegen carrière maken, tegen het oppotten van geld en bezit. En dat oppotten, steeds maar en nog meer willen hebben dat komt altijd al overal voor. Want dit lied is al een paar eeuwen oud maar het speelt ook in onze samenleving. We vinden overigens dezelfde gedachte ook in het boek Prediker. Het lied richt zich daarom om te beginnen tot alle mensen op de hele wereld, niet alleen tot de kinderen van het volk Israël maar tot alle kinderen van Adam en dat zijn alle mensen. In het Hebreeuws wordt er nogal met woorden en klanken gespeeld in dit lied, dat is niet weer te geven in een vertaling in het Nederlands. Het was ook in de oude vertaling in het Grieks, de Septuaginta, al weggevallen. Maar de zanger zingt er zelf over, hij heeft wijsheid in raadseltjes verpakt, nu wordt hier ook wel vertaald met “raadselspreuken” waarvoor een gelijkenis wordt gezocht..

Het begin van alle wijsheid, dat is dan levenswijsheid, is overigens het volgen van de God van Israël in zijn grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf, dat wordt in deze Psalm als bekend verondersteld. Het eerste raadsel is dat de zanger niet bang is voor slechte tijden ook als alle uitbuiters die hem omringen pronken met hun rijkdom. Daar hoef je dus niet bang voor te worden. Wij zouden misschien zeggen dat je er niet tegenop hoeft te kijken en er ook niet jaloers op hoeft te worden, met minder kan het kennelijk ook. En het einde is altijd gelijk. Ieder mens sterft. En al ben je nog zo rijk je kunt niet naar God gaan met je rijkdom om je te verzekeren van een eeuwig leven, de dood onderga je allemaal, geen mens kan een ander of zichzelf daarvan vrijkopen. Zelfs een groot geloof in de God van Israël bevrijdt je niet van de dood, wijze mensen sterven, maar net zo goed dommen en dwazen. Het eeuwige tehuis van elk mens is het graf. Hoe rijk je ook bent, in dat huis kom je uiteindelijk te wonen. En dan komt de regel van de dichter dat God hem zal vrijkopen van de macht van het dodenrijk en hem zal vrijkopen.

Het heeft nogal wat misverstanden opgeleverd. Veel Christenen zien hier een verwijzing naar Jezus van Nazareth in die aan het kruis de mens vrijgekocht zou hebben van de dood. Maar ook na de opstanding van Jezus van Nazareth sterven mensen. Sterker nog, Jezus van Nazareth waarschuwde er zelf voor dat het geen zin had schuren te bouwen voor je eigen oogst want als je die schuren klaar hebt kun je ook dezelfde dag sterven in plaats van er lang en gelukkig van te leven. Dat rijk willen worden brengt uiteindelijk helemaal niks. Je kunt dus beter leven alsof je elk moment kunt sterven. Als je dan alles wat je bezit deelt wordt je veel gelukkiger want dan volg je de richtlijn van de God van Israël dat Jezus van Nazareth zou uitleggen dat als je twee mantels hebt je er beter één kunt weggeven aan iemand die er geen heeft. Zo ben je bevrijd van de macht van de dood, die heeft geen effect meer op je leven, die bepaalt niet meer wat je doet en wat je laat. Zo leven levert een betere wereld op, daar heb je zelf plezier van en je nazaten ook. Die rijkdom stelt niks voor, het leven samen met iedereen op aarde is pas rijkdom, daar mogen we ook vandaag van genieten.

Volharding en zachtmoedigheid.

1 Timoteüs 6:11-21

11 Maar jij, een dienaar van God, moet je hier verre van houden. Streef naar rechtvaardigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. 12 Strijd de goede strijd van het geloof, win het eeuwige leven waartoe je geroepen bent en waarvan je in aanwezigheid van velen zo’n krachtig getuigenis hebt afgelegd. 13 Ten overstaan van God, die alles in leven houdt, en Christus Jezus, die voor Pontius Pilatus een krachtig getuigenis heeft afgelegd, draag ik je op 14 je taak vlekkeloos en onberispelijk uit te voeren, totdat onze Heer Jezus Christus verschijnt 15 op de dag die is vastgesteld door de gelukzalige en enige heerser, de hoogste Heer en koning. 16 Hij alleen is onsterfelijk en Hij woont in een ontoegankelijk licht; geen mens heeft Hem ooit gezien of kan Hem zien. Aan Hem zij de eer en de eeuwige kracht. Amen. 17 Draag de rijken van deze wereld op niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers als rijkdom te stellen, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten. 18 En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen. 19 Zo leggen ze een stevig fundament voor de toekomst, en winnen ze het ware leven. 20 Timoteüs, waak over hetgeen je is toevertrouwd en mijd het goddeloze gepraat en de tegenstrijdigheden van wat ten onrechte kennis wordt genoemd 21 en wordt verkondigd door mensen die van het geloof zijn afgedwaald. Genade zij met jullie allen. (NBV21)

Een geweldloze verandering van de samenleving is niet eenvoudig. Zeker niet voor de rare gemeenten met hun bijzondere godsdienst in de bloeitijd van het Romeinse Rijk. Verandering van je eigen positie bereikte je door Rijk te worden, zet het geld centraal en als je geluk hebt dan stijg je in aanzien. Tegenwoordig suggereren rare voorgangers dat je materieel gewin kunt krijgen door in Jezus te gaan geloven, maar Paulus schrijft aan Timoteüs dat je op die manier niet het juiste verhaal vertelt. Wat zijn de wapens die de gemeente, en dus Timoteüs, heeft om uiteindelijk een nieuwe aarde te helpen scheppen. Het zijn rechtvaardigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. Paulus wijst daarbij op het proces van Jezus, dat moet Timoteüs voor ogen houden.

Dat verschijnen voor Pilatus is een rare verwijzing. Jezus zei daar immers niets. Zelfs toen Pilatus vroeg of Jezus zichzelf als Koning beschouwde legde hij dat terug bij Pilatus. De conclusie van dit proces was dan ook dat er niets kwaads te vinden was in die Jezus. Zo gaan we dus met de machten om, we blijven hen het goede voorhouden. Jezus had zichzelf overgeleverd en het leger dat zijn volgelingen hadden gevormd afgewezen. Ieder mens kan gedood worden, ook als die mens onschuldig is. Machthebbers proberen hun macht te behouden of te vergroten door geweld te gebruiken. Onschuldigen worden daar het slachtoffer van. En aangezien Christenen afzien van geweld en het streven maar macht en rijkdom worden zij per definitie slachtoffer van onderdrukking en stijgen dus niet in aanzien en rijkdom.

Ooit zal er een eind komen aan de geschiedenis. Dan zal blijken wat geweld en onderdrukking en wat liefde en volharding hebben opgeleverd. Ook dan zullen gelovigen niet voor zichtzelf spreken maar recht zoeken voor de slachtoffers. Het is de Heer zelf die het oordeel zal vellen. Tot die tijd kunnen we rijk zijn aan goede daden, kunnen we rijk worden in vrijgevigheid, bereid om te delen. Het gaat de gelovigen niet om andere mensen te bestrijden maar om iedereen een toekomst te geven. Daarom delen we met arme landen, samen proberen we de mogelijkheden van mensen en hun omgeving te ontwikkelen. Daarom geven we een thuis aan mensen die vluchten voor geweld, onderdrukking en armoede. Elk mens dat op die vlucht verdrinkt of omkomt doe gelovigen pijn. Ook die vluchtelingen zullen we recht moeten doen, vrijgevend en volhardend.

Onderwijs dit alles

1 Timoteüs 6:1-10

1 Wie het slavenjuk draagt, moet zijn meester hoogachten, zodat Gods naam en de leer niet worden bespot. 2 Een slaaf die een gelovige meester heeft, mag zijn meester niet zijn respect onthouden omdat ze broeders zijn. Integendeel, hij moet hem met nog meer inzet dienen, juist omdat hij met degene die van zijn diensten gebruikmaakt in geloof en liefde verbonden is. 3 Onderwijs dit alles en spoor ertoe aan. Iemand die iets anders onderwijst en niet instemt met de heilzame woorden van onze Heer Jezus Christus en de leer van ons geloof, 4 is verblind. Zo iemand begrijpt niets, maar heeft een ongezonde zucht naar geredetwist en geruzie; dat leidt tot afgunst, onenigheid, laster en kwaadaardige verdachtmakingen, 5 en tot eindeloos gekrakeel tussen mensen van wie de geest verziekt is, die van de waarheid beroofd zijn en denken dat het geloof hun geldelijk gewin brengt. 6 Maar voor wie tevreden is met wat hij heeft, is het geloof grote winst. 7 Wij hebben niets in deze wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. 8 Wij hebben voedsel en kleren, laten we daar tevreden mee zijn. 9 Wie rijk wil worden, staat bloot aan verleiding, raakt in een valstrik en valt ten prooi aan allerlei dwaze en schadelijke begeerten die een mens in het verderf storten en ten onder doen gaan. 10 Want de wortel van alle kwaad is geldzucht. Door zich daaraan over te geven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben ze zichzelf veel leed berokkend. (NBV21)

Vooroordelen ingegeven door angst zijn zeer hardnekkig. Er is zelfs een kerkgenootschap dat volgens de vooroordelen gebouwd is op het misbruik van minderjarige kinderen. Alle pogingen van de leiding van dit kerkgenootschap om dit vooroordeel te bestrijden of te voorkomen door het misbruik te ontkennen maakten het vooroordeel alleen maar sterker. Het zal ook nog wel even duren of een dergelijk kerkgenootschap in de publieke opinie als een bron van medemenselijkheid wordt gezien, waar voor zieken gezorgd wordt, waar gevangenen bezocht worden, waar wordt opgekomen voor mensenrechten en waar eventuele misstanden open en eerlijk worden bestreden. Paulus zit met een vergelijkbaar probleem. De Romeinen en hun bondgenoten waar extreem bang voor een slavenopstand.

Die rare mensen van de weg zoals ze werden genoemd geloofden dat hun leider, de stichter van hun beweging een bekende slavendood zou hebben overwonnen en zijn kruisiging pas de beweging echt gesticht had. Je moet er toch niet aan denken dat al die slaven zouden gaan denken dat de slavenhouders niet meer in staat zouden zijn hen blijvend te doden maar dat ze weer uit de dood zouden opstaan. Dat dit verhaal toch iets anders in elkaar zat is moeilijk aan ongelovigen uit te leggen. Paulus kiest twee middelen om aan te tonen dat het niet gaat om geweld en het veroveren van bezit. In de eerste plaats moeten slaven proberen vrienden te worden van de slavenhouders. Slavenhouders die zelf behoren tot de beweging van de Weg kunnen daarbij zeer behulpzaam zijn. Predikers van geweld tegen de Romeinen,

Zeloten en andere predikers, moeten in de gemeente zeer worden bestreden. Binnen de gemeente is het onderscheid tussen slaven en vrijen weggevallen. Slaven konden soms rijk worden maar dat waren uitzonderingen. Aan de gemeente draagt Paulus daarom op om duidelijk te maken dat materieel bezit als wortel van kwaad wordt gezien. Delen staat daarbij voorop. Rond de herdenking van ons eigen verleden waar het houden van slaven gewoon was mogen we ons binnen de kerken afvragen hoe wij omgegaan zijn met het verhaal van Paulus. Werden wij vrienden van onze slaven? Waren wij bereid onze rijkdom met slaven te delen? Of riepen we alleen maar dat slaven hun meesters gehoorzaam moeten zijn en hield het daarmee op.

 

Zijn loon

1 Timoteüs 5:17-25

17 Oudsten die goed leiding geven moeten dubbel worden beloond, vooral degenen die zich veel moeite geven voor de prediking en het onderricht. 18 De Schrift zegt immers: ‘U mag een dorsend rund niet muilkorven’ en ‘De arbeider is zijn loon waard.’ 19 Geef alleen gehoor aan een aanklacht tegen een oudste als die bevestigd wordt door ten minste twee getuigen. 20 Degenen die zondigen moet je in aanwezigheid van alle anderen terechtwijzen, zodat ook zij gewaarschuwd zijn. 21 Ten overstaan van God, Christus Jezus en de uitverkoren engelen roep ik je dringend op dit alles onbevooroordeeld en zonder enige partijdigheid in acht te nemen. 22 Leg iemand niet te snel de handen op, maak jezelf niet medeverantwoordelijk voor zijn zonden, zorg ervoor dat je rein blijft. 23 Drink niet alleen maar water, doe er vanwege je zwakke maag en je andere kwalen wat wijn bij. 24 Van sommige mensen zijn de zonden zo overduidelijk dat ze voor hen uit snellen naar het oordeel; bij anderen komen ze pas achteraf aan het licht. 25 Zo zijn ook goede daden duidelijk zichtbaar; en wanneer ze dat niet zijn, blijven ze niet voor altijd verborgen. (NBV21)

In elke gemeente, in elke vereniging ook, moeten er mensen zijn die van alles regelen. Waar komen we bij elkaar, wie mogen er komen, wie komen er ineens niet, wat eten we en is er voldoende? Met name in de Christelijke gemeente zijn die mensen van extra belang. In de gemeenten die Paulus had gesticht zijn zij ook het voorbeeld voor de nieuwe gelovigen die zeer moeten wennen aan een radicaal andere manier van met elkaar om gaan. De mannen en vrouwen in de leiding van de gemeente zijn vrijgesteld van arbeid, daar komen ze ook niet echt meer aan toe. Maar dubbel beloond? Wat wordt daar nu weer mee bedoeld. Paulus grijpt terug op de Tora, daar werd de erfenis geregeld. Als er drie zonen waren dan werd de erfenis in vieren gedeeld. De oudste kreeg twee delen en de andere twee elk één deel.

Zo kon de familieakker in de familie blijven en het bedrijf worden voortgezet. Paulus haalt nog twee spreekwoorden aan die bevestigen dat het niet ongewoon is dat je meedeelt van de opbrengst van het werk dat je doet. In onze dagen speelt die discussie rond het stagelopen. Een stagiaire in een bedrijf moet veel leren maar naar mate die meer leert produceert die ook meer voor het bedrijf. Een stagevergoeding is dan ook zeer op haar plaats. Maar de hoge bomen vangen ook veel wind. Roddel en achterklap zijn de kankercellen binnen elke organisatie. Als een minister wat horkerig gedrag vertoont is dat een mooie aanleiding om te zorgen dat hij zijn idealen niet kan verwezenlijken en dat alles bij het oude blijft. In de Evangeliën schrijft Jezus een uitgebreide procedure voor die een zich afwijkend gedragen gemeentelid weer in het rechte spoor moet brengen. Eerst onderzoek, eerst een poging tot herstel en pas als uiterste een publiekelijke veroordeling. paulus sluit hier bij aan.

Natuurlijk moet je bij het kiezen van de regelaars, predikers en zorgers zorgvuldig zijn. In de gemeente worden mensen niet gekozen op basis van populariteit ongeacht wat ze verder nog doen. Het gaat om de kwaliteiten van mensen die ten dienste worden gesteld van hen die die kwaliteiten ontbreken. Elders vergelijkt Paulus het met een lichaan. Het oog kan niet zonder de voet, de arm niet zonder de hand. Voor een ieder is een plaats in de gemeente en iedereen is nodig. Er zijn ook geen verborgen leiders, die door roddel en achterklap hun gelijk proberen te halen maar leidenden worden in het openbaar aangesteld door middel van handoplegging. De eeuwen zijn voorbijgegaan sinds Paulus aan zijn leerling Timoteüs schreef hoe om te gaan met de gemeente van Efeze. Bij ons zijn de gemeenten versplinterd en als men elkaar weer gaat herkennen als gelovigen dan versplinterd het verder. Hoe met elkaar om te gaan in een gemeente is niet veranderd. Samen probeer je dag in dag uit het goede uit te stralen, liefde voor de minsten.

Als weduwe

1 Timoteüs 5:1-16

1 Ga niet tekeer tegen een oude man. Als je hem vermaant, beschouw hem dan als een vader, zoals je jonge mannen als broers moet zien, 2 oude vrouwen als moeders en jonge vrouwen als zussen-en dit in alle zuiverheid. 3 Ondersteun weduwen die alleen staan. 4 Maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, is het allereerst hún plicht om de zorg voor hun familie op zich te nemen. Zo betalen ze hun voorouders terug, en dat is God welgevallig. 5 Een weduwe die helemaal alleen staat, houdt haar hoop op God gevestigd en blijft smeken en bidden, dag en nacht. 6 Maar een weduwe die losbandig leeft, is levend dood. 7 Houd hun dit voor, zodat ze een onberispelijk leven kunnen leiden. 8 Wie niet voor de eigen familie zorgt, zelfs niet voor huisgenoten, heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige. 9 Als weduwe mogen alleen vrouwen worden ingeschreven van boven de zestig jaar die maar één man hebben gehad 10 en bekendstaan om hun goede daden, kinderen hebben opgevoed, gastvrij zijn geweest, gelovigen de voeten hebben gewassen en zich hebben ingezet voor verdrukten, die kortom allerlei goede daden hebben verricht. 11 Wijs jongere weduwen af. Wanneer hun hartstocht hen van Christus vervreemdt, zullen ze weer willen trouwen, 12 en dan wordt het hun aangerekend dat ze hun eerdere belofte van trouw aan Hem breken. 13 Bovendien zullen ze er een gewoonte van maken hun tijd te verdoen door overal op bezoek te gaan; en dat niet alleen, in hun bemoeizucht praten ze ook over dingen die geen pas geven. 14 Daarom wil ik dat jonge weduwen hertrouwen, kinderen krijgen, leiding geven aan het huishouden en onze tegenstanders geen aanleiding geven om kwaad van ons te spreken. 15 Sommigen van hen zijn immers al van het rechte pad afgeweken, Satan achterna. 16 Als een gelovige vrouw weduwen in haar familie heeft, moet zij die zelf ondersteunen en niet de gemeente met de zorg belasten. Dan kan de gemeente voor weduwen zorgen die alleen staan. (NBV21

Hoe moeten jonge professionals of organisaties die door jonge mensen worden geleid nu omgaan met ouderen die ze leiding moeten geven. In de gemeente waar Timoteüs werkzaam was vormde dit een duidelijk probleem, de knaap was niet alleen jong maar naar verhouding zeer jong. Ook in onze tijd kan het een probleem vormen. In de zorg waar jonge mensen enthousiast het door hen geleerde over zorg in de praktijk brengen is het helemaal niet vanzelfsprekend voor ouderen dat die jonge mensen weten wat het beste is voor die oudere. Maar ook verder in de samenleving speelt dit. In kerken waar jonge voorgangers eigentijds het licht van de Bijbel willen laten schijnen over het leven van alledag. Ouderen zijn dat vaak niet op die manier gewend en hoe ga je daar mee om. Maar ook ordehandhavers, winkelpersoneel en dienstverleners lopen er tegenaan dat ouderen niet zo maar aannemen dat zij de juiste kennis in huis hebben.Het advies van Paulus is in één woord samen te vatten: “Vaderlijk” niet bevelend, niet dwingend, je bent niet de baas over de ander.

Maar laat merken begrip te hebben voor de kennis en ervaring van de ander. Laat merken dat je de beste zorg wil voor de ander, laat merken dat je de ander wil beschermen tegen fouten die vroeger veel werden gemaakt. In de gemeenten die Paulus had gesticht kwam daar nog een extra probleem bij. Het probleem van de weduwen. Direct na Pinksteren waren er in Jeruzalem Grieks sprekende weduwen die zich achtergesteld voelden, voor hen werden speciaal zeven diakenen aangesteld. Paulus maakt een onderscheid in soorten weduwen, jonge en oude, met jonge kinderen en met volwassen kinderen en bejaarde weduwen. Allereerst zijn de weduwen in de gemeente pas echte weduwen in de gemeente als hun gedrag betamelijk is, weduwen die denken gemakkelijk hulp te kunnen krijgen maar verder niet leven volgens de Weg van Jezus van Nazareth horen er niet bij. Als er binnen de familie voor weduwen gezorgd kan worden, heeft dat voorrang. Als jonge weduwen kunnen hertrouwen verdient dat de voorkeur.

Maar Paulus had ook geleerd van de problemen die al direct na Pinksteren waren ontstaan. Hij voert het ambt van weduwe in. In de Bijbel staan weduwen overal voor de armen in de samenleving, de weduwen en de wezen vormen steeds de maat voor een samenleving die moet worden aangesproken of handelt naar Gods hart. Alleenstaande weduwen, ouder dan 60, die hun sporen in de zorg voor anderen hebben verdiend kunnen het ambt van weduwe vervullen. Ze worden daarmee spreekbuis voor de armen. Niet de rijken maken uit wat goed is voor de armen maar daar hebben de armen, de weduwen, zelf ook iets over de zeggen. Door ze een eigen ambt te geven straalt de gemeente uit dat het onderscheid tussen armen en rijken, slaven en vrijen, echt verdwenen is. Iedereen spreekt mee en iedereen spreekt de eigen taal, vrouwen net zo goed als mannen. Het meespreken van klanten in de zorg is in onze tijd meestal een volledig onbekend verschijnsel. Als we het ambt van weduwe hadden gehad was het nog maar de vraag of we een toeslagenaffaire zouden hebben gehad. We kunnen nog wat leren.

Neem je in acht

1 Timoteüs 4:11–16

1 Draag dit alles over in je onderricht. 12 Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid. 13 In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift, op de prediking en het onderricht. 14 Veronachtzaam de genade die je geschonken is niet; je dankt haar aan de profetische woorden die de raad van oudsten over jou, onder handoplegging, heeft uitgesproken. 15 Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt. 16 Neem je in acht, houd je aan de leer en blijf dat doen; dan red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren. (NBV21

Er zijn geleerden die aannemen dat Timoteüs pas 17 jaar was toen hij door Paulus als medewerker werd aangesteld. Deze jonge knaap was niet alleen enthousiast en kon goed spreken. Hij kon ook goed luisteren en dacht na voordat hij sprak. Wat moet een mens nog bij leren. Paulus had hem de handen opgelegd en aangesteld als oudste in de gemeente, opziener, voorganger, herder en leraar. Ook nu nog worden de predikanten in de Protestantse Kerk Nederland de handen opgelegd als ze zich aan een gemeente verbinden. Ze beloven daarbij overigens ook alles geheim te houden wat hen als predikant wordt toevertrouwd. Mensen horen zich bij een predikant van de Protestantse Kerk veilig te voelen.

De leden van de gemeente in Efeze die door Paulus aan de onderwijzing van Timoteüs waren toevertrouwd konden zijn verkondiging niet afdoen met een “wat moet die snotneus” zoals in onze gemeenten nog al eens op kritische jongeren wordt gereageerd. Liefde, geloof en zuiverheid brengt met zich mee dat we binnen de gemeente elkaar als gelijke, als gesprekspartner beschouwen. Elk met een eigen taak en een eigen kwaliteit maar daarbij kan de een niet zonder de ander. Timoteüs moet de gemeente dus vertrouwd maken met de Hebreeuwse Bijbel, de schriften waaruit ook Jezus had geciteerd. Dat zal voor Heidenen nieuwer zijn als voor Joden maar de manier waarop Jezus met de richtlijnen voor Israël om ging was tegengesteld aan de manier waarop in het Romeinse Rijk tegen wetten werd aangekeken.

Dat was het belangrijkste onderdeel van de taak van Timoteüs. Alles wat de gemeente uitstraalde was ongeveer het tegengestelde van de dagelijkse gebruiken in de stad. Er was geen onderscheid tussen vrijen en slaafgemaakten, trouwens helemaal geen onderscheid. Niet de eigen positie stond voorop maar de liefde voor de ander. Dat werd ook tot uitdrukking gebracht in kleding en houding. Niemand vond zich beter dan een ander en naast die Jezus van Nazareth was er niemand waar men achteraan moest lopen of moest aanbidden. Er was geen beeld van een God, er waren geen priesters in fraaie gewaden. Er waren wel mensen die inmiddels meer hadden geleerd over de manier waarop Jezus zijn volgelingen de wereld in had gestuurd. Maar die mensen stelden hun kennis en ervaring in dienst van de anderen in de gemeente. Net zoals Timoteüs mogen ook wij dat doen, het goede en niet dan het goede.

Om ons pijn te doen

Matteüs 8:23-34

23 Hij stapte in de boot en zijn leerlingen volgden Hem. 24 Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. 25 Ze maakten Hem wakker en riepen: ‘Red ons, Heer, we vergaan!’ 26 Hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo angstig, kleingelovigen?’ Toen stond Hij op en sprak de wind en het water bestraffend toe, en het meer kwam geheel tot rust. 27 De mensen stonden verbaasd en zeiden: ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water Hem gehoorzamen?’ 28 Toen Hij aan de overkant in het gebied van de Gadarenen kwam, liepen Hem vanuit de grafspelonken twee bezetenen tegemoet. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daarlangs kon gaan. 29 Ze begonnen te schreeuwen en te roepen: ‘Wat hebben wij met Jou te maken, Zoon van God? Ben Je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?’ 30 Een eind verderop werd een grote kudde varkens gehoed. 31 De demonen smeekten Hem: ‘Als Je ons uitdrijft, stuur ons dan naar die kudde varkens.’ 32 Hij antwoordde hun: ‘Vooruit!’ Ze verlieten de twee mannen en trokken in de varkens. Toen stormde de hele kudde van de steile helling af het meer in, en de dieren kwamen om in de golven. 33 De varkenshoeders sloegen op de vlucht, en toen ze in de stad kwamen vertelden ze alles, ook wat er met de bezetenen gebeurd was. 34 Nu trok de hele stad uit, Jezus tegemoet. En toen ze Hem zagen, verzochten ze Hem dringend hun gebied te verlaten. (NBV21)

Storm op zee is vanouds een uitermate beangstigend gebeuren. In de Joodse cultuur gold de zee als een sterk symbool voor de dood. Zelfs op een meer kan het gevaarlijk zijn. Het is dan ook geen wonder dat de volgelingen van Jezus buitengewoon bang werden toen ze naar de overkant van het meer voeren en er storm op stak. Maar angst is een slechte raadgever. Vroeger stond er op de brandinstructies die in het warenhuis Vroom en Dreesman hingen: “Paniek is erger dan brand”. Warenhuizen hadden daar ervaring mee, als er brand uitbreekt komen er vaak meer mensen om omdat ze onder de voet worden gelopen of anderszins door de uitgebroken paniek geen uitweg meer zien dan dat er daadwerkelijk door brand of rook omkomen. Jezus maant zijn volgelingen dan ook tot kalmte, en stilt de storm. Het onder ogen zien van de werkelijke situatie, de mogelijkheden onderzoeken is altijd vruchtbaarder dan je laten leiden door angst en te neer te laten slaan door de onmogelijkheden. Is daarom dit verhaal een verhaal van persoonlijke groei? Dat zou gemakkelijk zijn, als jij bang bent en het ongeluk grijpt je ben jij alleen verantwoordelijk. Maar zo zit het niet.

Tot de volgelingen van Jezus behoren een aantal ervaren vissers. Zij waren gewend om onder alle omstandigheden het meer te bevaren. Ze weten dan ook wat te doen tijdens de storm. Maar de angst en paniek kunnen totale verlamming tot gevolg hebben. Jezus roept hen tot de werkelijkheid door ze uit te schelden voor kleingelovigen. Wij kunnen elkaar tot de werkelijkheid terug roepen. En twee weten meer dan een. Het vinden van oplossingen is een zaak van samen en niet van alleen, het is een zaak van mogelijkheden verkennen en niet van angst en paniek. Dat wil niet zeggen dat het altijd even gemakkelijk is, dat oplossingen voor de hand liggen, dat het altijd goed af zal lopen, maar er wordt meer mee gered dan bij het ieder voor zich. Maar wat heeft die bootreis nu te maken met varkens? Je hebt van die mensen die zich voortdurend aangevallen voelen. Ze zijn zelf ooit zo erg beschadigd dat ze zich niet meer voor kunnen stellen dat er iemand om hen geeft. Ruzie maken en uitdagen is het enige wat ze nog kunnen. Elke vriendelijke opmerking zullen ze omdraaien tot het een belediging is. Twee van die mensen woonden in het 10 stedenland, een verbond van 10 steden aan de overkant van de Jordaan onder leiding van Damascus. Een onrustig en betwist gebied, tot op de dag van vandaag.

Toen Jezus het meer was overgestoken en geland was ontmoetten ze die mensen. Matteüs schrijft tenminste dat er twee waren, maar Matteüs schrijft bijna overal in zijn boek dat er twee zijn als het belangrijk is. De twee begonnen gelijk te schreeuwen en te dreigen, zich ook te verdedigen, “kom jij ons pijn doen voor het daarvoor tijd is?” zo riepen ze. Jezus was niet beledigd, hij verdedigde zich niet, hij luisterde slechts, want toen uiteindelijk de mannen vroegen of hun gekkigheid in een kudde varkens mocht komen hoefde Jezus slechts “Vooruit” te roepen en de kudde varkens zette zich in beweging en stortte zich van een rots, de gekte was over. Varkens zijn immers net zo onrein als die gekkigheid. Je kunt je de schrik van de varkenshoeders wel voorstellen toen hun kudde zich ineens in beweging zette en niet meer te stoppen was. Je zou willen dat in datzelfde gebied vandaag de dag mensen zouden willen luisteren op de manier waarop Jezus naar mensen luisterde. Niet de gekkigheid voorop zetten. Niet zich bij voorbaat aangevallen voelen, beledigingen beledigingen laten en op zoek gaan naar het goede, het menselijke in de mensen. Er zijn Joden en Palestijnen die dat zouden willen, maar ergens staat ook geschreven dat pas als alle mensen op deze manier met elkaar om zouden willen gaan het daar ook zal lukken. Aan ons dus om er een begin mee te maken.

 

Een enkel woord

Matteüs 8:14-22

14 Toen Jezus het huis van Petrus was binnengegaan, zag Hij diens schoonmoeder met koorts in bed liggen. 15 Hij raakte haar hand aan en de koorts verliet haar. Ze stond op en begon voor Hem te zorgen. 16 Bij het vallen van de avond brachten ze vele bezetenen bij Hem. Met een enkel woord dreef Hij de geesten uit, en allen die ziek waren genas Hij. 17 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.’ 18 Toen Jezus de mensenmassa om zich heen zag, gaf Hij bevel naar de overkant te varen. 19 Maar een schriftgeleerde kwam op Hem af en zei: ‘Meester, ik zal U volgen waarheen U ook gaat.’ 20 Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij zijn hoofd te ruste kan leggen.’ 21 Een ander, een van zijn leerlingen, zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 22 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.’(NBV21)

Het blijven toch je kinderen, ook als ze volwassen geworden zijn en het huis hebben verlaten. De schoonmoeder van Simon Petrus zal blij geweest zijn. Haar dochter trouwde met een stoere slimme visser. Een gelovige jongen, zo een die op de Sabbat thuis was en naar de synagoge ging. Maar dat stoere was er af gegaan. Hij had zich aangesloten bij een van de vele messiasfiguren die in Israël ronddwaalden. De meeste preekten geweld tegen de onderdrukkende Romeinen. Sommigen hielden vreedzame optochten maar altijd tegen de heersende overheid en daar hielden de Romeinen niet van. Die Simon Petrus liep op de duur gevaar, de zorg voor haar dochter zou verdwijnen. Koortsachtig lag ze op bed. Je kunt je voorstellen dat ze piekerde. Maar dan ontmoet ze Jezus, die voor haar zorgde waarop zij voor hem kon zorgen.

Hij liet zien te leven als de profeet die was voorzegt als een echte bevrijder van Israël. Die gebruikte geen geweld, die liet de mensen geen holle leuzen achterna lopen. Die zorgde voor de zieken, voor de zwakken, voor de mensen die het ook niet meer wisten en in verwarring waren. Die Messias, bevrijder, Christus in het Grieks, werd één met de zwaksten. En geen Romeinse macht zou de liefde van een dergelijke bevrijder kunnen onderdrukken. De liefde die ze bij haar thuis heeft gezien zal haar gerust gesteld hebben over de zorg van Simon Petrus voor haar dochter. Maar het volgen van die Jezus was niet vrijblijvend. Het was een risico. Je oude leven moest je opgeven. Alleen de zwakken in de samenleving telden nog, niemand werd buitengesloten. Fatsoen, je vader begraven bijvoorbeeld, telde niet meer. Niets kon je meer afhouden die nieuwe samenleving vorm te geven. In die samenleving telden de zieken, werd niet gediscrimineerd.

In onze samenleving strijden de zorg voor zieken en de zorg voor een zieke samenleving schijnbaar met elkaar. Angst speelt daarbij de hoofdrol. Angst om ziek te worden van een behandeling of medicijn, nog erger is de angst om ziek te worden van een medicijn dat ziektes kan voorkomen. Daartegenover staat de strijd tegen de angst voor het vreemde. Voor die mensen die een andere huidskleur hebben dan jij. Mensen met een andere huidskleur zijn bedreigend, die hebben andere opvattingen over fatsoen dan jijzelf hebt. En als je tot de groep hoort die over het algemeen dezelfde kleur hebben als jij en die de meerderheid vormt, dan geef je die angst vorm in de manier waarop je met elkaar om gaat. Die anderen met die andere huidskleur doen niet hetzelfde als jij, ze zullen dus wel meer geweld gebruiken, ze zullen dus de boel, de overheid, wel oplichten. Jezus maakt in het Bijbelgedeelte van vandaag duidelijk dat je hem alleen kunt volgen als je die angst opgeeft, als je die angst zelfs gaat bestrijden. Alleen roepen dat je hem lief hebt is niet genoemd, daar moeten die anderen, de zieken, de verwarden, maar ook hen die vijanden lijken, iets van merken, die liefde moet je zonder onderscheid naar anderen uitstralen. Elke dag opnieuw.