U ziet niemand naar de ogen

Matteüs 22:15-22

15 Nu trokken de farizeeën zich terug om te overleggen hoe ze Hem met een uitspraak in de val konden lokken. 16 Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal herodianen naar Hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat U oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen. 17 Zeg ons daarom wat U vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ 18 Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? 19 Laat Me eens een
belastingmunt zien.’ Ze reikten Hem een denarie aan. 20 Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ 21 Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 22 Ze waren zeer verbaasd toen ze dit hoorden. Ze lieten Hem met rust en gingen weg. (NBV21)

Nog steeds wordt het verhaal, dat vandaag wordt gelezen, uitgelegd alsof het over belastingen gaat. En alsof het een oproep is de overheid te gehoorzamen. Niets is minder waar. Het is het omdraaien van wat er werkelijk staat. Lees maar. De vraag die aan Jezus van Nazareth wordt gesteld is of het geoorloofd is belasting te betalen. Jezus van Nazareth vraagt dan om een belastingmunt. Die heeft hij kennelijk niet zelf in bezit. Ook zijn leerlingen hebben niet zo’n munt. Dat is niet zo vreemd en heeft niets met armoede te maken. Maar op de belastingmunten die je in Judea moest gebruiken stond de afbeelding van de Keizer van Rome. Romeinse stadhouders als Pontius Pilatus vonden dat een eer. Koning Herodes, die over Galilea ging keek wel uit. Munten met de beeltenis van een mens, of een dier, of van wat dan ook, werden door Galileërs geweigerd. Die raakten ze niet aan. Dat kwam door een strikte uitleg van het gebod uit Exodus dat je geen gesneden beelden moest maken, je zou immers eens in de verleiding komen die beelden te aanbidden.

Ook die verleiding is minder vreemd dan het klinkt. Romeinse Keizers beschouwden zich als Godheid. Jezus van Nazareth heeft dus niet een dergelijke munt, de Farizeeën wel. Maar dan stelt hij de vraag wiens beeld er op staat. Is niet de mens geschapen naar Gods beeld? Staat er dus niet het beeld van God op die munt en zou je die munt niet moeten gebruiken op de manier die God wil dat bezit gebruikt wordt? De belastingen van Keizers, Koningen en andere absolute machthebbers zijn en waren niet te vergelijken met de belastingen die we tegenwoordig betalen. Wij betalen belastingen ook om te delen met de armen, om de zorg te kunnen betalen en de hulp aan arme landen. De Keizer uit dit verhaal leefde zelf in weelde van die belastingen. Hij voelde zich zo machtig dat hij zich god op aarde voelde en zich ook zo liet vereren. Jezus van Nazareth ziet het grote verschil met de God waarvoor hij volgelingen zoekt. Van die God mag je je geen beeld vormen. Naar Gods beeld is immers elk mens gemaakt, man zowel als vrouw. En de Wet van die God is niet als de wet van de Keizer, de absolute gehoorzaamheid aan de Keizer, maar je naaste liefhebben als jezelf als gehoorzaamheid aan God. Daarom kon Jezus rustig zeggen dat die keizer z’n heidense muntjes zelf maar moest houden.

In het oorspronkelijke Grieks staat dat ze zijn munten maar terug moeten geven. Als er belasting betaald moet worden doe dat dan volgens de Wet die God al lang daarvoor in de woestijn had gegeven. Belastingen komen in onze dagen al lang niet meer alleen van absolute heersers. Al zijn er machthebbers genoeg die zich als godjes willen laten vereren. We hebben echter verenigingen die nadenken waarvoor we samen geld willen uitgeven, wie dat geld zou moeten betalen en die de uitvoering van die plannen ook controleren. Politieke Partijen heten die verenigingen. Van echte democratische politieke partijen mag iedereen lid worden. Binnenkort mogen we weer uitmaken wie we de beste vinden, door op een partij te stemmen bij verkiezingen. Via onderhandelingen komt er dan een regering of een gemeentebestuur die de ideeën van de partijen uitvoert. Mensen die in het verhaal van Jezus geloven kijken dan welke vereniging zorgt voor de zwakken in de samenleving, waar echt wordt gedeeld, waar rechtvaardigheid te vinden is. Waar dus ook de rijken het grootste deel betalen en niet het grootste deel subsidie in de wacht slepen zoals bij de hypotheekrenteaftrek het geval is. Daarom is belasting betalen niet genoeg maar moeten we ons actief bemoeien met wie ons regeert en hoe ze dat doen, wij hebben die mogelijkheid, wij kunnen vragen voor de armen te zorgen en niet de rijken te beschermen.

Alles staat klaar

Matteüs 22:1-14

1 Daarop vertelde Jezus hun opnieuw een gelijkenis: 2 ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. 3 Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft bijeen te roepen, maar die wilden niet komen. 4 Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb het feestmaal bereid, ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten. Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” 5 Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. 6 De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen. 7 De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. 8 Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de genodigden waren het niet waard. 9 Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.” 10 De dienaren gingen de straat op en brachten alle mensen die ze tegenkwamen bijeen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd. 11 Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen, zag hij iemand die geen bruiloftskleed droeg, 12 en hij vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen. 13 Daarop zei de koning tegen zijn hofdienaars: “Bind hem aan handen en voeten en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.” 14 Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.’ (NBV21)

Een merkwaardig verhaal staat er vandaag op het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat wij hier dagelijks volgen. Zo op het eerste gezicht een vrolijk verhaal. Maar het gaat over de hogepriesters en de Farizeeën en het laat ons iets zien van wat het Koninkrijk van God zou betekenen. Het koninkrijk van God is als een bruiloftsfeest. Maar de mensen die uitgenodigd zijn komen niet. Die hebben geen tijd, zijn te druk met hun zaken en werk of worden zelfs boos als iemand ze durft uit te nodigen. Het moet een feest zijn van delen en zorgen voor elkaar, waar tranen worden gewist, lammen leren lopen en blinden weer kunnen zien, waar iedereen er bij mag horen. Nu hebben heel veel mensen helemaal geen zin in dat eerlijk delen. Dat kennen we in onze tijd ook. We zorgen voor onszelf en iedereen kan toch voor zichzelf zorgen. Er zijn zelfs mensen die boos worden als je zelfs maar suggereert dat er mensen zijn die hulp nodig hebben, ook financiële hulp en dat we met die mensen zouden moeten willen delen.

En in onze haastige samenleving hebben ook steeds minder mensen tijd om vrijwilligerswerk te doen. Alle vrijwilligersorganisaties hebben te maken met dat tekort. Dat handelaren en zogenaamde harde werkers niet willen komen omdat ze eerlijk moeten delen snappen we nog wel een beetje. Dat mensen boos worden als je naar hun inkomen en eigendom wijst snappen we ook, zeker als ze veel hebben en een groot inkomen hebben. Maar die ene gast die geen bruiloftskleed wil aantrekken? Als je jezelf maar waardeloos vindt dan is van een ander houden als van jezelf ook al snel klaar en niet aantrekkelijk. En dan roepen sommigen nog dat er veel geroepen zijn en weinig uitverkoren, het tegendeel is waar: er wordt er maar één uitgegooid! We gaan er misschien iets van snappen als we ons realiseren dat Jezus altijd iedereen wil laten meedoen met zijn Koninkrijk. Ook de mensen die niet willen komen, zelfs de mensen die de boodschappers ombrengen. Uiteindelijk roept de Koning iedereen, de goeden en de slechten staat er.

En als je het dan nog niet door hebt, nog niet mee wil doen met een heel bijzonder verhaal dat iedereen ten goede komt, dan moet je het zelf weten. Dan worden er soldaten op je stad afgestuurd om die in brand te steken en dan wordt je gekneveld en buiten geworpen waar geween zal zijn en tandengekners. Heel langzaam moet je tegenwoordig dapper worden om te blijven geloven dat eerlijk delen ook kan. Zelfs als het hele bouwwerk van grijpen en graaien op instorten staat wordt nog gevraagd of belastingbetalers er wel genoeg winst uit weten te halen. Alsof het inkomen en het bezig van mensen met een bescheiden pensioen dat op een bank staat niet beschermd mag worden. Alsof dat kleine beetje reserve dat een arme heeft niet veilig gesteld mag worden. En dan die huizen. Huren van de bank, hypotheek nemen noemen ze dat, was voor mensen met een bescheiden inkomen altijd al riskant. Want een bank zorgt niet voor onderhoud en reparatie. Maar eigendom van een huis hoort nu eenmaal zo schijnt het. Ze zijn in verleiding gebracht door de aanbidders van winst en profijt. Mogen we de slachtoffers niet beschermen en ze zo uitnodigen voor die maaltijd in het Koninkrijk?

 

Een misstap

Psalm 73

1 Een psalm van Asaf. Ja, God is goed voor Israël, voor wie zuiver zijn van hart! 2 Toch had ik bijna een misstap begaan, bijna waren mijn voeten uitgegleden, 3 want ik keek met afgunst naar de dwazen, benijdde het geluk van wie kwaad doen. 4 Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard, hun buik is goedgevuld, 5 aardse kwellingen kennen zij niet, het lijden van anderen gaat aan hen voorbij. 6 Daarom is hoogmoed hun halssieraad en bedekt geweld hen als een mantel, 7 hun ogen puilen uit het vet, van eigenwaan zwelt hun hart. 8 Ze spotten, spreken kwaad en dreigen vanaf hun hoge zetels, 9 ze zetten een mond op tot aan de hemel en hun tong roert zich overal op aarde. 10 Daarom lopen de mensen achter hen aan, drinken hun woorden in als water 11 en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten? Beschikt de Allerhoogste over kennis?’ 12 Zo zijn de goddelozen ten voeten uit, ze verrijken zich, onverstoorbaar. 13 Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver en waste ik mijn handen in onschuld! 14 Want ik werd gestraft, dag aan dag, en geslagen, elke morgen weer. 15 Maar zou ik spreken als zij, ik pleegde verraad aan Gods kinderen! 16 Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten waarom-het was een vraag die mij kwelde, 17 tot ik Gods heiligdom binnenging en mij hun einde voor ogen bracht. 18 Ja, U zet en op een glibberig pad en stort hen in een diepe afgrond. 19 In een oogwenk is het met hen gedaan, hun ondergang, hun einde is een verschrikking. 20 Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer, bij het opstaan verjaagt U ze als beelden uit een droom. 21 Zolang ik verbitterd was, gekwetst vanbinnen, 22 dom en dwaas, was ik bij U als een redeloos dier. 23 Maar nu weet ik mij altijd bij U, U houdt mij aan de hand 24 en leidt mij volgens uw plan. Dan neemt U mij weg, met eer bekleed. 25 Wie buiten U heb ik in de hemel? Naast U wens ik geen ander op aarde. 26 Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd. 27 Wie ver van U blijven, komen om, wie U ontrouw zijn, verdelgt U. 28 Bij God te zijn is mijn enig verlangen, mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER. Van al uw daden zal ik verhalen. (NBV21)

Met klokkenluiders gaat het in onze samenleving nog lang niet goed. Er is een huis van klokkenluiders waar mensen zich onder geheimhouding kunnen melden om na te gaan wat de beste manier is om de misstand waarmee ze te maken hebben naar buiten te brengen of tenminste te doen beëindigen. Maar mensen die een ernstige misstand aan de kaak stellen lopen nog steeds de kans hun baan te verliezen en zelf tot armoede te vervallen. De fraudeurs een wetsovertreders gaan daarbij maar al te vaak vrij uit. De verbazing die het opriep is hetzelfde soort verbazing als de dichter van de Psalm die we vandaag met de kerk meezingen had. Met de goeden gaat het slecht en met de kwaden gaat het goed. Het is steeds weer hetzelfde. Als de onrechtvaardige inkomensverschillen verkleind dreigen te worden komen de rijken in het geweer en roepen dat ze door de nivellering te zwaar worden belast.

Het zijn duivelse verhalen waar de armen eigenlijk geen antwoord op hebben. De onrechtvaardige inkomensverschillen dienen nu eenmaal verkleind te worden om aan de armen recht te doen. De Psalmist wordt gewoon jaloers op de mensen die zich zo gemakkelijk kunnen verweren tegen elke aantasting van hun positie. Een extra heffing voor mensen met een exorbitante beloning wordt dan ook zonder tegenspraak jaloeziebelasting genoemd . Je zou je bijna bij de ordelievende rijken die geen verandering dulden aansluiten. Ook de Psalmist had bijna een misstap begaan. Maar dan let de dichter op het einde, let op wat het oplevert. Het levert de dood op. De manier van leven waar ze aan gewend zijn houdt op. Als er maar een handjevol mensen overblijft dat goederen kan kopen en er dus niemand meer nodig is om goederen te maken stopt de kringloop van geld en goederen.

Dan breekt de honger uit, maar dan hebben de werklozen de tijd het eten voor zichzelf te verbouwen, in sommige delen van ons land gebeurd dat dus al. Vetgemest gaan de rijken dood aan hart en vaatziekten terwijl de armen, gedwongen tot eenvoudig voedsel het veel langer en veel gezonder vol houden in het leven. Natuurlijk, de welvaart druipt van de rijken af en dat is verleidelijk zeker voor mensen die dag in dag uit moeten worstelen voor hun bestaan. Religieuze rituelen als het wassen van de handen voor er offers worden gebracht, het wassen van handen in onschuld, helpen niet om te overleven. Alleen delen met elkaar geeft de garantie op een toekomst. En dan zie je dat al dat vertoon van welvaart nog geen vertoon van welzijn is, dat het eigenlijk lucht en leegte is en najagen van wind. Delen met elkaar, de naaste liefhebben als jezelf, de Wet van de God van Israël volgen geeft een oneindige toekomst en vrede in het huidige leven. Dat mag gewoon elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Koud of warm!

Openbaring 3:14-22

14 Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: “Dit zegt Amen, de trouwe en betrouwbare getuige, het begin van Gods schepping: 15 Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! 16 Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal Ik u uitspuwen. 17 U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. 18 Daarom raad Ik u aan: koop van Mij goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen; zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. 19 Iedereen die Ik liefheb wijs Ik terecht en bestraf Ik. Zet u dus volledig in en kom tot inkeer. 20 Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij. 21 Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit. 22 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”’ (NBV21)

Je kent die gemeenten wel, er valt nooit een onvertogen woord. Elke zondag verzamelen zich in de loop van de ochtend de gemeenteleden. Het kerkbestuur heeft gezorgd voor een grote parkeerplaats zodat iedereen gemakkelijk de auto kwijt kan. De mannen zijn in fraai gesneden pakken met overhemd en stropdas en de vrouwen dragen decente jurken naar de laatste mode maar zeker niet opzichtig. Er wordt goed gezongen. De organist weet van wanten en heeft natuurlijk conservatorium, de dominee preekt vriendelijk over het goede der aarde, het mooie van de schepping en het wonderbaarlijke van het hiernamaals. Het is allemaal keurig en netjes, er is niemand die afwijkt, niemand ook die arm is of behoeftig. Als iemand van de gemeente al eens in problemen komt dan zijn er gemeenteleden genoeg die kunnen helpen.

Zulke gemeenten lijken als twee druppels water op de gemeente in Laodicea. Je wordt er niet warm of koud van. Ze zijn niet te veroordelen of te bekritiseren. Ze doen schijnbaar niets verkeerd, ze vallen in elk geval niemand lastig en zijn een sieraad voor de kerk denken ze zelf. Maar er gaat niets van uit. Laodicea was een rijke stad. In het jaar 60 was er een aardbeving geweest en de burgers waren in staat geweest zonder hulp van buitenaf de stad weer op te laten bouwen. Er werden wollen stoffen van de fijnste kwaliteit vervaardigd en prachtige gewaden geweven. Daarnaast was er een ziekenhuis met een oogkliniek die tot ver in de omtrek beroemd was, de knapste oogartsen werkten juist daar.

Johannes herinnert dit soort gemeenten aan Hosea, die verketterde de rijken die huis aan huis voegden en akker aan akker. Hoe eerlijk die handel ook toegaat, altijd zullen de armen er uiteindelijk het slachtoffer van worden. Dat was in Bijbelse tijden niet anders dan in de onze. En de vraag is of dit soort keurige gemeenten nog openstaan voor verandering. Kun je nog met ze aan tafel om te delen? Is er nog gehoor voor de roep van de armen in ontwikkelingslanden, is er nog plaats voor de voedselbank en de fair trade winkel? Is er nog plaats om een gezin op te vangen dat dreigt uitgezet te worden? Gaat er nog een roep uit om een echt rechtvaardige samenleving waar ook de papierlozen mee mogen doen en er geen voedselbanken meer nodig zijn? Klinkt er nog de roep om rechtvaardige handelsverhoudingen en koopt men kleding die niet in slavernij is gemaakt? Ook in die gemeenten mag men elke dag opnieuw beginnen de naaste lief te hebben als zichzelf, ook vandaag weer, en morgen, totdat hij komt.

 

Ik weet wat u doet.

Openbaring 3:7-13

7 Schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: “Dit zegt Hij die heilig en betrouwbaar is, die de sleutel van David heeft-wanneer Hij opendoet, kan niemand sluiten, wanneer Hij sluit, kan niemand openen: 8 Ik weet wat u doet. Ik heb ervoor gezorgd dat de deur voor u openstaat, zonder dat iemand hem kan sluiten. Want ook al hebt u weinig invloed, u bent trouw gebleven aan wat Ik heb gezegd en hebt mijn naam niet verloochend. 9 Ik zal mensen laten komen die bij Satan horen, leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat Ik u liefheb. 10 Omdat u trouw bent gebleven aan mijn gebod om stand te houden, zal Ik u ook trouw zijn wanneer binnenkort overal op aarde de tijd van de beproeving aanbreekt, als de mensen die er leven op de proef worden gesteld. 11 Ik kom spoedig. Houd vast aan wat u hebt, dan zal niemand u de lauwerkrans kunnen afnemen. 12 Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen, en ook mijn eigen nieuwe naam. 13 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.” (NBV21)

We lezen de brief aan Filadelfia uit het boek Openbaring. Filadelfia was een Turkse stad. Niet een Amerikaanse stad in dit geval. Het was niet een erg belangrijke stad maar wel een vruchtbare stad. Vulkanen in de buurt hadden gezorgd voor een erg vruchtbare grond die vooral geschikt was voor de wijnbouw. In Filadelfia woonde een kleine maar vruchtbare Christelijke gemeente. Een gemeente die net als de andere Christelijke gemeenten wekelijks bij elkaar kwam en daar de Hebreeuwse Bijbel las en elkaar verhalen vertelde over hoe Jezus van Nazareth daarmee om was gegaan en hoe hij de liefde die werd bepleit in de Hebreeuwse Bijbel vol had gehouden door de dood heen. Die jonge Christelijke gemeenten bestonden uit een zeer gemengd gezelschap, Joden, Heidenen, slaven, vrijen, mannen en vrouwen. Binnen de gemeente waren ze allemaal gelijk. De gemeente in Filadelfia werd daar dan ook voor geprezen. Ze waren om te beginnen erg gastvrij. Zo gastvrij dat daar ook het gevaar school waar ze aan werden blootgesteld. Ze moesten zich het verhaal van Koning Hizkia herinneren. Een koning die de dienst aan de God van Israël in ere had hersteld. Een koning dus die weer recht had gesproken zoals het hoorde, die de armen tot hun recht had laten komen.

Maar niet iedereen kon zomaar bij die Koning binnenlopen, je moest wel een echte zaak hebben waar recht over moest worden gesproken. De profeet Jesaja beschreef daarom hoe er iemand werd aangesteld die de sleutel had van het huis van David kreeg, de sleutel dus die toegang gaf tot de koning, tot het Recht. Die sleutel was nu in handen van Jezus van Nazareth, de mensenzoon die vanuit de Hemelse Tempel die op aarde zou komen zoals deze brief had geschreven. Eigenlijk waarschuwt de brief er voor dat de jonge gemeente van Christenen de Hebreeuwse Bijbel moest blijven lezen op de manier die Jezus van Nazareth had voorgedaan. Er zouden Joden komen die het goede werk van de Christelijke gemeente zouden prijzen, maar die tegelijk zouden eisen dat de Heidenen ook Jood zouden worden, zich zouden laten besnijden, de spijswetten zouden volgen, zich aan de reinigingsrituelen zouden houden.

Dat zou de gelijkheid met de slaven in de gemeente teniet doen, die konden immers nooit aan die regels gaan voldoen als hun eigenaren niet zelf Jood of Christen zouden zijn geworden. Johannes waarschuwt voor deze lieden. Het effect zou zijn dat het revolutionaire karakter van de Christelijke gemeente zou zijn verdwenen. Niks samenleving waarin ook de minsten tellen, het soort samenleving dat ook door Hizkia opnieuw was begonnen. De gemeente wordt opgeroepen standvastig te blijven. Juist door aan die beginselen vast te houden ook als ze beproefd werden zou de gemeente winnen en de nieuwe samenleving aanbreken. De Geest van Jezus van Nazareth zou ze daarbij helpen, die komt als geroepen, dus spoedig. Ook wij moeten in deze tijd vast houden aan de zorg voor de armsten, de papierlozen, de zieken en gehandicapten, de slachtoffers van geweld, al die mensen die vermalen dreigen te worden door de bescherming van de rijken. Zeker als vreemdelingen hier al lang zijn ingeburgerd behoren ze hier te mogen blijven. Elke dag opnieuw moeten we opnieuw die zorg op ons nemen, ook vandaag weer.

 

Word wakker

Openbaring 3:1-6

1 Schrijf aan de engel van de gemeente in Sardes: “Dit zegt Hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; men zegt dat u het leven hebt, maar u bent dood. 2 Word wakker, versterk uw laatste krachten: u bent op sterven na dood. Want Ik merk dat uw daden tekortschieten in Gods ogen. 3 Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast en kom tot inkeer. Maar als u niet wakker wordt, kom Ik onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent. 4 Maar enkelen in Sardes hebben hun kleren schoon gehouden. Zij zullen bij Me zijn, in het wit gekleed, want ze verdienen het. 5 Wie overwint mag zich ook in het wit kleden. Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem pleiten ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen. 6 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.” (NBV21)

Je moet misschien toch een encyclopedie nemen om de boodschap van de Bijbel soms te kunnen verstaan. Want wat is Sardes en waarom wordt daar een brief heen geschreven over de dood. We lezen dan dat Sardes de stad was van Koning Croesus. Dat was de Koning uit de Griekse Mythologie die van goud hield en wel zoveel dat alles wat hij aanraakte veranderde in goud. Hij stierf van de honger omdat ook zijn eten veranderde in goud. De Christelijke gemeente in Sardes was kennelijk ook een bewonderaar van Croesus. Ook zij zijn meer op goud uit dan op leven. Het streven naar winst en meer winst, naar kapitaal en versterking van kapitaal is streven naar de dood. Dat wist de Griekse mythologie al, dat is ook de boodschap van de Bijbel.

Ook Johannes schrijft dat een doodshemd geen zakken heeft. Je kunt al dat kapitaal niet met je meenemen. Wat blijft van een mens is het goede dat die mens deed, van de doden immers niets dan goed. Als we dus kiezen voor het leven dan kiezen we voor het doen van het goede en niets dan het goede. Dat was al waartoe Paulus zijn gemeenten opriep. Maar te midden van de goudzoekers in Sardes is het slechts een kleine minderheid die kiest voor het leven en zich niet laat verleiden tot het najagen van goud en glitter. Ook in Sardes hadden ze overigens hun eigen orakel. Een dame die zich gewijd had aan Artemis, de zuster van Apollo, en waarvan gezegd werd dat ze de doden tot leven kon wekken.

Volgens Johannes zijn niet alleen de doden dood maar zijn zelfs de levenden op sterven na dood. De schittering van goud en diamanten kan dan wel levendig lijken, oogverblindend zelfs, maar het is schijn, het is klatergoud en glas. Ook in onze dagen wordt er opgekeken naar de rijken, zij die de Quote500 weten te halen. Als hen gevraagd wordt om iets meer bij te dragen aan de samenleving zodat de armsten kunnen worden ontzien dan heet het jaloeziebelasting. Dat die extra belasting voor hen een levensverzekering is hoor je maar weinig. In de Verenigde Staten hebben de allerrijksten zelf aangeboden iets meer aan de samenleving bij te dragen. Het aanbod wordt door velen afgewezen, je kunt immers beter naar het hebben kijken dan naar het delen. Het delen zoals dat in kerken wordt geleerd vestigt maar de aandacht op de minsten, de zwaksten in de samenleving. Gelukkig dat gelovigen daar elke dag weer voor mogen zorgen, zij staan dan in het licht van Gods Geest, iedere dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Liefdevol, trouw, hulpvaardig en standvastig

Openbaring 2:18-29

18 Schrijf aan de engel van de gemeente in Tyatira: “Dit zegt de Zoon van God, die ogen heeft als vlammend vuur en voeten als brons: 19 Ik weet wat u doet, hoe liefdevol, trouw, hulpvaardig en standvastig u bent; u doet nu zelfs meer dan vroeger. 20 Maar dit heb Ik tegen u: u laat die Izebel, die zichzelf profetes noemt, haar gang gaan terwijl ze mijn dienaren met haar uitspraken tot ontucht en tot het eten van offervlees verleidt. 21 En hoewel Ik haar de tijd heb gegeven om tot inkeer te komen, weigert ze haar ontuchtig gedrag op te geven. 22 Ik zal haar ziek maken en hen die overspel met haar plegen in ellende storten, tenzij ze zich van haar daden afkeren; 23 haar kinderen zal Ik laten sterven aan een dodelijke ziekte. Laat elke gemeente beseffen dat Ik het ben die hart en ziel van de mens doorgrondt en dat Ik ieder van u zal belonen naar zijn daden. 24 Tegen de rest van u in Tyatira, al degenen die haar leer niet aanhangen en die zich niet hebben verdiept in de zogenaamde verborgenheden van Satan, zeg Ik: ‘Ik leg u maar één last op: 25 houd vast aan wat u hebt, totdat Ik kom.’ 26 Wie overwint en tot het einde blijft doen wat Ik wil, zal Ik macht geven over alle volken. 27 Met een ijzeren herdersstaf zal hij hen hoeden, als aardewerk worden ze verbrijzeld. 28 Ik geef hem macht, zoals mijn Vader die aan Mij heeft gegeven. En Ik zal hem ook de morgenster geven. 29 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.” (NBV21)

Moet je nu als Raad van Kerken, Protestantse Kerk Nederland of plaatselijke gemeente een actie starten tegen figuren die zich voordoen als een bijzondere kerk die wonderen kan doen, genezingen kan brengen in massale bijeenkomsten en veel geld weten in te zamelen. Ze plegen bedrog en ze leiden af van waar het werkelijk in de Bijbel over gaat, de komst van het Koninkrijk van God, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar geen tranen meer zullen vloeien. De vraag of je je moet houden bij je eigen verhaal, of dat je je ook moet verzetten tegen de bedriegers en bedriegsters die vanouds de mensheid belagen, is al zo oud als de Bijbel is. Koning Saul werd veroordeeld omdat hij raad had gezocht bij zo’n geestenfluisteraarster en ook in het nieuwe testament worden deze praktijken veroordeeld. Vandaag lezen we een brief aan de dappere gemeente Thyatira. Wij kennen deze gemeente niet meer. Ze lag in Turkije aan een belangrijke handels en militaire route. Het was druk op die weg en om er aan te verdienen moet je iets hebben om er aan te kunnen verdienen.

Thyatira had twee dingen. Ze hadden een tempel voor Apollo en ze hadden Izebel. Die twee hoorden wel vaker bij elkaar. Bij de Tempels voor Apollo in Griekenland hoorden ook de orakels, vrouwen die zich in trance lieten brengen, door drugs of bedwelmende stoffen en dan de toekomst voorspelden of bij belangrijke beslissingen raad gaven. Paulus gaat zelfs zo ver dat hij verbiedt dat deze vrouwen nog spreken in de Christelijke gemeente. Helaas leggen sommigen dit uit dat alle vrouwen moeten zwijgen, maar zo is het niet. De tekst van Johannes suggereert hier dat de Izebel waarover gesproken wordt een Joodse of zelfs een Christelijke vrouw zou kunnen zijn die de suggestie wekt namens de God van Israël te spreken. Voor Johannes heet ze dan geen Izebel, maar is het een Izebel, een vrouw die net als de vrouw van koning Achab de mensen uitlacht die trouw willen blijven aan de voorschriften van de God van Israël.

Hoe het ook zij in het licht van deze brief kunnen we ook wat zeggen over onze eigen houding tegenover de bedriegers en bedriegsters die als bekende Nederlanders met hun bedrog zich een goed inkomen proberen te verwerven. Dat de mensen in Thyatira het steeds beter doen kan niet anders betekenen dat ze het steeds meer opnemen voor de minsten in hun samenleving. Liefdevol, gelovig en hulpvaardig worden ze genoemd. Ze hebben hun naaste lief, ze geloven in een betere samenleving en staan open voor hulp daar waar het nodig is. We nemen in onze kerken en gemeenten graag een voorbeeld aan een dergelijke gemeente. Een missionaire opdracht noemen we dat, laten zien in de samenleving wat het geloof in de God van Israël in de praktijk kan betekenen. Maar daar moet het dus niet bij blijven. Het bedrog van orakels, geestenfluisteraars, instraalsters en pseudoreligieuzen moet dus ook aan de kaak gesteld worden. Het is volgens het boek van Johannes een taak van de Christelijke gemeente. We kunnen elke dag laten zien waar de gemeente voor staat, maar intern moet je dus ook de houding tegenover dit bedrog aan de orde stellen.

Het verborgen manna

Openbaring 2:12-17

12 Schrijf aan de engel van de gemeente in Pergamum: “Dit zegt Hij die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft: 13 Ik weet waar u woont, namelijk waar Satans troon staat. U bent mijn naam trouw gebleven en hebt uw geloof in Mij niet verloochend, ook niet toen Antipas, mijn betrouwbare getuige, werd gedood in uw stad, waar ook Satan woont. 14 Maar enkele dingen heb Ik tegen u: sommigen houden vast aan de leer van Bileam, die Balak liet weten hoe hij voor de Israëlieten een valstrik moest zetten, waardoor ze vlees dat bij de afgodendienst gebruikt is zouden eten en ontucht zouden plegen. 15 Zo is het ook bij u: sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de Nikolaïeten. 16 Kom toch tot inkeer, anders kom Ik binnenkort naar u toe en zal Ik hen met het zwaard uit mijn mond bestrijden. 17 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal Ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat, die niemand kent behalve degene die het ontvangt.” (NBV21)

“Ik weet waar jouw huis woont” zingen jongeren tegenwoordig en misschien is dat wel een betere weergave van wat hier door Johannes wordt bedoeld dan het keurige “ik weet waar u woont”. Het is waar Satans troon staat. Nu moeten we niet gelijk denken aan de middeleeuwse verzinsels van een man met hoornen gekroond en lopend op bokkenpoten. De beschrijving die Johannes hier geeft is een scherpe politieke uitspraak, zoiets als je Wilders wel eens hoort doen, maar dan waarachtiger en effectiever. Johannes heeft het over Pergamum en als we iets over die troon van Satan willen weten dan moeten we naar Berlijn. Daar is het Pergamummuseum waar een reusachtig altaar staat dat door archeologen uit Pergamum naar Berlijn is gebracht. Dat altaar stond in een Tempel van Zeus, die zo groot was dat de stad er omheen was gebouwd. Maar Zeus was niet de enige god die werd vereerd.

Pergamum wordt ook vergeleken met Lourdes. We kennen de staf met de slang er om die door dokters als teken van hun beroep wordt gevoerd. Het is het teken van de god Aesclepios en ook die god werd groots vereerd in Pergamum, daar was genezing te vinden heette het. Tegelijk was Pergamum een belangrijke Romeinse stad waar een groot standbeeld voor Keizer Augustus stond, die natuurlijk ook werd aanbeden, en een Tempel voor Roma Mater, waar de oorsprong van het Romeinse Rijk werd vereerd. Geen wonder dat de jonge Christengemeente de neiging had te zwichten voor het religieuze geweld van hun tijd. Hun religie werd een zaak voor het individu, voor achter de voordeur. Niet meer een zoutend zout voor de samenleving, maar een geestelijke weg naar het eeuwige leven. De ketterij van de Nicolaïten die je ook vandaag de dag in allerlei vermommingen in de kerken tegen kunt komen. Doe maar mee met de Happinez beweging, de leer van Bileam.

Die Christenen van Pergamum hebben daar een goede reden voor. De man die het meest uitgesproken opkwam voor de godsdienst van Jezus van Nazareth, Antipas, was gedood, het was dus zaak op te passen. Maar Johannes wijst opnieuw op het risico dat je op je moet willen nemen. Niks achter de eigen voordeur. Goden met eigen handen gemaakt doen niks, genezing bij een koperen stang met de afbeelding van een slang is bedrog, niks ingestraald water of contact met overledenen, geen klankschalen, kleurentherapie of genezende stenen. Om je aan de dood en de opstanding te herinneren is een witgekalkt steentje genoeg. De nieuwe naam die er op zou staan heeft tot veel speculaties geleid, maar wat is er nieuwer dan “opgestane”, ook wij kennen immers niemand die zo genoemd kan worden? Wij moeten geloven in die ene die opstond uit de dood door de Liefde van God. Een liefde die ook ons kan laten leven, leven voor de minsten in onze samenleving. Dat mogen we elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Die dood was

Openbaring 2:8-11

8 Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: “Dit zegt Hij die de eerste en de laatste is, die dood was en nu leeft: 9 Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent. Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen. 10 Wees niet bang voor het lijden dat u nog te wachten staat. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid, en zo op de proef worden gesteld; tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben. Wees trouw tot in de dood, dan zal Ik u als lauwerkrans het leven geven. 11 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.” (NBV21)

Het zal duidelijk zijn dat de mensen in de tweede gemeente waaraan door Johannes geschreven wordt, Smyrna, het niet gemakkelijk hebben. Het vormen van een nieuwe gemeenschap van Joden, Heidenen, armen, rijken, mannen, vrouwen is in die welvarende steden van Klein Azië al niet gemakkelijk. Het gelijk stellen van Slaven en vrijen ondermijnt de economie en is een directe bedreiging voor de positie van de machtigen en de rijken. De weigering om het beeld van de heersende keizer te aanbidden onderstreept het revolutionaire karakter van die nieuwe godsdienst. De Joden waren de enigen die toestemming hadden om af te zien van de aanbidding van de Keizer. Zij hadden getoond geen kwaad in de zin te hebben als het ging om bestaande machtsverhoudingen. Integendeel, soms hielpen ze de Romeinse heersers een tegenwicht te bieden tegen al te opdringerige aanbidding van plaatselijke goden. De Christenen waren daarom ook een bedreiging van de Joodse religieuze gemeenschappen.

Hun vorming van de nieuwe aarde, de hemelse aarde, nu al in de bestaande samenleving, maakte dat straks de Joden ook nog verplicht zouden worden om de beelden van de keizer te aanbidden. Die Joodse gemeenschappen spoorden daarom de Romeinse heersers aan om de Christenen als staatsgevaarlijke beweging te vervolgen. Hun stichter, Jezus van Nazareth, was immers ook als staatsgevaarlijk en pseudo koning der Joden aan een kruis geslagen. Wie denkt dat een scheiding van kerk en staat een oplossing biedt heeft de geschiedenis toch wel erg oppervlakkig bestudeerd. De Christelijke gemeenschap gaat altijd tegen de bestaande machtsverhoudingen in. Alle mensen ter wereld worden als broeders en zusters beschouwd. Van alle door de staat als vreemdeling beschouwde mensen kan er eigenlijk niemand verwijderd worden want ze horen bij de Christelijke gemeenschap ter plaatse en die mag je niet aantasten, want het zijn ook je eigen burgers. Johannes roept op de verdrukking maar te ondergaan. Als Jezus van Nazareth ondanks de kruisdood nog leeft dan hoef jij als gelovige ook niet bang te zijn voor de dood.

Juist het gedood worden omwille van het geloof is de overwinning. Jij blijft geloven in de macht van de liefde, jij blijft net als Jezus van Nazareth leven in de liefde. Want dat was de kern van het geloof van die jonge gemeenten: zonder liefde ben je dood. Voordat ze gingen geloven in de kracht van de liefde voor elkaar en voor de minsten in de samenleving waren ze dood, werden ze geregeerd niet door hun eigen wil, door wat ze zelf meebrachten, maar wat door een dode onpersoonlijke staat van ze werd gevraagd. De liefde van Christus had vrijheid gebracht. Geen vreemde regels van buiten regeerden je meer, geen willekeurig aanbidden van met mensenhanden gemaakte goden. Maar aanbidding door liefhebben van de naaste als jezelf. Geen van buiten opgelegde ongelijkheid van mensen, geen angst die je wordt aangepraat en opgedrongen, maar gelijkheid van mensen in de liefde. Ook vandaag zijn we weer een minderheid waarop neergekeken wordt. Mensen die geloven in verwantschap met iedereen, mensen die geloven dat armoede kan verdwijnen, dat liefde kan regeren in plaats van geweld, ook vandaag is het zaak het vol te houden, elke dag weer, ook vandaag.

Wie oren heeft

Openbaring 2:1-7

1 Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: “Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en zich tussen de zeven gouden kandelaars beweegt: 2 Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en standhoudt, en dat u boosdoeners niet verdraagt. Zo hebt u mensen die beweren dat ze apostelen zijn, op de proef gesteld en als leugenaars ontmaskerd. 3 U bent standvastig en hebt veel verdragen omwille van mijn naam, zonder te verslappen. 4 Maar dit heb Ik tegen u: u hebt de liefde van weleer opgegeven. 5 Bedenk van welke hoogte u gevallen bent. Kom tot inkeer en doe weer als vroeger. Anders kom Ik naar u toe en neem Ik, als u geen berouw toont, uw kandelaar van zijn plaats. 6 Het pleit echter voor u dat u net als Ik de praktijken van de Nikolaïeten verafschuwt. 7 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal Ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat.” (NBV21)

Zeven brieven moet Johannes schrijven. Aan zeven soorten gemeenten. Aan alle gemeenten die er zijn dus. Maar pas op. Johannes schrijft geen abstracte briefjes, het zijn geen zogenaamde briefjes die alleen in zijn gedachten bestaan of alleen in zijn visioen voorkomen. Johannes schrijft over het hier en nu van zijn bestaan. Hij begint te schrijven aan de gemeente, in Efeze. Daar komt hij zelf vandaan. Efeze is de belangrijkste stad van Klein Azië, de derde stad van het Romeinse Rijk. De stad werd gekenmerkt door handel en religie. Aan beiden werd fors verdiend. Vooral de religie van Diana met haar prachtige tempel was zeer populair en overal vandaan kwamen de aanbidders die zilveren Tempeltjes kochten. Die aanbidding van Diana was zo sterk ingesleten dat de Christenen toen ze aan de macht kwamen haar vervingen door Maria. De moeder van Jezus zou in Efeze zijn gaan wonen. Nog eeuwen later zou de Roomse Kerk beweren dat ze in Efeze ten hemel was gevaren als Jezus zelf. In de dagen van Johannes was de kerk in Efeze zeer beïnvloed geraakt door de handel en de handel in de religie.

De onderlinge liefde, de zorg voor de minsten in de samenleving was verdwenen. De Christelijke gemeente was een vereniging die net als andere religies een vereniging met rituelen hadden. Het doel was het verkrijgen van het eeuwige leven. Met een doel als dat regeert de dood. Het enige doel van een dergelijke religie is het ontlopen van de dood. Geloof, aanbid de godheid, probeer anderen ook er bij te betrekken en je krijgt als beloning het eeuwige leven. Dat soort kerken en sekten kennen we ook vandaag nog. In dit leven is het niet maar in het leven na dit leven, daar moet je het zoeken. Alsof Johannes niet schetst dat de hemel op aarde is gekomen. In elk geval was de gemeente van Efeze nog te redden. Ze hadden zich verzet tegen lieden die het Christendom met Heidendom wilden mengen.  Een Heidendom dat sprak van geheime kennis. Daarin moest je via een ingewikkeld stelsel van riten ingewijd worden en pas als je die kennis had verworven kon je deel krijgen aan het goddelijke en dus aan het eeuwige leven.

Dat ging de Christenen in Efeze toch net een stap te ver. En op grond van die keuze is ook de kerk al vanaf het begin van haar bestaan overgegaan tot veroordeling van deze leer die je terugvindt in allerlei geschriften die buiten het Nieuwe Testament zijn gebleven. Johannes roept op terug te keren tot de Geest van God zoals we die in de Hebreeuwse Bijbel hebben leren kennen en zoals die ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth. Het leven is daarbij het doel, maar dan het leven zoals het ons nu gegeven is. De dood, zelfs de kruisdood, houdt ons daarbij niet van de liefde af. De liefde voor de naaste is wat gelovigen in beweging brengt. En die liefde zoekt zichzelf niet en vraagt dus niet om een beloning. Die beloning is genade van God en juist als je die niet meer zoekt, zegt Johannes, dan zul je dat eeuwige leven krijgen omdat die Liefde een eeuwig bestaansrecht heeft. Ook vandaag mogen we het dus met diezelfde liefde doen, net als elke dag opnieuw.