Mijn levensbeker

Psalm 16

1 Een stil gebed van David. Behoed mij, God, ik schuil bij U. 2 Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat U te boven.’ 3 Maar tot de goden in dit land, de machten die ik zo liefhad, zeg ik: 4 ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’ Ik pleng voor hen geen bloed meer, niet langer ligt hun naam op mijn lippen. 5 HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker, U houdt mijn lot in handen. 6 Een lieflijk land is voor mij uitgemeten, ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld. 7 Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft, zelfs in de nacht spreekt mijn geweten. 8 Steeds houd ik de HEER voor ogen, met Hem aan mijn zijde wankel ik niet. 9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. 10 U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. 11 U wijst mij de weg van het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde. (NBV21)

Vandaag zingen we een psalm van een bekeerling mee. Er staat wel boven dat het van David is maar in het boek van de Psalmen betekent dat meestal dat het in een bundel heeft gestaan die Liederen naar David heette. Het boek van de Psalmen is samengesteld uit verschillende van dat soort liederenbundels. Dat Koning David ooit afgoden heeft gediend wordt nergens verteld en is als Bijbels beeld ook zeer onwaarschijnlijk. Hij was immers als jonge knaap al tot Koning gezalfd door Samuel. En in de eerste verzen zingt de dichter hier dat hij de goden van dit land, de machten, heeft vereerd. Hij is wel tot de ontdekking gekomen dat als je dat doet je veel verdriet zal ondervinden. Het is het lied van een bekeerling en bekeerlingen maken het vorige geloof zwart en verheerlijken het huidige geloof. Maar het geloof in de God van Israël geeft daarvoor ook wel enige aanleiding als je de Psalm nauwkeurig leest. Want wanneer werd van gelovigen in de God van Israël gevraagd om als offer je eigen bloed te plengen.

Dat plengen is het op de grond laten vallen van druppels van het bloed. Soms werd er wijn geplengd, soms bloed van een offerdier, maar er zijn riten genoeg waarin gevraagd werd om je eigen bloed te plengen. Elia kwam op de Karmel priesters van Baäl tegen die dat deden. Bloed is volgens het geloof van Israël de drager van het leven en als je onvruchtbare aarde tot leven wilde brengen dan moest je bloed plengen. De profeten van Israël konden dit soort praktijken zeer fel veroordelen. De dichter van deze Psalm is dan ook tot de ontdekking gekomen dat er een beter en gemakkelijker geloof is. Namelijk dat in de God die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die aarde is namelijk als een lieflijk land voor de mensen uitgemeten. Zelfs al laat je die aarde een jaar rusten dan nog kun je er van eten was het oude geloof van Israël. Als het gaat om gif aan de akker toe te voegen mogen ook wij hierbij meer stil staan. Het was een land overvloeiende van melk en honing. Tenminste als je de geboden van die God van Israël wilde volgen.

De geboden om je naaste lief te hebben als je zelf en geen slaaf te worden van je arbeid en je zwoegen op die aarde. Dan mag je er op vertrouwen dat die God je zelfs niet in de steek zal laten in het dodenrijk, zelfs als het je moeilijk gaat in het leven dan kan de navolging van die God, je naaste liefhebben als je zelf, je redding zijn, van delen wordt je immers rijker. De geboden van de God van Israël wijzen altijd naar het leven, ook in onze dagen. Het altijd maar moeten jagen op dode dingen leidt tot de dood, een doods leven. We moeten ook in onze dagen zorgen geen slaaf te worden van de economische machten, de nieuwe afgoden, de nieuwe machtigen in ons land. Daar roept deze Psalm toe op en wie mee wil zingen mag dat deze dag, als de Psalm ook de komende dagen maar naklinkt en ons tot werk voor onze naaste aanzet en tot de bevrijding van de machten van winst en profijt, zodat we leven.

Dag van de Heer

Openbaring 1:9-20

9 Ik, Johannes, uw broeder, die door onze eenheid met Jezus net als u deel in de ellende, het koninkrijk en de standvastigheid-ik was op het eiland Patmos omdat ik over God had gesproken en van Jezus had getuigd. 10 Op de dag van de Heer raakte ik in vervoering. Ik hoorde achter me een luide stem, die klonk als een bazuin 11 en die tegen me zei: ‘Schrijf alles wat je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten, naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.’ 12 Ik draaide me om, om te zien welke stem er tegen mij sprak. Toen zag ik zeven gouden kandelaars, 13 en daartussen iemand die eruitzag als een mens. Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. 14 Zijn haar was wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. 15 Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s. 16 In zijn rechterhand had Hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de felle zon. 17 Toen ik Hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer. Maar Hij legde zijn rechterhand op me en zei: ‘Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste. 18 Ik ben degene die leeft; Ik was dood, maar nu leef Ik, tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk. 19 Schrijf daarom op wat je gezien hebt: wat er nu is en wat hierna zal gebeuren. 20 Dit is de betekenis van de zeven sterren die je in mijn rechterhand zag en van de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn de zeven gemeenten zelf. (NBV21)

De profeet Joël had het al over de dag van de Heer gehad. Dat was de dag waarop de hele aarde zich had onderworpen aan de richtlijnen van de God van Israël, de regel van de Liefde voor elkaar, de richtlijnen waardoor een samenleving kon ontstaan waar alle leed geleden zou zijn en voor iedereen plaats was. Oude mensen zouden dromen dromen en jongeren zouden gezichten zien. Die dag is aangebroken schrijft Johannes nu. Dat is dus de dag waarop we in trance raken, waarop we lyrisch worden, waarop we dromen dromen en gezichten zien. Dat overkomt Johannes en hij begint bij het Woord, hij hoort een stem. Die stem klinkt als een bazuin vertaalt onze vertaling, dat komt omdat het vertaalt uit het Grieks waarin het boek is geschreven. Maar dat is maar een simpel Grieks, je snapt veel van dat Grieks pas als je Hebreeuws kent en dat van die bazuin is ook pas te snappen als je Hebreeuws kent, dat klinkt als de ramshoorn die bij de Tempel klinkt, die op de bergen klinkt als het volk bevrijd moet worden van de vijand.

Johannes moet het schrijven aan alle gemeenten die hij kende, de zeven gemeenten in Turkije. Maar een Tempel was er niet meer in Jeruzalem, de Tempel was verwoest door de Romeinen de Hoge Priester verjaagd of gedood. Waar kwam dan die stem vandaan? In zijn visioen draaide Johannes zich om en waarachtig hij stond weer in de Tempel van Jeruzalem, daar stonden de zeven gouden lampenstandaards en daar was ook de Hoge Priester in zijn traditionele lange gewaad met de gouden band om zijn borst die het teken van zijn hoge ambt was. Maar wat een Priester was dat wel niet. Wij schrikken van de beschrijving, zoiets zie je alleen in een droom en wat moeten we daarmee. Maar voor Johannes en de mensen aan wie hij schreef was het een vervulling van de oude droom van Daniël. Hier stond de persoon die Daniël de Zoon des Mensen had genoemd. Zo had Jezus van Nazareth zichzelf ook genoemd. Komt dan de droom van Daniël nu uit en neemt de God van Israël de heerschappij over de wereld ter hand?

In de dagen van Johannes had elke stad en elk volk een eigen god. We herinneren ons misschien de Diana van Efeze. De mensen geloofden zo vast in het bestaan van die goden dat ook de Joden dat niet konden ontkennen. En in het boek Genesis hadden ze gelezen dat de zonen van de goden de dochters van de mensen tot vrouw hadden genomen waarop de God van Israël een grens had gesteld aan het leven van de mensen. Maar al die goden van de mensen, de goden van steden en volken, waren onderworpen aan de God van Israël, ze waren misschien Engelen die verzoek van de mensen aan God konden overbrengen en aan God konden rapporteren over recht en gerechtigheid, ze zijn in deze droom de zeven sterren in de rechterhand van de zoon des mensen, de zeven lampenstandaards uit de Tempel zijn de zeven gemeenten aan wie geschreven moet worden. Daarmee is de verwoeste Tempel van Jeruzalem weer op aarde verschenen. Nu in de vorm van gemeenten die het licht van recht en gerechtigheid verspreiden, het licht van de Liefde van de God van Israël. In die gemeenten, ook kerkelijke gemeenten, leven we nog steeds en nog elke dag mogen we ons afvragen hoe we het licht van de liefde van God onder de mensen laten schijnen, ook vandaag weer.

 

Gelukkig is wie dit voorleest

Openbaring 1:1-8

1 Openbaring van Jezus Christus, die Hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes. 2 Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien. 3 Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat erin geschreven staat. Want de tijd is nabij. 4 Van Johannes, aan de zeven gemeenten in Asia. Genade zij u en vrede van Hem die is, die was en die komt, en van de zeven geesten voor zijn troon, 5 en van Jezus Christus, de betrouwbare getuige, de eerstgeborene uit de dood, de heerser over de vorsten van de aarde. Aan Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd door zijn bloed, 6 die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader-aan Hem komt de eer toe en de macht, tot in eeuwigheid. Amen. 7 Hij komt met de wolken, en dan zal iedereen Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. 8 ‘Ik ben de alfa en de omega,’ zegt God, de Heer, ‘Ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige.’ (NBV21)

Vandaag lezen we het begin van het boek Openbaring. Dat is vaak gezien als een geheimzinnig boek vol met onbegrijpelijke visioenen over een tijd die misschien ooit nog komen moet. En omdat hetgeen nog komen moet onbekend is kun je er, als je het boek Openbaring zo leest, naar alle lust op los fantaseren. Het was voor velen aanleiding het boek maar dicht te laten en voor anderen om het hele geloof maar los te laten. Toch is het boek Openbaring nu net niet bedoeld als een geheimzinnig boek over een onbekende toekomst maar verteld het de Hebreeuwse Bijbel opnieuw zodat Jezus van Nazareth als de gezalfde bevrijder een concrete werkelijkheid in het leven van alledag kan worden. De vertaling van de Griekse titel in “Openbaring” is dan ook niet echt gelukkig gekozen. “Ontsluiering” zou een betere betekenis zijn, wie of wat is die Jezus van Nazareth nu eigenlijk voor ons mensen van vandaag is de vraag waarop dit boek een antwoord probeert te geven. Want dat er wat gebeuren moet is duidelijk.

De schrijver zit gevangen op Patmos omdat hij het over de God van Israël en over Jezus van Nazareth heeft gehad. En is gevangen nu het lot dat alle gelovigen te wachten staat? Loopt de wereld dankzij de kruisdood van Jezus van Nazareth en het verhaal over zijn opstanding uit op onderdrukking en geweld? Het antwoord wordt gegeven in een brief die je met elkaar moet lezen, niet als een geheim of geheimzinnig boekje maar als een sprekend verhaal dat moet worden voorgelezen. Gelukkig worden geprezen hen die de profetie horen. Profetie is dus geen toekomstvoorspelling van de waarzegger op de kermis, maar legt uit hoe de wereld in elkaar zit en waar je je aan te houden hebt als je wil geloven in een betere wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want dat die nabij is staat vast. Het verhaal dat in deze brief staat wordt op verschillende manieren verteld.

Alsof er brieven worden geschreven aan verschillende gemeenten, elk met hun eigen karakteristieken. Tegelijk aan alle gemeenten, zeven soorten, voor elke dag één. Het is geen door mensen verzonnen verhaal, het is een goddelijk verhaal, dat al bekend is uit de Hebreeuwse Bijbel want dat hij komt te midden van de wolken en dat iedereen hem kan zien ook degenen die hem hebben doorstoken staat al in de boeken van de profeten Daniël en Zacharia. Die God is immers het begin en het einde van alles wat er is. Dat was de God die er was, dat is de God die er nu is en dat is de God die nu in je leven komt, die je nu duidelijk zal worden. Door Jezus van Nazareth zijn wij een volk geworden van priesters voor die God. Priesters die offers brengen? Jazeker, dat wordt hier verteld, het offer van onze liefde, het offer van het recht doen aan de ontrechten, want daar gaat dit verhaal over. Die offers van liefde voor de minsten mogen we elke dag brengen, dat wordt ons in dit boek duidelijk gemaakt zodat we het elke dag opnieuw mogen gaan doen, ook vandaag weer.

 

Uw macht

Psalm 21

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 HEER, uw kracht verblijdt de koning, luid juicht hij om uw overwinning. 3 U gaf hem wat zijn hart verlangde, het verzoek van zijn lippen wees U niet af. sela 4 U nadert hem met rijke zegen en plaatst op zijn hoofd een gouden kroon. 5 Leven heeft hij gevraagd, U hebt het hem gegeven, lengte van dagen, voor eeuwig en altijd. 6 Groot is zijn roem door uw overwinning, U tooit hem met glans en met glorie, 7 U schenkt hem voor altijd uw zegen, U verblijdt hem met het licht van uw gelaat. 8 Ja, de koning vertrouwt op de HEER, door de trouw van de Allerhoogste wankelt hij niet. 9 Uw hand zal uw vijanden slaan, uw machtige hand uw haters treffen, 10 u doet hen branden als vuur in een oven wanneer u verschijnt. De HEER zal hen in zijn woede verslinden, vuur zal hen verteren. 11 Hun kinderen zult u van de aardbodem wegvagen, hun nageslacht uitroeien onder de mensen. 12 Al spannen zij tegen u samen, al zinnen zij op kwaad, ze bereiken niets, 13 want u zult hen op de vlucht jagen, u schiet uw pijlen recht op hen af. 14 Verhef u, HEER, in uw kracht, wij zullen uw macht in liederen bezingen. (NBV21)

We zingen vandaag een Psalm voor de Koning. Een Psalm dus die schijnbaar door alle Nederlanders op één na kan worden overgeslagen. Er is immers maar één Koning in ons land en wie gevraagd heeft om een droom voor de Koning had gerust Psalm 21 kunnen toesturen. Een lang leven, lang zal hij leven, wensen we iedereen ieder jaar opnieuw en de verjaardag van de Koning is voor iedereen meestal een feestdag en dagen met feest kunnen we nooit genoeg hebben. Zo ligt het ook met de vijanden van de Koning. Als God ze wil uitroeien dan is dat best want vijanden van de Koning zijn meestal ook vijanden van het volk en in elk geval veroorzaken ze onrust en onzekerheid waar we niet op zitten te wachten. Toch is die Psalm misschien belangrijker dan we denken. Een Koning is immers ook symbool voor het hele volk. En de relatie tussen de Koning en de God van Israël is misschien wel een voorbeeld voor de relatie die we zelf met de God van Israël hadden.

Men neemt aan dat de Koningspsalmen in het Bijbelboek Psalmen in oude tijden gebruikt werden bij plechtigheden in de Tempel. De kroning, of zalving, van de Koning werd jaarlijks gevierd. In de vruchtbaarheids godsdiensten in Kanaän werd ook de god Baäl als koning beschouwd en in de Lente werd Baäl elk jaar opnieuw gekroond en werd hem bij het begin van de winter weer rust gegund. In zulke godsdiensten speelden de Koningen een bijzondere rol. Zij waren het voorbeeld waar de goden iets van konden leren. Zoals zij Koning waren zo moesten ook de goden Koning zijn. De relatie tussen de god en de koning was dus van een direct religieus belang. In Israël was dat anders. In de Bijbel staan individuen vaak voor het geheel. Als over Jacob wordt gesproken wordt heel het volk Israël bedoeld en Israël is zowel de naam die Jacob kreeg bij zijn terugkeer als de naam van het volk. Ook als over de Koning wordt gesproken dan wordt eigenlijk het hele volk bedoeld.

En in deze Psalm zingt het volk dat het haar bevrijding van de slavernij, haar onafhankelijkheid te danken heeft aan de God van Israël. Dat het dienen van de God van Israël zal betekenen dat het volk lang als zelfstandig volk zal blijven bestaan. Dat het volgen van de geboden van de God van Israël, samengevat in heb uw naaste lief als uzelf, zal betekenen dat vijanden van het volk worden uitgeroeid, vijanden worden veranderd in vrienden want alle volken zullen zich immers keren naar de Jeruzalem, naar de God van Israël. De macht die uitgaat van dat zwakke liefhebben van elkaar, zelfs van je vijanden, maakt dat de hele wereld met die Liefde kan worden veroverd. Er valt dus van blijdschap wel het een en ander te zingen, zelfs meer dan het “Lang zal hij leven”. De kerken hebben daarvoor een Liedboek waarin ook al die Psalmen zijn opgenomen. In dat boek eindigt Psalm 21 met de belofte dag en nacht te zullen zingen. Elke morgen mogen we daar weer opnieuw mee beginnen, door onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag mag dat weer.

 

De erfgenaam!

Matteüs 21:33-46

33 Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis. 34 Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde. 36 Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde. 37 Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,” 39 en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. 40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’ 41 Ze antwoordden: ‘Hij moet die ellendelingen een ellendige dood laten sterven en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’ 42 Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” 43 Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. 44 Wie over die steen struikelt, valt te pletter, en degene op wie die steen valt, wordt vermorzeld.’ 45 Toen de hogepriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. 46 Ze wilden Hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte, die Hem voor een profeet hield. (NBV21)

Het is duidelijk, je kunt wel doen of je de wijsheid in pacht hebt maar pas aan de vruchten kun je herkennen of het waar is. Jezus van Nazareth citeert hier Psalm 118. Over de steen die was weggeworpen maar die tot hoeksteen werd. Voor ons een vreemd beeld maar wie wel eens een muurtje heeft opgezet zonder cement, of op vakantie een muur van natuursteen heeft gezien, zal het misschien snappen. Je hebt dan te maken met de onregelmatigheid van de stenen. Niet alles past. Maar juist op de hoeken kan de meest onregelmatig gevormde steen het best passen en daarmee de belangrijkste steen vormen. En onregelmatig gevormd is de leer van Jezus van Nazareth. Niet de harde werkers, niet de mooi gekleden, niet de beste praters, niet de best gesneden pakken of de mooiste hoedjes bepalen het koninkrijk van God maar de minsten, de armen, de hoeren en de tollenaars.

Wie de blinden en de bedelaars langs de weg ziet, wie de hongerenden voedt en de naakten kleed. Juist in deze dagen van financiële crisis, dagen waarin de positie van de rijksten in de wereld wankelt, juist in deze dagen is de zorg voor de armsten in Afrika van meer dan groot belang. Als we het werkelijk weten op te brengen de welvaart die wij delen ook te delen met de armen in Afrika dan brengen we iets van Koninkrijk van God op aarde. Nu, in deze dagen, komt het er op aan. Nu zelfs de meest verstokte aanbidder van de vrije markt en de goden van winst en profijt tot de ontdekking komt dat er in elke samenleving ook iets van samen delen moet zijn. Juist nu zal duidelijk moeten zijn dat delen met de armsten in de wereld voorop moet staan en niet de sluitpost moet worden van de internationale welvaart. Maar denk niet dat iemand met de eer voor het delen kan wegkomen.

Denk aan het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelt over de werkers in de wijngaard. Op het moment dat de wijngaard opbrengst gaat vertonen steken ze die opbrengst in eigen zak. De heer van wijngaard, de Liefde zelf, wordt buitengesloten. In onze samenleving gebeurt hetzelfde. Zelfs de redding van het financiële systeem dreigt ten goede te komen aan de bazen van de banken en hen nog rijker te maken. Waarom dus niet de bonussen voor de top van de banken wereldwijd bestemmen voor microkredieten voor de armsten in de wereld. Zodat ook zij zich kunnen ontwikkelen en niet alleen delen in de welvaart maar er zelfs aan kunnen bijdragen. Want ook in de dagen van financiële crisis blijft de tegenstelling tussen landen waar overgewicht het belangrijkste probleem is en landen waar de honger het belangrijkste probleem is.

Wat denkt u van het volgende?

Matteüs 21:23-32

23 Toen Hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe. Ze vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?’ 24 Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen, en als u Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 25 In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar: ‘Als we zeggen: “Van de hemel,” dan zal Hij tegen ons zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 26 Maar als we zeggen: “Van mensen,” dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.’ 27 Dus gaven ze Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 28 Wat denkt u van het volgende? Iemand had twee zonen. Hij zei tegen de een: “Jongen, ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” 29 De zoon antwoordde: “Ik wil niet,” maar later bedacht hij zich en ging alsnog. 30 Tegen de ander zei de man precies hetzelfde. Die antwoordde: “Ja, vader,” maar ging niet. 31 Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘De eerste.’ Daarop zei Jezus: ‘Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zullen het koninkrijk van God eerder binnengaan dan u. 32 Want Johannes bewandelde de weg van de gerechtigheid toen hij naar u toe kwam. U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel. En ook al zag u dat, u hebt u niet bedacht en hem alsnog geloofd. (NBV21)

In de Protestantse Kerk Nederland mag je niet zomaar preken. Daar gaat een hele procedure aan vooraf en je moet officieel toestemming hebben van de synode, het hoogste bestuur van de Kerk. Eigenlijk verlangen ze dat je eerst theologie hebt gestudeerd aan een universiteit en zeker de Bijbel in het Grieks en Hebreeuws kunt lezen en vertalen. Zo iemand als Jezus van Nazareth zou in een Protestantse Kerk hier in Nederland niet zomaar op de kansel kunnen klimmen. Ook in zijn dagen was er al de vraag op grond waarvan hij deed wat hij deed. Hij was immers geen Priester of Leviet. Die oefenden officieel op grond van de Bijbelse voorschriften het toezicht op genezingen en de toepassing van de wet uit. Dan komt er zo’n prediker en die geneest en brengt mensen die zich hadden buitengesloten weer op de goede weg. Dat schept maar wanorde en verwarring.

Maar Jezus van Nazareth wijst op een andere kant van hetzelfde verhaal. In zijn optreden is ook de roep om anders te gaan leven. Om weer rekening te houden met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, je naaste lief te hebben als jezelf. Eigenlijk is het de taak van iedereen om jezelf en om elkaar aan die liefdeswet te houden. In de traditie van het volk Israël waren er door de geschiedenis heen steeds mensen opgestaan die het volk tot de orde hadden moeten roepen, die weer hadden gewezen op die Wet en hoe die toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid en in de politieke actualiteit. Profeten werden ze genoemd en in de dagen dat Jezus van Nazareth met zijn optreden was begonnen was er de Profeet Johannes geweest die bij de Jordaan mensen het rituele bad had laten ondergaan dat de Bijbelse wetten voorschreef om weer rein te worden, weer zonder vuiligheid en zo dat je die richtlijn van je naaste liefhebben weer ongestoord kon uitvoeren. Dopen noemde hij dat en daar was heel het volk voor uitgelopen.

Dat reinigingsbad moest je zelf nemen, daar kwam geen Priester of Leviet aan te pas. Tot die reiniging of omkeer oproepen was de taak van iedere gelovige. Niet dat Priesters en Levieten, Farizeeën en Schriftgeleerden dat de mensen voorhielden, dat zou hun macht en positie maar aantasten. Daarom gaven ze maar geen antwoord als ze naar de plaats in de Bijbelse wetten wordt gevraagd. Jezus van Nazareth wijst maar eens op de profeten die de mensen voor hadden gehouden dat ieder die kwaad had gedaan elk moment berouw kon hebben en met het goede kon beginnen. Ieder die bleef bij het kwaad kon doodvallen. Johannes was er mee begonnen en Jezus van Nazareth ging er mee door. Wij ook? In de Protestantse Kerk Nederland worden we daartoe in elk geval opgeroepen, en hier ook elke dag weer. Heb je naaste lief als jezelf en begin er gewoon nu mee.

Als je maar gelooft

Matteüs 21:18-22

18 Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger. 19 Langs de weg zag Hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei Hij tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!’ Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom. 20 Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: ‘Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdord is?’ 21 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, kun je niet alleen teweegbrengen wat er met die vijgenboom gebeurd is, je kunt zelfs tegen die berg zeggen: “Kom van je plaats en stort je in zee,” en het zal gebeuren. 22 Alles waar jullie in gebed om vragen zul je ontvangen, als je maar gelooft.’ (NBV21)

Gewoon kijken naar een dode boom en dan niet verbaasd zijn dat ook de bladeren er af vallen hebben we verleerd. Gewoon beginnen aan het verwijderen van ook de zwaarste obstakels als dat nodig is durven we niet meer. Daar heeft Jezus van Nazareth het over. Hij had uit Psalm 8 geleerd dat dat de manier is waarmee kinderen naar hun wereld kijken. Die onbevangenheid brengt je het dichtst bij God. En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Ze weten wel veel maar ze zijn vergeten er mee te spelen, ze zijn vergeten dat het gaat om het geluk en de vreugde van gewone mensen, ja zelfs van de minsten onder hen. Het gaat er om de mensen die vastgelopen zijn in hun leven weer in beweging te krijgen, het gaat er om mensen die het niet meer zien in het leven weer een toekomst te laten zien en het licht doen opgaan.

Het gaat er dus uitdrukkelijk niet om om godsdienst en religie te verbinden met geld en verdienste. Overal in de Bijbel klinkt de oproep dat iedereen moet kunnen meedoen en als er mensen zijn die daar moeite mee hebben of te weinig bezitten om mee te doen dan moet je delen, dan moet je samen delen als gemeenschap. Daarom zie je in veel kerken dat er terughoudend wordt gecollecteerd, dat als er wordt gecollecteerd er eerst voor de armen een bijdrage wordt gevraagd. In de Protestantse Kerken in Nederland gaat het dan vaak eerst om Kerk in Actie, om de vergeten rampen, de armsten in de hele wereld, om de steun aan de bevrijding van de allerarmsten, de eerste slachtoffers van oorlog, geweld en armoede. Daarna volgen dan de armen in eigen omgeving, want ook al hebben we het rijk in ons land, ook in een rijk land kunnen mensen in de knel komen. Als gemeenten en deurwaarders te veel terug vragen, op een te groot deel van een klein inkomen beslag leggen dan is er ook in ons land voor veel gezinnen geen morgen meer waarop zelfs een simpel ontbijt voor kinderen ligt te wachten.

Dan kunnen kerken soms een uitkomst bieden. Voor de eigen kerk, voor de kosten van de dienst en het kerkgebouw wordt vaak pas bij de uitgang gecollecteerd. En in Protestantse Kerken krijg je vaak het gevoel dat je niet hoeft te geven, het mag, het is welkom, maar als je niet hebt dan ben je er zelf niet minder welkom om. En twijfel? Mag je dan niet twijfelen aan het bestaan van God? Aan de waarheid van de Bijbel? Aan de boodschap van Jezus van Nazareth? Waar twijfel je dan aan? Aan de wetenschappelijke houdbaarheid van de stellingen die je door een kerk worden voorgehouden? Daar mag je best aan twijfelen, al die zekerheden zijn maar betrekkelijk. Of twijfel je aan de zin van het leven als je leven ingericht is op de zorg voor de minsten. Daar is geen twijfel over mogelijk, dode dingen blijven dood en zijn zinloos, alle genot en lust is uiteindelijk leeg, maar de zorg voor de minsten, het opstaan van mensen die geen stap meer verder kunnen, het inzicht dat mensen krijgen die het niet meer zien zitten, dat geeft een rijkdom die onbetaalbaar is, daar hoef je nooit aan te twijfelen, ook vandaag niet.

Uit de gevangenis.

2 Koningen 25:18-30

18 De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. 19 En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, vijf van de vertrouwelingen die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber die tot taak had het volk onder de wapenen te roepen, en zestig mensen uit het gewone volk. 20 Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babylonië. 21 Deze liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen. Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap. 22 Over het deel van het volk dat van koning Nebukadnessar van Babylonië in Juda mocht blijven, stelde hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, als gouverneur aan. 23 Toen de bevelhebbers van het leger en hun manschappen daarvan hoorden, zochten zij Gedalja in Mispa op: Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van iemand uit Maächa, allen met hun mannen. 24 Gedalja bezwoer de bevelhebbers en hun mannen: ‘Van de Chaldese ambtenaren hebt u niets te vrezen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babylonië dient zal het u goed gaan.’ 25 Maar in de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, die tot de koninklijke familie behoorde, met tien mannen naar Mispa. Ze doodden Gedalja en de Judeeërs en Chaldeeën die bij hem waren. 26 Uit angst voor de Chaldeeën nam daarop heel het volk, van hoog tot laag, met de bevelhebbers van het leger de vlucht naar Egypte. 27 In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de zevenentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem ter gelegenheid van zijn troonsbestijging gratie en hij ontsloeg hem uit de gevangenis. 28 Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. 29 Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. 30 In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning voorzien, zijn leven lang. (NBV21)

Vandaag lezen we het slot van het spannende verhalenboek 2 Koningen. Een boek over oorlogen, legers, machthebbers en regeerders en soms ook over het gewone volk. Een boek over de keus die mensen hebben. Willen ze dienaren zijn van de God van Israël, zorgen voor de minsten in het land. Of willen ze dienaren zijn van zichzelf, zelf goden maken van hout en steen en die bekleden met zilver en goud en macht verwerven ten koste van anderen, een hoge plaats proberen te verwerven tussen de andere volken die hetzelfde nastreven. In dit laatste stuk van het boek gaat het ook hierover. Er komt een gouverneur die namens de koning van Babylonië de samenleving van armen zal besturen. Maar in die samenleving blijken er soldaten van Juda met hun leiders te zijn ondergedoken en in plaats van een vruchtbare samenleving te stichten komen ze weer in opstand en vermoorden de gouverneur. Heel het volk moet naar Egypte vluchten.

En hoe vergaat het de ballingen in Babel? Er was nog een echte koning van Juda die zich had overgegeven aan de koning van Babel en die naar Babel was weggevoerd. Die koning was gevangen gezet maar daarmee was zijn verhaal nog niet uit. Helemaal aan het einde van het spannende verhalenboek 2 Koningen staat er nog, bijna terloops, een bijzonder verhaal van hoop. Want na zevenendertig jaar kwam er een nieuwe koning in Babel en nieuwe koningen schenken gevangenen genade, gratie. Zelfs in onze dagen kom je die gewoonte nog wel tegen. En deze nieuwe koning van Babel schonk genade aan die gevangen koning van dat kleine koninkrijkje Juda. En niet zomaar gratie, maar Jojachim werd opgenomen aan het hof van de nieuwe Koning en kreeg kennelijk een belangrijke positie. Dat maakte ook de positie van zijn landgenoten die in ballingschap waren wat beter.

Het boek dat gaat over de ondergang van het Koninkrijk van David en Salomo eindigt dus met een sprankje hoop. Net als ooit Jozef overkwam werd ook de laatste Koning van het zuidelijk rijk Juda, de laatste koning die in Jeruzalem had geregeerd, bevrijd uit gevangenschap. En wat had de bevrijding van Jozef wel niet voor gevolg gehad. Uiteindelijk de bevrijding van de slaven uit Egypte. En zou de verlossing uit de gevangenschap van Jojachin niet een eerste signaal zijn dat ook de ballingen uit Babel ooit terug zouden mogen keren naar Jeruzalem? Dat verhaal is voor een ander Bijbelboek. Wij eindigen hier in het verhaal over crisis, verwoesting van Jeruzalem waar pas na lang wachten een klein lichtpuntje te ontwaren is. Toch mogen we ook in onze crisis op dit soort lichtpuntjes vertrouwen. Jeremia zou de ballingen oproepen eilanden van rechtvaardigheid te stichten waar groente werd verbouwd en men zich aan de Wet van de God van Israël zou houden. Ook in onze dagen geloven de aanhangers van de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth dat het liefhebben van de naaste als ons zelf uiteindelijk ons zal verlossen van de huidige crisis. Elke dag opnieuw mogen wij die keuze maken, ook vandaag weer.

Slechts de allerarmsten

2 Koningen 25:8-17

Op de zevende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens dienaar Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. 9 Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. 10 Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de muren van Jeruzalem neer. 11 De mensen die nog in de stad waren overgebleven, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen, kortom iedereen die nog over was. 12 Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen. 13 De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldeeën uit elkaar gehaald; het brons namen ze mee naar Babel. 14 Ook de potten, scheppen, messen, kommen en het andere bronzen tempelgerei namen ze mee. 15 Verder nam commandant Nebuzaradan alles mee wat maar van goud of zilver was, zoals de vuurbakken en de offerschalen. 16 De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar één was, en de verrijdbare onderstellen die Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. 17 De zuilen waren achttien el hoog en bekroond met een bronzen kapiteel van drie el. Daaromheen zat een vlechtwerk, versierd met granaatappels van massief brons. (NBV21)

Het verhaal dat we vandaag lezen gaat over de sloop van de Tempel. De stad Jeruzalem is na twee jaar belegering gevallen. De koning en de soldaten zijn gevlucht, gevangen genomen en gedood of als ballingen weggevoerd. Nu is het de beurt aan de stad. De godsdienst van de God van Israël is voorbij er is niets meer dat het behouden waard is. Soms moet je de woorden van de Bijbel goed op je in laten werken om te snappen wat er nu eigenlijk staat. Als het gaat over de bevolking van Jeruzalem dan zijn er drie groepen, zij die zich hebben verzet tegen Nebukadnesar, zij die overgelopen waren naar de koning van Babel en de armsten in de stad. In de godsdienst van Israël stonden de armsten voorop. In de godsdienst van de Heidenen tellen ze niet mee: iedereen werd in ballingschap gevoerd alleen de armsten mochten achterblijven om de wijngaarden en de akkers te verzorgen, zij hoorden niet bij “iedereen”

In de boodschap die profeten aan Koningen hebben gegeven kregen die armen van Jeruzalem een groot geschenk. Jesaja had daar Koning Hizkia nog eens op gewezen. Er was een wet die zei dat je elke zeven jaar het land braak moest laten liggen en moest leven van wat er spontaan op zou groeien. Daar kon ook een heel volk van leven. Dat geschenk kregen de armen nu van de Koning van Babel, die niet wist wat hij eigenlijk weggaf. De armen werden in een klap rijk maar alleen de godsdienst van de God van Israël laat dat zien. De Koning van Babel keek eerder naar de geweldige hoeveelheid brons die hij uit de Tempel in Jeruzalem kon meenemen. Bronzen pilaren, bronzen wasbekkens, onderstellen van brons, altaren in brons versierd. In het bronzen tijdperk was dit een onmetelijke rijkdom.

Dat van die armen heeft de Bijbelgeleerden nog lang in verwarring gebracht. De termen die in het Hebreeuws worden gebruikt konden niet zomaar op de bevolking van Jeruzalem worden toegepast. Volgens sommigen zouden het wel boeren en tuinders moeten zijn geweest. Maar ook de profeet Jeremia schrijft over deze gebeurtenis en hij spreekt onomwonden over de armen die buiten beschouwing werden gelaten. Dus waren het volgens sommigen toch boeren die wat minder opstandig zouden zijn geweest dan de stedelingen. Dat de godsdienst van Israël, de godsdienst ook van Jezus van Nazareth de armen voorop stelt en er om gaat dat de armen, de minsten in de samenleving, de weduwe en de wees, recht wordt gedaan is ook in onze dagen voor velen moeilijk voorstelbaar. Het gaat toch om je eigen zieleheil, om het redden van de fatsoenlijke burgers? In de godsdienst van de Bijbel gaat het daar dus helemaal niet om. Die godsdienst zet de zorg voor de minsten tegenover de zorg voor materieel gewin, tegenover de zorg voor rijkdom en overvloed.

Met bronzen ketenen

2 Koningen 24:18-25:7

18 Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. 19 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim. 20 De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat Hij ze uiteindelijk verstootte. 1 In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam Nebukadnessar, de koning van Babylonië, met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. 2 Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. 3 Op de negende dag van de maand – de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten – 4 werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten ’s nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, 5 maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen 6 en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla, naar de koning van Babylonië, en daar werd hij berecht. 7 Eerst werden zijn zonen voor zijn ogen afgeslacht en toen werden hem de ogen uitgestoken. Daarna werd hij naar Babel weggevoerd, geboeid met bronzen ketenen.(NBV21)

Die Sedekia maakte er helemaal een puinhoop van. Alsof hij nog eens wilde onderstrepen dat het echt helemaal uit en over was met de godsdienst van de God van Israël. Hij was al aangesteld door Nebukadnessar, een vazal dus die niets meer te maken had met de Koningen die van geslacht tot geslacht in Jeruzalem hadden geregeerd. Hij had dus blij mogen zijn met de armzalige positie die hij had en die hem toch nog een beetje aanzien gaf. Maar hij was niet tevreden. Hij kwam in opstand tegen zijn leenheer. Alsof zo’n klein heersertje het op zou kunnen nemen tegen een wereldmacht. Nu was Jeruzalem een stad die op een strategische plek lag. Je kon die stad niet zomaar innemen, zelfs de grote Koning David had een list nodig gehad om de stad in te nemen. Niet dat Nebukadnessar daar mee zat. Hij legerde een grote legermacht rond de stad en daar bleven ze twee jaar zitten.

Het gevolg was dat er na twee jaar niets meer te eten over was in de stad. We kennen dit soort verhalen ook uit de vaderlandse geschiedenis. Ooit werd ook een stad als Alkmaar zo belegerd, al duurde het daar maar van augustus tot begin oktober. Een jaar later onderging Leiden hetzelfde lot. Beide steden vieren nog elk jaar dat zij volhielden en dat het natte stormachtige herfstweer waar ons land om bekend staat de warmbloedige Spanjaarden op de vlucht joeg zodat bij Alkmaar de Victorie begon en de geboorte van ons land gevierd kan worden en Leiden haar universiteit kon binnenhalen met haring en wittebrood. De soldaten van Sedekia gingen er uiteindelijk met hun koning vandoor. De rest van de bevolking van Jeruzalem aan hun lot overlatend. Ook dit vluchten liep op een mislukking uit. Een wereldmacht is altijd veel sterker dan kleine landjes met flink doende dictatoren kunnen denken.

Sedekia kreeg van de Heidense koning nog eens een les in hoe verkeerd hij het allemaal wel gezien had. Voor zijn ogen werden zijn zonen vermoord. Waarom dan altijd wordt gevraagd waarom God dat allemaal wel niet toeliet is een raadsel. Het zijn mensen die zo wreed zijn. Het wordt tijd dat wij inzien dat het mensen zijn die zo wreed zijn. Mensen hebben ook andere keuzes. Bijvoorbeeld de keuze die Nebukadnessar maakte, hij liet Sedekia in leven. Door hem de ogen uit te steken zou hij hem de rest van zijn leven er aan herinneren hoe verkeerd hij het allemaal gezien had. Aan de wreedheid die mensen elkaar aandoen komt de God van Israël niet te pas. Hier worden geen zwakken beschermd, geen weduwe of wees wordt recht gedaan. Pas als we ons daar mee bezig houden merken we dat de God van Israël met ons is en ons de richting aangeeft waarin wij het met de mensen samen moeten zoeken. Als we dat gaan zien dan weten we dat we dat elke dag opnieuw mogen zien en mogen doen, je naaste liefhebben als jezelf, dat mag ook vandaag weer.